Van Schooljongen Tot Koning Een Verhaal Samengesteld Uit De Aan
Chapter 13
Ladislas Zabern was een man van een kranig militair voorkomen, als uit eikenhout gesneden en met ijzer beslagen. Moed stond op zijn gelaat gestempeld. Ofschoon drie-en-vijftig jaar oud, had hij niets van de voortvarendheid der jeugd verloren. Evenals Radzivil vertegenwoordigde hij in het Kabinet den overgang tot het russicisme; maar meer dan zijn ambtgenoot, die voorzichtiger en plooibaarder was, verdacht men hem van oud-Czernovische sympathieën, en de Russische regeering zocht reeds naar redenen om hem te vervangen. Inderdaad was hij door zijn krachtige persoonlijkheid de leider van het Kabinet, terwijl Radzivil slechts Premier in naam was.
Radzivil, praatziek als gewoonlijk, vertelde den Maarschalk het gebeurde tusschen den Hertog en den Hollander.
"Uitstekend!" zei Zabern. "Dat duel moet doorgaan. Het kan niet anders dan in het belang van den Staat zijn."
"Maar...." protesteerde de Graaf verbaasd, "dat gaat toch niet! De overige Ministers zijn er evenals ik van overtuigd, dat de Prinses tusschenbeiden moet komen!"
"Graaf," zei Zabern op bevelenden toon, "dat duel moet doorgaan. Het begin van voor het land nuttige verwikkelingen kan er het gevolg van zijn. En denk er aan: geen woord hierover aan de Prinses!"
Voor de Premier kon antwoorden, weerklonk een zilveren klokje uit de audiëntiezaal, ten teeken dat de Prinses gereed was haar bezoekers te ontvangen.
De vleugeldeuren werden wijd opengeworpen.
De twee Ministers gingen de Witte Zaal binnen, die zoo genoemd werd daar al het houtwerk wit verlakt, en alleen met smalle gouden biezen afgezet was.
Aan een tafel zat de Prinses, en noodigde de Ministers tot plaatsnemen uit.
Zabern was in 't bizonder haar gunsteling, en hij van zijn kant was gereed zijn leven te offeren voor de belangen van zijn meesteres, zij het ook dat hij deze gevoelens nooit in het openbaar ten toon spreidde. Hij was een sterk, hoewel stilzwijgend tegenstander van Elizabeth's toekomstig huwelijk met den Hertog, zoowel omdat hij er uit een politiek oogpunt een onheil in zag voor den Staat, als wat betreft de ongelijkheid van zulk een paar, die niet anders dan tot een zeer ongelukkig huwelijk zou kunnen leiden.
Daarom wilde Zabern alles doen om zulk een vereeniging te voorkomen, en het scheen hem toe dat deze dag zijn plannen begunstigde.
"U komt op een ongewoon uur, heeren," begon de Prinses. "Waarschijnlijk hebt ge dus belangrijke berichten?"
"Onze gezant te St. Petersburg," antwoordde de Premier, eenige papieren uit zijn portefeuille nemend, "meldt dat enkele dagen geleden de Czaar op een hofbal in het Winterpaleis naar hem toe kwam, en op strengen toon--klaarblijkelijk opdat iedereen het hooren zou--uitriep:
"Is het waar, meneer, dat de Czernovische Regeering nog steeds niet voldoende gezuiverd is van weerspannige elementen? Dat de Prinses zelfs onbewimpeld te kennen durft geven, alleen uit eigen vrije beweging een huwelijk te zullen aangaan?"
"Ik heb mij nooit openlijk in dien geest uitgelaten," merkte Elizabeth op. "Waarschijnlijk was dit slechts een zijdelingsche poging om van mijn gezindheid op de hoogte te komen. En wat antwoordde de gezant?"
"Natuurlijk, dat hij omtrent de persoonlijke gevoelens der Prinses niet was ingelicht, en de vraag niet zonder nadere instructies uit Slavowitz kon beantwoorden."
"Wat zei de Czaar hierop?"
"Dat hij een gezantschap zou afvaardigen, om de Prinses aan de besluiten van het Petersburger Congres en alle daar uit voortgevloeide nadere regelingen te herinneren."
"We zullen dat gezantschap gastvrij ontvangen," zei Elizabeth met een glimlach.
"Uwe Hoogheid beschouwt de zaak wat luchtig," vervolgde Radzivil. "Mijns inziens zal het nuttig zijn als men te St. Petersburg ondubbelzinnig op de hoogte wordt gebracht van uw gevoelens. Bij uw komst aan de regeering hebt ge de gedenkwaardige woorden gesproken, dat het landsbelang boven uw persoonlijke neigingen zou gaan. Welnu, het landsbelang eischt, wil Czernovië niet onverbiddelijk bij Rusland ingelijfd worden, uw huwelijk met Prins Alexander, Hertog van Bora. Ik geloof, dat u wel zoudt doen, in die noodzakelijkheid niet alleen te berusten, maar van die berusting het gezantschap ten duidelijkste te doen blijken."
"Het is de vraag of Czernovië's belang dit huwelijk eischt, Graaf Radzivil," antwoordde de Prinses. "In elk geval ben ik niet van plan het gezantschap, noch wie ook, op dit punt eenige beloften te doen. Zeker, ik ben door de bestaande bepalingen gebonden, geen huwelijk aan te gaan zonder toestemming van den Czaar..."
...."Het is echter zeer de vraag," vulde Zabern aan, "of daaruit ook volgt dat men u tegen uw wil tot een bepaald huwelijk dwingen kan. Dit is de oude kwestie, die tusschen u, Prinses, Graaf Radzivil en mij meermalen een punt van bespreking heeft uitgemaakt. In deze dagen is ze meer dan ooit van gewicht. Men zal in Europa, waar de verontwaardiging over het in Zuid-Afrika gepleegde onrecht zeer groot is, niet ten tweede male werkeloos den ondergang van een Oud-Hollandsche republiek willen aanzien. Wij kunnen een beroep doen op de beslissing der Mogendheden, die trouwens belang er bij hebben uitbreiding van Russisch grondgebied tegen te gaan. Het is de vraag of een rechtskundige uit de bestaande regelingen ten opzichte van Czernovië, niet weet te bewijzen dat de Prinses volstrekt niet tot een huwelijk gedwongen kan worden."
Radzivil, de voorzichtige, schudde bedenkelijk het hoofd. Hij zag vol zorg nieuwe verwikkelingen tegemoet.
Na een korte tusschenpoos van stilte, zei de Prinses, de wenkbrauwen fronsend:
"Wij hebben onze plannen omtrent een stelselmatig verzet tegen dat huwelijk steeds stipt geheim gehouden. Noch van u, Maarschalk, noch van u, Graaf, kan ik onvoorzichtigheid in dit opzicht veronderstellen. Hoe kan het mogelijk zijn, dat hieromtrent den Czaar iets ter oore is gekomen?"
De twee Ministers zag elkaar veelbeteekend aan.
Radzivil antwoordde:
"Onze vermoedens daaromtrent zijn van zoo onaangenamen aard, dat wij ze tot nog toe Uwe Hoogheid niet hebben meegedeeld, hopend dat ze gelogenstraft zouden worden. Maar tevergeefs. We kunnen niet langer blind zijn voor het feit, dat er een verrader in onze omgeving, in het Kabinet zelf misschien is."
"Een verrader!" riep Elizabeth uit.
"Met tegenzin zijn wij tot deze conclusie gekomen. Geheimen die in den Ministerraad werden behandeld, zijn aan de raadslieden van den Czaar overgebracht. De brieven van onzen gezant laten daaromtrent niet den minsten twijfel. Wel is waar kunnen wij van een gedeeltelijk door Rusland beïnvloed Ministerie geen anti-Russische politiek verwachten, maar wel mogen we van alle leden der Czernovische Regeering eerbiediging eischen van staatsgeheimen, hoe ook hun persoonlijke gevoelens zijn mogen."
Daarna las de Minister verscheiden uittreksels voor om zijn bewering te staven.
"Een van mijn Ministers voert dus een geheime briefwisseling met den Czaar," riep Elizabeth verachtelijk. "Wie is de verrader?"
En daarna de beide Ministers beurtelings scherp aanziend, vervolgde zij:
"Wien verdenkt ge, heeren?"
De Premier antwoordde:
"Ik weet volstrekt niet op wien ik de verdenking zou moeten doen vallen."
Maar Zabern glimlachte onmerkbaar, alsof hij met Radzivil's onnoozelheid spotte.
Elizabeth zag hem aan, en vroeg:
"Verdenkt _u_ iemand, Maarschalk?"
"Ja, Hoogheid," antwoordde Zabern kort en beslist.
"Zijn naam?" vroeg de Prinses snel.
Maar Zabern antwoordde niet dadelijk.
"Ik zou er de voorkeur aan geven mijn vermoedens tot volkomen zekerheid te brengen eer ik ze uitspreek, Hoogheid."
"Dat eerbiedig ik volkomen," sprak de Prinses, "en toch..."
"Uw geduld zal niet op al te zware proef worden gesteld, Hoogheid," vervolgde Zabern. "Mijn spionnen volgen de bewegingen van den verrader reeds. Meer zelfs: zijn handlanger heb ik in de Citadel achter slot en grendel."
"Meent ge Russakoff?" vroeg Radzivil.
"Ja. Ik ben overtuigd, dat hij de tusschenpersoon is in deze verraderlijke briefwisseling. Zijn eenzame opsluiting op water en brood zal zijn tong wel los maken."
"Ik maak u opmerkzaam, Excellentie," zei de Prinses, "dat ik niet den minsten schijn van dwangmiddelen duld. Ik verzoek u, bevelen te geven, dat die man op denzelfden voet als andere gevangenen behandeld wordt."
Zabern boog zwijgend het hoofd, doch veroorloofde zich daarna met een lichten glimlach op te merken:
"De gevangene is een Rus, Hoogheid... Hij zal zich zelfs nog verwonderen over de zachte behandeling die hij ondervindt."
"U hebt mijn verlangen begrepen, niet waar?" vroeg Elizabeth, het hoofd fier opgericht en met dien gebiedenden blik, aan welks invloed zelfs een man als Zabern niet ontkwam. Daarna voegde ze er zachter en met een glimlach aan toe:
"Nu en dan spreekt het Poolsche bloed, Maarschalk! Ik zal _u_ toch niet van Russische sympathieën moeten verdenken?"
"Wanneer het zoover is, Hoogheid," antwoordde Zabern, eveneens lachend, "dan zal ik, als Minister van Justitie, de eerste zijn die den verrader Zabern in de Citadel doet opsluiten!"
"Zoover zal het wel nooit komen," schertste de Prinses. Maar daarna plooide haar gelaat zich weer tot ernst, en ze vervolgde:
"Wat denkt ge dus met dien man te doen?"
"Hij was in het bezit van een cijferbericht, Hoogheid. Voorloopig zullen we afwachten of het uw Secretaris gelukt den sleutel te vinden."
Men sprak nog eenige oogenblikken over onverschillige zaken; daarna gaf de Prinses te kennen, dat zij de audiëntie wenschte op te heffen.
"Maarschalk," zeide Radzivil bij 't verlaten van het paleis, "wat hebt ge toch voor reden om dat duel te doen doorgaan? Wilt ge dan met alle geweld mijn plan betreffende het huwelijk der Prinses tegengaan?"
"Juist. Dat is mijn doel. De Prinses zal zeer zeker verontwaardigd zijn, te zien dat haar toekomstige Gemaal zich boven de wet stelt. Zij zal daar stof tot verwikkelingen uit kunnen putten, die mijn plannen begunstigen. De Hertog is in mijn net geloopen, zooals ik wel verwachtte."
"Welk net?"
"De Wet tegen het Duel. Waarom deed ik zoo mijn best die aangenomen te krijgen?"
"Om de Prinses een genoegen te doen."
"Gedeeltelijk; maar meer nog omdat ik er een middel in zag om den Hertog te vangen. Ik wist wel, dat hij geen maand zonder een duel kan blijven, en dat hij zichzelf boven de wet verheven acht. En mijn plan is geslaagd. Vandaag zal de Hertog op de sabel duelleeren. Het is mogelijk dat ze elkaar dooden; zoo niet, dan zijn er twee dingen mogelijk: de Hollander doodt den Hertog, wat voor Czernovië een zegen zou zijn, of--"
"Of, wat meer waarschijnlijk is, de Hertog doodt den Hollander."
"Dat zou jammer zijn, omdat de Hollander, zooals ge me verteld hebt, een flinke kerel schijnt te zijn. Maar--in dat geval zal de Hertog, overeenkomstig de wet, terecht moeten staan wegens moord."
Radzivil stond verbluft. Zóo ver had hij zich nog niet eens in de zaak ingedacht.
"En als de Prinses zich aan de letter van de wet houdt," vervolgde Zabern met onwrikbare koelbloedigheid, "dan zal ze--vol eerbied voor de wetten, zooals ge weet--haar toekomstig Gemaal tot gevangenschap en verbanning buiten het grondgebied van den Staat veroordeelen."
"Goede hemel!" riep de Premier.
"Mijn stelsel werkt mooi, niet? Dat was ook mijn bedoeling."
"Maar dat zal niet gebeuren! De Prinses moet tusschenbeiden komen en dat duel verbieden. Ik ga dadelijk terug en zal haar inlichten."
"Halt!" zei Zabern ernstig. "Laat de Hertog zijn dwaasheden bot vieren. Wat denkt ge--zouden gij en ik onze portefeuilles lang behouden als Bora den troon kwam deelen?"
Ze waren nu buiten het park gekomen, dat het Paleis omringde. Een ordonnans stond aan het hek, en meldde den Maarschalk dat hij een bericht had over te brengen.
"En wat is dat, Nikita?
"Maarschalk, de spion Russakoff is uit de Citadel ontsnapt."
"Vervloekt! Daar zal de wacht voor boeten!"
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
IVAN RAVENSKI.
Een gesprek met den Minister van Binnenlandsche Zaken.--De drie verzegelde pakketten.--Elizabeth hoort van het duel.--De brief van Felix.--Zou hij het zijn?--Naar het Roode Woud!
Na het vertrek van haar beide Ministers ging de Prinses door de openslaande deuren van de audiëntiezaal in den, door helderen zonneschijn verlichten tuin. De schildwachten op het terras presenteerden de geweren toen zij voorbijkwam.
In nadenken verzonken over het klaarblijkelijk gepleegd verraad volgde zij met naar den grond gerichte oogen de breede, met lindeboomen beplante laan, toen een schaduw op haar pad viel, die haar deed opzien.
Voor haar stond Ivan Ravenski, de Czernovische Minister van Buitenlandsche Zaken. Hij was een man van ongeveer vijf-en-veertig jaar, maar zag er veel jonger uit; zijn gelaat was streng en ernstig, maar niet onaangenaam om te zien. Den hoed afnemend, boog Ravenski diep; Elizabeth groette hem met een lichte beweging van het hoofd, doch haar gezicht nam een koele uitdrukking aan. Ze mocht den Minister, een onvervalschten Rus van afstamming en politieke gevoelens, niet lijden, en hoewel ze hem nooit tot haar vertrouweling had gemaakt, integendeel, in afwachting van beter tijden, hem steeds in den waan had trachten te brengen, dat zij in een huwelijk met Bora het heil van den Staat zag, voelde zij toch bij instinct dat deze man haar innerlijke gedachten doorgrondde.
Met een waardigheid als nam hij de plaats in die hem toekwam, begaf hij zich ter linkerzijde der Prinses en begon naast haar in de schaduw der linden de laan op en neer te loopen.
"Als ik mij niet zeer bedrieg, Prinses," begon Ravenski, "hebt u zooeven van de beide Ministers, die ik het paleis zag verlaten, bericht ontvangen omtrent een gebeurtenis aan het Russische Hof, die u persoonlijk betreft."
Elizabeth zag geen enkele reden om de waarheid hiervan te ontkennen, en antwoordde daarom:
"Dat is zoo. Mag ik echter vragen hoe u tot die wetenschap kwam?"
"Het is slechts een gissing, Hoogheid," antwoordde Ravenski, "maar een gissing die zeer voor de hand ligt. Als Minister van Buitenlandsche Zaken ben ik immers evenzeer als de Premier door den gezant te St. Petersburg ingelicht omtrent hetgeen de Czaar op het hofbal sprak."
"En al is dit zoo," zei Elizabeth koel, "wat is daarin dan voor u de aanleiding mij dat nogmaals mede te deelen?"
"Dat zal u aanstonds duidelijk worden, Prinses. Vergun me eerst deze vraag: U ziet immers de noodzakelijkheid in--meermalen vernam ik dit uit uw eigen mond--van een huwelijk met den Hertog van Bora?"
"Inderdaad. Ik geloof, dat de belangen van den Staat dit eischen. Het Russischgezinde deel der bevolking zal dat huwelijk gaarne zien; daarenboven," voegde zij er met een zucht bij, "is het een politieke noodzaak. Leen ik er mij niet toe, dan zal de Czaar mij wel weten te dwingen."
"De toon, waarop u mij dit antwoord geeft, Prinses, versterkt mij in de meening, die ik sinds lang koesterde, dat uw persoonlijke verlangens zich niet in de richting van dit huwelijk bewegen!"
Elizabeth verwaardigde zich niet deze uitspraak te bevestigen. Door dit zwijgen stoutmoediger geworden, vervolgde Ravenski:
"Zoudt ge geen middel weten, Prinses, aan de noodzakelijkheid van dat huwelijk te ontkomen?"
"Die vraag stelt _u_ me, Excellentie?" vroeg Elizabeth, verbaasd, "_u_, die toch als geboren Rus niets anders moest wenschen dan dat huwelijk?"
"Ik begrijp, dat deze vraag u verbaast, maar ik herhaal ze: zoudt u geen middel weten?"
"U tracht me in een val te lokken," zei Elizabeth streng, "en ik ben niet van plan uw vraag te beantwoorden. U en ik behooren in het belang van den politieken toestand te berusten in mijn huwelijk met den Hertog. Ik begrijp niet...."
"Er zijn overwegingen, Hoogheid, die sterker zijn dan de eischen der politiek. U kunt den Staat dienen en toch de inspraak van uw hart volgen."
"Ik begrijp u niet. Verklaar u, wees duidelijk, verzoek ik u."
"Welnu--ik zal zonder omwegen op mijn doel afgaan. Rusland wenscht den Hertog van Bora als Prins-Gemaal te zien, opdat diens afstammelingen, en dus afstammelingen van een Rus, Czernovië regeeren. Of de Hertog daartoe u tot gemalin kiest, is een bijzaak. Ook voor den Hertog is die omstandigheid bijzaak. Hij verlangt meer naar het bezit van een kroon dan naar het bezit van Prinses Elizabeth. En dus...."
"En dus wilt u...."
"Ik wil niets. Ik doe u een denkbeeld aan de hand. U zoudt--en ziedaar de kern van dat denkbeeld--vrijwillig afstand kunnen doen van den troon, ten behoeve van den Hertog."
Elizabeth voelde duidelijk, dat er een diepere, baatzuchtige bedoeling schuilde achter dit schijnbaar belangeloos voorstel. Met een spottenden glimlach antwoordde ze:
"U is wel vriendelijk, Excellentie, u zoo met mijn persoonlijke belangen in te laten, en daarvoor zelfs uw Russische sympathieën geweld aan te doen. Ik deed dus volgens u het beste lafhartig de zorgen der regeering van mij af te schuiven, en ergens als ambteloos, vergeten burgeres te gaan leven?"
"_Met_ den man, die u liefheeft, Prinses!" fluisterde Ravenski.
"Met den man, die.... Excellentie, wat bedoelt ge? Wie is die man, wie zou...."
"_Ik_, Hoogheid," sprak Ravenski hartstochtelijk, "_ik_ wil die man zijn! Nu weet ge mijn geheim: ik heb u lief!"
"Ik wilde dat Zabern u hooren kon!" sprak Elizabeth, zich vol afschuw omwendend. "Laat ons dit gesprek afbreken. Het is verraad."
"Neen, Prinses. Luister. Ik heb u liefgehad sedert ik door mijn plaats in de Regeering met u in aanraking kwam. Ik heb voor een groot deel medegewerkt om u de macht en den titel te doen verkrijgen, die ge heden bezit, ten einde te toonen wat ik voor u over had. Ik offer mijn politieke plichten aan u op--Prinses, bewijst u dat niet voldoende de oprechtheid mijner liefde?"
Bevend van verontwaardiging, wendde Elizabeth onwillekeurig den blik naar de beide schildwachten, die met langzamen pas het terras op en neer gingen.
Ravenski zag die beweging, en vervolgde:
"Eén oogenblik, Prinses, eer ge last geeft mij te arresteeren. Ik heb deze bekentenis niet gedaan zonder mijzelf een waarborg te verzekeren. Luister! Er woont op dit oogenblik aan de andere zijde der grens--het doet er niet toe waar--een persoon die mijn belangen is toegewijd. Hem heb ik de zorg voor drie verzegelde pakketten toevertrouwd. Zoodra hij mijn arrestatie verneemt, handelt hij als volgt. Een der pakketten zal hij aan den Russischen Minister van Buitenlandsche Zaken verzenden, het tweede aan den Hertog van Bora, het derde aan de redactie van de Czernovische Nieuwsbode, welks Russisch-gezinde uitgever Lipski maar al te graag den inhoud zal publiceeren, en waardoor een beweging in Czernovië zal ontstaan. Daar zijn uw schildwachten. Roep ze. Arresteer me. Maar wees er van verzekerd: binnen acht dagen daarna zijt ge onttroond."
Elizabeth zweeg, maakte geen beweging.
"Vergeef me, Prinses, dat ik u met bedreigingen toespreek, ik ging er niet dan met tegenzin toe over. Maar--gij erkent mijn macht, en ge weet dat ik u liefheb. Wat is uw antwoord?"
Elizabeth maakte een beweging van ongeduld.
"Ik hecht niet veel aan uw bedreigingen. Wat zouden die pakketten kunnen bevatten?"
"Ik zal 't u zeggen. Het eerste een wasrol van een fonograaf, die ik, achter een meubel verborgen, een door u gevoerd gesprek met uw Secretaris deed opnemen, en die met uw eigen, zeer goed te herkennen stem het overtuigend bewijs levert, dat gij, hoewel uiterlijk berustend in het door Rusland gewenschte huwelijk met den Hertog, elk gunstig oogenblik afwacht om Rusland's plannen te verijdelen. Welke middelen gij daartoe wilt aanwenden, is mij nog onbekend, doch vast staat dat ge op niets minder dan een staatsgreep zint."
"Verrader! Lafaard!" riep de Prinses, met een van verontwaardiging trillende stem. "Ik wist, dat geen middel tot bereiking van uw doel u te laag was, maar dat ge dit zoudt durven....!"
"Verrader?" sprak Ravenski spottend. "Noem liever uw vrienden Zabern en Radzivil zoo, die ik sterk verdenk--zoo ze al niet in uw plannen zijn ingewijd--de uitvoering daarvan gaarne te zullen begunstigen."
De Prinses was met uiterste inspanning haar ontroering meester geworden. Uiterlijk kalm vroeg ze:
"En het tweede pakket?"
"Is gelijk aan het eerste, Hoogheid."
"Het derde?"
"Bevat een eenigszins fantastisch verhaal van den door u beraamden staatsgreep, dat de bladen gretig zullen overnemen."
Eenige oogenblikken beschouwde Ravenski de uitwerking zijner woorden, toen vervolgde hij:
"Overdenk dit alles goed. Ik zal er u ruim den tijd toe geven. Ik heb geduld. Bedenk, dat wanneer de sombere muren van een Russische vesting u omringen, wanneer ruwe soldaten uw cipiers zijn, wanneer geen uwer angstkreten tot de buitenwereld doordringt--dat dan zelfs de liefde van Ravenski begeerenswaard zou zijn."
Elizabeth kon het gevoel van afschuw niet onderdrukken, dat door deze woorden werd opgewekt.
"Stort dus niet uzelf, noch uw vrienden, in 't verderf, Zabern, Radzivil, Dorislas, al de ministers wier politiek Rusland een doorn in 't oog is, en die door den Hertog aan den Czaar zouden worden overgeleverd. Czernovië zou door kozakken worden bezet en onder de krijgswet geplaatst, de mannelijke bewoners bij het Russische leger ingelijfd, de Universiteit gesloten, de wetten geschorst, kortom, uw land ten onder gaan."
"Maar wanneer ik afstand doe," riep Elizabeth wanhopig, "wanneer Bora de regeering aanvaardt, zal het land dan niet eveneens ten onder gaan?"
"Zeer zeker. Maar niet door geweld. En bovendien niet door uw direct toedoen. Daar ligt het zwaartepunt der kwestie. Nogmaals: gij hebt te kiezen. Ik zal wachten."
"En ge zult lang moeten wachten, Excellentie," antwoordde Elizabeth trotsch. Ze waren op dit oogenblik den uitgang van het park genaderd; met een handbeweging noodigde ze den Minister uit te vertrekken.
Ravenski bleef echter staan, en sprak:
"Nog een enkel woord, Prinses. Hedenmiddag is mij een bericht ter oore gekomen, dat U zal intresseeren. In het Hotel Czernovië, waar vele vreemdelingen afstappen, en waar ik natuurlijk, belang stellend in buitenlandsche zaken, spionnendienst doe uitoefenen, heeft heden enkele uren geleden een twist plaats gehad tusschen den Hertog van Bora en een kortelings hier aangekomen Hollander. Merkwaardig genoeg schijnt een Latijnsche spreuk--esse quam vederi, wanneer mijn berichtgever goed verstaan heeft--de onmiddellijke aanleiding tot den twist te zijn geweest. Ik moet bekennen, dat dit gedeelte der zaak mij niet recht duidelijk is. Hoe het zij, het gevolg zal een duel zijn tusschen den Hollander en den Hertog, hedenavond te zeven uur. Hoogstwaarschijnlijk zal de Hertog, die dertig duels achter den rug heeft, en nooit gewond werd, den Hollander dooden. De kans bestaat echter, en we moeten daarmee rekening houden, dat de Hertog verwond wordt. Eenigen tijd geleden zou daarin geen bezwaar gelegen hebben; sedert de tot-stand-koming der duelwet zou de Hertog zich echter aan een strafvervolging blootstellen. U moet dat voorkomen."
Elizabeth was plotseling verbleekt, als had een hevige schrik, die op dat oogenblik alleen _zij_ zou kunnen verklaren, haar bevangen. Ravenski, evenmin als de lezer, die echter zoo straks ingelicht zal worden, begrijpend wat er in haar binnenste omging, gaf een uitleg aan haar ontroering, die--naar we aanstonds zien zullen--onjuist was.
"Ge verbleekt, Prinses. Ik begrijp dat. De mogelijkheid, dat de Hertog u op deze manier een wapen tegen zichzelf in handen geeft, komt als een onverwacht redmiddel tot u, dat u aanlokt, en waarvan ge toch aarzelt gebruik te maken. Vandaar uw ontroering. Ik zeg u echter: stijg te paard, rijd zoo snel ge kunt met een escorte naar het Roode Woud, waar het duel zal plaats hebben--en voorkom het. Het leven van den Hertog _moet_ gespaard blijven,--dat is immers in _mijn_ belang. Werkt ge dat belang tegen, staat ge mij niet voor de veiligheid van den Hertog in, dan beschuldig ik u openlijk, een officiëel te uwer kennis gebracht misdrijf, door de landswetten verboden, niet te hebben voorkomen."
Elizabeth hield zich aan het hek van de parkpoort vast om niet te vallen, ze wankelde, en sprak alleen nauw verstaanbaar: