Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 6

Chapter 63,743 wordsPublic domain

Die taal, in den mond van een geloovigen muzelman van Centraal-Azië, tegenover een ongeloovige, een Ourousse, verbaasde mij nog meer dan ons logies in de moskee. Ik had echter ook de bedoeling der laatste woorden van den ouden man begrepen, en gaf hem bij mijn vertrek een klein geschenk in geld, dat hij eerst scheen te willen weigeren, maar dat hij toch aannam, toen ik hem zeide dat het slechts _saliaou_ voor _saliaou_ (gave voor gave) was. Hij had mij dan ook als een vorst ontvangen, die brave aksacale. Hij had mij langs een tiental mannen geleid, die, met waskaarsen in de hand, onbewegelijk stonden, en allen iets aanboden, dat mijne excellentie van dienst kon zijn: de een een schotel met brood, een ander gestremde melk, een derde een kop met room, enz.; en mijne excellentie had zich deze buitengewone eerbewijzen zonder tegenspraak laten aanleunen.

Het dorp Oratepeh, waarheen wij ons nu begaven, ligt op omstreeks twintig kilometers van Kazym. Het was heldere maneschijn; men had mij gezegd dat deze landstreek, vooral in de nabijheid van het riviertje Ak-Soe, niet veilig was. Toen wij, langs eene zeer steile helling, naar den oever van dat riviertje waren afgedaald, bevonden wij ons in eene zeer diepe kloof: althans voor zooveel wij dit, bij de twijfelachtige verlichting door het fantastische schijnsel der maan, konden beoordeelen. Als naar gewoonte, had ik mij van mijne reisgezellen afgezonderd, om mij ongestoord aan mijne indrukken te kunnen overgeven.

"Wees voorzichtig, _tura_ (meester)," voegde mij een hunner toe, mij op zijde komende; "er zijn altijd _Karaka_ (roovers) in de kloven en dalen van de Ak-Soe."

"Wees gerust, vriend," antwoordde ik; "met hetgeen gij hier ziet--ik toonde hem mijn revolver--zal ik vijf Karaka neerschieten, eer de zesde mij iets kan doen."

Het bleek dan ook dat er niet veel reden tot ongerustheid bestond, want wij bespeurden hoegenaamd niets van de Karaka.

Wij gingen door verscheidene uitgedroogde beddingen van beken, die de inwoners hadden afgeleid voor de bevloeiing hunner landen, en kregen eindelijk het vlek Oratepeh in het gezicht, aan den voet van eene majestueuze rotsmassa, waarop eene moskee staat, tegenwoordig in eene kerk veranderd, en eene citadel, die de Russen in October 1866 stormenderhand vermeesterd hebben. Het voormalige paleis van den bey is thans eene herberg, waar ik een russisch hoofdofficier aantrof, met wien ik kennis aanknoopte. Natuurlijk was mijne eerste vraag naar zekere tijdingen van onze voorposten, waarnaar ik zoo verlangend uitzag: maar niemand kon mijne nieuwsgierigheid bevredigen. Van de karavanen, die het verkeer tusschen Khodsjend en Bokharije onderhouden, verneem ik in hoofdzaak het volgende. De Emir, eene nederlaag voorziende, had een volslagen breuk met Rusland willen vermijden, en de verstandige en bedaarde lieden in zijn land zijn het met hem eens; maar de massa des volks, door de mollahs opgehitst, eischt met groote onstuimigheid den verdelgingsoorlog tegen de ongeloovigen. Zij dringt aan op de afkondiging van den _gavazate_ (den heiligen krijg), en de vernietiging van alle Russen.

Oratepeh staat bekend als eene vroolijke en aangename plaats; het geniet ongeveer dezelfde reputatie als Sjiraz in Perzië en Karsji in Bokharije. Dans en muziek zijn hier zeer geliefd, zooals mij, tijdens mijn kort verblijf, overvloedig bleek; als ik door de straten wandelde, klonk mij van alle zijden muziek en regelmatig handgeklap in de ooren. Van de citadel heeft men een verrassend gezicht op de stad, hare bazars, hare fraaie tuinen, en de groene velden, die zich, in een wijden halven boog, tot aan den voet der bergen uitstrekken.

Zamine, waar wij nu aankwamen, ligt op een hoogen heuvel, van welks top men ten noorden en ten westen een onmetelijken horizon overziet. Zamine is een versterkt punt, maar als zoodanig van weinig belang; de bezetting bestaat uit dertig Kozakken. In het vlek bevindt zich eene kleine kolonie van Oesbeken.

Weinig dacht ik, toen ik te Zamine kwam, wat mij daar te wachten stond. De plaatskommandant, majoor L., deelde mij mede, dat ik, krachtens bevel van hooger hand, het vlek niet verlaten mocht.

"Het is mij uitdrukkelijk verboden," zeide hij, "iemand, wie dan ook, zonder behoorlijk geleide, door te laten gaan. Nu heb ik maar over dertig Kozakken te beschikken, en gij zult mij daar niet van willen berooven, niet waar? Ik zou dan geheel alleen mijne vesting moeten verdedigen."

Daar viel niets tegen te zeggen. Bovendien was ik niet de eenige, die aldus in zijn voornemen gedwarsboomd werd; er waren nog meer lotgenooten, evenals ik, tegen hun wil te Zamine opgehouden. De majoor troostte mij zoogoed mogelijk: ik zou niet lang hoeven te wachten; ik zou weldra kunnen vertrekken met een detachement, dat buskruit moest overbrengen en binnen kort te Zamine moest aankomen, aangezien het gelijk met mij van Oratepeh vertrokken was.

Mijn hospes is zeer voor mijne veiligheid beducht. Hij verzoekt mij ernstig, zeer voorzichtig te zijn, en mij vooral niet te ver buiten de stad te wagen: in den omtrek houden zich roovers op, die zelfs russische soldaten, op weinige schreden afstands van de citadel, hebben vermoord; het is dus zaak, zoo waakzaam mogelijk te zijn. Hij dringt er zelfs op aan, dat des nachts eene schildwacht voor de deur zal worden geplaatst, en hij bezorgt mij er twee, beiden Oesbeken. Op die wijze is althans zijne verantwoordelijkheid gedekt.

Een dezer schildwachten verhaalt mij de geschiedenis van de inneming der citadel van Zamine door de Russen.

"De soldaten van den blanken tsaar hebben zich des morgens, op het uur des gebeds, van de vesting meester gemaakt," zoo zegt hij.

"Gij hebt u zeker hardnekkig verdedigd, niet waar, zooals dat dapperen mannen past?"

"Neen zeker niet! Wij sliepen; wij werden eensklaps wakker geroepen; een plotselinge schrik maakte zich van allen meester; wij wisten niet recht wat wij deden, en de verwarring was algemeen."

"Maar verwachttet gij dan geen aanval van den vijand? De Russen gaan doorgaans recht op hun doel af."

"Jawel; maar hoewel de Russen reeds vele van onze vestingen genomen hadden, dachten wij toch niet dat zij ook de onze zouden kunnen vermeesteren: zij ligt op den top van een hoogen en steilen heuvel, en de bezetting was zoo talrijk! Zelfs had onze bevelhebber verklaard, dat ieder, die maar van overgave zou durven reppen, onmiddellijk het hoofd voor de voeten zou worden gelegd.

"Zoo? Ja, uw chef schijnt iemand met wien niet valt te gekscheren. Hij heeft zeker zijn leven duur verkocht?"

"Wat blieft? Hij was de eerste om te vluchten!"

Eindelijk, na verloop van eenige dagen, daagde het zoo lang en vurig verwachte konvooi op. Na een kort oponthoud te Zamine, vervolgde het detachement zijn marsch, waarbij wij ons nu aansloten. Het konvooi bestond uit een gewapend escorte, dat de kameelen beschermen moest, die met kruit en beschuit voor het leger beladen waren; verder eenige paarden en eene menigte handelaars en kooplui, voornamelijk Joden, die zien naar het leger begaven, om aan de soldaten brandewijn en allerlei andere zaken te verkoopen. De officier, met het kommando over dit detachement belast, beval mij dringend aan, mij niet van het escorte te verwijderen; naar men zeide was het land zeer onveilig door stroopende rooverbenden, die door sommigen wel op duizend man werden geschat. Ik hield mij overtuigd, dat die geruchten, zoo niet geheel valsch, dan toch minstens zeer overdreven waren, maar was verplicht mij aan het consigne te onderwerpen.

Wij gaan uiterst langzaam vooruit. Ik had den afstand tusschen Zamine en Dsjisak niet nauwkeurig berekend, en had de onvoorzichtigheid gehad eenigszins roekeloos met mijn voorraad levensmiddelen om te gaan. Weldra was die dan ook verteerd. Daar ik geen lust had honger te lijden, begaf ik mij, met mijn bediende Mohammed, naar een kamp van nomaden, waar onze verschijning, nog meer dan anders, eene algemeene ontsteltenis teweegbracht; de vrouwen en kinderen maakten zich haastig uit de voeten; men zag ons aan voor _sarbaz_, dat wil zeggen voor soldaten uit Bokhara, die wegens hunne ruwheid en woestheid in een zeer slechten reuk staan, en vreesde dus dat wij een bloedbad zouden aanrichten, of minstens het kamp plunderen. Gelukkig vonden wij een Oesbeke, een vriend der Russen, die ons van melk en uitmuntende koeken voorzag.

De uiterst langzame voortgang van ons konvooi begon mij te vervelen; ik vroeg een escorte van twee Kozakken; en de kolonne, die halt hield om te rusten, achterlatende, begaf ik mij op weg naar Dsjisak. Ter linkerhand verheffen zich de bergen van Djoelam, die zich aan de hoogten van Oratepeh en Zamine aansluiten. Naarmate wij Dsjisak naderen, vermenigvuldigen zich de aouls (dorpen) langs den weg, en wordt het op den weg steeds drukker en levendiger van lieden, die naar en van de stad gaan en komen.

Voor de poort der stad ontmoeten wij een grijsaard, met lange zilverwitte haren. Daar hier iedereen het hoofd kaal scheert, ben ik zeer nieuwsgierig om van dezen patriarch de reden te vernemen van deze zoo in het oog vallende afwijking van het algemeen gebruik. Hij deelde mij mede dat hij onderscheidene vrouwen heeft getrouwd, en ook veel dochters, maar geen enkelen zoon heeft; in zijne smart over dit gemis, had hij sinds lang de gelofte afgelegd, zijn hoofd niet te zullen scheren voor hem een zoon geboren was. Hij getroost zich, dusdoende, eene groote vernedering: want in dit land geldt het voor eene schande, geen zonen te hebben, en daar zijne lange haren natuurlijk de algemeene aandacht trekken, worden hem telkens vragen gedaan, die hem noodzaken zijne schande te openbaren.

Dsjisak is omgeven door een drievoudigen gordel van hooge en stevige muren, die niet van steen, maar van aarde zijn opgetrokken; bij de bestorming en inneming door de Russen, werd veel bloed vergoten. De verdedigers, soldaten van Bokhara, werden bijna allen tusschen de muren om het leven gebracht; naar het zeggen van ooggetuigen, lagen de lijken en de stervenden bij geheele hoopen op en over elkander. Dsjisak is geen groote stad; het water is er zeldzaam en slecht; en evenals te Bokhara, richt de afschuwelijke ziekte, _richta_ genoemd, ook hier groote verwoestingen aan. Deze ziekte ontstaat door een worm, die zich onder de huid verbergt, en niet dan met groote moeite verwijderd kan worden; die worm heeft dikwerf eene lengte van vijf-en-zeventig duim en meer.

Uit een hygiënisch oogpunt laat Dsjisak dus veel te wenschen over. Dat is dan ook de reden, waarom de Russen de citadel afbreken, en de steenen en verdere bouwmaterialen vervoeren naar de kolonie, die zij, op vier of vijf mijlen afstands van de stad, te Kloetsji, vestigen, in eene fraaie en gezonde streek, waar niet zooveel schorpioenen zijn als te Dsjisak, en waar het water overvloediger en beter is.

IX.

De weg van Dsjisak naar Jane-Koergane was niet veilig, en wij hadden geen geleide: maar toch werd het ons vergund, onze reis te vervolgen, op het gevaar af in vijandelijke handen te vallen.

Weldra bereikten wij de beroemde _Poorten van Tamerlan:_ een pas tusschen twee reusachtige rotsmassa's, ter wederzijde van een bochtigen, kronkelenden bergstroom, dien wij meer dan twintig malen moesten oversteken. Op een der rotswanden zagen wij een zeer regelmatig gebeiteld opschrift, in zeer fraaie en duidelijke letters: maar niemand onzer was bij machte dit opschrift te ontcijferen. Men verhaalde mij, dat deze inscriptie de plaats aanwees, waar de Oesbeken aan de Kiptsjaks slag leverden, waarbij het zoo heftig toeging, dat de beek rood werd van bloed.

Toen wij te Jane-Koergane kwamen, was het russische detachement, dat wij gehoopt hadden te zullen aantreffen, reeds vertrokken om naar Samarkand te marcheeren. Jane-Koergane is een open vlek, dat zijn naam, die een vesting aanduidt (_koergane_ beteekent in het turksch eene versterkte plaats) te danken heeft aan de vroegere muren, waarvan nu geen spoor is overgebleven. Het vlek ligt aan den uitgang van den pas der Poorten van Tamerlan. Wij zagen er een aantal ledige tenten; andere tenten waren opgevuld met koortslijders en andere zieke soldaten, die hier waren achtergebleven.

Ik brandde van verlangen om mij bij den troep te voegen, die zeker nog niet ver weg kon zijn. Maar wat zou ik doen? Ik kon alleen op mijn Kozak rekenen; was het geen onverantwoordelijke roekeloosheid, mij aldus, zonder behoorlijk geleide, midden in het vijandelijke land te wagen? Zou het niet beter zijn, althans vier of vijf moedige reismakkers op te zoeken, om gezamenlijk de kans te beproeven?

Deze gedachten vervulden mij, terwijl ik te paard de eenzame straten van Jane-Koergane doorreed. Eensklaps staat een bekende voor mij: de bediende van den koopman Gloudoff, een flink jonkman, die, evenals ik, naar eene gelegenheid zocht om het russische leger te bereiken, half uit liefhebberij half om zaken: drie zijner reizigers waren te Samarkand gevangen genomen en in den kerker geworpen; er was alle kans dat zij er het leven bij zouden inschieten. Gloudoff vreesde bovendien, dat, tegelijk met zijne bedienden, ook de niet onaanzienlijke sommen, die zij bij zich hadden, verloren zouden zijn.

"Wel, dat treft uitnemend," riep ik den bediende toe, zoodra ik hem gewaar werd. "Uw meester is zeker ook hier?"

"Ja, hij is in den bazar, waar hij mij wacht. Hij wil niet te Jane-Koergane blijven."

"Uitnemend, mijn vriend!" riep ik, en spoedde mij naar den bazar, waar ik Gloudoff vond.

"Ik hoor daar van uw bediende," zeide ik tot hem, "dat gij in dit vervelende nest van een Jane-Koergane niet langer wilt blijven. Gij wilt zeker, evenals ik, naar Samarkand gaan?"

"Ongetwijfeld."

"Zeergoed! Maar hoe zullen wij daar komen?"

"O, dat is zeer gemakkelijk. Wij zullen het konvooi volgen, dat kruit naar het leger brengt."

"Wat ik u bidden mag, reken niet op het konvooi, dat voor Jane-Koergane bestemd is en niet verder zal gaan. Zijt gij alleen?"

"Alleen? Ik heb een geheel leger bij mij: vier man, om u te dienen!"

"Ik heb drie man, dat maakt alzoo zeven: wij met ons beiden daarbij, dat is negen. Die macht is voldoende om een ganschen troep Bokhareezen in bedwang te houden! Laat ons dadelijk vertrekken!"

Wij spraken af dat wij over een uur vertrekken zouden. Ik deed haastig eenige inkoopen, en was prompt op mijn tijd ter plaatse, waar wij elkander zouden ontmoeten.

Zal ik het maar zeggen? Mijn voortreffelijke vriend Gloudoff had zijn tijd niet met heen en weer loopen verbeuzeld. Ik vond hem voor eenige ledige flesschen, meer dan half beschonken en haast niet meer in staat om naast zijn bediende in het rijtuig te blijven zitten. Inderdaad mijn vriend Gloudoff was een echte Rus!

Eindelijk zijn wij op weg. De officier, die mij tot Jane-Koergane begeleid heeft, beveelt mij de uiterste behoedzaamheid aan. De weg, zegt hij, is zeer onveilig door allerlei snood gespuis, dat zich hier in menigte ophoudt en tegen geen sluipmoord opziet. Overigens vernemen wij niet dan goede tijdingen; het detachement der voorhoede is de steenen brug, op ongeveer zeven-en-dertig kilometers afstand van Jane-Koergane, overgetrokken, en vervolgt zijn marsch naar Samarkand. Alles gaat naar wensch: de beslissing nadert; de ontmoeting der vijandelijke legers is aanstaande, en alles voorspelt ons de overwinning.

"Als dat zoo is, moeten wij ons haasten! Spoedig voorwaarts!" Wij zetten onze paarden in draf; niemand twijfelt er aan, of wij zullen nog vóór den nacht het detachement hebben ingehaald.

"Weet gij den weg?" vraag ik aan Gloudoff, die nog gansch niet op zijn dreef is.

"Den weg? Wel, dit is de weg."

"Ja wel. Maar ik bedoel de zijpaden, de hinderpalen van allerlei aard, die ons in de war kunnen brengen, de bochten, de duisternis; hebt ge daarop wel gedacht? Zullen wij het spoor der soldaten niet verliezen? Daar moeten wij op bedacht zijn. Wij hebben niet voortdurend de zon tot onze dienst."

"Wat praat ge toch van de zon en de duisternis? Het zal wel terecht komen."

"Maar als wij ons nu eens in den weg vergissen?"

"Wij zullen ons niet vergissen; en al gebeurde dat, wat dan nog? Wij zullen altijd ergens terecht komen, al was het maar te Samarkand. Ge hebt immers gezegd, dat wij met ons negenen zijn? Wij zullen de stad bestormen, en daarmede is het uit. Zoo zie ik de zaak in."

"Ja, gij begrijpt dat zeer goed. _Audaces fortuna juvat_, zegt het spreekwoord; en als dat waar is, zullen wij ongetwijfeld Samarkand veroveren; of liever gij zult dat doen, gij alleen, dappere Gloudoff!"

Onze kleine karavaan was nog niet ver buiten Jane-Koergane, en Gloudoff had nog altijd den mond vol van de aanstaande verovering van Samarkand, toen een Kozak ons in vollen galop achterop kwam.

"Uwe Edelheid, zeide hij tot mij, de kommandant der vesting gelast u, onmiddellijk terugtekeeren. De gouverneur-generaal heeft ten stelligste verboden, iemand, wie ook, door te laten."

Tegenpruttelen hielp niet: wij moesten gehoorzamen. Gloudoff begreep niets van hetgeen er gebeurde; hij zweert dat honderd duizend man hem niet zullen tegenhouden, legt de zweep op zijne paarden, en rent in vliegende vaart door, achtervolgd door tien Kozakken. Weldra hadden zij hem ingehaald; zij grepen zijn paarden bij de teugels, en voerden hem naar de vesting terug.

"Alweer een oponthoud!" sprak ik bij mijzelf: "men zal Samarkand zonder u innemen. Gij zult geen veldslag zien, hoezeer ge er naar moogt verlangen!" Wij putten al onze welsprekendheid uit, om den kommandant te bewegen op zijn besluit terug te komen: maar er was geen vermurwen aan.

Wij wachtten een ganschen dag, zonder dat het konvooi, waarmede wij zouden mogen vertrekken, kwam opdagen; dat konvooi, hetwelk ammunitie moest overbrengen voor de troepen, die tegen Samarkand moesten ageeren, was, onder escorte van een bataillon infanterie, sinds lang van Tasjkend vertrokken.

Het konvooi verscheen niet; maar gaandeweg werd Jane-Koergane opgevuld met lieden, die, evenals wij, van ongeduld brandden om het russische leger te bereiken. Dit waren voornamelijk Joden, die brandewijn verkochten, en kirghisische en tartaarsche dsjiguiten; al te gader lieden van meer dan verdachte reputatie, vlammende op winst en voordeel, echte jakhalzen en hyena's, aangetrokken door de lijklucht. Zij wisten zeergoed, dat in oorlogstijd de niet al te onvoorzichtige schelmen gemakkelijk fortuin maken.

Wij hadden onze wagens en paarden vlak aan den weg naar Dsjisak geplaatst, zoodat allen, die van die zijde naar Jane-Koergane kwamen, ons kamp voorbij moesten. Ik hield alle voorbijgangers aan, en onderwierp hen aan een zoo scherp mogelijk verhoor.

Zoo werd mijne aandacht getrokken door een troep van vijf-en-twintig dsjiguiten, onder aanvoering van een zekeren Gassane, dien ik van vroeger kende. Dadelijk viel het mij in, dat deze ontmoeting ons gunstig zijn kon. Zoo wij ons bij deze vijf-en-twintig manschappen aansloten, zouden wij sterk genoeg zijn om, zonder groot gevaar, den tocht te kunnen ondernemen. Het gelukte mij, ook den kommandant hiervan te overtuigen, die ons bovendien nog een geleide van vijf-en-twintig soldaten medegaf.

Onze dsjiguiten waren slecht gewapend; de een had een half onbruikbaren sabel, een ander een pistool, een derde een geweer, dat voor den drager of voor zijn nevenman wel zoo gevaarlijk was als voor den vijand; maar daarentegen bezaten wij eenige uitnemende geweren en revolvers. Met inbegrip van eenige officieren, die naar hun regiment gingen, waren wij te zamen zestig man sterk: toch geen al te talrijke macht om zich te verdedigen tegen de tweeduizend en zooveel honderd bandieten, die, volgens de laatste berichten, door den omtrek zwierven.

Wij kwamen overeen, dat wij des nachts ten drie uur zouden vertrekken, en dat wij geen enkelen Sarthe zouden medenemen, omdat zij, als het er op aan mocht komen, niet te vertrouwen waren. Wij vertrokken inderdaad, zeer vroeg in den morgen, na een zeer onrustigen nacht, want nauwelijks waren wij ingeslapen of een geweerschot deed ons allen wakker schrikken. Vlak bij ons stonden eenige schildwachten op post: een daarvan had, naar hij zeide, geschoten op een man, die zich in de struiken wilde verbergen. Een Kozak kwam in galop aanrennen: hij kwam uit naam van den kommandant, om te vernemen wat er gaande was; daarop werden door een patrouille de aangewezen struiken en de gansche omtrek van het kamp zorgvuldig onderzocht; maar het was onmogelijk, den man te ontdekken, dien de schildwacht beweerde gezien te hebben. Al deze beweging maakte dat ik den slaap niet vatten kon; ik werd telkens wakker, en zag dan steeds mijn trouwen Mohammed, die, met het geweer in de hand, de wacht bij ons hield.

Gloudoff, aan onze afspraak indachtig, wilde geen Sarthen in ons gezelschap dulden; hij ontdekte er verscheidenen, die zich achter bij onze kolonne hadden aangesloten, en zond ze onbarmhartig weg. Maar zoodra hij, wel voldaan over zijn heldenstuk, weer in zijn rijtuig had plaats genomen om te gaan slapen, kwamen al de verdreven Sarthen weer zoetjes aan terug, en vervolgden kalmpjes hun weg achter onze karavaan. Zij waren niet de eenigen; langzamerhand zagen wij, als kwamen ze uit den grond, allerlei soort van lieden opdagen, op ezels gezeten, en koeien en schapen voor zich uit drijvende. Die nieuwe reismakkers, die zich geheel uit eigen beweging en zonder vergunning te vragen bij ons aansloten, vormden een langen trein, vertraagden onzen marsch en vervulden de lucht met wolken stof.

De weg was breed en effen. Ter linkerhand zag men lage bergen, waar zich geheele benden struikroovers ophielden, en daarachter een hooge bergketen, hier en daar met sneeuw bedekt. Van tijd tot tijd doet onze nadering arenden opvliegen, die zich met langzame, statige vlucht verwijderen.

De aouls (dorpen), waarlangs wij trekken, zijn ledig; de inwoners hebben de vlucht genomen: gewoon door hunne eigene soldaten uitgeplunderd en mishandeld te worden, meenen zij dat ook de russische troepen alles wegnemen, wat zij machtig kunnen worden. De eenzaamheid, die ons aan alle kanten omgeeft, boezemt ons van tijd tot tijd eenige ongerustheid in: zoo ontdekken wij, bij voorbeeld, plotseling, in de verte een troep ruiters. Is dat eene vijandelijke voorhoede? Zijn het spionnen? Onze lieden, blijkbaar niet op hun gemak, wijzen elkander die vreemde ruiters aan, en trachten ze te tellen.

Eindelijk bereikte onze karavaan de steenen brug, waarvan ik reeds gesproken heb, en die zeven-en-dertig mijlen van Jane-Koergane verwijderd is. Men had mij met zekeren ophef van die brug gesproken, als van een opmerkelijk kunstwerk, door een zeer goede fortificatie verdedigd. Het bleek eene ellendige brug te zijn, met geen andere verdedigingswerken dan een paar lage, gekanteelde aarden muren.

Aan den tegenoverliggenden oever, bespeurden wij, op eenigen afstand, wederom een tiental ruiters, die nu eens naderbij kwamen, en dan weer plotseling verdwenen. Waren zij vreedzame nomaden of dorpelingen, wier aandacht gewekt was door de stofwolken, die onze karavaan deed opgaan? Of behoorden zij tot eene bende bandieten?

In ieder geval was het wenschelijk, op onze hoede te zijn; wij zenden dus een onzer dsjiguiten op verkenning uit, terwijl wij bij de brug halt houden, op dezelfde plek, waar waarschijnlijk voor ons het russische detachement heeft vertoefd, want het gras is in het ronde geheel platgetreden.