Van Schooljongen Tot Koning Een Verhaal Samengesteld Uit De Aan
Chapter 17
"En ik heb last gegeven," voegde Zabern er bij, "den Hertog te doen fusileeren, wanneer de bevolking hem met geweld zou trachten te bevrijden."
"Geen halve maatregel!" lachte Dorislas. "En vindt de Prinses dat goed?"
"Waarschijnlijk niet," antwoordde Zabern droog. "Maar ook in het meest verlichte land moet men onder dringende omstandigheden z'n toevlucht tot geweld nemen. Bovendien ben ik tot Minister van Oorlog ad interim aangewezen. Desverkiezend kan ik in geval van dreigend gevaar van de zijde der vreemdelingen, tot buitengewone maatregelen overgaan."
"Je spreekt erover, collega," schertste Dorislas, "alsof je er naar verlangt, dat ze herrie zullen gaan maken!"
Dorislas en Miroslav waren, zooals bleek, op weg naar de schermzaal, die midden in den Hoftuin stond. Het was hun gewoonte daar elken dag bijeen te komen om zich in de behandeling der wapenen te oefenen, een gewoonte, die in Czernovië, waar lichaamsoefeningen hoog staan aangeschreven, niets buitengewoons heeft. Het Gouvernement moedigt er het verstandig ontwikkelen van lichamelijke kracht zeer aan; op alle lagere scholen behooren gymnastiek, zwemmen en schermen tot de verplichte leervakken, aan de inrichtingen van hooger onderwijs zijn daaraan ook oefeningen in het paardrijden, roeien en schieten toegevoegd.
Zabern noodigde Felix uit mede een kijkje te gaan nemen in de schermzaal.
"En het cijferschrift, maarschalk?" zeide de nieuwe Secretaris.
"Ik sprak uw jongen vriend zooeven," antwoordde Zabern. "Hij wilde me nog niets zeggen, maar ik zag aan zijn gezicht dat hij goed op weg was. Mij dunkt, het werk is aan hem toevertrouwd. Laten we hem niet storen. En wat ons beiden betreft, we hebben afleiding verdiend. Een partij sabel zal ons naar geest en lichaam verfrisschen."
Felix had geen verdere bezwaren, en terwijl hij zich bij den Commandant voegde, volgde Zabern met Dorislas op eenigen afstand.
"Maarschalk, wat beteekent dezen geheimzinnige geschiedenis?" vroeg de Minister van Financiën met een zijdelingschen blik op Felix. "Er loopt een vreemd gerucht, dat hij en de Prinses elkaar vroeger gekend hebben, en dat dit bleek uit een gesprek tusschen hem en den Hertog op de veranda van het Hotel Czernovië--van welk gesprek een kelner iets schijnt te hebben opgevangen. Op dat gesprek volgt een duel met den Hertog; de Prinses, daarvan onderricht, snelt den Hollander te hulp, verwijst haar aanstaanden Gemaal naar de citadel, maar laat den anderen duellant ongemoeid. En nu brengt u het verrassende nieuws dat de Prinses dezen Van Heelstra haar Secretaris heeft gemaakt. Wat beteekent dit alles?"
"Vraag dat Hare Hoogheid," zei Zabern droog, en van onderwerp veranderend, voegde hij er bij: "gebeurde er iets bizonders in de kamerzitting gisteravond?"
"Wat, Maarschalk! hebt ge daarvan niet gehoord?" riep Dorislas, terwijl zijn gezicht de uiterste verbazing te kennen gaf.
"Gehoord? Ik heb niets gehoord. Ik ben tot zeven uur in den morgen bezig geweest met het spoor van dien Russakoff te zoeken, en daarna heb ik geslapen. Wat voor nieuwe dwaasheid hebt gij en de rest van het Ministerie dan weer in mijn afwezigheid uitgehaald?"
"Wel, er werd ter sprake gebracht, dat de Czaar zich zeer duidelijk had uitgelaten over het huwelijk van de Prinses met den Hertog van Bora; de Russisch-gezinde afgevaardigde Lojgoroucki vroeg daaromtrent nadere inlichtingen aan de Regeering, en sprak de wenschelijkheid uit, dat men omtrent de gevoelens der Prinses aangaande deze omstandigheid nauwkeurig werd ingelicht."
"Dat is nog al brutaal. En--werd hij op z'n nummer gezet?"
"Radzivil antwoordde voor zijn doen zeer voorzichtig, wees er op dat de persoonlijke gevoelens van de Prinses geen regeeringszaak waren."
"En zoo liep alles zeker met een sisser af?"
"Het zou zeker zoo gegaan zijn, als de uitgever Lipski, de afgevaardigde der Slavowitzsche Russen, den boel niet bedorven had. Hij haalde een nummer van zijn avondeditie uit den zak, en las een stuk voor, waarin leelijke noten gekraakt worden over de gezindheid der Prinses tegenover Rusland, ja, waarin zelfs gewezen wordt op de mogelijkheid van een staatsgreep, door de partij der Prinses te ondernemen. Lipski verklaarde, de verantwoordelijkheid voor het artikel in de Kolokol niet op zich te willen nemen, maar daar hij verzekeren kon, dat het afkomstig was van een hooggeplaatst, invloedrijk en welingelicht persoon, meende hij toch dat het de aandacht der Volksvertegenwoording ten zeerste waard was."
"De vent liegt natuurlijk alles," viel Zabern hem in de rede. "Dat artikel zal hij zelf wel geschreven hebben."
"Juist toen hij uitgesproken had," vervolgde Dorislas, "drong het bericht van de arrestatie van den Hertog in de vergaderzaal door. Een onbeschrijfelijk tumult greep plaats. Allen schreeuwden door elkaar. "Dat is de staatsgreep!" riepen de Russen. "Gooit de vreemdelingen er uit!" riepen de Czernoviërs. Het lukte den voorzitter niet de orde te herstellen, en de vergadering werd een half uur geschorst."
"Hij had dien Lipski door de boden er uit moeten laten zetten," bromde Zabern. "En toen?"
"Een half uur daarna zette men de vergadering voort. Lipski diende een motie in, luidend, dat de Kamer de zienswijze der Regeering wenschte te vernemen omtrent haar gedragslijn tegenover de Russische eischen nopens het huwelijk der Prinses."
"De vlegel! Natuurlijk juichten de Russen. Was Ravenski er?"
"Neen. Hij waagt zich niet graag in 't gewoel, en verkoos de Opera boven de Kamer."
"De lafaard! Ik wou dat ik er geweest was!"
"In de Opera? Nu, dat was wel de moeite waard, want...."
"Geen gekheid. Wat gebeurde er daarna?"
"Wel, men begon over de motie te stemmen. En ze werd aangenomen."
"Aangenomen? Terwijl de vreemdelingen in de minderheid zijn?"
"Vergeet niet, dat Mengelberg hier gisteravond was."
"Mengelberg?" vroeg Zabern. "Wie is dat? Wat had die in de Kamer te maken?"
"In de Kamer?" lachte Dorislas. "Daar was hij niet. In de concertzaal van de Opera. Maar u weet toch wel wie Mengelberg is! Heel de wereld kent hem."
"De duivel mag hem halen. Verder."
"Wel, bijna alle leden van onze partij woonden het concert bij. Men speelde de Piet-Hein-Rapsodie van Van Anrooy. Prachtig. Subliem. Jammer dat u er niet was. Ze waren er bijna allemaal, onze partijmannen."
"Een zekere ezel, Dorislas genaamd, niet uitgezonderd. Maar wat drommel, liet Radzivil jullie dan niet door soldaten naar de Kamer sleepen?"
"Radzivil zond Opalinski naar de Opera. Opalinski kwam binnen. Juist had Mengelberg den dirigeerstok opgeheven. Opalinski's schoenen kraakten. Mengelberg keek hem zoo doordringend aan, dat hij geen voet meer dorst verzetten. De muziek begon, en toen het stuk uit was, was de motie aangenomen. Toen we de Kamer binnenkwamen, werden we door het hoongelach der Linkerzijde begroet."
"Nu--laat ze plezier hebben van hun motie. Ik zal Radzivil wel dicteeren wat hij er op antwoorden moet."
Het viertal had nu de schermzaal bereikt. Boven den ingang wapperde de Czernovische vlag--rood-wit-blauw, met een gouden ster in het midden.
Zabern wees naar de vlag. "De ster is er nog," zei hij. "De leid-ster van Czernovië. En zoo lang ik er ben, zal ze niet uitdooven."
Men ging naar binnen. Daar dit gebouw gedurende Felix' afwezigheid was gesticht, behoefde hij geen verwondering te veinzen over de grootsche inrichting er van. Trouwens, er was onder Elizabeth's bestuur zooveel ontstaan en gewijzigd, dat het Felix doorgaans gemakkelijk viel niet te verraden dat hij een geboren Czernoviër was. Zijn hem zelden verlatende kalmte, en de gewoonte om weinig te spreken, kwamen hem daarbij te hulp.
Door een ruime en koele voorhal bereikte men een enorme zaal, versierd met wapenrustingen, zwaarden, musketten, pistolen, schilderijen van veldslagen en wapenfeesten, en portretten van beroemde schermers.
"Als het aan mij lag," zei Zabern, "zou ik ieder, die in een verantwoordelijke betrekking voor bevordering werd voorgedragen, hier willen brengen. Een partij sabel van tien minuten zou me beter inlichten omtrent z'n karakter dan een onderzoek of een examen van een maand."
Felix maakte deze woorden, in verband met zijn benoeming tot Secretaris, onwillekeurig op zichzelf toepasselijk, en hij begreep wederom dat Zabern ook nu van zins was hem--in wien hij een aanhanger van zijn plannen vermoedde--nader op de proef te stellen en te leeren kennen.
Onder de hooggeplaatste personen en officieren, die zich in de zaal bevonden, merkte Felix ook Graaf Radzivil op, en het trof hem dezen zeventigjarigen man te zien aanvallen en pareeren met al de lenigheid van een jongen van zestien. Maar meer nog verraste hem een aantal dames, die aan het andere einde der zaal aan het schermen waren; Zabern vertelde hem dat de doctoren deze oefeningen zeer hadden aanbevolen, en dat de Czernovische dames er blijkbaar behagen in hadden. Ook maakte hij hem opmerkzaam op een afgescheiden deel der zaal, dat op bepaald verlangen der Prinses voor iedereen toegankelijk was; op dit oogenblik waren er twee meisjes aan het schermen, in een van wie Felix dadelijk Katina herkende, terwijl Zabern hem vertelde dat de andere haar zuster Juliska was.
Toen Zabern binnenkwam, hadden de meesten hun partijen gestaakt, en men zag met eenige nieuwsgierigheid naar den vreemdeling dien hij meebracht. Zabern stelde Felix aan het gezelschap voor, en weldra begreep ieder dat dit de merkwaardige Hollander moest zijn die het gisteren tegen den Hertog had durven opnemen. Er ontstond een gefluister, er werden blikken gewisseld, en ten slotte zei Zabern lachend tot Felix:
"Deze dames en heeren zijn benieuwd, eenige staaltjes van uw schermkunst te zien, opdat men er zich een denkbeeld van kan vormen hoe het duel van gisteren ongeveer afgeloopen zou zijn."
Felix verklaarde zich bereid een of meer partijen te trekken, hopend dat zich iemand als zijn tegenstander zou willen beschikbaar stellen.
"We hebben hier," zei Zabern, "de zes beste schermers in Czernovië na den Hertog. Wanneer ge een van hen kunt verslaan, zullen we ons eenig denkbeeld kunnen vormen van hoe het hem onder uw handen vergaan zou zijn."
De zes kampioenen waren, in volgorde van hun verdienste: Zabern, Miroslav, Dorislas, Radzivil, Brunowski, de President der Kamer, en Nikita, de ordonnans van Zabern.
"Wanneer we een zevende moesten kiezen," fluisterde Zabern tot Felix, "ik verzeker u, dan zou die geen man zijn, maar niemand anders dan Katina."
Felix voorzag zich van een scherm-sabel en zeide, gereed te zijn een der genoemde heeren, of zoo men wilde, allen achtereenvolgens, te ontmoeten. Daar hij niet geneigd was zelf een tegenstander aan te wijzen, ontstond er een vriendschappelijke woordenwisseling over de vraag wie zich het eerst zou aanbieden. Na eenige aarzeling trad Graaf Radzivil naar voren.
Allen kwamen naderbij om het gevecht goed te kunnen zien. Er werden stoelen voor de dames in een kring gezet, en de heeren stelden zich daarachter op.
Felix begreep wel, dat volstrekt niet alle aanwezigen hem gunstig gestemd waren. Men kende hem nauwelijks bij naam, en bovendien zou menigeen weinig gesticht zijn over zijn benoeming tot Particulieren Secretaris, een betrekking die menigeen in stilte begeerde, en die nu toegewezen was aan een onbekende, al was hij dan ook door zijn nationaliteit aan Czernovië verwant. Deze omstandigheid prikkelde Felix te meer om zich tot het uiterste in te spannen.
Toen hij tegenover Radzivil stond, was het hem eerst een vreemde gewaarwording een zoo veel ouderen tegenstander te moeten bestrijden; weldra bleek hem echter dat Radzivil's arm niets van zijn jeugdige kracht of lenigheid had verloren. Felix was niettemin beslist de meerdere; binnen vijf minuten slaagde hij er in den Graaf verscheiden houwen toe te brengen en hem ten slotte te ontwapenen. De sabel vloog door de lucht en zou Katina getroffen hebben, wanneer deze niet met haar schermdegen behendig een afwerende beweging had gemaakt.
Zabern, die met een onbewegelijk gezicht had staan kijken, scheen ingenomen met den uitslag.
"Dat kan den beste gebeuren!" zei Dorislas, overtuigd dat de Premier toch de sterkste van beiden was. Hij zelf volgde op Radzivil, en weer stond Zabern elke beweging van Felix met aandacht te beschouwen.
Dorislas was een beter schermer dan Radzivil, maar ditmaal had zijn driftig verlangen om de eer van Czernovië te wreken hem te pakken; hij maakte te weinig werk van zijn verdediging, viel te onstuimig en roekeloos aan, en in korter tijd dan de eerste maal was het Felix gelukt hem herhaaldelijk eenige houwen toe te brengen, zonder zelf een enkele maal getroffen te worden.
"Mooi zoo!" zei Zabern, klaarblijkelijk zeer in z'n schik. "Dat kan den beste gebeuren, Dorislas!"
Dorislas zag zoo beteuterd rond bij dit zoo weinig verwachte resultaat, dat de toeschouwers onwillekeurig in lachen uitbarstten.
"Zeg maar niets, Dorislas!" werd er geroepen, "je bent immers morsdood!"
Felix begon in hun achting te stijgen.
Daarna waagde Miroslav een partij, en opnieuw keek Zabern zoo gespannen toe, dat het wel leek of zijn eigen leven van den afloop afhing.
Gebruik makend van de les die Dorislas ontvangen had, begon de Commandant zeer voorzichtig en kalm, hoofdzakelijk de slagen afwerend. Toen hij echter eenige malen, door de afwering heen, getroffen werd, verdween zijn bedaardheid gauw. Hij gaf Felix meer moeite dan zijn voorgangers, maar ten slotte werd ook hem de sabel uit de hand gewrongen.
Zabern verkneukelde zich.
"Dat is boffen, en geen schermkunst!" riep Miroslav opgewonden. "Ik moet nog een partij met u doen, meneer Van Heelstra; dat loopje zal u geen tweede keer lukken."
Felix was hier dadelijk toe bereid, maar verscheidene heeren protesteerden. De Hollander had volgens hen niets ongeoorloofds gedaan, en er was geen enkele reden waarom Miroslav een kans meer zou krijgen dan de anderen.
"Miroslav schijnt in een slecht humeur vandaag," fluisterde een dame tot den achter haar staanden heer.
"Hij heeft er ook reden toe," antwoordde deze. "De Prinses schijnt hem zeer hard te hebben gevallen over de ontsnapping van Russakoff."
"De heer Van Heelstra moest nu zijn arm eens wat rust geven," merkte een der aanwezigen op.
Maar Felix, die van de gunstige stemming wenschte te profiteeren, verklaarde volstrekt geen vermoeidheid te gevoelen.
"Nu ben ik aan de beurt," zei Zabern, een sabel in zijn linker en eenige hand nemend. "Ik raad u aan voorzichtig te zijn."
De waarschuwing was niet overbodig. Zabern werd algemeen beschouwd als de beste schermer na den Hertog, en Felix had weldra gemerkt, dat hij ditmaal een tegenstander gevonden had, die hem minstens in behendigheid gelijk stond. De Maarschalk had een arm van staal; en een man, die op menig slagveld in de loop van een geladen geweer had gezien, zou niet gauw zijn koelbloedigheid verliezen bij een schermpartij. Kalm en bedachtzaam deed hij enkele schijn-uitvallen om den ander op de proef te stellen; daarna nam hij een verdedigende houding aan, wachtend op het gunstige oogenblik. Felix zag geen kans door het defensief van Zabern heen te breken, en deze vierde partij nam daardoor een slepend karakter aan, dat scherp afstak tegen de schitterende en onstuimige partijen die voorafgingen. Reeds begon men te vreezen, dat er vooreerst geen eind kwam aan dit gevecht, toen Zabern opeens in de houding terugkwam, met zijn wapen salueerde, en zei:
"Ik heb voldoende gezien, dat ik uw mindere ben, meneer Van Heelstra. Gaarne verklaar ik me overwonnen."
En, merkwaardig genoeg, Zabern scheen zelf met deze bekentenis van zijn nederlaag zeer ingenomen te zijn.
"Ik ben het niet met u eens, Maarschalk," antwoordde Felix. "Niemand kan zeggen hoe de partij zou afgeloopen zijn. Tegen uw rechterhand zou ik het in geen geval uitgehouden hebben."
Hij wendde zich nu naar de beide overblijvende tegenstanders, Brunowski en Nikita.
"Zouden we 't hierbij maar niet laten?" vroeg de President. "Voor Nikita en mij zijn de kansen nu toch verkeken."
"Misschien wil de heer Van Heelstra u beiden tegelijk te woord staan," zei Zabern lachend.
Brunowski vond in 't eerst iets vernederends in dit voorstel, maar daar hij toch zelf begonnen was met zijn minderheid te erkennen, stemde hij ten slotte er in toe.
De dames stonden nu op, de stoelen werden verplaatst, en men vormde een wijderen kring, daar de drie mannen veel ruimte noodig zouden hebben.
"Duizend roebels tegen honderd dat de Hollander wint," zei Zabern tegen Dorislas, die echter, als verstandig financier, de weddenschap afsloeg.
De vijfde partij vormde een schitterend slot.
Brunowski en Nikita, aangetast in hun eergevoel, maakten 't den vreemdeling uiterst moeielijk. Hoewel niet zulke kranige schermers als Zabern, waren hun krachten toch lang niet gering te achten, en Felix was weldra een heel eind door hen teruggedrongen. De vorige partijen schenen bij deze vergeleken kinderspel. Aanval en afwering volgden elkaar zoo snel op, dat de toeschouwers de verblindend vlugge bewegingen der wapens bijna niet konden volgen. Nikita's sabel was overal tegelijk, Brunowski's kling suisde in fluitende cirkels door de lucht.
Maar het gelukte hun geen van beiden den tegenstander te treffen. Felix liet zich tot tegen den muur terug dringen, steeds afwerend; toen sloeg hij met een geweldigen houw Nikita's sabel aan splinters, en bracht tegelijkertijd Brunowski een slag op den borstbeschermer toe, die den President den adem benam en hem een oogenblik deed terugdeinzen. Van die seconde maakte Felix gebruik--rinkelend vloog Brunowski's sabel door een glasruit.
De omstanders zagen elkaar in ademlooze verwondering aan. Daarna weerklonk een levendig gejuich; alle haatdragende gevoelens waren verdwenen en in oprechte bewondering overgegaan.
"Zoo iets hebben we nog nooit in Czernovië gezien," zei een stem.
"Tienduizend duivels," bromde Zabern bij zichzelf, "waarom heeft de Prinses gisteren dat duel niet laten doorgaan?"
En luider voegde hij er aan toe:
"Dames en heeren, we zullen toestemmen, dat de Hertog alle reden heeft tot dankbaarheid."
Niemand sprak hem tegen en Zabern's oogen glinsterden van genoegen.
Op dit oogenblik kwam Katina langs; ze had uit de verte alles gade geslagen, en was nu op 't punt met Juliska naar huis te gaan. Bij den Maarschalk bleef ze even staan, als wilde ze een verzoek tot hem richten.
"Maarschalk," fluisterde ze, "u hebt een proef genomen! Is het niet zoo? Zeg me eens waar u over denkt op het oogenblik?"
"Dat het een vroolijk feest zal worden, het huwelijk van de Prinses!" antwoordde Zabern in orakeltaal. Dadelijk daarop vroeg hij haar luid:
"Laat ons eens zien, Katina, dat de Czernoviërs schieten kunnen, al kunnen ze niet schermen!"
Katina liet nu een witgeschilderd houten bord aan den muur hangen, ging op tien passen afstand staan en legde een aantal geladen revolvers naast zich. Vervolgens schoot ze de eene revolver na de andere zoo snel af, dat er nauwelijks een oogenblik stilte tusschen twee schoten was te vernemen. Als resultaat daarvan vertoonde zich een groot ovaal op het bord. Toen de revolvers opnieuw geladen waren, zette Katina haar kunststuk voort en binnen het ovaal verschenen lijnen en punten, die uit het geheel het portret van een man deden ontstaan, waarvan het origineel dadelijk door sommigen der aanwezigen werd herkend.
"Orloff, de gouverneur van Warsim!" riepen verscheiden stemmen.
"Begrijpt ge, waarom ik dit geleerd heb?" vroeg Katina fluisterend aan Zabern. Deze knikte zwijgend, en zei, rondziende naar Felix:
"Kan iemand dit nadoen?"
Er werd ook voor Katina in de handen geklapt, maar niemand waagde het zich met haar te meten en ook Felix glimlachte ontkennend.
Langzamerhand verliet het gezelschap de schermzaal; tegenover zulke meesters als er heden middag aan 't woord waren geweest, schrok men terug voor het ten toon spreiden van zooveel zwakkere krachten.
"En hoe maakt onze gevangene het?" vroeg Radzivil onder het weggaan den Commandant der citadel.
"'n Beetje uit z'n humeur," antwoordde Miroslav. "Hij brengt zijn tijd hoofdzakelijk door met het drinken van ouden Rijnwijn, en in zichzelf te zitten mopperen. Tusschen twee haakjes, hij scheen vooral zeer verontwaardigd dat we hem fouilleerden, want hij scheurde enkele dingen, die we hem wilden ontnemen, van woede in stukken. Nu, 't was dan ook niet plezierig voor hem, maar 't is nu eenmaal regel in de citadel."
"Wat verscheurde de Hertog?" vroeg Zabern, die de laatste woorden gehoord had, achterdochtig.
"Niets bizonders, een boek," antwoordde Miroslav. "Ik liet de snippers door een soldaat opvegen, en zag toen toevallig den titel op een stuk van den omslag staan."
"Hoe heette het?"
"Tooneelspelen van Aeschylus. 't Was zonde van 't mooie boekje."
"Het is jammer, dat ge dat boek niet hebt kunnen redden. Zijn de overblijfselen misschien nog te vinden?"
"Al het afval in de citadel wordt tweemaal daags verbrand; u weet, zoo wil de Inspecteur van den Militairen Gezondheidsdienst het."
"Dat is heel jammer," zei Zabern nadenkend. "Als goed soldaat had ge moeten bedenken, Commandant, dat _elke_ aanwijzing, ook de kleinste, van waarde is. Ik ben ervan overtuigd, dat de Hertog een grondige reden had om dat boek te verscheuren. Aeschylus, Aeschylus--" herhaalde hij, "wat schreef die ook weer? Mijn Grieksch heeft me wel wat in den steek gelaten."
Op eens maakte Felix een driftige beweging.
"Mijn God, Maarschalk! Ik weet het: Aeschylus schreef onder anderen "_De Eumeniden, of De Furiën_!"
Zabern greep Felix bij den arm, en nam hem ter zijde.
"De sleutel van het cijferschrift," fluisterde hij. "Dat waren de laatste woorden van Van Stralen:--_de Furiën_!"
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
ROB BETRAPT EEN INBREKER.
Rob gaat aan het cijferen.--Gevonden!--De inbraak in het Paleis.--Zabern redt Rob nog juist op tijd.--Het verbrande Charter.--Wat zal er van Czernovië worden?
De opsteller der aanteekeningen, waaruit dit boek geput werd, liet zijn eigen persoon zoo bescheiden op den achtergrond, dat de beschrijver van zijn avonturen de lezers en zichzelf gelukwenschen moet met elke gelegenheid, die eens wat naders doet vernemen omtrent zijn persoonlijk aandeel aan de hier vermelde gebeurtenissen.
Die gelegenheid is er thans.
Gedurende de afwezigheid toch van Felix en Zabern, had Rob zich met alle aandacht aan het werk gezet om het cijferschrift nader tot zijn oplossing te brengen.
Door den Paleis-bibliothecaris had hij zich een Grieksche uitgave van de Eumeniden doen geven, en, dankbaar voor La's lessen die hem in staat hadden gesteld althans van enkele Grieksche woorden de beteekenis te kunnen vatten, zette hij zich aan den arbeid, ten overvloede met een Grieksch-Czernovisch woordenboek gewapend.
Het papier dat de Maarschalk hem had gegeven was met rijen cijfers bedekt, die door punten van elkaar gescheiden waren.
De eerste acht getallen luidden aldus:
6 . 42 . 50 . 37 . 97 . 39 . 65 . 21
Wat stelden deze getallen voor? Zekere woorden uit het tooneelstuk? Wanneer het zesde woord uit de Eumeniden, het twee-en-veertigste, het vijftigste, en zoo voort, opgezocht en naast elkaar werden geplaatst, zouden ze dan een verstaanbaren zin opleveren?
Hij paste deze methode toe, maar het resultaat moedigde hem niet aan de proef voort te zetten. Er kwam een totaal onbegrijpelijke opeenvolging van woorden te voorschijn.
Bij nader inzien werd het hem duidelijk, dat de getallen niet in de plaats van woorden konden staan, daar immers de vocabulaire van een klassieken Griekschen dichter moeielijk toereikend kon zijn om te voorzien in alle termen, die bij de moderne schrijvers in gebruik zijn.
Een andere waarneming bevestigde deze onmogelijkheid. Aan het eind van den brief kwam namelijk het getal 8537 voor, terwijl het aantal woorden uit de Eumeniden een aanmerkelijk lager cijfer bereikt. Werden daarentegen de letters in volgorde genummerd, dan bleek het totale aantal al gauw de 8537 te overtreffen.