Van Peking naar Parijs per auto De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 5
De hemel was buitengewoon helder, zoo helder, dat wij ons vergisten in de afstanden; het leek ons of alles dicht bij ons was. De horizon scheen slechts enkele kilometers van ons verwijderd, en toch reden we uren om sommige verhevenheden van den weg te bereiken, die we heel duidelijk vlak bij ons zagen. Deze bedriegelijke doorzichtigheid moet toegeschreven worden aan de totale afwezigheid van waterdeeltjes in de atmospheer. De droogte van de lucht veroorzaakte ondragelijke pijnen. Onze huid gloeide als van de koorts, en we konden zelfs niet transpireeren, wat ons zeer zou hebben verlicht. Het branden van de zon op ons gezicht en onze handen was zoo geweldig, dat het scheen of we onder een kolossaal brandglas zaten. Den vorigen dag hadden wij hetzelfde opgemerkt op weg naar Pong-Kiong, maar toen dachten we niet, dat de hitte zoozeer zou toenemen. We begrepen nu, waarom de karavanen niet bij dag reizen--maar konden en wilden ook niet stilhouden, want onze redding lag in onze snelheid.
Wij troffen slechts een enkelen put aan. Tegen tien uur daalden wij nog een trede, een gedeelte van het strand der vroegere zee, zeker een halte op den weg van haar langzamen terugtocht, die eeuwen heeft geduurd, tot de algemeene verdwijning is gekomen. De grond had de witachtige kleur van pekel. Ik werd er door herinnerd aan de omgeving van de Doode Zee in de buurt van Jericho, zonder het groen van den Jordaan. De grond, waarop wij reden, was ook dood; misschien had het land te snel geleefd; wie zal het zeggen? Wij hadden misschien om ons heen het beeld van onze aarde, zooals die over millioenen jaren zal zijn, verdord, dood, in onverstoorbaren vrede daar liggend, in uiterlijk aan de maan gelijk.
Het meest verschrikkelijke, meest woeste gedeelte van de woestijn is niet langer dan zestig K.M. De karavanen trachten dien afstand in een enkelen, onafgebroken marsch af te leggen. Ze vullen leeren zakken en tonnen bij de laatste putten met water en vertrekken bij het licht der sterren. Verbleekte beenderen wijzen hun den weg, het gebeente van kameelen, ossen, muilezels, paarden; over den geheelen karavanenweg liggen die beenderen verspreid. In de woestijn vindt men dit doodenspoor bijna overal. Dikwijls overvalt de storm de konvooien; ze worden door de warrelende zandwolken van de omgeving afgesneden, worden genoodzaakt stil te houden en moeten dan sterven. Alle vermoeide, oude of kreupele beesten vallen onherroepelijk neer. Hier wordt menige doodstrijd gestreden. Men voelt, dat de dood hier altijd rondwaart; alles schijnt hier bestemd om ten onder te gaan; het sombere uiterlijk van het landschap, het vreemddrukkende van zijn naaktheid, de eeuwige gelijkheid van kleur, de benauwende stilte, alles versterkt dat gevoel en doet een onbekend, dreigend gevaar vermoeden, een onophoudelijke bedreiging, een hinderlaag, een valstrik, waarin men wordt gelokt zonder het te kunnen verhinderen. Men heeft maar één gedachte, of liever één wensch, een vaag, onuitgesproken, maar hardnekkig verlangen, te vluchten om niet meer op dat aardelijk te trappen, er van bevrijd te zijn. Men vestigt den verlangenden blik op den horizon, als ware daar een toevluchtsoord; men ziet uit naar elken kleinen heuvel met een onbestemde hoop; men vermoedt aan de andere zijde van iedere hoogte iets onverwachts, iets goeds. Maar de passen gaan voorbij; de heuvels gaan voorbij; de horizon, dien we voor ons hadden, is thans achter ons; de verwoesting schijnt oneindig. De denkkracht sterft.... de ziel gaat onder in een niet te overwinnen melancholie. Ons vertrek van de laatste halte verliest zich in de nevelen van het verleden; de versufte geest heeft het onderscheidingsvermogen verloren; alles lijkt zoo ver weg en in nevelen gehuld, het vertrek zoo lang geleden, de aankomst nog in de verre toekomst. Alleen dit weet men, dat men eens moet aankomen, en die gedachte schenkt de groote kracht, die men geduld noemt.
Geduld maar, en vooruit! Het weerstandsvermogen van geest en lichaam beide zijn onderworpen aan de discipline van het geduld. We zwegen, om onze energie niet te verspillen. En ook, aan ieder woord moet een gedachte voorafgaan en in sommige omstandigheden kost het denken te veel inspanning. Tegen tien uur bevonden wij ons in het meest woeste, meest ellendige gedeelte van Gobi. De twee uiterste halteplaatsen van de karavanen zijn door een enorme hoeveelheid "obo's" aangegeven. De "obo" is het altaar van de mongoolsche nomaden; het is misschien het eerste altaar, dat door de menschheid is opgericht. Het bestaat uit een hoop steenen. Om de bescherming des hemels af te smeeken vóór de tocht door de woestijn wordt aanvaard en om zijn dankbaarheid te toonen, nadat die is volbracht, neemt de vrome karavaangeleider een steen, en plaatst dien op de "obo", knielt neer en bidt. Al in het begin van onzen tocht door Mongolië, toen we nog in de nabijheid van den grooten muur waren, hadden we "obo's" aangetroffen op de heuveltoppen, maar ze waren heel anders dan die van de woestijn. Misschien waren ze verlaten en vervallen. De "obo's", die wij in de woestijn zagen, hadden soms een menschelijke gedaante. De steenen waren heel kunstig opgestapeld en boven aan prijkte de doodskop van een os of van een paard; ze leken dus werkelijk aan den dood gewijd. In de verte zagen wij dikwijls die altaren voor menschen aan, en de witte doodskoppen leken ons gezichten; we zagen ontelbare "obo's" en hoe triest ook op zich zelf, toch schonk hun aanwezigheid ons een groote vreugde; ze verbraken de verschrikkelijke eenzaamheid en de troostelooze verlatenheid.
In de woestijn wordt ieder menschelijk wezen ons dierbaar, hetzij door een gevoel van broederschap, hetzij door een verlangen om zich te vereenigen tegen het gemeenschappelijk gevaar, misschien alleen reeds door de vreugde van een levend wezen te ontmoeten. En we staarden naar al die rechtopstaande menschen en wij verwonderden ons over hunne onbeweeglijkheid; misschien, dachten we, hadden ze ook ons gezien en waren van verbazing stokstijf blijven staan. En plotseling heerschte dan de stilte weer rondom ons, een benauwende stilte, omdat we die menschen als door een verschrikkelijke betoovering in steen zagen veranderen, en de gezichten in doodskoppen. Aan den voet van elke obo lagen stukken papier met in het Thibetaansch geschreven gebeden of ook vlaggetjes, door den tijd verkleurd, eveneens met heilige opschriften.
De Mongool is bijgeloovig, maar zijn bijgeloof is vol poëzie. Hij gelooft dat de wind, door dat papier en die vlaggen in beweging te brengen, de gebeden uit de steenen doet opstijgen naar Boeddha; de wind neemt de gebeden mee, zooals hij den geur der bloemen met zich meevoert, wanneer hij aan hen voorbijgaat. Heeft de wierook in onze godsdienstige plechtigheden daarmee geen overeenkomst?
Wij konden dankbaar zijn voor de aanwezigheid van de obo's, daardoor toch was de weg volkomen vrij van steenen. En wie weet of de herkomst van deze eigenaardige godsdienstige gewoonte niet gelegen is in de noodzakelijkheid, om slechte, steenachtige passen en wegen te verbeteren bij een volk, dat aan elke daad en aan elk feit een mystieke beteekenis geeft.
We kwamen, helaas, tot de ontdekking, dat de radiator, de long van de automobiel, niet goed kon ademhalen. Door de verschrikkelijke hitte kon ondanks den luchtstroom, ontstaan door den snellen gang van de auto, het water rondom de cylinders niet voldoende meer afkoelen en groote wolken waterdamp sloegen uit de afsluiting van den radiator. Reeds geruimen tijd (het leek ons tenminste lang) zochten wij naar putten, om het water van den motor te vernieuwen. We wilden dat uit het réservoir niet gebruiken dan in de uiterste noodzakelijkheid. Het réservoir hield ternauwernood 50 liter in, en het was verstandig om die te bewaren. Een mankement aan de machine kon ons in ongelegenheid brengen en dan zou de watervoorraad onze redding zijn.
"Een put!" riep nu en dan een van ons uit.--"Daar, daarginds! een put, ik zie een donkere plek op den grond; daar moet water zijn."
"Ja, ja," antwoordden dan de anderen. Illusies werken aanstekelijk. De donkere plek bestond niet, of het was een schaduw; we werden dus genoodzaakt, het water van het réservoir te gebruiken en wij stonden stil om het over te gieten. De grond brandde onder onze voeten; een heete lucht steeg naar ons hoofd, en het zand verblindde ons door de schelle weerkaatsing van de zonnestralen. We werden door een bijna ondragelijken dorst gekweld. Toen we het heldere water in de zon zagen opspatten uit het réservoir, konden we de verzoeking niet weerstaan, er naar hartelust van te drinken, de lippen aan de siphon, dezelfde siphon, die diende om de benzine over te gieten. Het water was warm en stonk naar benzine en vernis; in andere omstandigheden zouden wij ervan hebben gewalgd; maar alles is betrekkelijk in de wereld. De Prins gebruikte het minste en nauwelijks bevochtigde hij zijn lippen; hij raadde ons aan zuinig te zijn met dien kostbaren voorraad.
En onze eentonige tocht ving weer aan. Om twaalf uur zagen wij weer wat gras in kuilen, waar zeker af en toe wat water was blijven staan. Nog wat later werden wij verrast door de vlucht van eenige witte vogels, en wij ontdekten weldra een kleinen vijver. Op den oever liepen heel statig eenige steltloopers.
Wij gingen naar den vijver om water te scheppen. Het water was ondrinkbaar, stinkend, geelachtig van kleur en ziltig; wij gebruikten het voor den motor, die geen smaak heeft. Toch was de aanwezigheid van dat water voor ons van de grootste beteekenis, immers wij konden er uit opmaken, dat hier het rijk van de verschrikkelijke, uiterste droogte was geëindigd.
En inderdaad het duurde niet lang, of we troffen weer putten aan, omringd door karavanenkampen.
Naast een van die putten lagen, eenzaam, twee Chineezen te slapen. Waarschijnlijk twee rampzaligen, die te voet naar hun land terugkeerden. Ze hadden zelfs geen tent om zich tegen de zonnestralen te beschutten. Hun eenige bagage bestond uit een paar lompen in een zak. Half naakt op het gloeiende zand uitgestrekt, het hoofd ontbloot, sliepen ze. Naast hen smeulden de overblijfselen van een vuur en op het vuur stond de theepot, die nooit ontbreekt in de bagage van zelfs den armsten Chinees, zoo min als de samovar bij den armsten Rus. Wij konden niet begrijpen, dat menschen de marteling van zoo'n ontzettende hitte konden doorstaan. Toen ze leven hoorden werden ze wakker en zagen ons verstomd aan. Ze moesten dood moe zijn en geheel versuft. Wat was onze reis met de hunne vergeleken?
Het water was helder en ijskoud. Na onzen dorst te hebben gelescht, schepten wij een emmer vol voor onze verdere reis. Een goed gevolg van de warmte was het weinige benzine-verbruik. In het benzine-gas, de vermenging van benzine en lucht, waarin de electrische vonk de explosie veroorzaakt, door welke explosie de beweegkracht van den motor ontstaat, kwamen weinig benzine-deelen voor. Dat konden wij opmaken uit de werking van den carburator, die de lucht automatisch in de vermenging brengt. Lucht kwam in enorme hoeveelheid in den carburator; Borghese maakte er ons opmerkzaam op, dat we meer met behulp van lucht reden dan met behulp van benzine.
De warmte werd hoe langer hoe grooter. De zon, die rechts van ons was opgekomen, stond nu achter ons en verbrandde ons den rug. Bij het vertrek uit Peking had ik verzuimd, mij een kurkhoed, zooals de Prins en Ettore hadden, aan te schaffen en nu moest ik me tegen de hitte beschermen met een Panamahoed; door de snelle vaart ging de voorrand in de hoogte, zoodat mijn gezicht geheel onbeschut was. Al spoedig maakte de zon afschuwelijke maskers van ons gelaat, dat opzwol en opdroogde, zoodat de huid op sommige plaatsen barstte. Wij konden zelfs niet verdragen, dat we er met den zakdoek aan raakten. Het frissche water, dat eerst zoo weldadig was, veroorzaakte ons nu ondragelijke pijnen. Onze oogen waren rood en branderig. De lippen waren dor en sprongen. Vooral Ettore had veel te lijden; zijn handen waren in een deerniswekkenden toestand en bloedden, wanneer hij iets aanraakte. Wij zullen nooit ten volle de groote opoffering kunnen waardeeren, die Ettore zich heeft getroost. Hij vergat alle pijnen in oogenblikken van nood en dwong zijn handen, om toch te werken. Als hij klaar was, bekeek hij zijn wonden en zei, met zijn goedigen glimlach van grooten jongen: "Ik vrees dat wij niet opschieten!"
Wanneer wij nog onze prachtige baldakijn boven onze hoofden hadden gehad, zouden wij de zon kunnen uitlachen!
Wij moesten ons troosten met te zeggen: Ook dit zal wel eens eindigen!
"Een yurta!" riep de Prins uit.
Het was twee uur 's middags.
Die woorden troffen ons, alsof ons een wonderverschijning was aangekondigd.
"Waar? Waar?"
"Daar ginds, links onder die rotsen."
Komt de wereld terug? Het zijn zeker nomaden op reis, er zijn hier geen weilanden, wie kan hier leven?
Lang bekeken we de hut, waaraan een paard was vastgebonden. Kort daarna zagen wij een beladen kameel, door een Mongool begeleid, die stil was blijven staan en gebaren tegen ons maakte. Wij wachtten hem af, en de Mongool kwam diep buigend naar ons toe. Hij haalde vervolgens uit zijn jas een pak met doeken, die hij langzaam begon uit te pakken. In het eerste was een ander pak, in het tweede een derde. Eindelijk uit het laatste kwam een telegram, dat de man ons plechtig overhandigde.
Het telegram was aan du Taillis gericht en we gaven het den man terug en beduidden, dat hij door moest gaan naar het zuiden. Hij pakte het telegram weer netjes in--wat een zeer goede manier is, om een kostbaar papier niet te verliezen, maar niet is aan te raden voor drukke zakenmenschen. Wij merkten, dat de kameel was beladen met twee kannen benzine, en we begrepen hoe de zaak in elkaar zat; de Spijker kwam denkelijk benzine te kort en had getelegrafeerd van Pong-Kiong naar Udde, om twee kannen van het depôt over te zenden, en dat waren dan zeker die kannen.
Te Pong-Kiong hadden wij eenige liters van onze benzine gegeven, en zoo hadden ook de Dion-Bouton's gedaan.
Om vier uur bevonden wij ons in een vlakte, waarin zich hier en daar lage rotsen verhieven als klippen in de zee. Den vorigen dag hadden wij als wanhopigen gezocht naar Pong-Kiong, en nu zagen wij in elke rots een Udde. We werden natuurlijk teleurgesteld. Om de telegraafdraden niet uit het oog te verliezen trachten wij ze overal te volgen, over heuveltoppen, tusschen steenen en rotsen. Het voortgaan werd daardoor zeer bemoeilijkt. Tegen vijf uur zagen wij een hoogte, bestaande uit een groep ronde rotsen en aan den voet, bijna niet van de steenen en rotsblokken te onderscheiden, een klein chineesch huisje: dat was Udde.
Eenige minuten daarna traden wij dat paradijs binnen, in alles gelijk aan de andere plaatsen, die wij 's ochtends verlaten hadden.
In Oerga was de Itala al veel vóór de andere auto's, maar gelukkig bleef zij door de telegraaf op de hoogte van de vorderingen der tochtgenooten. Het zou aardig zijn, meer mee te deelen over de ervaringen van den vroolijken, kloekmoedigen Borghese, den kinderlijken, volijverigen Ettore en den waakzamen, opmerkzamen Barzini, maar wij kunnen niet verzuimen, in de ons gestelde ruimte ook onzen lezers iets te laten hooren van de latere gebeurtenissen, vooral, van de indrukken, die de reizigers bestormden, toen zij uit de woestenij in de beschaafde wereld terugkeerden.
Na Nischni-Nowgorod werd de straatweg eenzaam. "Wij rekenden er weer op", schrijft Barzini, "weldra op onze gewone, ellendige landwegen te zijn, zooals iederen dag ons lot was geweest. Dit maal kwam de landweg niet; de weg was hard. En dat bleef hij. Den weg, den eigenlijken straatweg, hadden wij eindelijk bereikt.
Eindelijk dus! Na een tocht van 7500 kilometer, van zes-en-veertig lange dagen van vermoeienis, lijden en ontbering. Wij hadden er naar gezocht en er naar verlangd, al toen wij uit de Mongoolsche woestijn kwamen; te Kiachta en te Irkutsk meenden wij er reeds op te zijn, op ieder station van onzen tocht had de hoop, hem te vinden ons getroost. Toen ik den tocht beschreef, heb ik het woord "weg" gebruikt om aan de niet te beschrijven plaatsen, waarover wij gingen, een naam te geven. In werkelijkheid waren wij over den maagdelijken grond gegaan, dan weer eens goed en dan weer eens slecht, over zand, slijk, kiezels en over opslag van boomen en struiken. Hier begon de weg. Te Kazan hadden wij reeds een voorproefje ervan gehad. Hij begon te Nizjni-Novgorod, bij de voor ons onvergetelijke stad, die voor ons het keerpunt was, het begin van onzen terugkeer in beschaafde streken.
De grenzen van Europa loopen niet, zooals de aardrijkskundigen aannemen en zooals ook wij meenden, door de bosschen langs den Oeral, neen zij beginnen te Nizjni-Novgorod met die witte, gemakkelijke lijn, waarlangs wij gingen, een lijn, die met allerlei kronkelingen al de volkeren met elkaar verbindt. Toen scheen het ons toe, dat wij alle moeilijkheden overwonnen hadden. Maar schijn bedriegt! Wij zouden niet meer over rotsen behoeven te gaan, niet meer over boomstronken behoeven te schokken en te hobbelen; wij zouden niet meer in verraderlijke moerassen blijven steken en niet meer door moerasplanten en bosschen onze richting moeten zoeken. Den straatweg hadden wij maar te volgen, hij was onze vriend, onze gids, onze hulp. Hij bracht ons aan het doel.
Wij uitten een kreet van vreugde, toen wij, op een heuvel staande, hem tot aan den gezichteinder konden volgen. En toch bleef er een twijfel, een gevoel van angst ons bij; wij waren te dikwijls teleurgesteld geworden om te gelooven, dat de weg niet spoedig zou eindigen. Wij konden ons nog niet aan zoo'n geheele en snelle verandering gewennen. Het was te mooi.
In het begin was de verandering niet zoo radicaal, ten minste niet wat de bruggen betrof, welke oud en zwak waren en waarvan de planken onder de wielen verschrikkelijk kraakten. Terwijl wij snel reden, bezweek een der bruggetjes onder het gewicht van de machine; een plank brak. Borghese riep Ettore, die aan het stuur zat, toe:
Met alle kracht!
De motor zuchtte luide, en de auto, die bijna stil was gaan staan, vloog vooruit op de hellende planken, en was gered. Achter ons hoorden wij een vreeselijk lawaai van vallende planken. Ongeveer vijftig werst verder kwamen wij aan de grens van het gouvernement Nizjni-Novgorod en toen vonden wij uitmuntende wegen en nieuwe sterke bruggen.
Op het wandeluur reden wij de zindelijke, heerlijke, met groote loofboomen beplante stad Wladimir binnen, waar men reeds een vaag gevoel van de nabijheid van de heilige stad des rijks krijgt, wat men bemerkt aan de vele kerken, graftomben en heilige nissen, (welke laatste men ook hier en daar buiten de stad vindt), waarin des avonds enkele lichtjes flikkeren, waarvoor de voorbijgangers even in het voor bij gaan knielen.
Wij namen onzen intrek in een klein hôtel. Voor den eersten keer gaf de vermoeidheid ons den slaap niet. Moskou lag maar een paar uur verder.
Om zeven uur des morgens reden wij onder de poort met zijn torentjes door en gingen met volle snelheid naar Moskou.
De weg baadde zich in zonneschijn, een heerlijke en prachtige weg, zoo recht alsof hij door kanonschoten in de steppen, door bosschen, velden, over stroomen en plassen geschoten was. In die strenge rechte lijn is iets grootsch en iets verhevens. Zoo'n wondere weg kan ons alleen leiden naar het verheven Sanctuarium des Rijks.
Wij verlangen vurig er spoedig te komen. Wij vliegen. Het is, of de machine ons begrijpt en met ons meevoelt; regelmatig en zwijgend gehoorzaamt zij aan de geringste beweging van de versnelling, vliegt vooruit en houdt zich stipt aan het stuur, dat Borghese in de hand heeft, veert zachtjes op de banden met lichte schommelingetjes, die ons in een zoeten slaap schijnen te willen wiegen. Om acht uur kwamen wij door een stadje.
De menschen vlogen uit hun winkels, kwamen uit de zijstraten aanhollen en groetten ons hartelijk. Zelfs een dikke gendarm, met vriendelijken lach om den mond, sloeg voor ons aan. Toen wij hem voorbij gingen, vroegen wij hem:
"Hoe heet deze stad?"
"Pokrow."
Daar waren wij verbaasd over. Pokrow ligt ongeveer 80 werst van Wladimir en wij zouden dus, als wij met deze snelheid voortgingen, vóór tienen in Moskou zijn. Maar dat mocht niet; wij mochten voor twee uur in den middag niet te Moskou aankomen. Waarom niet? Wel, uit beleefdheid. Den vorigen avond had men ons telegrafisch gevraagd, hoe laat wij daar dachten aan te komen en de Prins, denkende aan alle eventualiteiten, had ruim gerekend en geantwoord: Denkelijk om twee uur. Wij waren dus genoodzaakt, vrijwillig onderweg halt te houden, en wij besloten dus eens op ons gemak "ons twaalf uurtje" te gebruiken.
Een half uur later stonden wij te Bogorodsk voor het voornaamste hotel. Wij gingen aan tafel zitten met de ernst en deftigheid, die wij onwillekeurig in acht namen bij den eersten keer, dat wij weer in een beschaafde omgeving fatsoenlijk koffiedronken. Wij bestelden een flesch champagne; dat was de tweede, die wij op reis zelf besteed hadden, de eerste was in Tankoy geweest. Van Peking af tot hier toe hadden wij nooit in een hotel of restauratie een tweede ontbijt aan tafel gebruikt; wij hadden het óf op de auto verorberd óf het geheel vergeten.
Wij waren blij, bijna kinderlijk blij. Het weêr werd ongunstig, het begon te regenen, maar het weer kon ons nu niets meer schelen, wij lachten er wat over; de regen zou ons nu niet meer ophouden. Deze vijandelijkheden kwamen nu te laat en waren geheel doelloos. Onze oude, taaie, onvermoeide vijand, het weêr, was nu overwonnen.
In een ommezien verspreidde het bericht van onze aankomst zich door de stad. Het publiek vulde spoedig de plaats achter het hôtel, om onze automobiel te bekijken; andere lui stonden voor het hôtel door de glazen te loeren om ons te zien. Wij werden door autoriteiten, door ambtenaren en notabelen bezocht. Van alle kanten kregen wij uitnoodigingen, waarvoor wij wel moesten bedanken, als wij ten minste van daag en niet morgen om twee uur in Moskou zouden aankomen. Maar van één uitnoodiging konden wij niet af; wij moesten een glas champagne gaan drinken bij een dame, die eenige van de grootste katoenfabrieken van heel de streek bezit en die met een chiek rijtuig gekomen was om ons zoo beleefd mogelijk uit te noodigen, zoodat wij _nolens volens_ aannamen. De fabrieksarbeiders stelden zich op, om ons te begroeten toen wij voorbij kwamen en het aardige houten villaatje van de eigenares betraden.
Precies om twaalf uur zaten wij weer in de auto en reden met de grootste versnelling om tijd te winnen, want wij waren bang, dat wij ons te lang in Bogorodsk opgehouden hadden. Wij waren ongeveer op 30 werst afstand van Moskou, toen wij twee kranige soldaten zagen, die wij voor kozakken uit Kuban hielden, met schilderachtige circassische uniformen, met hun rijken patroongordel over de borst, hun langen dolk op zijde en den hoogen kolbak op het hoofd. Zij staan tegenover elkaar, ieder aan een kant van den weg, en zoodra wij gepasseerd zijn, volgen zij ons in galop. Op afstanden van honderd meter staan weer kozakken om den weg te bewaken, die zich hij den stoet voegen, welken wij achter ons hebben. Wij bemerken al heel spoedig, dat die veiligheidsdienst voor ons georganiseerd is, om te zorgen, dat de weg vrij is en dat alle wagens, zoolang naar den kant van den weg gaan, totdat wij gepasseerd zijn. Deze soldaten behooren tot een nieuw korps gendarmerie, dat na de ontlusten te Moskou georganiseerd is.