Van Schooljongen Tot Koning Een Verhaal Samengesteld Uit De Aan

Chapter 11

Chapter 113,766 wordsPublic domain

Ook de andere vijf bewoners van De Vogel staken zich dus vlug in een reiscostuum, en daarna legde de ballon de enkele meters af, die hen van de aarde scheidde. Het trapje werd neergelaten, en behalve Mu stapten allen aan land.

Men sloeg nu gezamenlijk den weg naar Midia in. Nauwelijks had men eenige honderden meters afgelegd, of men hoorde snelle voetstappen achter zich en Mu kwam aanhollen met een portefeuille, die La had laten liggen.

"Je legitimatiepapieren," hijgde hij.

"O juist, goed dat je er aan dacht," zei La. "Dankjewel. Die kunnen altijd wel te pas komen."

Mu plaagde La wat met z'n verstrooidheid, omdat hij alweer wat had laten liggen, en legde Rob uit dat men nooit zonder de noodige papieren aan wal ging.

"Maar hoe kom je daar dan aan?" vroeg Rob.

"O, heel eenvoudig. Ik heb de papieren van 'n Hollandsch koopvaardijkapitein, dien we eens in zee drijvende vonden, vastgesjord op een vlot van planken en tonnen--wie weet wat de arme man had doorgemaakt. We legden het lijk op het strand bij een klein visschersdorp, met een briefje, zijn herkomst behelzende, er bij. Jij hebt in je binnenzak--heb je dat nog niet eens gemerkt?--dergelijke papieren, op een van onze tochten gevonden, en de anderen zijn allen van Engelsche documenten voorzien die we op het jacht van Lane inpikten. Zooals je ziet, rekenen we op alles."

Mu was intusschen weer in de richting van De Vogel gegaan, die hij niet gaarne langer dan hoog noodig was onbeheerd wilde laten. Toen hij er nog ongeveer tweehonderd meter van verwijderd was, voelden allen plotseling den grond onder hun voeten trillen; een geweldige slag weerklonk, die lang nadreunde, en een metershooge vlam verlichtte gedurende enkele seconden de omgeving. Toen hoorde men het ruischen van neervallend stof en het kletteren van omlaag komende steenen.

Eenige oogenblikken stonden allen als bedwelmd; toen volgde men het voorbeeld van Li en snelde in de richting van De Vogel, vanwaar men de slag gehoord meende te hebben.

Bij de plaats aangekomen, waar men kort te voren geland was, bleven allen als vastgenageld aan den grond staan. De groote donkere vorm van De Vogel teekende zich niet langer tegen de lucht af. Het rotsblok, waarachter hij verborgen had gelegen, was tot op zijn grondvlak afgebrokkeld, het strand lag met gruis en steenen als bezaaid. De zee sloeg met geweldige golven over den oever, de laatste overblijfselen met zich voerend van het vernielingswerk dat hier had plaatsgegrepen.

Enkele seconden heerschte er een verschikkelijke stilte; allen stonden sprakeloos, nog niet goed beseffend wat er eigenlijk gebeurd was.

La was de eerste die tot bezinning kwam. Hij ging naar Mu toe, en zei rustig:

"Hoe dankbaar ben ik, dat ik mijn portefeuille liet liggen."

Toen drukte hij Mu de hand en gaf overigens door geen woord of beweging de ontroering te kennen, die zich ongetwijfeld van hem meester gemaakt moest hebben. Want nu begrepen allen het gebeurde: door een tot dusver onverklaarde oorzaak was De Vogel, met al wat er zich op bevond, in de lucht gevlogen--en daarmee al het werk vernietigd, waaraan La sedert jaren onbaatzuchtig zijn leven, zijn kunde en zijn fortuin gegeven had.

De Vogel-bewoners waren geen menschen die luide aan hun emoties lucht gaven; ook nu wisten ze hun ontroering te verbergen. Maar Rob voelde hoe Li hem krampachtig de hand drukte, en hoe een snik het krachtige lichaam van dezen nooit ontmoedigden, onwrikbaren man doorschokte. Vernietigd, het werk, de hoop, de illusie van jaren!

Er was geen lange tijd tot nadenken of treuren. Want opeens bemerkte men, dat het in den omtrek levendig begon te worden. In de verte hoorde men dof tromgeroffel en geschetter van signaalhoorns, het gestamp van talrijke regelmatige voetstappen kwam naderbij en aan alle zijden zag men flambouwen het duister doorvlammen. Bij instinct begrepen allen hier tegenover een vijandige beweging te staan. Reeds grepen enkelen naar hun wapenen, maar Li hield hen terug.

"Kalmte--dat is op 't oogenblik het eenige noodige. Ons verweren tegen overmacht kunnen we niet. Het is trouwens de vraag, waarom en of we ons zouden moeten verweren. Ik weet in 't minst niet wat er gaande is--een reden echter te meer om rustig af te wachten."

De voetstappen naderden snel; wapengekletter werd verneembaar. Nog enkele minuten, en de zeven mannen waren door talrijke Turksche troepen omringd; een officier sommeerde hen zonder verzet mee te gaan, en te midden der soldaten werden allen naar Midia geleid.

Daar voerde men hen dadelijk voor een hooggeplaatst officier, die vroeg of een der gevangenen Turksch verstond. Daar alle Czernoviërs, door de veelvuldige aanraking met het naburige volk, die taal min of meer machtig zijn, hadden allen behalve Rob die vraag kunnen beantwoorden. Li trad echter snel naar voren en zei in het Turksch:

"Ik spreek die taal vrij goed. Mijn metgezel"--hij wees op Rob--"kent geheel geen Turksch. Van de andere heeren zou ik het u niet kunnen zeggen; ik zie hen heden avond voor het eerst."

"U bent allen Engelschen, niet waar?" vroeg de officier verder.

"Deze heer en ik zijn Hollanders," antwoordde Li. "Wij zijn enkele uren geleden hier aangekomen, om de stad te zien. Die andere heeren ken ik niet."

"Dus u gaat een stad zien, die op 't punt is gebombardeerd te worden, en u bereist een land, waar binnen enkele uren een oorlog zal losbarsten? Dat lijkt mij een vreemde onderneming."

"Wij reizen als dagbladcorrespondenten," antwoordde Li gevat, "vandaar dat we het gevaar eer zoeken dan vermijden."

"Bent u in het bezit van papieren?"

Li gaf het gevraagde over, en beduidde Rob hetzelfde te doen.

De officier zag de stukken in, begreep er klaarblijkelijk niet veel van, en vroeg nog:

"Hoe kwam u daar aan het strand?"

"We waren verdwaald, en door de duisternis overvallen."

De ondervrager gaf een wenk, en eenige soldaten voerden Li en Rob in een zijvertrek, waar men hen ongeveer twee uren in het onzekere liet omtrent hun lot. Daarna verscheen een officier, die hen in een gesloten rijtuig naar een hoog, somber gebouw bracht, waar hun ieder een zeer eenvoudig gemeubeld, hoewel zindelijk vertrek werd aangewezen. Op hun vraag, wat men met hen en de andere gevangenen van plan was, ontvingen ze geen antwoord. Tegen tien uur werden in elke cel een matras, een kussen en twee dekens gebracht, benevens een stuk brood, wat boter en een kop koffie. De soldaat die een en ander bracht, vertelde dat zij morgenochtend wel nadere berichten zouden ontvangen, liet een kaars achter en ging heen. Van binnen hoorde men hem de zware grendels voor de deur schuiven.

Rob had op De Vogel geleerd zich wijsgeerig in zijn lot te schikken, en hij deed dat ook nu. Wel had hij weinig gedroomd dat hij nog eenmaal in Turksche gevangenschap zou komen, maar de behandeling was naar omstandigheden niet onvriendelijk, het brood en de koffie smaakten goed, en Rob was zoo moe, dat hij weldra in gerusten slaap viel.

Li kon zich minder gemakkelijk schikken. Ook hem verlieten zijn gewone kalmte en zijn hoop op de toekomst niet, maar de vreeselijke gebeurtenissen der laatste uren, het in de lucht vliegen van De Vogel en zijn daarop gevolgde arrestatie stemden hem toch somber, en hij begreep, dat op het oogenblik bijna alle hulpmiddelen om zijn doel te bereiken, hem uit de handen waren geslagen, dat er hem slechts éen ding was gebleven om op te blijven vertrouwen: eigen kracht. Vol onrustige gedachten zocht hij zijn eenvoudig bed op.

Den volgenden morgen werd Li voor den zelfden officier gebracht, die hem tevoren in verhoor had genomen, en die zich nu bekend maakte als generaal Iradin Effendi, gouverneur der vesting Midia. Li vernam nu met groote verbazing, dat op 1 Januari de oorlog tusschen Engeland en Turkije was uitgebroken, de oorlog dien wij kennen als den Dardanellen-Oorlog, omdat hij ontstond doordat Turkije, tegen de bestaande verdragen in, aan Russische bewapende oorlogsschepen toegestaan had de Dardanellen te passeeren. We weten ook, dat die oorlog door de tusschenkomst van Rusland, welks belangen meebrachten, dat Engeland geen invloed zou krijgen op het Balkan-schiereiland, vrij spoedig werd gestuit; op dat oogenblik was die snelle afloop echter nog niet te verwachten. Daar men berichten had ontvangen, dat Engelsche oorlogsvaartuigen op de Zwarte-Zeekust bij Midia zouden trachten te landen, was deze plaats in staat van beleg gebracht, en had men, onder meer veiligheidsmaatregelen, eenige zware mijnen langs de kuststrook aangelegd, die electrisch met de vesting waren verbonden, zoodat men ze van daar uit kon doen ontploffen, zoodra de landingstroepen aan wal zouden komen. Li begreep nu ook, dat De Vogel het ongeluk had gehad op zulk een mijn terecht te komen; dadelijk daarop was een electrische bel in het fort in beweging gekomen, en enkele minuten daarna had men de ontploffing bewerkstelligd. Tegelijkertijd zag Li in, dat, gaven de Hollandsche papieren Rob en hem groote kans om hun vrijheid te herwinnen, de Engelsche passen, waarvan de anderen door een ongelukkige speling van het toeval waren voorzien, hen van den wal in den sloot zouden helpen. Ontkenden ze Engelschen te zijn, dan zou men hun eigenlijke nationaliteit willen weten; hielden ze vol inderdaad Britsche onderdanen te zijn, dan zouden ze onder vermoeden van vijandelijke bedoelingen worden gevangen gehouden. Alles in aanmerking nemende, begreep Li dat het laatste, hoe hard ook voor de slachtoffers, toch nog het beste zou zijn. Rob en hij zouden misschien ongehinderd Czernovië kunnen binnendringen, om dan te overwegen in hoever ze hun plan konden doorzetten; kwamen ze echter allen gezamenlijk in hun land terug, dan zou de kans op herkenning sterk vergroot worden, en daarmee die op mislukking.

De generaal deelde Li mede, dat hij diens papieren had onderzocht, en door een tolk doen vertalen, en dat ze hem voorkwamen in orde te zijn. Li moest echter nog een aantal vragen beantwoorden, zijn aanwezigheid op het strand nader verklaren en een berisping aanhooren over zijn onvoorzichtigheid. Daarna werd hij naar zijn cel teruggebracht, en onderging Rob een gelijkluidend verhoor. Daar Li den vorigen avond met hen besproken had wat zij zouden antwoorden, kon de gouverneur over het resultaat tevreden zijn.

Nog drie weken brachten de beide vrienden in hun gevangenschap door; in dien tijd werden ze nog eenige malen verhoord, en ten slotte vernamen ze, dat door voorspraak van den Nederlandschen Consul in Konstantinopel hun invrijheidstelling was bewerkt.

En zoo stonden Rob en Li in 't laatst van Januari als vrije mannen op de stoep van het grijze gebouw, dat hen zoo lang tegen hun wil had geherbergd, en lag de toekomst weer voor hen open. Vóor hun vertrek vernamen ze nog, dat de Engelschen, die men tegelijk met hen gevangen had genomen, van spionnage verdacht werden, en voorloopig wel in krijgsgevangenschap zouden blijven.

"Ziezoo," zei Li, die in zijn cel genoeg gelegenheid had gehad om te overdenken wat hem te doen stond, "nu naar Slavowitz!"

TWAALFDE HOOFDSTUK.

ROB MAAKT KENNIS MET DEN HERTOG VAN BORA.

In het Hotel Czernovië.--Van Stralen ontmoet zijn broer.--Daar komt de Prinses!--Een ontmoeting met den aanstaanden Prins-Gemaal.--Esse quam videri.--Van Stralen doet een duel op.--De tooneelspelen van Aeschylus.--Van avond om zes uur.

In de eerste dagen van Februari zaten Rob en Li op de veranda van het Hotel Czernovië, het voornaamste in Slavowitz, de schilderachtige hoofdstad van de voormalige Oranje-Republiek. Zij waren overeengekomen, te reizen als gefortuneerde toeristen, die de vele merkwaardigheden der hoofdstad kwamen bezien, en zich overigens van de menschen en dingen om hen heen weinig aantrokken.

Een marmeren tafeltje stond tusschen hen in, en daar ze nu ter wille van den uiterlijken schijn afstand moesten doen van hun sobere Vogelgewoonten, zal het den lezer niet verwonderen, dat op het tafeltje een flesch chartreuse en een kistje sigaren prijkten, alsmede twee koppen voortreffelijke koffie, waarvan ze na een uitstekenden maaltijd--men dineerde in Czernovië algemeen om 1 uur--met welbehagen genoten. Beneden hen stroomde het vroolijke Czernovische leven voorbij, en als luie, voor hun genoegen bestaande toeristen keken ze langs den roezemoezigen boulevard. Toch waren hun gesprekken niet zoo onbezorgd als hun voorkomen zou doen veronderstellen. Telkens vormden de achtergelaten vrienden het onderwerp ervan, en als zij zich vergeefs hadden bezonnen op een middel om hen te bevrijden, was de overtuiging des te treuriger, dat het in veel opzichten misschien beter was wanneer ze voorloopig gevangen bleven. Een ander ding, dat vooral Rob bezig hield, was de vrees, dat men zich nu in Amsterdam, zonder berichten, zeer ongerust over hen zou maken.

Het was twee uur.

De veranda van het hotel was behalve door onze beide vrienden nog slechts door een enkel heer bezet, die met den arm op de balustrade geleund en den rug naar Li en Rob toegekeerd, in gedachten verzonken een cigaret zat te rooken. Terwijl Li met Rob zat te praten, had hij het oog niet van dien heer afgewend; toen deze het hoofd een oogenblik meer naar hun kant draaide, brak Li opeens het gesprek af, en wenkte een kelner, wien hij vroeg:

"Wie is die heer!"

"Dat is de kapitein der artillerie Van Stralen, Particulier Secretaris van Prinses Elizabeth."

"Zoo," zei Li onverschillig. "Dank je wel. Ik heb dien heer meer ontmoet, geloof ik. Daarom vroeg ik het."

Een oogenblik daarna stond Li op, en ging op den heer af. Rob zag met verbazing toe, en begreep heelemaal niet hoe hij het had, toen hij Li de beide handen op de schouders van den ander zag leggen, blijkbaar om hem te verhinderen op te staan.

Daarna hoorde hij Li zeggen:

"Blijf zitten. Toon vooral geen verbazing."

Toen de aangesprokene, blijkbaar verrast, een beweging maakte om op te springen, hield Li hem tegen, en zei rustig:

"Kom bij ons zitten."

De Secretaris stond nu op en voegde zich bij Rob en Li. Toen sprak Li:

"Rob--ik stel je mijn broer voor. Hij wist niet dat ik nog leefde--ik wist niet dat hij tegenwoordig zulk een hooge betrekking bekleedde."

Ofschoon Li's broer klaarblijkelijk een even koelbloedig man was als Li zelf, kon hij eerst geen woorden vinden om zijn verbazing te uiten en was hij door aandoening geheel van streek. Eindelijk zei hij:

"Het is onbegrijpelijk. Als ik je stem niet duidelijk herkende, zou ik het niet gelooven. Hoe kom je zoo veranderd? Je haar is zwart, je kleur zoo donker... En waarom leef je eigenlijk nog?"

Nu moest Li hartelijk lachen. Hij antwoordde:

"De hoofdzaak is, _dat_ ik leef. Laten we voorloopig daarmee tevreden zijn. Ik leg je later alles uit. Ik herkende je dadelijk, en toen ik hoorde dat je Secretaris van Prinses Elizabeth was, vond ik daarin een reden om mijn incognito voor deze eerste en laatste maal op te heffen. Je kunt me onschatbare diensten bewijzen. Maar laten we beginnen met naar mijn kamer te gaan, daar kunnen we rustiger en veiliger spreken."

Ze gingen nu met hun drieën naar binnen, en weldra werd er over en weer over het gebeurde van den laatsten tijd druk gepraat. Li vertelde in groote trekken zijn lotgevallen, en zijn broer beloofde natuurlijk in alle opzichten de stiptste geheimhouding.

Toen de eerste vreugde van het ongedachte en onverwachte weerzien voorbij was, begon men wederzijds te vragen en te antwoorden in verband met Li's plannen, en de hulp die hij daarbij van zijn broer Paul meende te kunnen hebben.

Paul vertelde, dat men in geheel Czernovië van den dood der zeven mannen overtuigd was, te meer daar het geheele eiland Riva immers met al wat er op was, in de golven was verdwenen. En Li zei:

"Ik had je dadelijk herkend, maar was eerst niet van plan je aan te spreken. Toen de kelner me echter vertelde, dat je Particuliere Secretaris van Elizabeth was geworden, begreep ik van die omstandigheid te kunnen partij trekken. Vertel eens, waarom sprak die man van "Prinses" Elizabeth?"

"Wel, sedert een maand heeft de Czaar bij wijze van vorstelijke beleefdheid aan Elizabeth den titel van Prinses gegeven; je weet dat de Russen daarmee nog al vrijgevig zijn--van welk denkbeeldig Russisch bezit ze Prinses is, weet ze geloof ik zelf niet goed. Maar de bedoeling van het cadeau is duidelijk genoeg. Als Elizabeth Prinses genoemd kan worden, is het voor den Czaar gemakkelijker Hertog Alexander aan haar uit te huwelijken, en dat is dan toch ten slotte de bedoeling. We worden trouwens langzaam maar zeker gerussificeerd. Allerlei veranderingen in den regeeringsvorm hebben we ons moeten laten welgevallen, en ik weet niet hoe dit eindigen moet."

"Is er niets van verzet te merken? Geloof je niet dat er geheime plannen gevormd worden om een omwenteling te weeg te brengen?"

Paul haalde de schouders op.

"Wat willen wij tegen het machtige Rusland beginnen? Elk verzet is in beginsel een dwaasheid. Het volk protesteert met waardigheid; het begroet elke nieuwe Russische hervorming met rouwbetoon. Maar wat geeft dat? We zullen wel moeten berusten."

Li zweeg eenige oogenblikken en zag voor zich uit.

"Elizabeth gelooft natuurlijk ook aan mijn dood?" vroeg hij toen, echter zoo rustig, dat Rob er verwonderd van opzag. Het leek wel alsof er een diepere bedoeling achter lag, hetgeen trouwens ook, naar hij later zien zou, het geval was.

"Natuurlijk. Ze heeft er vreeselijk onder geleden, maar haar groote geestkracht stelde haar in staat haar verdriet te beheerschen en zich met alle toewijding aan het welzijn van den Staat te geven. Ik ben de eenige met wien ze over je spreekt."

"Denk je, dat ze dien Hertog van Bora trouwen zal?"

"Ze roert dat onderwerp wijselijk zelden aan," zei Paul ontwijkend; "ze wil, en kan trouwens ook niet, de eerste zijn die dat ter sprake brengt. Maar het zou me verwonderen als men haar daartoe brengen kon."

Op dit oogenblik hoorde men beneden in de straat een verward gegons van stemmen. Paul was naar het venster gegaan en zei:

"Daar komt de Prinses!"

Li voelde zijn hart kloppen alsof het wilde bersten, toen hij de oogen naar den naderenden stoet wendde. Het juichen der langs de boulevards geschaarde menschenmenigte kwam nader en nader.

Een detachement ulanen opende den stoet, hun lansen glinsterden in den zonneschijn, aan de punten fladderden groene vaantjes. Daarna volgde de Prinses in een open landauer. Nog een oogenblik en het rijtuig bereikte het hotel, en alsof het geluk Li gunstig was, kwam het juist tegenover het balcon waarop hij stond, tot stilstand.

De equipage zag er zeer sierlijk uit, met blauwe zijde bekleed, en het Czernovische wapen in goud op de portieren. De mooie zwarte paarden, wier huid als satijn glom, hadden lichtbruin met zilver beslagen tuig.

Maar Li zag niets van dat alles, zijn oogen waren op haar gericht, die in het rijtuig zat.

Ja, zij die daar met vriendelijken glimlach en hoffelijke buiging het juichende volk dankend groette--die jonge en schoone vrouw was Elizabeth! Voor een oogenblik werd alles, de straat, de huizen, de menschen, tot een verward visioen; het gonsde in zijn ooren als het stroomen van een geweldige rivier. Met inspanning bedwong hij zijn eerste opwelling om het hotel uit te snellen, en haar tegemoet; hij trad iets terug en verborg zich achter eenige aloë-planten, opdat hij kon blijven zien zonder opgemerkt te worden. Het was verbazend, neen het was een verrukking voor hem, te zien met welk een waardigheid en een gemak Elizabeth haar nieuwen staat wist te dragen.

De landauer van de Prinses had stilgestaan, omdat zij twee voetgangers wenschte aan te spreken, die, te oordeelen naar den eerbied, hun door de menigte bewezen, personen van aanzien in Czernovië waren.

De eerste was een bejaard, zilverharig man van een statig voorkomen, en die zich onderscheidde door een ouderwetsche hoffelijkheid.

"Graaf Radzivil," antwoordde Paul op Li's vraag, "de Eerste-Minister van Czernovië."

De ander was iemand van breeden, stevigen lichaamsbouw, met een donkergetint, niet onknap gelaat, zwarte oogen en een zwarten puntbaard. De zonnestralen speelden met den zilveren adelaar op zijn helm; zijn prachtige uniform glinsterde van goud galon, sterren en orden. Hij liep rechtop, met de linkerhand op het gevest van zijn sabel, en het was duidelijk dat hij zoowel in eigen oogen als in die van zijn omgeving, een zeer gewichtig personage was.

"Wie is dat?" vroeg Li.

"Alexander, Hertog van Bora, commandant van het Czernovische leger, lid van het kabinet, neef van den Czaar en vermoedelijk troonopvolger."

"Dat is dus de man, die zijn intocht deed, toen ik met De Vogel vertrok, het plan vormend hem in mijn macht te krijgen," zei Li; en na een oogenblik voegde hij er bitter aan toe: "zooals de zaken nu staan, zal ik duchtig moeten oppassen dat het omgekeerde niet plaats heeft."

Hij zag nu hoe Elizabeth zich in haar rijtuig vooroverboog, vroolijk lachend, en klaarblijkelijk in druk gesprek met den Prins. Hij kreeg zelfs den indruk dat ze alles in het werk stelde om hem te behagen. Onwillekeurig vormde hij zich een oordeel over den Prins: iemand met een niet al te vlug verstand, maar eerzuchtig; een ruw, door de uiterlijke voorschriften der etiquette slechts met moeite in bedwang gehouden karakter. Wat kon Elizabeth in dien man zien, dat haar belangstelling inboezemde?

"De Prins schijnt op zeer goeden voet met Elizabeth," merkte hij op.

"Natuurlijk--zijn aanstaande vrouw," sprak Paul met een zucht.

Li antwoordde niet. Hij zag hoe de Prinses, die haar gesprek geëindigd had, den rechterhandschoen uittrok, en de blanke bejuweelde hand den Hertog toestak, met een glimlach en een sierlijkheid van gebaar, die den verborgen toeschouwer door de ziel sneden.

"Ze heeft me vergeten," sprak hij bij zichzelf. "En dat is eigenlijk wel te begrijpen--ze moet wel denken dat ik niet meer terug kom...."

Bora bracht Elizabeth's hand aan de lippen, en Graaf Radzivil nam den hoed af. Toen gleed het rijtuig weer voort langs den boulevard, gevolgd door een detachement ulanen in dezelfde uniform als zij die er aan voorafgegaan waren.

Toen het rijtuig uit het gezicht verdwenen was, zei Paul:

"Ik moet tot mijn spijt weg. De Prinses heeft 's middags na den maaltijd mijn diensten noodig. Het kan ook zijn, dat mijn tegenwoordigheid slechts kort of in 't geheel niet vereischt wordt--in dat geval kom ik dadelijk terug."

Rob en Li--of laten we hem nu liever weer bij zijn eigenlijken naam noemen--Rob en de ingenieur Van Stralen begaven zich na Paul's vertrek weer naar de veranda, de eerste zonder eenigszins te beseffen hoe deze verwikkelingen zich ontwarren zouden, de ander vol vertrouwen op de toekomst en bezield met den vasten wil tot slagen, maar op het oogenblik toch zonder een juist en duidelijk overzicht van de komende dingen.

Van Stralen sprak geen woord, en leunde over de balustrade, zonder te zien keek hij peinzend langs den boulevard. Rob, hem niet willende storen, zweeg eveneens.