Van Schooljongen Tot Koning Een Verhaal Samengesteld Uit De Aan

Chapter 12

Chapter 123,931 wordsPublic domain

Ze hadden eenige oogenblikken zoo gezeten, en Rob was juist van plan zijn reisgenoot een wandeling door de stad voor te stellen, toen hij naast zich het gekletter van een sabel en het rinkelen van gespoorde voeten hoorde, terwijl een ruw verschoven stoel onzacht zijn arm raakte. Hij keek op, en zag twee heeren, die hij onmiddellijk als den Hertog van Bora en Graaf Radzivil herkende. Reeds had de antipathie, die Van Stralen voor den Hertog voelde, zich ook aan hem zoo meegedeeld, dat hij een oogenblik de drift in zich voelde opbruisen over de onbeleefde wijze waarop die man hem, zonder eenig woord van verontschuldiging, letterlijk op zij drong om gemakkelijker te kunnen zitten. Ook de toon, waarop hij den toeschietenden kelner wijn bestelde, en hem daarna afsnauwde, omdat de man hem niet dadelijk begreep, klonk Rob zeer afstootend in de ooren. Toen de Hertog dan ook, een oogenblik daarna, ongedurig weer opstond, en, naar een gemakkelijker zetel omziend, zonder veel complimenten den stoel greep, waarop Van Stralen en Rob hun hoeden hadden uit de hand gelegd, sprong ook Rob op, nam den Hertog snel den stoel weer uit de hand, en legde de op den grond gevallen hoofddeksels weer op hun vorige plaats.

De Hertog, gewoon te doen en te laten wat hij wilde, stond een oogenblik verstomd. Zijn oogen glinsterden van toorn, hij sloeg onwillekeurig de hand aan het gevest van zijn zwaard, en bulderde:

"Hoe durft u, meneer! Weet u niet wie ik ben?"

Daar deze woorden in het Russisch werden uitgesproken, dat Rob niet verstond, gaf deze geen onmiddellijk antwoord; Van Stralen, uit zijn droomerij ontwaakt, had zich intusschen tot den Hertog gewend, en zei in het Hollandsch:

"Wij weten zeer goed, wie u is, meneer. Daarom verbaast uw onbeleefdheid ons des te minder."

De zwarte oogen van den Hertog flikkerden woest; hij had gedurende zijn verblijf in Czernovië de landstaal te goed geleerd, om te kunnen veinzen dat hij Van Stralen's woorden niet verstond. Zijn gezicht werd dreigend en donker van uitdrukking, en hij riep uit:

"Bent u gek of dronken? Is het al niet erg genoeg dat u niet opstond en mij niet groette toen ik binnenkwam, zooals elk Czernoviër gewoon is? Wees zoo goed, Graaf Radzivil, de namen dezer heeren te noteeren; ze zullen hun onbeleefdheid boeten."

Graaf Radzivil fluisterde den Hertog iets toe, waarop deze eenigszins scheen te kalmeeren; daarna naderde hij Van Stralen met een hoffelijke buiging en stelde zich voor:

"Graaf Radzivil, Premier van Czernovië. Mag ik weten, met wien...."

"Ik ben Hollander, mijn naam is Van Heelstra," antwoordde Van Stralen, opzettelijk Rob buiten de kwestie houdend. "Mag ik vragen wie deze--eh--heer is?"

De Hertog zag nu, dat hij met vreemdelingen te doen had, en dus wijzer deed geen twist met hen te beginnen. Hij antwoordde kort:

"Ik ben de Hertog van Bora, commandant van het Czernovische leger. Ik had u voor Czernoviërs aangezien."

Met die woorden draaide hij zich om, meenend nu voldoende excuses gemaakt te hebben, en Van Stralen zou er zich op hebben kunnen verheffen, dat hij de eenige man was, aan wien ooit de Hertog op zijn manier verontschuldigingen had aangeboden.

Graaf Radzivil echter, wiens hoffelijke aard niet gedoogde, dat een vreemdeling zou heengaan met een onaangename herinnering aan Czernovië en zijn hooggeplaatste inwoners, vond het noodig Van Stralen nog eenige vriendelijkheden te zeggen.

"U zult als Hollander zeker veel zien in deze stad, waardoor u aan uw eigen land wordt herinnerd?"

"Zeker," antwoordde de ingenieur. "Maar helaas ook veel, wat mij den Russischen invloed in herinnering brengt."

De Prins had zich bij deze woorden wrevelig afgewend, en deed alsof hij aan het verdere gesprek geen aandacht schonk.

"Een gesprek daarover," zei graaf Radzivil glimlachend, "zou ons op het gevaarlijk terrein der politiek brengen. Zeker is, dat Czernovië de laatste jaren veel van haar oorspronkelijk karakter verloren heeft. Men leert zich in het onvermijdelijke schikken."

"Ook de Prinses?" vroeg Van Stralen scherp.

"De persoonlijke gevoelens der Prinses heb ik niet de eer te kennen," antwoordde Radzivil diplomatiek. "Wel staat vast, dat zij--zelf van Hollandschen oorsprong--haar genegenheid voor den Hollandschen stam niet verbergt. Meerdere personen uit haar omgeving zijn afstammelingen van Hollandsche geslachten; ik zelf ben het van de zijde mijner moeder; de Particuliere Secretaris der Prinses, de heer Van Stralen, is volbloed Hollander. Waarschijnlijk hebt u, zonder het te weten, dien heer dezen middag hier ontmoet; hij gebruikt geregeld zijn diner in dit hotel."

"Ik had zelfs het genoegen door een toeval met hem kennis te maken," zei Van Stralen.

"Wel, dat is zeker toevallig," vervolgde de Graaf, en, zich tot den Hertog wendend, sprak hij:

"De heer Van Heelstra maakte dezen middag met onzen vriend den Secretaris der Prinses kennis, Hoogheid; gelooft u niet, dat..."

Maar de Hertog veinsde hem niet te hooren. Hij haatte den Secretaris, en alleen daarom den onbekenden Hollander des te meer.

"Van Stralen is een uitnemend man," vervolgde de goedpraatsche Radzivil; "hij bewees ons menigen goeden dienst. Een belangrijk cijfertelegram dat ons onlangs in handen viel, en waarmee de deskundigen geen raad wisten, pluisde hij uit. Hij heeft een belangrijk werk over raadselschrift geschreven, ofschoon ik tot mijn schande bekennen moet het nooit gelezen te hebben. Hij strekt onzen kleinen Staat tot eer. We mogen niet veel beteekenen onder de grootmachten, maar door de voortreffelijke eigenschappen van vele Czernoviërs zijn we toch sterker dan velen denken."

"Esse quam videri [2]," glimlachte Van Stralen.

Nauwelijks had hij deze woorden geuit, of het bleek dat de Hertog het gesprek zeer goed gevolgd had. Hij keerde zich plotseling om, zijn gezicht teekende verbazing en toorn, en hij vroeg ruw:

"Wat meent u daarmee?"

"Gaarne wil ik het voor u vertalen, Hoogheid, daar u klaarblijkelijk geen latijn kent. Esse quam videri wil zeggen..."

"Beleedig me niet langer!" riep de opgewonden Hertog. "Ik weet zeer goed wat het zeggen wil. Ik vraag alleen, waar u die woorden gelezen hebt, hoe u...."

Buiten zichzelf van woede, kon hij geen woorden vinden om zich juist uit te drukken, en terwijl hij daarnaar nog zocht, vervolgde Van Stralen:

"Uwe Hoogheid heeft een eigenaardige manier om iemand een uitlegging te vragen. Waar ik die woorden las? Waarschijnlijk waar ook u ze las, daar u ze immers ook blijkt te kennen."

"Dat is een leugen!" riep de Hertog.

"Voorzichtig, Hoogheid," wierp Radzivil in 't midden, terwijl hij om zich heen zag, "laten we geen publiek schandaal uitlokken."

Van Stralen had moeite zich deze beleediging te laten aanleunen, maar daar hij met zijn handelwijze een bepaald plan had, hield hij zich kalm, en zei:

"Uwe Hoogheid laat zich zeer kwetsend over mij uit, doch ik ben bereid die woorden als niet gesproken te beschouwen. U zult mij echter ten goede houden, dat ik nu ook op uw vragen geen nader antwoord kan geven."

Met deze woorden ging Van Stralen weer kalm aan zijn tafeltje zitten en stak een nieuwe sigaar op.

De Hertog was echter volstrekt niet van plan het hierbij te laten. Hij ging naar den ingenieur toe, wiens terugtrekkende beweging hij voor lafheid hield, en vroeg:

"U wenscht mij dus niet te antwoorden?"

"Neen."

"U weigert?"

"Beslist."

"Dan zult u met mij duelleeren."

Van Stralen voelde veel lust de uitdaging aan te nemen; zijn tegenstander had hem na de korte kennismaking al genoeg afkeer ingeboezemd. Maar het leek hem toch verstandiger zulk een conflict voorloopig, als 't eenigszins mogelijk was, te vermijden. Ten eerste zou met het overhoop steken van den Hertog de Czernovische kwestie volstrekt niet opgelost zijn, ten tweede zou het duel aanleiding kunnen geven tot een openbare bespreking daarvan, waardoor Van Stralen zich meer bloot zou geven dan hij op dit oogenblik wel wenschte.

Hij antwoordde dus rustig:

"Neen Hoogheid, ik zal niet duelleeren."

"Als u niet vechten wilt, kan ik u er niet toe dwingen. Maar ik kan u ten minste als een lafaard brandmerken."

En zijn stok oplichtend, gaf hij Van Stralen een slag op de wang.

"Hoogheid!" riep Radzivil, en begaf zich, boos en verontwaardigd, naar het andere einde der veranda.

De kleur was uit Van Stralen's gelaat geweken; alleen een roode streep gloeide op zijn linker wang.

"Zult ge nu vechten?" zei de Hertog met een tartenden glimlach, terwijl hij den stok opnieuw ophief. "Of hebt ge nog een nadere opwekking noodig?"

"Vechten? Ja, waarachtig, dat zal ik!" antwoordde Van Stralen, diep ademhalend. "Zend uw getuigen hierheen; ze zullen de mijnen ontmoeten. Ik heb u verder niets meer te zeggen. Onze sabels zullen het overige doen."

Een glans van wilde vreugde ging over het gelaat van den Hertog.

"Mijn getuigen zullen binnen een uur hier zijn. Maar eerst een waarschuwing aan Radzivil. Die is te praatziek: en de kwestie behoeft niet aan de groote klok gehangen te worden."

De Hertog verwijderde zich, en Van Stralen bleef naast den verschrikt zwijgenden Rob zitten, terwijl de enkele gasten van het hotel, die zich op het balcon bevonden, de oogen op hem richtten, en tot elkaar zeiden, dat de Hertog zeker weer een van zijn onderdanen op zijn gewone zachtaardige manier voor een onbeleefdheid had gestraft.

De Hertog, volstrekt niet beschaamd over zijn uitbarsting van woede, alleen geërgerd omdat Radzivil zulke duidelijke teekenen van afkeuring had gegeven, ging naar het tafeltje waar de Premier zich had neergezet.

De laatste dorst niet veel meer dan zwakke tegenwerpingen maken, want hij verkeerde in een moeielijke positie. Het was niet handig zich iemand tot vijand te maken, die bestemd was Prins-Gemaal van Czernovië te worden.

"Uwe Hoogheid vergeet dat het duel bij de wet verboden is."

"Ik ben de aanstaande Prins-Gemaal en sta boven de wet," antwoordde de Hertog hooghartig.

"De Prinses zal waarschijnlijk die meening niet deelen. Herinner u hoe ijverig zij gewerkt heeft om de Wet tegen het Tweegevecht er door te krijgen. Als een van haar eigen Ministers die wet overtreedt, zal zij zich daar zeker niet bij neerleggen. U hebt, vergeef mij dat ik het zeg niet zeer voorzichtig gehandeld."

"Bah, m'n beste Radzivil, zorg maar dat je weet te zwijgen, en ze zal er nooit van hooren. Denk er aan," voegde hij er dreigend bij, "dat, wanneer Hare Hoogheid de zaak te weten komt, ik niet twijfelen zal aan de herkomst van haar inlichtingen."

Hij dronk haastig een glas wijn leeg, en wierp een blik vol haat in de richting van den ingenieur.

"Weet ge wel, Radzivil, dat de spreuk, die deze Hollander zooeven uitsprak, gegraveerd staat in de binnenzijde van een ring, welken de Prinses draagt? Slechts eenmaal legde zij dien, doordat een der steenen beschadigd was, in mijn tegenwoordigheid af. Ik had toen de gelegenheid het inschrift te lezen, en vroeg wie haar dien ring had geschonken. De Prinses bleef niet alleen het antwoord schuldig, maar was blijkbaar in verlegenheid. Dat kwam mij verdacht voor, evenals 't me verdacht voorkomt, dat die vreemdeling zooeven dezelfde spreuk aanhaalde."

"Maar welke conclusie zou Uwe Hoogheid daaruit dan willen trekken?"

"Dat er de een of andere verhouding bestaan heeft, misschien zelfs nog bestaat, tusschen de Prinses en dien man daar."

"Uwe Hoogheid moet zich vergissen. De heer Van Heelstra bezoekt Slavowitz voor de eerste maal in zijn leven. Waar en wanneer zou de Prinses hem ontmoet kunnen hebben?"

"Dat weet ik evenmin als jij, maar ik wil, en zal dat ook, te weten komen. Er zijn geruchten, die van een vroegere verloving der Prinses spreken, vóor zij het bestuur in handen kreeg."

"Daarvan hoorde ik ook wel spreken. Het schijnt echter, dat die geruchten op zeer losse gronden berusten; niemand weet er iets met zekerheid van te zeggen. Bovendien zou de persoon in kwestie, ook al weer volgens zeer vage geruchten, behoord hebben tot de zeven geleerden, die bij de ramp van Isola Riva omkwamen. En op geen hunner gelijkt deze Hollander ook maar in de verte. De onderstelling alleen trouwens, dat hij die ramp zou hebben overleefd, is te dwaas om van te spreken."

"Dat is zoo," antwoordde de Hertog, "Er zou trouwens ook geen enkele reden te noemen zijn waarom de overlevende zich dan schuilhouden en vermommen zou."

"Nu ziet u immers zelf uw dwaasheid in! Mij dunkt, dat u die duel-kwestie nu maar moest bijleggen."

"Het komt niet in me op," antwoordde de Hertog koppig. "Juist omdat dit geval zoo raadselachtig is, wil ik de oplossing er van vinden. Als deze Hollander mijn vragen niet goedschiks wil beantwoorden, zal hij het kwaadschiks doen, of--met een sabelhouw zijn onwil boeten. Ik duld zelfs den schijn niet, dat ik een mededinger heb. Ik begin nu zelfs te gelooven, dat de Prinses zoo ijverig de Wet op het Tweegevecht doordreef, om haar geliefde de gelegenheid te geven, zich ongemoeid in Czernovië op te houden. Zij wilde hem tegen mijn sabel beveiligen. En nu ben ik er ook van verzekerd, dat zij reeds lang met hem heeft gecorrespondeerd, terwijl haar vriend Van Stralen, die voor zulke dingen heel geschikt is, als tusschenpersoon heeft gediend. Voor onze Prinses, die er een geheime liefde op na houdt, is zulk een handige cijfermeester een geschikt werktuig."

Hij keek wederom met zulk een haat in zijn blik naar Van Stralen, dat de Premier, een nieuwe scène vreezend, de gedachten van den Hertog poogde af te leiden, door het woord "cijfer," dat deze zoo even had uitgesproken, tot het onderwerp van een gesprek te maken.

"De Secretaris is, zooals u zegt, een kundig ontcijferaar van geheimschrift, maar op het oogenblik schiet zijn kunst toch te kort."

"Hoezoo?"

"Wel, onlangs is hem een cijferbericht voorgelegd door Zabern...."

"Zabern!" viel de Hertog hem wrevelig in de rede. "Alweer zoo'n halfslachtig wezen in het Kabinet. De Czaar heeft gemeend goed te doen door de regeering langzamerhand in Russische handen te brengen. Wat mij betreft is de keus zeker heel goed geweest, maar in Zabern--en evenzeer in een zekeren Graaf Radzivil--is van moederszijde nog te veel Hollandsch bloed. Als 't aan mij lag ging men veel radicaler te werk."

"De Czaar voelt klaarblijkelijk meer voor een geleidelijken overgang, en hij heeft dunkt me van zijn standpunt uit gelijk. Maar ik wilde dan vertellen, dat vier weken geleden in een herberg een twist tusschen Czernoviërs en Russen zoo hoog rees, dat men de hulp van een militaire patrouille inriep, die de belhamels naar de wacht meenam. Daar had de gebruikelijke fouilleering plaats, en op een van de mannen vond men een paspoort op naam van Ivan Russakoff, hetgeen de man verklaarde hem toe te behooren."

Radzivil was er uitstekend in geslaagd de aandacht van den Hertog af te leiden. De toorn week van zijn gelaat. Van Stralen en het duel schenen voor een nieuwe belangstelling te zijn geweken.

"Deze Russakoff droeg een kaftan, in welks voering een breed, in tweeën gevouwen stuk papier was verborgen, aan beide zijden bedekt, niet met woorden, maar met lange rijen cijfers. Des morgens werden de arrestanten ontslagen, behalve Russakoff, van wien men een verklaring verlangde omtrent de beteekenis van het papier. Hij weigerde die te geven. Hij zei de agent te zijn van een lakenkoopman uit Warsim, en had trouwens een tasch bij zich met stalen van lakenstoffen. Een onderzoek wees uit, dat er in Warsim inderdaad een lakenkoopman, genaamd Paskovitch, woont, wiens agent Russakoff is, en dat de kleedermakers van Slavowitz aanzienlijke bestellingen bij dien man doen."

"Daarna liet men den man zeker los?"

"Integendeel. De zaak kwam Zabern ter oore, en hij liet den man voor zich brengen. "Wat beteekenen die cijfers?" vroeg Zabern. "Dat zijn beroepsgeheimen," antwoordde Russakoff. "Daaraan twijfel ik niet," zei de Maarschalk. "Je beroep is dat van spion. Je laken-verkooperij is een dekmantel voor je eigenlijke bedoelingen." Zabern nam den man langen tijd in verhoor. Russakoff weigerde de beteekenis van het geheimzinnig papier te onthullen; hij kon geen bevredigende verklaringen geven betreffende de wijze waarop hij zijn tijd in Slavowitz had doorgebracht, en de Maarschalk, overtuigd dat de man een spion is in Russischen dienst, heeft hem voor meerdere veiligheid naar de Citadel doen brengen, waar hij nu is. Het papier is in handen van Van Stralen om het te ontcijferen, en daarbij is de zaak op 't oogenblik gebleven."

"En Van Stralen ziet geen kans het raadsel op te lossen?"

"Hij weet er totaal geen weg mee."

De Hertog scheen dat met genoegen te hooren.

"Zabern ziet een spion in iedereen die uit Rusland komt," spotte hij.

"Wel, we zullen de waarheid spoedig weten. Zabern schijnt den man te willen gijzelen op water en brood. Dat maakt de tong los."

"Maar 't is tegen de wet," zei de Hertog, met gefronst voorhoofd.

"Evenals duelleeren," gaf de Premier terug.

Bora scheen op 't punt een boos antwoord te geven maar hield zich in en zei:

"En die zoogenaamde spion werd een maand geleden gearresteerd, zegt u? Als Zabern die zaak zoo gewichtig oordeelt, waarom werd ik dan, als Minister, er niet van op de hoogte gebracht?"

"De zaak valt onder Zabern's departement, daar hij immers Minister van Justitie is. Ik voor mij hoorde er eerst gisteren van, en toen nog door een toeval. En," voegde hij er bij, vaag glimlachend bij de wetenschap dat hij geen meester was in zijn eigen kabinet, "u weet hoe Zabern gewoon is buiten voorkennis van zijn collega's te handelen, en dat de Prinses steeds zegt: "Zabern heeft een streepje voor.""

Niemand wist dit beter dan de Hertog zelf, en hij dacht bij zichzelf, dat die toestand wel veranderen zou, zoodra _hij_ op den troon kwam, en Czernovië een koninkrijk werd.

De beide heeren dronken hun glas wijn leeg en gingen heen.

Intusschen had Van Stralen met Rob zacht zitten praten. Rob was zeer ontdaan over het gebeurde, niet omdat de Hertog hem vrees inboezemde, maar omdat hij het vreeselijk vond dat zijn vriend nu gedwongen was te vechten, en dat hij, Rob, daartoe eigenlijk de aanleiding was geweest.

"Had ik me maar zoo boos niet gemaakt," zei Rob, "maar ik wist niet dat die Hertog zoo opvliegend zou zijn."

"Maak je geen verwijten, kerel," zei Van Stralen. "Je hebt me onwetend een dienst gedaan. Als we hier elken dag blijven zitten, en sigaartjes rooken en lekker eten, dan komen we er niet. Ik had al lang naar een middel gezocht om met dien Hertog in aanraking te komen, en dat is me nu gelukt."

"Maar als hij je nu misschien laat gevangen nemen, en ze gaan uitvisschen waar je vandaan komt, en...."

"Dat gebeurt allemaal niet. Hij wil veel te graag duelleeren en daar 't duel in Czernovië verboden is, zal hij wel zorgen dat niemand er van hoort."

"Waarom werd hij eigenlijk zoo woedend toen je die Latijnsche woorden zei?"

"Wel, ik zei ze met opzet, juist om te kijken wat hij dan doen zou. Toen ik Elizabeth de laatste maal zag, gaf ik haar een ring, om die steeds als aandenken te dragen, daar ik wel wist dat ze mij in langen tijd niet zien zou. De woorden "Esse quam videri" waren aan de binnenzijde gegrift. Uit de woede van den Hertog begreep ik wat ik weten wilde, namelijk dat Elizabeth den ring nog bezit, dat Bora de inscriptie door het een of ander toeval gelezen heeft, dat hij heeft willen weten, wie de gever was en zich boos heeft gemaakt toen Elizabeth hem dat niet wilde vertellen. En je begrijpt, dat ik uit dit alles conclusies kon trekken, die me niet onaangenaam zijn."

"Maar hoe moet die duel-kwestie nu afloopen?" vroeg Rob.

"Nu--een van ons beiden zal een houw krijgen, waarschijnlijk de Hertog. Dooden zal ik hem niet, ten eerste uit beginsel, ten tweede omdat 't niet politiek zou zijn. Ik vind 't al erg genoeg, dat we onze goede, verdraagzame Vogelgewoonten hier op deze bloeddorstige aarde moeten afleggen."

Op dit oogenblik kwam Paul terug. Bij hun tafeltje gekomen, bukte hij zich en raapte een boekje op, dat op den grond lag, zeggend: "is dat van jou?"

"Neen," antwoordde van Stralen, "en van Rob ook niet, voor zoover ik weet."

Daar ook Rob 't boekje niet voor zijn eigendom herkende, maakten de vrienden de conclusie dat Radzivil of Bora het zooeven moesten hebben laten vallen. Het bleek een zakuitgave van Aeschylus' gedichten te zijn, dat den Griekschen tekst der zeven tooneelspelen bevatte, zonder vertaling, noten of toelichting.

Paul bladerde er in, en fronste plotseling de wenkbrauwen in verbazing.

"Wat zou hem er toe gebracht hebben al die moeite te doen, en waartoe dient het?" mompelde hij,

"Mijn boek, meneer de Secretaris," klonk opeens een stem achter hem, en opziende, keek hij in de scherpe zwarte oogen van den Hertog, die achterdochtig op hem gevestigd waren. "Ik merkte zooeven, dat ik dit had laten liggen. Zooals u ziet, houd ik mijn klassieken nog bij."

"U bestudeert ze zelfs zeer aandachtig," zei Paul. "Niet ieder neemt de moeite al de letters van een Grieksch tooneelstuk te tellen."

Bora keek hem aan alsof hij een verborgen bedoeling in zijn antwoord wilde ontdekken, en ging toen heen, klaarblijkelijk niet op zijn gemak.

Paul kwam nu aan het tafeltje zitten, en merkte dadelijk den rooden streep op, die over het gelaat van zijn broer liep.

"De handteekening van den Hertog," zei Van Stralen, met ingehouden toorn. Daarna vertelde hij het gebeurde, evenals het vroeger meegedeelde onder geheimhouding, waarop hij natuurlijk tegenover Paul, die trouwens de gevoelens van zijn broer voor Prinses Elizabeth kende, volkomen rekenen kon.

Paul luisterde met verontwaardiging.

"Die vlegel!" mompelde hij. "Dat kost je 't leven, Felix. De Hertog is een meester op de sabel. Hij heeft zijn weerga niet in Czernovië."

"Dat zegt niet veel. Czernovië is klein."

"Hij heeft al dertig duels achter den rug, waarvan er zeven-en-twintig ten nadeele van zijn tegenstander afliepen."

"Het een-en-dertigste zal hem niet veel eer doen inleggen. Jij en Rob moeten mijn getuigen zijn."

"Ik? De Prinses is streng tegen het duel. De Russen hebben het hier trachten in te voeren, maar op haar aandringen stelde Zabern een wetsontwerp op tegen het tweegevecht, en Elizabeth wist het te doen aannemen. Daders en getuigen worden met gevangenschap bedreigd."

"Ik zal 't je niet moeielijk maken, Paul," zei Van Stralen op zijn gewone eenvoudige manier, die allen schijn van grootspraak miste. "De Van Stralens zijn van ouds meester op alle wapenen, jij zoo goed als ik. En ik heb het schermen duchtig onderhouden. Het gevecht zal onbeslist blijven--hoogstens krijgt de Hertog een onbeduidende wond. Maak je niet ongerust."

"Ik hoop het beste. Daar komen Baron Ostrova en Graaf Itar, de gewone bijstanders van Bora in zijn eerezaken. Welk instructies, Felix?"

"Van avond zeven uur. Sabels. Totdat er bloed vloeit."

En Felix bleef nog eenige oogenblikken met Rob zitten praten en een sigaar rooken, zoo kalm alsof er niets bizonders gebeurd was.

"Maar hoe moet dit alles afloopen?" vroeg Rob. "Steek je je nu niet in allerlei moeielijkheden? Bereiken we op deze manier ons doel?"

"Wacht rustig af, mijn beste jongen. Vooreerst moet de Hertog mijn verklaarde vijand zijn. Langs hem kom ik tot den Czaar. Je zult zien dat dit de weg tot ons doel is. Het zal langzaam gaan--maar we komen er zeker."

En Rob zweeg, nog niet begrijpend, maar vast vertrouwend op het succes van al wat deze merkwaardige man wenschte te ondernemen.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE VERRADER.

Waarin we Maarschalk Zabern en Prinses Elizabeth leeren kennen.--Wat de gezant te Petersburg schreef.--Een verrader onder de Ministers.--Russakoff is ontsnapt!

In een der vertrekken van het paleis zaten Graaf Radzivil en Maarschalk Zabern.

De beide Ministers zouden de Prinses den inhoud van een belangrijk telegram mededeelen, dat zoo juist van den Czernovischen ambassadeur te St. Petersburg was ontvangen, en wachtten slechts tot zij bij de Prinses zouden toegelaten worden.