Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 7
Intusschen was onze dsjiguite in een boom geklommen, om van die hoogte te beter de bewegingen der verdachte ruiters te kunnen gadeslaan. Weldra begon hij te roepen, en ons met de hand twee zwarte stippen te wijzen; wij zagen toen twee mannen te paard, slecht gekleed en van een alles behalve gunstig voorkomen, die naar ons toekwamen. Zij gaven zich uit voor eenvoudige boeren uit het naburige dorp; maar er was niet veel scherpzinnigheid toe noodig om te begrijpen dat wij te doen hadden met twee makkers der onbekende ruiters, die wij reeds vroeger bespeurd hadden. Terwijl de een op onze vragen antwoordde, nam de ander ons zorgvuldig op: hij telde de soldaten van ons escorte, en onderzocht met scherpen blik onze wapenen en uitrusting.
Wij ondervroegen hen omtrent het russische detachement, omtrent de troepen van den Emir, omtrent Samarkand; maar wij kregen geen ander antwoord, dan: "De russische troepen zijn over de steenen brug getrokken; verder weten wij niets."--Wij besloten, gedurende het overige van onze reis, deze lieden bij ons te houden, ten einde zeker te zijn dat zij ons niet konden verraden, en hun metgezellen inlichten omtrent de zwakheid onzer karavaan. De voorzichtigheid gebood ons, hen niet los te laten, voor wij het detachement zouden hebben bereikt, of althans zeker zouden weten, waar het zich bevond, en in hoever wij, in geval van nood, op hulp konden rekenen.
Wij waren inderdaad in een moeilijken toestand. Wat moesten wij doen? Wat zou er van ons worden, indien de russische troepen Samarkand waren omgetrokken om naar Bokhara te marcheeren; of indien zij, bij den aanval op Samarkand, zich aan de andere zijde der stad gelegerd hadden? Hoe zouden wij, in beide gevallen, onze landgenooten kunnen bereiken? En indien, bij geval, de troepen van den Emir niet voorgoed verslagen zijn, loopen wij dan geen gevaar, omsingeld en neergeschoten te worden, nog eer wij een hand kunnen uitsteken tot tegenweer?
Wij hielden een soort van krijgsraad. Ik was bijna de eenige, die voor het voortzetten der reis stemde; ik beweerde dat de drieduizend soldaten van den generaal Kaufmann--denzelfden die Samarkand veroverd heeft--het geheele land met den schrik voor den russischen naam hadden vervuld; dat niemand ons zou durven aanvallen, uit vrees voor eene spoedige en geduchte wraak; dat wij eindelijk, indien wij aangevallen werden, talrijk genoeg waren om weerstand te bieden aan de nomadische ruiters, en wagens en paarden genoeg bij ons hadden om voor de gekwetsten te kunnen zorgen.--Daarentegen scheen ons escorte niet gerust te zijn; een der officieren had hooren zeggen: "Dat gaat niet goed. Wij zullen er allen aan moeten gelooven!"
En terwijl wij zoo, treurig en in groote onzekerheid, beraadslaagden wat ons te doen stond, bedekte zich de hemel met zwarte wolken; donderslagen knalden, en bliksemstralen schoten door de lucht. Eindelijk behield mijn raad de overhand, en wij richtten ons weder naar Samarkand. Mijne reismakkers hadden begrepen, dat de Russen halt hadden gehouden, of naar Samarkand waren doorgetrokken: in het eerste geval zouden wij hen vóór den volgenden morgen moeten inhalen; in het tweede, zouden wij een dsjiguite afzenden, die zou trachten uit te vinden waar onze landgenooten zich ophielden, en hen, zoo noodig, van onzen toestand zou onderrichten.
Voor die gevaarlijke zending, die evenveel moed als behendigheid vereischte, was de aangewezen man de Tartaar Gassane, dien ik reeds genoemd heb als aanvoerder der vijf-en-twintig dsjiguiten, met wien wij van Jane-Koergane vertrokken waren. Gassane was onverschrokken: met een Kirghise, was hij de eenige geweest, die een zending naar den Emir van Bokhara had durven aannemen, toen het gezantschap van den generaal Tchernaïef in de stad gevangen werd gehouden, na het mislukken der expeditie tegen Dsjisak. Die twee moedige mannen leverden den brief in handen van Zijne Hoogheid. Ongelukkig kwam Gassane op een dwazen inval, om tot den Emir eenige woorden te richten, die als onvoegzaam konden worden beschouwd; het gevolg daarvan was, dat terwijl de Kirghise, zijn medegezant, een prachtig kleed ten geschenke kreeg, en daarna vrijelijk naar zijne steppen mocht terugkeeren, onze vriend Gassane, zooals de Emir zeide, naar de raven ging: dat wil zeggen, dat hij in een kuil geworpen werd, om daar te gaan nadenken over de onaangename gevolgen van een onbedacht woord.
Gassane luisterde naar mijn voorstel, en nam het ook aan; toch bemerkte ik dat hij een bedenkelijk gezicht zette. Gloudoff gaf hem een prachtig amerikaansch geweer ten geschenke, en sprak hem moed in met de vertroostende woorden: "Wees niet bang, vriend; gij hebt toch maar één hoofd te verliezen."
Helaas! wij hadden geen spion en geen boodschapper meer noodig. Twee ruiters, door onze dsjiguiten ingehaald en tot ons geleid, brachten ons eene tegelijk zeer goede en zeer noodlottige tijding: Samarkand was door de Russen bezet. Ons leger was er dienzelfden dag binnen getrokken, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, en vooraf de troepen van den Emir verslagen te hebben. Zoo had een oponthoud van eenige uren ons de gelegenheid ontnomen, om eene van de beroemdste steden der wereld in handen van de Europeanen te zien vallen!
Uit voorzorg hielden wij ook deze twee gevangenen, evenals de vorigen, bij ons. Wij gaven hun de verzekering dat hun hoegenaamd geen leed zou geschieden; maar blijkbaar hechtten zij niet veel aan onze vriendelijke verzekeringen, en hielden zij zich overtuigd dat hun weldra het hoofd voor de voeten zou worden gelegd, zooals het oude en eerwaardige gebruik in het land van Bokhara dat medebrengt.--Wij hadden moeite, de waarheid van het bericht aan te nemen: eene zoo aanzienlijke en beroemde stad, zonder slag of stoot genomen door een legertje van hoogstens drieduizend man!--Wij vervolgden onzen weg, verdiept in gesprekken over den oorlog met Bokhara.
Toen wij Samarkand naderden, bevonden wij ons in eene heerlijke streek, overvloedig van water voorzien, uitnemend bebouwd en bezaaid met welvarende dorpen; ter wederzijde van den weg was het eene opeenvolging van prachtige tuinen; wij hadden de rijke, schoone vallei bereikt van de rivier Zerafsjane of Zariavsjane.
In het eerste dorp, dat wij doortrokken, stonden de bewoners voor de deur hunner woning; zij heetten ons hartelijk en vriendelijk welkom. Meenden zij dat inderdaad? Ik weet het niet. Misschien wel, want men weet ook in Centraal-Azië dat het bestuur der ongeloovigen, door vastheid en rechtvaardigheid, verre uitmunt boven de regeering der inlandsche vorsten. Ook valt het niet te betwijfelen, of onder de muzelmansche bevolking bevinden zich vele aanhangers van Rusland.
De tijdingen, die wij in dit dorp vernamen, bevestigden ten volle wat onze ruiters ons hadden medegedeeld. Men vertelde ons de bijzonderheden der groote gebeurtenis. De strijd had kort geduurd, en de overwinning, door een handvol Russen, op het leger van Bokhara behaald, was volledig geweest. De soldaten, die ons vergezelden, hadden op dien dag meer dan vijftig mijlen afgelegd; doch de goede tijding der overwinning en de nadering van het einddoel van den tocht, bezielden hen met nieuwe krachten, en al zingende hervatten zij den marsch. Hoe uitgeput zij ook waren, hieven zij een lied aan, en zongen het ten einde; toen werd een tweede aangeheven, en ook ten einde gebracht; maar bij het derde, bleven zij steken: hunne stem bezweek van uitputting en vermoeienis.
Na mijne komst te Samarkand heb ik deze brave lieden uit het oog verloren; maar het zou mij niet verwonderen, indien velen hunner de doorgestane vermoeienissen met het leven, of althans met het verlies hunner gezondheid hadden moeten boeten.--Zoolang de marsch duurt, wint men zich op; hoe bezwaarlijker de tocht is, hoe meer inspanning de oorlog vordert, hoe meer het gevaar dreigt, des te meer gewent men daaraan en verhardt er zich tegen; maar op die overspanning volgt noodzakelijk ontspanning; dan herneemt de natuur hare, een oogenblik miskende rechten, en de reactie begint. Het is genoeg bekend, dat in den oorlog niet het kanonvuur de grootste verwoestingen in het leger aanricht, maar uitputting en ziekte.
Het had geregend; de weg was in een modderpoel herschapen; de manschappen waadden door het slijk; de paarden hadden de grootste moeite om voort te komen. Het onweder, dat wij hadden zien opkomen, toen wij aan de steenen brug halt hielden, was hier in volle kracht losgebroken. Telkens moesten wij beken oversteken, waarvan de bruggen door de troepen op hun tocht naar Samarkand waren afgebroken; onze wagens en rijtuigen bleven steken of vielen om: het was een eindeloos tobben.
"Zijn wij nog ver van de Ser-afschan?" vroegen wij ongeduldig, nu eens aan Gassane, die er zich op beroemde dat hij de gansche streek nauwkeurig kende; dan aan een Jood, die in het edele Samarkand geboren was, of aan anderen, van wie wij vermoedden dat zij ons konden inlichten.
"Nog twee mijlen," zeide de een; "nog drie mijlen," beweerde de ander; "nog vijf of zes mijlen," riep ons een derde toe.
Ik was zoo vermoeid, dat ik nauwelijks in den zadel kon blijven zitten: ondanks alle pogingen om wakker te blijven, gevoelde ik dat de slaap mij overmeesterde; niet in staat om mij recht overeind te houden, zakte ik nu eens rechts, dan weder links ter zijde, terwijl de teugels mij telkens ontsnapten. Van tijd tot tijd zette ik mijn paard in galop, en wanneer ik mijn makkers een eind vooruit was, stapte ik van mijn paard, en sliep staande, met mijn hoofd rustende op den zadel. Mijn paard, minder slaperig dan ik, maar daarentegen meer door den honger gekweld, ging naar den rand des wegs, nu rechts dan links, om het weinige gras op te zoeken, terwijl ik, altijd tegen den zadel geleund, slaapdronken en onbewust, al zijne bewegingen mede maakte.
Hoe gelukkig waren wij, toen wij, eindelijk de tuinen achter ons latende, aan een tak van de Ser-afschan kwamen en, na dien doorwaad te hebben, halt hielden om te slapen! Wij plaatsten onze wagens in een kring, wij zetten schildwachten uit, en vielen daarop allen, met inbegrip van de schildwachten, in een diepen slaap. Men had ons gemakkelijk tot den laatsten man kunnen vermoorden.
Toen wij den volgenden morgen ontwaakten bevonden wij ons aan den voet van den heuvel Tsjopane, waarachter, naar men ons zeide, Samarkand ligt. Op den top des heuvels zagen wij schildwachten: ter rechterzijde zagen wij hooge ruïnen, die van verre op de bogen eener verwoeste brug geleken, en ons toeschenen zeer oud te zijn. De heuvel was vol gaanden en komenden, allen ongewapend.--Wij waren in vijandelijk land, en moesten voorzichtig zijn; wij trokken dus langzaam voort, en hielden ons dicht bij elkander, om voor alle verrassingen gewaarborgd te zijn. De vlakte was hier en daar zeer moerassig; meer dan eens bleven onze paarden en wagens in den modder steken, en evenals den vorigen dag, moesten wij geduld oefenen. De Ser-afschan verdeelt zich hier in zes of zeven armen; maar, in dit vroege morgenuur, waren die riviertjes niet diep, zoodat wij ze konden doorwaden. Later op den dag wordt dat anders: het smelten der sneeuw op de naburige bergen doet dan de wateren zwellen.
Toen wij den laatsten arm van de Ser-afschan waren overgestoken, zagen wij twee ruiters van den berg af en naar ons toekomen: de een was een grijsaard, de ander een jonkman. Zij heetten ons hartelijk welkom, en verhaalden ons, dat het russische leger inderdaad Samarkand had bezet; dat de opperbevelhebber zijn intrek had genomen in de citadel, en het gros der troepen achter de stad was gelegerd. Zij voegden daarbij, dat het gevecht, hetwelk Samarkand in onze handen had doen vallen, den vorigen dag juist was geleverd op dezelfde plek, waar wij ons nu bevonden.
Inderdaad zagen wij, op eenigen afstand, enkele doode paarden, waarop wij tot dusver geen acht hadden geslagen. Verder op vonden wij eenige lijken van Bokhareezen, die in den slag gesneuveld waren; zij waren allen bijna naakt: ongetwijfeld geplunderd en uitgeschud door hunne eigene landgenooten. Sommigen waren in den rug gewond: dat waren vluchtelingen, plotseling door een kogel achterhaald; een ander was het hoofd verbrijzeld door een granaat. Er lagen niet veelmeer dan tien dooden op dit slagveld; ik vermoed echter dat vele gevallenen reeds den vorigen dag waren begraven.
Boven op den heuvel van Tsjopane zag ik een soort van aarden wallen, waarop, naar ik vermoedde, de vijandelijke batterijen hadden gestaan. Ik wilde ze wat meer van nabij bezien. Op den top gekomen, bleef ik eensklaps staan, zoozeer trof mij het panorama, dat zich voor mijne blikken ontrolde.
Daar lag Samarkand voor mij, in een krans van tuinen en gaarden. Boven hare lusthoven en huizen verhieven zich oude, statige moskeeën. Ik, de vreemdeling uit het noorden, zou de poorten betreden van de eenmaal zoo beroemde stad, de hoofdstad van Timoer den Kreupele!
X.
Zoo was het onzen reiziger, ondanks al zijne moeite, niet gelukt, tegenwoordig te zijn bij den intocht der Russen in Samarkand. Zekerlijk zullen wij onzen lezers geen ondienst doen, indien wij hier het verhaal dezer groote gebeurtenis laten volgen, zooals dit voorkomt in een der laatste werken van den heer Arminius Vambéry, de _Geschiedenis van Transoxanië_.
Arminius Vambéry, tegenwoordig vice-president van de Aardrijkskundige Maatschappij te Pesth, is niet alleen een der beroemdste reizigers, maar ook een van de uitnemendste taalgeleerden van onzen tijd. Ook voor de lezers der Aarde is hij geen onbekende.
Hetgeen wij hier laten volgen, is bijna letterlijk vertaald uit het werk van den onverschrokken onderzoeker van Centraal-Azië, getiteld: _Geschichte Bochara's oder Transoxaniens, von den frühesten Zeiten bis auf die Gegenwart_.
Den 13den Mei 1868 ontving het russische leger bevel, naar Samarkand op te rukken, en stelde het zich aanstonds in beweging. De kolonel Petruschewsky, die de voorhoede kommandeerde, stond op den rechteroever van een der armen van de Ser-afschan, toen zich Nedchm-eddin bij hem aanmeldde, om, uit naam van den Emir van Bokhara, over den vrede te onderhandelen, en zoodoende het voortrukken der russische troepen te stuiten....
De generaal Kaufmann, de bedoelingen des vijands wantrouwende, zette echter zijne beweging voort. Hij had onder zijne bevelen een-en-twintig en eene halve kompagnie infanterie, en vierhonderd-vijftig Kozakken: te zamen ongeveer achtduizend man, met zestien kanonnen.
Een groot deel van het leger van den Emir, dat veertig-duizend man sterk was, hield de steile oevers aan de overzijde van de Zerafsjane bezet. De Russen lieten zich door deze overmacht niet afschrikken; hun rechtervleugel, onder aanvoering van den generaal-Majoor Golowatscheff, daalde zonder aarzelen in de rivier af; en gedurende een groot kwartier zochten de soldaten, wien het water tot aan de borst kwam, eene waadbare plek, terwijl de vijandelijke artillerie een hevig vuur op hen richtte. Het muzelmansche leger, vijf of zes maal sterker dan de soldaten van den majoor Golowatscheff, poogde hun den overtocht over de rivier te betwisten; maar zoodra de Russen den vasten wal hadden bereikt, verlieten de Muzelmannen in allerijl de voordeelige stellingen, die zij op de hoogten hadden ingenomen, in hun overhaaste vlucht zelfs de kanonnen achterlatende.
Deze zoo spoedig en zoo gelukkig afgeloopen ontmoeting had plaats op korten afstand van Samarkand. Toen de inwoners dier stad hunne geloofsgenooten in allerijl zagen vluchten, sloten zij haastig de poorten, want zij vreesden hunne eigene soldaten meer dan het leger der christenen.
Zij zonden daarop eene deputatie naar den overwinnaar, bestaande uit de voornaamste burgers der stad, waaronder eenige mollahs of priesters, aksacalen of regeeringsleden, en anderen: en daags na den slag, trok eene afdeeling van het russische leger, met den generaal Kaufmann aan de spits, zonder slag of stoot Samarkand binnen. Onder den schitterenden staf die den generaal volgde, merkte men ook den prins Iskender-Khan op, zoon van den afghaanschen Sultan van Herat. Deze prins had, naar men zeide, uit ijver voor de zaak van den Islam, zijne diensten aan den Emir aangeboden; maar daar de Emir had verzuimd de beloofde soldij te betalen, had Iskender een gebed opgezegd voor het heil zijner ziel, en daarop dienst genomen bij de christenen!
Zoo viel, op den 14 Mei 1868, de weleer zoo roemrijke hoofdstad van Timoer, de geboorteplaats en de laatste rustplaats van zoovele beroemde heiligen van den Islam, sinds overoude tijden de stralende fakkel der muzelmansche geleerdheid! In een oogwenk was zij christelijk geworden, en uit de handen van de Oesbeken-dynastie der Mangiten overgegaan in die van het huis Romanoff. Een Alexander (de groote Macedoniër) was haar eerste veroveraar; wederom onder een Alexander kwam daar een beslissende omkeer in haar lot. Voor meer dan tweeduizend jaren schatplichtig aan een kleinen staat in het zuiden van Europa, is zij nu onderworpen aan den schepter van den machtigen keizer van het Noorden.
De Grieken, de Arabieren, de Mongolen, de Turken, de Oesbeken.... wat al oorlogen, wat al zegepralen, wat al dynastiën, wat heerlijkheid, welke herinneringen! En welke andere stad van Azië heeft een verleden achter zich, zoo schitterend als dat van Samarkand? Terwijl de landen van het uiterste Oosten ons sedert de vorige eeuw meer of minder goed bekend zijn, en Kathay en Zipangou bijna al het geheimzinnige, dat hen eertijds omgaf, verloren hebben, had tot op onze dagen nog niemand den sluier van Samarkand opgelicht. Dat is, tot verbazing van Europa, nu geschied.
Een nieuw tijdperk is voor Midden-Azië aangebroken. Landen en steden, die tot dusver voor den Westerling volstrekt ontoegankelijk waren, zijn thans voor hem geopend. Daar waar een Europeaan, zelfs onder de zorgvuldigste vermomming, geen stap kon doen, zonder zijn leven op het spel te zetten, beweegt hij zich nu vrijelijk, naar het hem goeddunkt, want een christenleger houdt het land bezet. Te Tadsjkend, te Khodsjend, te Samarkand, vindt men sociëteiten, koffiehuizen en kerken. Tadsjkend heeft een eigen russisch dagblad, de _Turkestanskia Wjedomostie_ (het Nieuws van Turkestan); en aan het weemoedig geroep van den moeëzzin paart zich het klokgelui der grieksche kerken, onverdragelijker voor de ooren van den waren geloovige dan de donder van het geschut. In de straten van datzelfde Bokhara, waar de schrijver dezer regelen, voor eenige jaren, slechts muzelmansche lofliederen hoorde, wandelen nu russische popen, kooplieden en soldaten, met al de fiere gerustheid van den overwinnaar. Een lazaret en magazijnen van levensmiddelen hebben de plaats ingenomen van dat weleer zoo prachtige paleis van Tamerlan, waar alle vorsten van Azië hem hunne hulde kwamen betuigen, waar zelfs de trotsche monarch van Spanje, door zijn gezant, om de vriendschap liet verzoeken van den grooten veroveraar; dat paleis, waar de Toeraniërs met eerbiedige geestdrift zich kwamen nederbuigen om met hunne voorhoofden den "Groenen Steen" aan te raken, het heilige voetstuk van den troon van Timoer!
Deze zegepraal der russische wapenen in Centraal-Azië heeft, naar ik meen, aan den Islam een zoo zwaren slag toegebracht, als hem, in zijn duizendjarige worsteling met het Kruis, wellicht nog nimmer getroffen heeft. In onzen tijd doet zich de machtige invloed der westersche beschaving in geheel het mohammedaansche Azië, van Konstantinopel tot den Indus, gevoelen: Mekka en Medina zelfs konden zich daaraan niet geheel onttrekken. Alleen Centraal-Azië was daarvan bevrijd gebleven, het heiligdom van het islamismus; daar had het ware geloof niet geleden door de goddelooze "nieuwigheden"; en in de schatting der echte Muzelmannen was niet Mekka, maar Bokhara de geestelijke hoofdstad van het islamisme. De asceet, de leden der godsdienstige orden, de godgeleerden, zij hielden allen hunne blikken op deze heilige stad gevestigd, en in hare scholen en moskeeën kwamen de ijverigste Muzelmannen van Turkije, Egypte, Fez en Marokko, nieuw voedsel zoeken voor hun geloof en hunne geestdrift. Het feit, dat deze zoo bij uitnemendheid heilige grond thans door de _kafirs_, de ongeloovigen, als heeren en meesters betreden wordt, heeft, in geheel de mohammedaansche wereld, de gemoederen ten diepste geschokt. De val van de "voornaamste zuil des geloofs"--zooals Bokhara genoemd werd--heeft een stofwolk doen opgaan, die voor langen tijd den hemel van den Islam verduisteren zal.
Met de inneming van Samarkand was evenwel de oorlog nog niet ten einde. Na de nederlaag van zijn leger, vlood de Emir in aller ijl naar Kermine. Zijn zoon, de vermoedelijke troonopvolger, Abd-Melik-Mirza, had zich reeds gedurende den slag uit de voeten gemaakt, en was in vliegenden ren naar Bokhara geijld; de schrik en ontzetting waren zoo groot en algemeen, dat de vreedzame inwoners van het district Mijankal hunne dorpen en gehuchten verlieten en naar de zijde van Andsjoï en Meimene de wijk namen.
De Russen van hun kant haastten zich, de op een heuvel gelegen citadel van Samarkand in weerbaren toestand te brengen; terwijl een deel van het leger den Emir achtervolgde, en eene andere afdeeling de steden op den weg van Samarkand naar Bokkara onderwierp.
Het korps van den generaal-majoor Golowatscheff, bestaande uit veertig kompagnieën infanterie, drie sotnias Kozakken, met acht kanonnen, verscheen eerst voor de versterkte stad Ketto-Koergane. Deze stad, waarvan de naam _groote vesting_ beteekent, ligt aan den oever van de Ser-afschan; tijdens mijne reis had men mij van die stad als van eene onneembare vesting gesproken; en inderdaad waren de buitenwerken niet te verachten. Dat belette evenwel niet, dat de sterke bezetting de poorten voor het russische leger opende, zonder ook maar eene poging tot tegenstand te hebben beproefd.
Bij het vernemen dezer tijding scheen de Emir zijne laatste krachten te willen verzamelen; hij vestigde zijn hoofdkwartier te Mir, halverwege tusschen Kette-Koergane en Kermine, en liet door zijne ruiterij de russische voorposten tot onder de muren van Kette-Koergane verontrusten. Getergd door die speldeprikken, besloot de generaal Kaufmann eindelijk rechtstreeks naar Bokhara te marcheeren, en het oesbeeksche leger met éénen slag te vernietigen. Het schijnt dat de Emir en zijne raadslieden zich nog altijd illusiën maakten omtrent hunne wezenlijke macht, en nog altijd meenden, den ouden hoogen toon te kunnen voeren; tenzij de opgewonden geestdrift der fanatieke bevolking hen zelven noodzaakte te doen, wat zij liever hadden nagelaten. Hoe dit zij: zij waagden nog eens den strijd in het open veld.
De beide legers ontmoetten elkander te Serpoel, op hetzelfde slagveld, waar driehonderd-negen-en-zeventig jaren vroeger het lot van twee inlandsche dynastiën was beslist geworden. Ditmaal moest, zooals zich licht begrijpen laat, het huis der Mangiten onderdoen voor het huis van Romanoff; reeds dadelijk bij den aanvang van den slag, bestormden de Russen, met hunne gewone onverschrokkenheid, de hoogten ter wederzijde van den weg van Samarkand naar Bokhara, waarop het leger der Oesbeken zijne stellingen had ingenomen. De soldaten van den Emir hielden niet lang stand; hun terugtocht ging weldra over in eene wilde vlucht; eenige uren later was de weg van Kermine met hunne weggeworpen wapenen bezaaid.
Inmiddels had het kleine garnizoen, te Samarkand achtergelaten, een geduchten aanval te doorstaan gehad. Terwijl de generaal Kaufmann bezig was met het achtervolgen der troepen van den Emir, vielen de inwoners van Samarkand, die het europeesche leger zoo welwillend ontvangen hadden, met de Oesbeken van Khehri-Sebz, ten getale van omstreeks vijf-en-twintigduizend man, onverhoeds de citadel aan.
Het garnizoen van Samarkand werd gekommandeerd door den baron von Stempel; het was slechts zeshonderd vijf-en-tachtig man sterk, de zieken daaronder begrepen. Wie maar een voet verzetten kon, verliet het ziekbed; en deze handvol dapperen zwoer liever te zullen sterven dan zich over te geven.