Van Schooljongen Tot Koning Een Verhaal Samengesteld Uit De Aan

Chapter 14

Chapter 143,899 wordsPublic domain

"Ik zal gaan.... dadelijk...."

Een triomfantelijke glimlach speelde om Ravenski's lippen. Hij geloofde den weerstand der Prinses gebroken te hebben en voelde zijn zaak reeds half gewonnen.

Zwijgend ontblootte hij het hoofd, boog diep en eerbiedig, en verliet met snelle schreden het park.

Tot recht begrip van het vorenstaande is een kleine uitlegging noodig, die in de aanteekeningen van Rob Rensma eerst op de laatste bladzijden voorkomt, omdat hij ze op dit tijdstip zijner avonturen nog niet van zijn vriend Van Stralen vernomen had. Toen laatstgenoemde hem namelijk zijn hier voren vermelde levensgeschiedenis meedeelde, verzweeg hij daaruit met opzet een punt van belang, dat hij zeer terecht op dat oogenblik nog geheim wenschte te houden, doch waarvan de lezer ter wille van de duidelijkheid thans behoort kennis te nemen.

Zoodra men, na de verwoesting van het eiland Riva, tot het besluit was gekomen "De Vogel" in dienst te stellen van de bevrijding van het vaderland, had Li door middel van een der vliegmachines Elizabeth des nachts in het paleis een brief doen toekomen van den volgenden inhoud:

"Ik leef. Tracht den bestaanden toestand sleepend te houden door de Russische eischen toenaderend te behandelen. Vernietig dezen brief. Voorzichtigheidshalve zal ik niet meer schrijven, doch reken er op dat ik, zoodra de gelegenheid mij gunstig voorkomt, in Slavowitz verschijn en mij van Bora meester maak. Houd moed. Blijf mij liefhebben. Eenmaal zullen we elkander toebehooren. Leve de Oranje-Republiek!

Felix."

Er was geen twijfelen mogelijk geweest: dezen brief had Felix geschreven! Door welk wonder hij aan den dood was ontsnapt, bleef Elizabeth een raadsel--maar wat deed dit er toe: hij leefde! En hij zou terugkomen om Czernovië en haar te redden, daarop vertrouwde ze vast. Felix was geen man van ijdele woorden.

Vele maanden na die gebeurtenis had ze niets meer van hem vernomen, vergeefs, maar met onbeperkt vertrouwen, gewacht tot hij zou terugkomen. Telkens wanneer een verdacht vreemdeling was aangehouden, telkens als zij de arrestatie van een spion had vernomen, had ze gebeefd van angst bij de gedachte, dat dit Felix zou zijn. Toen men haar dien morgen van den spion Russakoff had verteld, was dadelijk het denkbeeld in haar opgekomen: hij is 't! Nu Ravenski haar van het duel met den Hollander onderrichtte, had ze onmiddellijk als bij ingeving gevoeld: die Hollander is Felix! Wel begreep ze een oogenblik daarna, dat dit instinct op een zeer zwakke mogelijkheid berustte, dat het niets meer dan een vage onderstelling was--maar de gedachte: het kòn misschien zoo zijn, was haar voldoende om tot een verijdeling van het duel te besluiten. Zij kende immers Bora's meesterschap op de wapenen, zij wist dat er onder de twintigduizend man van het Czernovische leger niet een was die zijn doodend zwaard durfde weerstaan, zij had hem in de schermzaal van het Paleis in snelle opeenvolging de beste schermers onder haar officieren zien ontwapenen. Zabern, Dorislas, Miroslav--wie kon zich met Bora meten?

Men zal nu de ontroering begrijpen, die zich van haar meester maakte, toen zij Ravenski's mededeeling aanhoorde. Van haar ontsteltenis bekomen, moest zij onwillekeurig glimlachen bij de gedachte dat Ravenski haar misschien, onwetend natuurlijk, een grooten dienst had bewezen.

Zij dacht er niet over na, welke gevolgen haar tusschenbeide treden kon hebben, zij dacht slechts aan éen ding: Felix moest gered worden!

En, haar zelfbeheersching hernemend, gaf ze snel en beslist orders voor een onmiddellijk vertrek.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

HET DUEL.

De ontmoeting in het Roode Woud.--De Russische schildwacht.--Het duel begint.--De plotselinge verschijning der Prinses.--De Hertog wordt gearresteerd.--Zij hebben elkaar herkend!

De avond viel, toen Felix met Rob en Paul hun weg zochten naar de grens van Czernovië.

Van Slavowitz waren ze in een troïka, een met drie paarden bespannen voertuig, tot aan het Roode Woud gereden, volgens voorafgegane overeenkomst langs een anderen weg dan Bora en zijn getuigen.

Nadat ze de troïka in een eenzame herberg aan den weg hadden ondergebracht, geleidde Paul de beide vrienden naar de afgesproken plaats, waar een smal voetpad door een dicht dennenbosch heenvoerde.

"Prachtige dennen!" zei Felix, de kaarsrechte en statige stammen beschouwend.

"Daar verschuilen de wolven zich achter in den winter," merkte Paul op. "Soms verscheuren ze de Russische schildwachten."

Het voetpad ten einde loopend, kwamen ze op een ruime open vlakte.

"De grenslijn moet ergens over deze vlakte loopen. Juist, daar staat de steen."

Paul wees op een zwaar, rechthoekig steenblok, op welks oostelijke zijde, diep ingesneden, zich de letters R-U-S-L-A-N-D bevonden, terwijl de zuidzijde de letters C-Z-E-R-N-O-V-I-E vertoonde.

"Nu zijn we op Russisch grondgebied," zei Paul, "en we mogen wel goed uitzien, opdat niet de een of andere verborgen schildwacht een schot op ons afvuurt."

"Zoo? Is dat tegenwoordig Russische gewoonte om op wandelaars te schieten?"

"Het komt voor, tenminste langs deze grens. Waarschijnlijk om vijandelijkheden van Czernovische zijde uit te lokken. Aha! daar is er al een. Ik dacht wel dat we niet ver zouden kunnen gaan zonder er een te ontmoeten."

Werkelijk zat op ongeveer honderd meter afstand, in de schaduw der boomen, een Kozak te paard, de lans omhoog gericht.

Het gezicht van dezen ruiter was wel geschikt om allerlei gedachten in Felix wakker te roepen.

Ver, ver van hier, aan de bevroren stranden van Kamchatka, hielden andere vedetten de wacht. De afstand tusschen de beide grenzen was meer dan zesduizend mijlen.

En dit rijk, zoo reusachtig uitgestrekt, bedreigde het kleine Czernovië! Het was bijna niet denkbaar, dat Czernovië ooit de ijzeren militaire vuist van dien reus ontkomen kon. De gedachte alleen was een dwaasheid.

En toch....

Opeens kwam de kozak, de lans vooruit stekend, snel aanrijden. Bij de drie vrienden aangekomen, hield hij zijn paard in.

"Uw paspoorten?"

"Hier," zei Paul, hem eenige roebels in de hand drukkend. "Dat paspoort is overal geldig. We gaan niet verder dan tot hier; we komen alleen maar even een duel uitvechten."

"Een duel! Dat is tegen de Russische wet. Het wachthuis is hier niet ver vandaan. Als de commandant komt, worden we allemaal ingepikt."

"Wel neen," zei Paul. "Ik heb nog meer paspoorten, voor den commandant ook. Kijk maar."

De kozak dacht na. Hij stak de roebels in zijn linkerlaars. Hij hield wel van roebels, en zag graag vechten ook.

"We zijn de eersten," merkte Paul op. "Nog vijf minuten."

Felix gaf den kozak een sigaar, stak er zelf een op, en liep kalmpjes heen en weer. Hij scheen lang niet zoo ongerust als Paul, ofschoon deze niets merken liet, en zeker heel wat bedaarder dan Rob, die zich niets op z'n gemak voelde.

"Het is eigenlijk een gek ding, dat duel," zei Paul. "Je doet er niemand een dienst mee. Als Bora valt, kan de Czaar het Czernovische kabinet als medeplichtig aan zijn dood beschouwen, omdat Radzivil, van het duel wetend, dit niet voorkwam. En dan...."

"Ik heb dat alles overdacht," zei Felix. "Ik zal daarom zorg dragen hem hoogstens zoo te verwonden, dat hij voorloopig het duelleeren zal moeten uitstellen."

"Als je dat doen kunt, des te beter," antwoordde Paul, hoewel hij zeer twijfelde of Felix dit voornemen tegenover een uitstekend schermer als de Hertog zou kunnen ten uitvoer brengen.

Ruim dertig minuten na het vastgestelde uur verscheen de Hertog, door zijn getuigen vergezeld. De aanwezigheid van een dokter had men van weerszijden overbodig geacht.

Baron Ostrova trad onmiddellijk op Paul toe en groette beleefd.

"U bent laat, baron."

"Wil ons verontschuldigen. Ons rijtuig verloor een wiel onderweg. Laten we ons daarom haasten. Hier zijn de sabels."

Paul vergeleek de beide wapens, koos er een voor Felix uit, en gaf het sein tot het gevecht.

Als een leeuw vloog Bora op Felix af, als wilde hij hem bij den eersten houw buiten gevecht stellen.

Maar nauwelijks hadden de sabels elkaar geraakt, of het bevel weerklonk:

"In naam der wet--houdt op!"

Deze woorden werden door een vrouwenstem gesproken, een stem die Felix van ontroering deed trillen. Een houw van den Hertog pareerend, deed hij snel een pas achterwaarts, en terwijl hij zijn verdedigende houding bewaarde, wierp hij een blik in de richting vanwaar het bevel gekomen was.

En daar, bleek en schoon, en zoo dicht bij hem dat hij haar in de oogen kon zien, stond Elizabeth, ademloos van overhaasting. Niemand der aanwezigen begreep waar zij opeens vandaan gekomen was; geheel in beslag genomen door het duel had men trouwens haar zachten voetstap niet vernomen.

Felix vergat zijn verdedigende houding. Hij vergat alles. Zijn sabel gleed hem uit de handen en viel op den grond.

Een doodsche stilte ontstond, toen men daar de Prinses zag staan, een jonge, weerlooze vrouw wel is waar, maar die op dat oogenblik de macht van den Staat vertegenwoordigde, en wier gevoelens ten opzichte van het duel men kende.

Een oogenblik zweeg Elizabeth. Ze zag den vreemdeling aan--hij was het niet! Dat was Felix niet, die zwartharige, gebronsde man!

Maar toen ze hem haar vraag:

"Wie lokte dit duel uit?"

beantwoorden hoorde met vaste heldere stem:

"Dat deed ik!"

toen waren die drie woorden genoeg om haar te overtuigen dat de lang verlorene hier voor haar stond. Ze begreep dat de verandering, die met hem had plaats gegrepen, slechts schijnbaar was, dat hij een uiterlijke vermomming had aangenomen, en niemand zou haar nu de overtuiging kunnen ontnemen dat Felix zich op slechts enkele passen van haar bevond. Die stem, den blik van die oogen, ze zou die na jaren en uit duizenden herkend hebben. Opnieuw maakte een diepe ontroering zich van haar meester en ze voelde haar hart hevig kloppen. Maar ze wist zich te beheerschen, en sprak:

"Het past een van _mijn_ ministers niet zich boven de wet te stellen."

Daarna, zich omwendend, riep ze:

"Maarschalk, geleid uw gevangene naar de citadel."

Verrast volgden alle aanwezigen de richting van haar blik, en nu zag men aan den zoom van het bosch, aan de Czernovische zijde van de grens, den Maarschalk Zabern staan, met gevouwen armen, uiterlijk even weinig te doorgronden als een sfinx, innerlijk verheugd over den loop van zaken.

Een weinig meer achterwaarts stond een peloton lansiers van het Blauwe Legioen, en in hun midden een licht voertuigje, een elegante droschky, geschikt voor snelle ritten.

"Maarschalk, geleid uw gevangene naar de citadel."

De Hertog lachte spottend bij deze woorden:

"Bedenk, dat ik op Russisch grondgebied sta! Ik stel mij onder bescherming van dezen kozak."

De kozak, die tot nog toe zwijgend had toegezien, maakte bij deze woorden een angstige beweging. Hij vond het niets prettig op deze manier in de kwestie gemengd te worden, want hij vreesde al elk oogenblik den commandant van de wacht te zien komen, en dan zou hij ongetwijfeld duchtig worden gestraft, omdat hij deze schending van Russisch grondgebied had toegelaten. Geheel niet wetend met welke personen hij hier te doen had, zei hij nu in zijn benauwdheid iets, waarmee hij onwillekeurig de Prinses te hulp kwam, namelijk:

"Ik kan u niet beschermen, want u mag op Russisch grondgebied ook niet duelleeren, en als ik mijn plicht deed zou ik u moeten gevangen nemen."

Toen begreep de Hertog het nuttelooze van verder tegenstreven; hij stapte op Czernovisch grondgebied over, en gaf zich gewonnen.

"Uw sabel," sprak Zabern.

En met een bitteren glimlach gaf Bora den maarschalk zijn zwaard over.

"Daar is uw escorte naar Slavowitz," zei de Prinses, op de afdeeling ulanen wijzend.

Een der manschappen kwam met een handpaard naar voren, en de Hertog steeg op, gereed zich in gevangenschap te begeven.

"De getuigen van den Hertog bevinden zich op Russisch grondgebied," vervolgde de Prinses, "ik kan hen dus niet gelasten zich eveneens over te geven. Het is aan hun keuze overgelaten zich aan de Russische of de Czernovische wet te onderwerpen. Wat den Secretaris betreft"--er klonk oprechte spijt uit haar stem--"hij is van zijn ambt vervallen. Ik mag niet dulden dat een mijner onderdanen, wie hij zij, de wet overtreedt. Tegenover de beide andere heeren ben ik, daar zij vreemdelingen zijn, machteloos. Ik zou het echter op prijs stellen, in 't belang van het justitiëele onderzoek, hen ten spoedigste in mijn Paleis te ontmoeten."

Alleen Felix had de ontroering bemerkt, die bij deze laatste woorden in haar stem trilde. Hij begreep dat zij hem herkend had en boog zwijgend het hoofd.

Door Zabern geholpen, steeg de Prinses weer in haar droschky. De stoet zette zich in beweging, en verdween even snel en geheimzinnig als hij gekomen was.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

WAT KATINA VAN RUSSAKOFF VERTELDE.

De drie vrienden ontmoeten Zabern.--Katina, de patriot.--Zabern komt Russakoff op het spoor.--Met spoed naar Slavowitz terug!

Het was voor Paul geen opwekkend denkbeeld, dat hij, en dat door eigen schuld, bij de Prinses in ongenade was gevallen. Maar hij was, evenals zijn broer, een man die nooit den moed liet zinken, en altijd op zijn goed gesternte rekende dat hem er wel weer zou uitredden. Bovendien begreep hij heel goed, dat de Prinses ten aanhoore der vele toeschouwers moeilijk anders had kunnen handelen, en dat zij hem zoowel als Felix te zeer noodig had om niet op haar besluit terug te komen.

Terwijl de drie vrienden, den straatweg weer opzoekend, over deze dingen liepen te praten, naderde hen op eens een in een mantel gehulde gedaante en hoorden zij een sabel tegen gespoorde laarzen kletteren.

"Maarschalk Zabern!" riep de Secretaris. "Wat! Gaat u niet met de prinses mee naar Slavowitz?"

"Ik wil een bezoek brengen aan de herberg "Oranje," waar ik iemand spreken moet. Hare Hoogheid heeft mij daarom toegestaan haar te verlaten."

"Dan gaan we denzelfden weg, want wij lieten onze troïka in die herberg. Deze beide heeren, mijn vrienden, zijn Hollanders, die ik heden morgen leerde kennen."

Paul stelde hen aan elkaar voor, en weldra was men in een druk gesprek, dat in hoofdzaak over de geschiedenis der Republiek liep, daar Zabern begreep dat deze den Hollanders intresseeren moest.

Hij toonde ook van hun vaderlandsche historie goed op de hoogte te zijn, en maakte eenige vleiende opmerkingen over het roemrijk verleden van hun land. Ook over zijn eigen geschiedenis kwam hij te spreken; hij vertelde hoe hij wel oorspronkelijk van Russische afkomst was, maar toch Poolsch, en van moederszijde Czernovisch bloed in de aderen had, zoodat zijn sympathie voor een Staat als Czernovië, die zich aan de Russische overmacht trachtte te ontworstelen, wel begrijpelijk was. Vóor hij zich als Czernoviër had laten naturaliseeren, had hij in meer dan éen gevecht meegeholpen de Russen afbreuk te doen, en het was dus wel begrijpelijk dat omgekeerd de Russen hem met leede oogen zulk een belangrijke rol zagen spelen in het Czernovisch kabinet.

"Bovendien heb ik nog iets anders te wreken," zei de Maarschalk, den wijden rechtermouw van zijn mantel opslaand, "dit!"

En tot hun ontzetting zagen Felix en Rob, die van deze bizonderheid natuurlijk niet op de hoogte waren, dat Zabern de rechterhand miste.

"Een kozak sloeg mij die af. Terwijl ik een sabelhouw afweerde, die men mij op het hoofd wilde toebrengen, voelde ik opeens een eigenaardige gewaarwording aan de rechterpols, en daar, voor me op de sneeuw, lag mijn eigen hand, de sabel nog omklemmend. Ze was juist bij het gewricht afgesneden, zooals ge ziet."

"Verschrikkelijk!" riep Rob ontsteld.

"Zeker. Het was alles behalve aangenaam, vooral omdat het de rechter was, en ik me nooit geoefend had in het gebruik van de linker. Maar--ik heb me er spoedig aan gewend, en deze linker doet nu even goed dienst als de verlorene."

Zabern vertelde nu ook nog, dat hij in denzelfden veldslag, die hem een hand kostte, door de Russen gevangen genomen en naar Siberië getransporteerd werd. Na vijf jaar wist hij te ontsnappen, en vond een wijkplaats in Czernovië. Rusland had, bedenkend misschien dat vroegere dieven soms goede politiedienaars worden, dezen onverzoenlijke aan zich trachten te binden door hem een ministersportefeuille te bieden.

Felix bewonderde in stilte dezen forschen, koelbloedigen man, het type van den vechtsoldaat, maar hij kon toch een gevoel van teleurstelling niet onderdrukken, dat Elizabeth zulk een ruw en ontembaar element in haar Ministerie had opgenomen, iemand, die zeer zeker haar belangen zou dienen, maar ongetwijfeld dikwijls op minder zachtaardige en menschelijke manier dan de Prinses dit zelf wel gewoon was.

"Apropos," zei de Maarschalk, zich tot Paul wendend, "de ongenade van de Prinses moet geen reden worden om je belangstelling in den cijferbrief te doen verminderen, dien we op den spion Russakoff vonden. Los me dat raadsel op, en ik zal trachten je bij de Prinses in eere te herstellen."

"Ik vrees dat er op die voorwaarde niet veel van mijn eerherstel zal komen," zei Paul somber. "Het cijferschrift is me totaal onbegrijpelijk. Ik zou een aanwijzing hebben wanneer ge den schrijver wist te noemen."

"Hoe zoo?"

"De eerste stap in een vraagstuk van deze soort is, te weten in welke taal het document geschreven is; en dat kan ik niet ontdekken. Hoe kan ik dan voortgaan? De grondbeginselen, die een deskundige op de eene taal toepast, falen bij een andere. Maar als ik weet wie de schrijver is, en dat hij bijvoorbeeld alleen maar Russisch kent, dan schiet ik een heel eind op. Ook wanneer ik weet, dat ik tusschen een bepaald aantal talen te kiezen heb, is dat een heele steun, ofschoon het 't werk tijdroovender maakt. Hebt u geen enkele aanwijzing omtrent den schrijver?"

Zabern zweeg, en zag van terzijde naar de beide vreemdelingen.

"U kunt die heeren vertrouwen als mijzelf, Maarschalk," zei Paul.

"Ik geloof u gaarne. Overigens heb ik er toch geen bezwaar tegen dat zij dit gesprek hooren: ten eerste omdat het mij slechts éen woord zou kosten ze onschadelijk te maken, wanneer ik hen niet vertrouwde; ten tweede omdat zij mijn vermoeden eer met genoegen dan met tegenzin zullen vernemen. Ik geloof namelijk vast en zeker dat de schrijver of de geadresseerde van dezen brief is--de Hertog!"

"De Hertog!" riep Paul verbaasd. "U beschuldigt den Hertog van een verraderlijke briefwisseling met Rusland! Onmogelijk."

"Waarom onmogelijk?"

"Is het aan te nemen, dat hij iets in 't schild zou voeren tegenover een Prinses met wie hij eenmaal trouwen zal?"

Zabern glimlachte spottend.

"De Hertog geeft niet zoo heel veel om dien halven troon, die hem wacht, met op den koop toe een vrouw die zich niet door hem zal laten gezeggen. Zijn geheim doel is los te komen van de Prinses, en te regeeren onder Russische suzereiniteit. Let er eens op, hoe hij allerlei hervormingen invoert die hem van nut kunnen zijn. Alle officieren van Hollandsche afkomst weert hij uit het leger. Bovendien hebben we het bewijs, dat er een verrader in het Kabinet is. Wien zoudt ge anders kunnen verdenken dan hem?"

Paul antwoordde niet. Hij scheen in diep nadenken verzonken. Op eens schitterden zijn oogen alsof een nieuw verrassend idee in hem opkwam.

"Maarschalk," zei hij met nadruk, "u zult morgenochtend de verklaring van dien brief hebben."

Er was heel wat noodig om den Maarschalk verbaasd te doen staan; toch was hij een oogenblik zeer verrast.

"Wat!" riep hij uit. "Je gelooft den sleutel gevonden te hebben, terwijl je een minuut geleden zelfs de taal niet kende waarin de brief geschreven is?"

"De taal is Grieksch," zei Paul, nu bijna even verbaasd over zijn ontdekking als zijn metgezellen. "Ja, ja, nu begrijp ik alles. Een buitengewoon vernuftig ingericht cijferschrift. Alleen een toeval kon tot de ontdekking leiden. U hebt gelijk, Maarschalk, wat den Hertog betreft. Hij _is_ een verrader, en die brief zal het bewijzen. Van nacht zal ik er aan werken, en morgenochtend zult u den uitslag weten."

"Goed," zei de Maarschalk, nog steeds verwonderd over de snelheid waarmee Paul een raadsel had opgelost, dat gedurende de afgeloopen maand zijn vernuft weerstaan had.

De schemering viel, toen het viertal de herberg "Oranje" bereikte. Het was een ruime en schilderachtige woning, deels van hout en deels van steen gebouwd, en beschaduwd door overhangende beukeboomen.

Buiten het gebouw, twee paarden vasthoudend, stond Zabern's ordonnans Nikita, die daarheen was gezonden om zijn meester op te wachten.

Zabern trad binnen, en geleidde zijn gezelschap naar een afzonderlijke, met eikenhout beschoten kamer.

"Ik heb overal mijn spionnen," zei hij, "ook hier. Er komen in deze herberg, die op de grenzen en aan den hoofdweg ligt, veel verdachte personen, en uit hun gesprekken valt soms veel af te leiden. De dochter van Boris Ludovski, de herbergier, houdt er een oog in 't zeil voor me, en door haar toedoen is de politie van Slavowitz dikwijls van waardevolle inlichtingen voorzien. Daarom kom ik ook nu hier; het is mogelijk dat ze me iets weet te vertellen over Russakoff, die heden morgen uit de Citadel ontsnapte. Ah! daar is Katina juist!"

Het meisje, dat binnenkwam, was geheel volgens Russische gewoonte gekleed, maar de vorm van haar gezicht, haar blonde haren en haar donkerblauwe oogen wezen duidelijk op haar Czernovische afkomst van moederszijde. Zij werd door Zabern aan de overigen voorgesteld, en toen zij vernam, dat er een breuk had plaats gehad tusschen den Hertog en de Prinses, waarvan zelfs de arrestatie van eerstgenoemde het gevolg was geweest, danste zij van vreugde.

"Hoe is dat gebeurd?" vroeg ze.

Zabern legde het uit, en toen ze hoorde dat Felix de indirecte aanleiding was geweest van de geschiedenis, vloog ze hem bijna om den hals.

"U hebt een goed werk voor Czernovië gedaan!" riep ze onstuimig. En Felix vermaakte zich met de bijna kinderlijke geestdrift van het meisje.

"Maar wat is dat nu!" riep Zabern opeens, "wat hangt daar?"

En hij wees naar een vuil, berookt olieverfportret, dat aan een der muren hing.

Katina schudde de vuist tegen het portret.

"Dat verwondert u, nietwaar?" zei ze. "Het portret van den Czaar in deze kamer! Toch heeft 't zijn nut, om Russische klanten te trekken, die het plezierig vinden dat hun vadertje op hen neer ziet terwijl ze drinken. Waarom zou ik van den vijand geen schatting eischen? Hun kopeken zijn allen ten bate van de goede zaak."

"Maar wat zeggen de Czernoviërs ervan?"

"Wel--de laatste bezoekers waren Russen, vandaar dat de Czaar er nog hangt. Wanneer er Czernoviërs komen, doe ik eenvoudig zóo--kijk!"

Ze draaide het schilderij om, en zie! aan de andere zijde vertoonde zich een welgelijkend portret van Elizabeth.

"Prachtig!" lachte Zabern. "'t Is jammer dat je geen man bent, Katina. Je zou een rol in de politiek hebben kunnen spelen. Patriotten als jij hebben we noodig. U weet, heeren, welke oude rekening Katina met Rusland te vereffenen heeft? Laat eens zien, Katina!"

Het meisje stroopte een der mouwen een weinig op, en nu zagen de toeschouwers met ontzetting dat haar arm met diepe en breede litteekens bezaaid was, alsof men er de stukken vleesch uitgesneden had.

"Zoo ziet mijn geheele bovenlichaam er uit," zei Katina bitter. "De lange riem van de knoet slingert zich geheel om het slachtoffer heen."

"De knoet!" riep Rob, vol afschuw bij de gedachte dat men zulk een verschrikkelijk strafmiddel op een jong meisje had toegepast.

"De meest welsprekende rede kan u niet meer anti-Russischgezind maken dan het gezicht van dien arm, niet waar?" vroeg Zabern, die dadelijk begrepen had, dat de beide vreemdelingen hem van nut konden zijn, en ze nu voor zich trachtte te winnen door een openhartigheid, waarbij hij zich niet meer bloot gaf dan hij zelf wilde.

Felix van zijn kant doorzag de bedoeling van den Maarschalk zeer goed, doch vermeed er te spoedig op in te gaan, daar het hem voorloopig niet geraden voorkwam zijn geheim te verraden. In stilte moest hij lachen bij de gedachte, dat men _hem_ beproefde te winnen voor Elizabeth en Czernovië.