Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 8

Chapter 81,636 wordsPublic domain

Het beleg duurde zes volle dagen, van den 12den tot den 18den Juni; de Russen verloren negen-en-veertig dooden en honderd-twee-en-zeventig gewonden. De belegeraars staken eene poort in brand, en maakten een bres: maar toch was het hun niet mogelijk, de citadel binnen te dringen. Dag en nacht bestormden zij, in dicht opeengedrongen massa's, de muren der vesting, onder woeste kreten telkens en telkens den aanval hernieuwende; de Russen spoedden zich van het eene bedreigde punt naar het andere, hielden overal den vijand tegen en wierpen hem telkens met groot verlies terug. Toch was de heldhaftige bezetting uitgeput, toen de generaal Kaufmann, onderricht van hetgeen er voorviel, met geforceerde marchen naderde om de citadel te ontzetten.

Zoo liep den ongelukkigen Mozaffar-ed-Din--zoo heette de Emir--alles tegen. Wat zou hij doen? Naar Bokhara terugkeeren? Daar viel niet aan te denken; zijn zoon, die zich nooit zeer gehoorzaam en onderdanig getoond had, zou hem de poort voor den neus gesloten hebben. Hij had zich aan het hoofd gesteld van de partij der ontevredenen en fanatieken, en maakte zich gereed om, des noods met geweld zijn vader den troon te betwisten. Naar Samarkand gaan? Dat was onmogelijk; het zegevierende russische leger sneed hem dien weg af; en vijf-en-twintigduizend zijner onderdanen waren daar met schande teruggedreven door een garnizoen van eenige honderde soldaten!

Er bleef hem slechts ééne keus over, en hij schikte zich daarin: hij trad in onderhandeling met de Russen, betaalde hun eene oorlogsschatting van honderd-vijf-en-twintigduizend tilla, ruim een millioen gulden, stond den russischen handel alle verlangde voorrechten toe, en verklaarde zich verantwoordelijk voor de veiligheid der onderdanen van den tsaar in zijn land. Feitelijk werd hij een vazal van Rusland.

Transoxanië, zegt de beroemde hongaarsche reiziger op eene andere plaats: Transoxanië of het khanaat van Bokhara, is, over het geheel genomen, een laag land, dat ten oosten tegen de laatste hellingen van het gebergte Thian-Sjan leunt. Met uitzondering van eenige hooge vlakten en eenige harde, kleiachtige streken, _takir_, dat wil zeggen droge en onvruchtbare aarde, genoemd, bestaat de bodem hoofdzakelijk uit zwart of geel zand; bouwland, in den eigenlijken zin van het woord, vindt men alleen op de hellingen der bergen, en langs de rivieren en bevloeiingskanalen, die van de rivieren uitgaan. Overal elders levert de natuur, evenals in geheel Centraal-Azië, waar zij aan zichzelf wordt overgelaten, niets of bijna niets op; en tien jaren van oorlog zijn voldoende om de vruchtbare vlakten te ontvolken en in een zandwoestijn te herscheppen.

Op vele plaatsen schiet ook de volhardende vlijt en onvermoeide inspanning des menschen te kort, om aan de dunne zandlaag een eenigszins dragelijken oogst te ontwoekeren. Zelfs midden door de bebouwde streken, en tot in de onmiddellijke nabijheid van Bokhara en Samarkand, loopen breede strooken van volstrekt onvruchtbaar en onbebouwbaar zand; en tusschen de beide genoemde steden voert de weg door eene steppe van eenige mijlen lengte, de woestijn van Melik geheeten, in wier laagste gedeelte nog voor driehonderd jaar een zoutmeer werd aangetroffen.

Toch is, dank zij de bevloeiingen, de vruchtbaarheid van Bokhara en van de twee andere khanaten, bijna tot een spreekwoord geworden; de aarde brengt er rijkelijk vruchten voort, en wat zij voortbrengt is van uitmuntende hoedanigheid. Het graan van Bokhara, hare vruchten, haar zijde, haar katoen, haar geneeskrachtige kruiden en planten, behoeven de vergelijking met geene andere te schromen. Het vee is wijd en zijd beroemd; de paarden zijn door geheel Azië met lof bekend; de kameelen van Bokhara vinden nergens huns gelijken; de schapen munten uit door den zeer fijnen smaak van hun vleesch.

De minerale rijkdommen, nog zeer weinig bekend en erg verwaarloosd, zijn zeer belangrijk, vooral in de bergachtige streek ten westen en ten zuiden van Samarkand. Reeds de geschiedschrijver Belchi spreekt van ijzer, ammoniak, kwikzilver, koper, lood, goud, naftha, vitriool en van een zekeren steen, dien men aansteekt en verbrandt, dat wil zeggen steenkool, waarvan de Russen ook eenige lagen ontdekt hebben.

De van nature zoo dorre bodem van Bokhara dankt zijne vruchtbaarheid in de eerste plaats aan de weldadige rivier, bij de ouden onder den naam van de Sogd bekend, sedert Kohik genoemd, en die tegenwoordig met volle recht den naam draagt van Ser-afschan (uitdeelster der rijkdommen). Ten noordoosten van Samarkand verdeelt de voornaamste tak van de Ser-afschan zich in eene menigte armen, die naar de steppen vloeien. De aanzienlijkste dezer armen loopt ten noordwesten der stad, voorbij Pendsj-Shembeh en Sjatirdsja, en stort zich in het meer Karakoel. Een andere tak vloeit ten zuidwesten van Samarkand, en neemt langs Kette-Koergane en Bokhara, zijne richting naar de woestijn.

Als men nagaat, welk een groot aantal zijkanalen hun water aan de voornaamste takken van de Ser-afschan ontleenen, dan staat men verbaasd, hoe eene rivier van zoo weinig uitgestrektheid in de behoeften van al deze kanalen kan voorzien: de massa water, die zij afvoert, moet zeer aanzienlijk zijn. Behalve de Ser-afschan, heeft men nog de beek van Khehri-Sebz, die geschikt is voor bevloeiing; hare wateren komen somwijlen tot aan Karsji, en met behoorlijke zorg geleid en verdeeld, konden zij het gansche land van dienst zijn.

Men heeft opgemerkt dat eene voortdurende bevloeiing gedurende eene reeks van jaren, op den bodem eene laag van alluviaal-aarde van genoegzame dikte doet ontstaan. Vooral het water van den Oxus heeft deze vruchtbaarmakende eigenschap; maar ongelukkig genoeg trekt het land bijna geen voordeel van dezen stroom: van Termez tot Tsjehardsjoe is de rechter oever van den Oxus bijkans onbewoond; en het zou ook zeerveel bezwaar in hebben, hier volksplantingen aan te leggen, omdat de oevers zeer hoog zijn, zoodat de besproeiing zeer moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk is.

Het klimaat van Transoxanië is niet ruw en over het algemeen niet nadeelig voor den landbouw. In de bergachtige streken tamelijk koud, is de temperatuur in de hoogere vlakten aan den voet der bergen gematigd; maar in de lage streken, nabij de steppen, bij voorbeeld te Bokhara, te Karsji, te Karakoel, is het klimaat zeer afwisselend, nu eens ondragelijk heet, dan vinnig koud. Ongezond is het echter alleen te Bokhara; de ziekten, die in Transoxanië heerschen, moeten meer geweten worden aan de ongezonde levenswijze der inwoners en aan hunne verkeerde manier van zich te kleeden, dan aan de schadelijke invloeden van de temperatuur.

Het gezegde omtrent de vruchtbaarheid en het klimaat van Bokhara is evenzeer van toepassing op de landen, die ten oosten en ten westen aan dat khanaat grenzen. Het is dan ook niet te verwonderen, dat de wonden, door den oorlog geslagen, hier in betrekkelijk korten tijd weder geheeld worden, mits slechts de oorlog niet te lang aanhoude. Reeds Belchi verzekert ons, dat een geslagen leger zich nergens zoo spoedig van zijne nederlaag herstelt, als in Transoxanië. Diezelfde schrijver schat het aantal steden in die landstreek op driehonderd-duizend: blijkbaar eene schromelijke overdrijving. Toch was Transoxanië en met name de stad Bokhara, vroeger veel meer bevolkt dan tegenwoordig. Onder de Samaniden waren de omstreken dezer stad zeer dicht bevolkt; ten noordoosten, ten zuidwesten strekten zich, buiten de eigenlijke stad, groote voorsteden uit; en de driehonderd-zestig moskeeën, waarvan de inwoner van Bokhara nog met trots spreekt, bestonden toen werkelijk. Tegenwoordig telt Bokhara hoogstens vijf-en-dertig duizend zielen.

Dat zelfde geldt voor het gansche land. Transoxanië kan eene vijf- à zesmaal sterkere bevolking onderhouden, dan het tegenwoordig bezit. De ontzaglijke legerscharen, die, sedert de stichting van het khalifaat, voortdurend krijgs- en veroveringstochten ondernamen naar westelijk Azië en tot aan de oevers van den Nijl, waren voor het grootste deel saamgesteld uit zonen der steppen, maar daarnevens ook uit de bewoners der oevers van den Oxus en den Jaxartes.

De meerderheid der inwoners van het oude Transoxanië bestond uit Iraniërs, en het perzisch was de nationale taal te Bokhara, te Fergana, te Khahrezm. Dit bleef zoo onder de heerschappij der Arabieren, der Samaniden, der Seldsjoeken en der vorsten van Khahrezm, ja zelfs nog langen tijd na de invallen der Mongolen; toen maakte het perzisch allengs plaats voor het turksch, dat tegenwoordig de heerschende taal is.

Evenals de taal, heeft ook het karakter der Transoxaniërs eene groote verandering ondergaan. De oude arabische schrijvers kunnen geen woorden genoeg vinden om den adel des gemoeds, de oprechtheid, de rechtvaardigheid en gastvrijheid van dit volk te roemen. Tegenwoordig is van al deze deugden geen spoor meer over: met uitzondering van de gastvrijheid, die wel niet in de steden, maar dan toch op het platteland nog altijd beoefend wordt. Eeuwen lang is Transoxanië ten prooi geweest aan de telkens hernieuwde invallen der Toeraniërs, en daarbij is het land maatschappelijk en zedelijk te gronde gericht. De veroveraars hebben niet alleen de steden verwoest en de oogsten vernield, maar zij hebben ook in het hart der menschen alle hooge en edele gevoelens en aandoeningen weggewischt.

Samarkand, ongetwijfeld het Maracanda der Grieken, de hoofdstad van het oude Sogdiana, is reeds sedert overoude tijden de mededingster van Bokhara. Vóór de regeering der Samaniden was zij de koningin der steden in het stroomgebied van den Oxus; zij begon van haar hoogen rang te dalen, toen Ismaël zijne residentie naar Bokhara verlegde. Onder de kharezmitische vorsten hernam zij, naar men zegt, haar vroeger overwicht; en later, onder de regeering van Timoer den Kreupele, bereikte Samarkand het toppunt van haar bloei en heerlijkheid. Maar na den val der dynastie van Timoer, begon ook voor haar een tijdperk van achteruitgang en verval. Bokhara werd nu allengs de officieele residentie; Samarkand moest zich vergenoegen met de nederiger rol van zomerverblijf der vorsten, die door de schoonheid der waterrijke streek en de frischheid van het klimaat werden aangetrokken.

Samarkand is minstens tweemaal verwoest geworden; eerst door de Mongolen, en later door de wilde horden der Oesbeken. Van hare vroegere heerlijkheid is dan ook geen spoor meer over. De stad telt tegenwoordig eene bevolking van dertig duizend inwoners; zij bezit tachtig moskeeën, drie-en-twintig scholen of collegiën en zeven-en-twintig karavanseraïs.

End of Project Gutenberg's Van Orenburg naar Samarkand, by Anonymous