Van Peking naar Parijs per auto De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 6
Het verwonderde ons, dat karrijders niet woedend waren, ons niet beleedigden, maar ons zelfs levendig en hartelijk groetten. Maar de verrassingen waren nog niet uit. Toen wij omstreeks kwart over éénen in Kordenky, een voorstadje van Moskou kwamen, zagen wij een groote file prachtige automobielen staan, en andere, die luid toeterend aankwamen. Dat waren de eerste groote auto's, die wij zagen. Zij waren ons tegemoet gekomen. Een luid "Hoezee!" weerklonk. Men verdrong zich om ons en schudde ons wel honderdmaal de hand.
Het was een onbeschrijfelijk oogenblik.
Op het strakke, deftige gezicht van Borghese zag ik nu toch een trek van aandoening trillen. Nog vier duizend kilometer waren wij van Parijs verwijderd, maar het leek ons nu, of wij daar reeds waren. Wij waren weer te midden der "onzen" en gevoelden ons weer thuis. De tijd van de eenzaamheid was nu voor goed achter den rug.
Met bewogen hart en met een oog, niet enkel vochtig door den wind en den regen, stapten wij uit de auto, om door onze begroeters ontvangen te worden. De president van de Automobilistenclub van Moskou, op wiens initiatief deze ontvangst op touw gezet was, deelde ons mede, dat wij tot eereleden van de club benoemd waren en overhandigde ons een kostbaar geëmailleerd gouden insigne, dat wij direct op onze bemodderde mutsen bevestigden. Nu volgde de voorstelling van den consul-generaal van Frankrijk Lebrun, van den belgischen consul Zenker, van den italiaanschen consul Fumasoni, dien wij reeds uit Nizjni-Novgorod kenden, van alle leden der club en der wielrijdersvereeniging der italiaansche kolonie. Ik bevond mij in gezelschap van vele mijner collega's: den correspondent van _Le Matin_, die den Prins voor zijn courant, die het plan Peking-Parijs opgevat had, welkom heette; ik vond er mijn collega van de _Daily-Mail_, die ons met den spoorweg van plaats tot plaats gevolgd was, terug en nog vele buitenlandsche journalisten. Er waren ook dames. Een van haar had het fijn gevoelde idee gehad een bos rozen op onze auto te leggen, zeker om deze, waaraan wij eigenlijk het gelukken van onzen tocht voor een groot deel te danken hadden, niet te doen vergeten. Een verfrissching werd ons door den voorzitter der automobilistenclub aangeboden in een naburige isba--een huisje van ruw hout gemaakt, waarvan de inwoners verbaasd opkeken, dat er zooveel voorname lui bij hen kwamen.
Naar Moskou, naar Moskou! werd er geroepen.
Het phantastische gezicht van zooveel snelle wagens achter elkaar bracht mij een anderen stoet in de gedachte en wel dien in Mongolië, op den weg naar Urga. Ik zag weer die woeste cavalcade van fiere ruiters, met hun veelkleurige kleeren en met hun spitse hoeden, een stoet, die ons deed denken dat de auto door alle woeste aziatische barbaren gevolgd werd. Maar nu leken wij wel de barbaren, bestoven en bemodderd als wij waren, in een onoogelijke vuile, beslijkte kar, met verroeste spatborden en oud leeren touwwerk; terwijl achter ons de blanke en geëmailleerde aristocratische auto's schitterden, waarin dames in lichte zomertoiletjes zaten, wier veêren, bloemen, voiles en linten in den wind fladderden.
Plotseling zagen wij Moskou aan den gezichteinder. Het is één lichtschittering van al die vergulde koepels boven die onmetelijke zee van witte gebouwen. Het was een imponeerend gezicht. Het leek een droom.
Wij kwamen in de voorsteden, vol fabrieken, werkplaatsen, hooge rookende schoorsteenen; nieuwe van het werk weerklinkende voorsteden, die als een gordel de plechtige stilte van het oude heiligdom omgeven.
Maar wat is er eigenlijk te doen? De straat wordt door menschen overstroomd en wel door de arbeiders, die de fabrieken bij honderden en duizenden uitstormen, mannen, vrouwen, jongens en meisjes. De ramen zijn dicht bezet. Uit de buurtspoor komen duizenden ons hollend te gemoet. Wat is er toch te doen?
Maar toen wij naderbij kwamen, begrepen wij het. Een donderend geluid hoorden wij, den welkomstgroet van het volk, ons gebracht met de stem van de menigte. De groet herhaalde zich, breidde versterkt zich uit, plantte zich voort overal waar wij kwamen, volgde ons; wij bevonden ons er midden in; vóór ons, achter ons, links en rechts. En wij waren volstrekt niet overtuigd, dat wij die geestdriftige ontvangst verdiend hadden, maar zij maakte op ons toch een sympathieken indruk. Wij hoorden roepen: _Evviva l'Italia_ (Leve Italië), oorverdoovend handgeklap. Op de impériaals van de tram stonden de passagiers op, en namen den hoed af, de koetsiers, de conducteurs en zelfs de politieagenten groetten ons.
Wij konden links en rechts buigen, zooals een vorst in zijn rijtuig, de menigte groet. Borghese mompelde verwonderd:
"Maar wat hebben wij toch ten slotte bereikt?"
Zoo kwamen wij door de voorstad Novaya Andronoyka en gingen door Rogojskaja de eigenlijke stad in. Een speciale politiedienst hield den weg vrij. Spoedig kwamen wij in het centrum van de stad, waar zij haar gewoon, kalm aanzien had. Zwijgend groette men hier. Langs grootsche boulevards kwamen wij eindelijk aan de eerbiedwaardige, oude muren van het Kremlin, waar de menschen niets van ons af wisten en vragend stil bleven staan om den stoet te zien voorbijtrekken en niet konden begrijpen, dat zooveel prachtige automobielen zoo'n leelijke, vuile auto, waarin nog smeriger lui zaten, volgden.
Toen wij in het hôtel afstapten, werd er dadelijk beslag op ons gelegd door de commissie van den wedstrijd. Zij wilde ons een feest aanbieden, dat minstens twee dagen zou duren, om het geheele programma af te doen. Ofschoon wij vermoeid waren, namen wij de invitatie aan en besloten tot een halt van twee dagen, maar met het vaste plan, voortaan niet meer voor de verleiding te bezwijken. Wij zouden zonder een dag rust van Moskou naar Parijs gaan. En Petersburg dan? Ook in Petersburg werden wij gewacht. Wel is waar, stond de hoofdstad van Rusland niet op ons programma, daar zij te ver af lag. Kozen wij den weg van Perm en besloten wij tot het bezoek aan Petersburg, dan maakten wij een omweg van minstens zeshonderd kilometer. Maar het Peterburgsche comité, dat voor de verdeeling van onze benzine-depots gezorgd, ons de wegen aangegeven en in de voornaamste steden sub-comités gevormd had om ons te ontvangen en inlichtingen en hulp te verschaffen, het comité, dat zich allerverdienstelijkst had gemaakt, dat konden wij niet negeeren door zijn uitnoodiging van de hand te wijzen. Wij moesten dus naar Petersburg gaan, maar wij zouden er niet langer dan een paar uur blijven. Dan kwam Berlijn ook nog, van waar wij reeds te Tomsk telegraphisch uitnoodigingen ontvangen hadden.
Te Moskou werden ons alle middagmalen, lunches en soupers aangeboden, die wij onderweg overgeslagen hadden. Onze gehardheid, waardoor wij alle vermoeienissen en ontberingen hadden kunnen verdragen, begon te verminderen onder deze groote reactie, waaraan wij geen weerstand konden bieden wegens de groote vriendelijkheid, waarmee zij gepaard ging. Wij werden onthaald door de italiaansche kolonie, zij wilden ons kostbare souvenirs aanbieden, die waarlijk niet noodig waren, daar de herinnering aan deze oogenblikken blijvend voor ons is; wij werden ontvangen door de automobilisten-club, door den italiaanschen consul, door oude en nieuwe vrienden; wij toastten, bezochten concerten, zoowel vocale als instrumentale, de prachtigste en meest geroemde restaurants van Moskou, de _Metropol_, _l'Ermitage_ en _Mauritania_, dat verscholen ligt tusschen het dichte loof van het Petrowskypark en bekend is door den drom zijner cosmopolitische bezoekers--en het elegante _Yard_, waar de concerten des nachts om twaalf uur beginnen en met zonsopgang eindigen.
De automobielen uit Moskou stonden te onzer dispositie, om de stad en de omstreken te gaan bezichtigen. Zoo gingen wij den zonsondergang op den historischen _Vorobievy Gory_ of Musschenberg zien, waarop Napoleon de Groote stil bleef staan om het tooverachtig schoone panorama van Moskou in den avond van den 14den September 1812 te bewonderen. De wegstervende zon kleurde de onmetelijke, trotsche stad als met bloed; de vergulde koepels zonden stroomen van vlammen uit en hulden alles in vuur en licht. Het was een heerlijk schouwspel.
Wij werden uitgenoodigd voor de harddraverijen in het wereldberoemde hypodroom, het mooiste van de wereld. Op de monumentale tribune konden wij de verschillende phasen van den voortdurenden wedstrijd tusschen russische en amerikaansche paarden volgen, een wedstrijd, die alle dagen plaats heeft, ook in den winter, wanneer de baan met sneeuw bedekt is en de paarden voor lichte sleedjes gespannen zijn.
Hier heeft men ons alle genietingen doen smaken van het zonderlinge en vreemde leven van deze "eenige" stad, van de echte hoofdstad van Rusland zonder ministeries, die tegelijkertijd antiek en modern, een heilige stad en toch vol nijverheid is, die zich amuseert ook onder den tegenwoordigen staat van klein beleg, waardoor de rijke equipages door met een geweer gewapende soldaten bewaakt worden en kozakkenpatrouilles met een karabijn aan den bandelier achter de rijtuigen aandraven. Het gebeurt niet zelden, dat er onverwachts in de groote straten door de politie het bevel gegeven wordt, dat alle rijtuigen op zij moeten gaan en het midden van de straat vrij moeten laten, en dat men dan drie of vier rijtuigen ziet, die in galop voortrijden, voor, achter en op zijde geëscorteerd door kozakken met geladen pistolen in de hand; dit is een geldtransport van het rijk. Men ziet, het gevaar, dat de roebel loopt, verschaft hem vorstelijke eer.
Ondertusschen had de automobiel haar reistoilet wat opgeknapt; zij was goed afgewasschen en gepoetst. Anders had zij niets noodig gehad. Bij het onderzoek van de machine waren automobilisten, _sportsmen_, journalisten en chauffeurs tegenwoordig en het had in de _garage_ van het Hotel Metropool plaats. Tot onze eigen verwondering waren de verschillende onderdeden, die aan sterke slijtage onderhevig zijn, geheel in orde, bijv.; "de kleine afslaghamertjes van de vonk," kleine excentrische schijfjes, die 1200 à 1400 maal per minuut ronddraaien en de inlaatkleppen, die iedere minuut 2400 à 2800 slagen doen. Bepaald als nieuw vonden wij de kamwielen van den versnellingsbak, de lagers en de overbrengingsassen, die ook bekend zijn bij veel technici onder den naam cardans en die door veel vaklui voor minder sterk dan de kettingoverbrengers gehouden worden. Alleen het wiel, dat door een _mujik_ tusschen Perm en Kazan gerepareerd was, werd door een ander vervangen, omdat men ondervonden had, dat het slingerde en de banden hinderde.
Dat wij dit in den steek moesten laten, vonden wij vervelend, want wij hadden aan dit ruw bewerkte wiel heel wat te danken.
Op den morgen van den 31sten Juli, precies om 4 uur, reed onze automobiel, veel lichter geworden door de groote vermindering van onze bagage, de _garage_ van het hôtel Metropool uit. Zij liet in Moskou alle voorwerpen, die wij voor den onderzoekingstocht noodig gehad hadden en die haar zoo'n vreemd aanzien hadden gegeven achter: de touwen, den ketting, het windas, de schoppen en de houweelen.
Langzamerhand had zij op den rit alle onnutte en overtollige dingen weggeworpen. Twee spatborden had zij te Kalgan achtergelaten en twee in de mongoolsche vlakte; zij had blikken met _corned_-beaf en groente gestrooid en als een luchtballon ballast uitgeworpen en dat alles om de kracht van de veêren te verhoogen. Toen zij te Moskou aankwam, had zij niet veel meer, dan dat, wat wij persoonlijk absoluut noodig hadden en natuurlijk de reservebanden. En dat had zij vastberaden gedaan, evenals een athleet, die zijn kleeren uittrekt, om vrijer in zijn bewegingen te zijn.
Door vele auto's gevolgd, die ons uitgeleide deden, gingen wij snel door de stad heen, die al druk was. De morgenstond is in Moskou een drukke tijd door de velen, die uit de restaurants en van de concerten huiswaarts keeren. Nu kregen wij bij ons vertrek den groet van hen die zich amuseeren, zooals wij bij onze aankomst begroet waren door hen, die met werken hun brood moeten verdienen. Menschen met zwarte rokken en witte dassen groetten ons allerhartelijkst uit hunne rijtuigen, en op de balcons, der sociëteiten werden ons vriendelijke ovaties gebracht. Wij passeerden de elegante barrière Twerskaja, bij het Smolensker station en sloegen de _St. Peterburgkoje Chaussée_, den weg naar Petersburg in, waarop de wersten niet meer door genummerde palen, maar door monumentale obelisken aangegeven worden. Aan onze rechterhand lag het Petrowskj-park; in zijn tallooze paden reden nog rijtuigen met lui, die uit verschillende café's kwamen.
Opzichtige toiletjes, die wat verfrommeld waren, gingen ons voorbij, ook hooge hoeden, die verkeerd op het hoofd stonden en wat waggelden; weer werden wij gegroet, wel heesch maar hartelijk. Men had ons dadelijk aan den vreemden vorm van onze auto, die in alle geïllustreerde bladen gestaan had, en ook aan de italiaansche vlag, die vroolijk op onzen wagen wapperde, herkend.
Buiten de stad was het doodstil. Het mistte. De zon was bleek en kwam in nevels op, die steeds dichter werden en wel zoo, dat wij niet meer onderscheiden konden, wat er ter zijde van den weg was. Wij reden door een grijze oneindigheid, waardoor wij niets zagen, zelfs niet eens de op ons volgende auto's, die voortdurend hun signaalhorens gebruikten.
Tegen zes uur kwam de zon hier en daar door den mist heen. De horizon scheen effen en scherp begrensd. Men zag er witte klokketorens boven het nog niet goed zichtbare groen uitsteken; maar later werd alles langzamerhand goed zichtbaar. Wij zagen weer hetzelfde eentonige landschap, dat wij reeds weken lang gezien hadden. Wij kwamen door het grootendeels van hout gebouwde stadje Klin, wij wisselden haastig groeten met de automobielen, die ons tot hier begeleid hadden, en vervolgden alleen onzen weg, luisterden naar het eentonige, rhythmische geluid van den motor en ademden met volle teugen de frissche morgenkoelte in.
Om acht uur kwamen wij in een andere stad met een oostersch aanzien, met vergulde, blauwe en verschillend gekleurde koepels; het was Twer, de stad met zijn veertig kerken en de stad, waar de scheepvaart op de Wolga begint. De menschen stonden stil, om naar ons te zien en groetten ons in het voorbijgaan warm. Voor den tweeden keer gingen wij de Wolga over en wel over een spiksplinternieuwe, prachtige, hangende brug; maar hier was zij zoo smal, dat wij den kolossalen stroom van Nizjni-Novgorod en van Kazan, waar zij zoo breed als een zeeboezem is, nauwelijks herkenden.
Wij vlogen voorbij steden en dorpen, rijke, eenzaam gelegen kloosters, door pijnbosschen, over op steppen gelijkende vlakten, en langs akkers, wij hadden een grooten afstand af te leggen en hielden er goed den gang in. Wij wilden te Novgorod, 485 kilometer van Moskou overnachten. Eenige boeren die aan het hooien waren, kwamen in den looppas het het land af naar den weg toe, met de zeis over de schouder, aanhollen om ons te zien.
Een hunner, een jonge, blonde man, riep ons toe:
"Komt jelui van Peking?"
"Ja!"
Toen zwaaiden allen met de muts en schreeuwden:
"Hoezee!"
Wij lachten.
Het voorrecht ook de vermakelijke zijde van iedere zaak te zien en dit niet te verbergen, wat misschien somtijds wel onbeleefd is, een trek van het latijnsche karakter, kwam bij ons, in plaats van aandoening, boven.
Om tien uur kwamen wij te Torshok aan, waar een benzine-depôt was. De benoodigdheden, die wij op den tocht noodig hadden, waren tot Moskou geregeld geworden, verder niet, daar de Prins, toen hij den te volgen weg vaststelde, nog niet wist, hoe hij van Moskou naar de grenzen zou gaan, en in de meening verkeerde, dat hij in Rusland overal benzine zou vinden. Op een telegrafische aanvrage, belastte Nobel zich weer met het aanleggen van depôts tot aan de grenzen.
Aan den ingang van de stad, op den straatweg, stonden eenige mannen met vaten benzine en olie op ons te wachten. In weinige oogenblikken waren onze réservoirs gevuld en voort ging het weer.
Nooit hebben wij zooveel kilometers afgelegd; het waren er vijftig. Het gevoel heeft ons bezield ons te moeten haasten, en dit gevoel werd steeds sterker. Werst aan werst werd snel afgereden. Wij raadpleegden de kaart, maakten onze berekeningen, maar schonken aan de streek, die mooier en schilderachtiger werd, weinig aandacht. De landelijke woningen werden meer karakteristiek, waren met houten snij- en beeldhouwwerk versierd, boven de ramen hadden zij veelkleurige ornamenten, met motieven, die aan de oude slavische kunst ontleend waren en nog van de weelde en den rijkdom der middeleeuwen getuigden. Maar daarvoor hadden wij geen oog meer; wij keken slechts naar den weg, alsof wij hem nog voor de machine in vliegende vaart wilden afleggen.
Maar toen wij de grenzen van het gouvernement Twer over waren, werd de weg, helaas, slechter. Wij verminderden onzen gang tot op 25 kilometer per uur ten gevolge van een plotselinge hevige donderbui, die den geheelen dag aanhield. De gedachte, dat er tijdens ons feestvieren te Moskou geen druppel regen gevallen was, maakte onze stemming nu juist niet opgewekter.
Vaarwel wegen, velden en middeleeuwsche huizen! En die regen begeleidde ons, zooals wij den geheelen morgen mist gehad hadden, tot Novgorod, dat op de oevers van de Volkhof in de nabijheid van het kalme en groote meer Ilmen ligt. Geen stad had op ons dien somberen indruk; gemaakt, dien wij van Novgorod kregen; het was of zij om haar macht en haar roem treurde. Er bestaat in het Russisch een spreekwoord, dat luidt: "Wie kan tegen God en tegen Novgorod op!" Dit bewijst, dat de taal, dat de beteekenis der woorden langer kan blijven bestaan dan de zaak zelf.
Wij hadden spijt, dat wij zoo'n grooten omweg maakten, waardoor wij geen kilometer nader bij het doel kwamen. Wij gingen in noordelijke richting. Het uitstapje naar Petersburg was een onderbreking eigenlijk van den tocht. Wij hadden den rechten weg verlaten.
Wij vonden te Novgorod den lichten noorderlichtnacht terug; maar het licht was niet helderder dan dat van de volle maan. Dit licht scheen den geheelen nacht door de ramen van ons hôtel. Wij hoorden het plassen van den regen op de slapende stad.
Het regende nog, toen wij Novgorod des morgens om zes uur verlieten; het was een fijne, aanhoudende regen, die onbarmhartig uit den winterachtigen hemel op ons neer kwam en den weg glibberig maakte.
Wij gingen het Kremlin voorbij, waarbij de stille en bijna ontvolkte stad zoo dicht mogelijk gebouwd is, alsof zij angstig nog bescherming van de massieve muren met schietgaten verwachtte en gingen langs den _Bolschaja Peterburgskaja_ den straatweg naar Petersburg de stad uit. Dadelijk reden wij door het open veld.
Uren lang reden wij zwijgend en vervelend door den regen, alleen de nabijheid van Petersburg troostte ons. Spoedig kwamen wij voorbij villatjes, tuinen en parken, de voorboden van een groote stad. Toen zagen wij aan den horizon een dichten, laag neerhangenden, zwarten rook van de fabrieken. Een mijlpaal gaf ons aan, dat wij nog 20 werst van Zarkoje-Selo af waren. Het was acht uur en wij hadden dus in vier uur 120 kilometer afgelegd.
Onverwachts zagen wij een stilstaande automobiel, die op ons stond te wachten, die ons den weg zou wijzen, en waarop te lezen stond met groote letters, "Parijs-Petersburg". Het was een licht wagentje van 12 paardenkracht, dat door den eigenaar, den heer Efron, een der actiefste leden van de petersburgsche automobilisten-club, zelf uit Parijs hier gebracht was, en die expres het opschrift er op geplaatst had, omdat hij graag had, dat men dit wist.
Spoedig en snel werden er groeten en handdrukken gewisseld en wij reden achter onzen loods door de ruime straten, die naar de residentie leiden. Het regende niet meer.
Wij gingen over de vlakte, waar de parades gehouden worden, waar zoo dikwijls de hoefslagen van de paarden der kozakken weerklonken hadden en het donderend "Hoezee!" der troepen, die voor hun oppermachtigen Meester defileerden. Nu was er geen sterveling te zien, het was er doodstil en somber. Wij zwommen letterlijk in het groen, vlogen langs vijvers, door bloeiende parken, wier kleuren door den regen weer opgefrischt waren. En tusschen dit alles door zagen wij de prachtige, door militairen rondom bewaakte Keizerlijke residentie.
Het zand maakte onzen gang onhoorbaar; de automobielen gleden en vlogen achter elkaar aan. Wij ontmoetten een troep kozakken te paard; de officieren groetten ons, toen zij onzen wagen herkenden.
Toen wij de parken door waren en op Petersburg aanreden, werden wij plotseling door een geestdriftig "Hoezee!" tot staan gebracht; een file automobielen stond ons op te wachten. Wij stapten uit en werden dadelijk door een feestelijke menigte omringd. Wij werden door den militairen attaché van Italië, die den Prins in naam van den italiaanschen ambassadeur kwam complimenteeren, begroet. Wij zagen ook den italiaanschen consul, een groot aantal leden der russische automobilisten-club, den secretaris Boekel, Perelman, den president van de Peking-Parijs-Commissie, en een massa dames, die onzen wagen met bloemen bestrooiden.
Nog veel automobielen kwamen zoo gaandeweg aan, om ons te begroeten. Het scheen, dat men ons zoo vroeg niet had verwacht, want wij waren hier op de afgesproken vereenigingsplaats, van waar men het plan had gehad, ons tegemoet te rijden. En wij waren bijna de eersten op de _meeting_. Men had ons om één uur verwacht, en het was nog geen twaalf. Evenals te Moskou had Borghese, wien telegraphisch gevraagd was, hoe laat wij dachten aan te komen, den tijd op zijn Siberisch wat ruim genomen, en daardoor waren wij zoo vroeg gekomen, dat men met het oog op het programma der festiviteiten, ons verzoeken moest, een eindje terug te keeren.
Dus in plaats van onzen weg naar Petersburg voort te zetten, gingen wij, gevolgd door alle andere automobielen, de donkere allées van het Keizerlijke park weer in. Een der auto's van den president reed nu als loods voor ons uit, met een vlag, vreemd genoeg, een witte vlag met een roode schijf in het midden, de nationale vlag der Japaneezen. De drukke stoet ging tot aan het station van den spoorweg Zarkoje-Selo, waar men op de gedachte kwam, dat men met eten het best den tijd kon verdrijven.
De restauratiezaal werd bestormd; de champagne stroomde en de toasten vlogen heen en weer. De secretaris van de russische automobielenclub biedt Borghese een herinnerings-medaille van goud, met zilver geëmailleerd, aan, en liet op onze machine een élegante zilveren plaat met gouden letters en de initialen der club: Peking-Parijs, Petersburg, 19 Juli 1907, hechten.
Om twee uur werd de tocht naar Petersburg ondernomen. Toen ging de triomftocht voort, met een halte te Berlijn en den grooten jubel, waarmee in Parijs op 11 Augustus de winnaar in den wedstrijd werd begroet.