Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 5
Ter wederzijde van de rivier ziet men moerassige velden, dicht met riet bewassen, alsmede uitmuntende klaverweiden. Deze laatste plant levert hier drie en meer oogsten per jaar op. Ook tarwe, gerst, rogge, erwten en vlas groeien hier uitnemend. De rijst zou hier evenzoo slagen: maar zij heeft overvloedige besproeiing noodig; daarom vindt men alleen in de streken, waar veel water is, bij voorbeeld in het dal van de Angrene, te Ilaou en te Khodsjend, belangrijke rijstvelden.
Hodjaguend, waar wij halt houden, is een groot dorp, door Sarthen bewoond. Toen wij onzen intocht hielden, waren de mannen bijna allen in het veld; de vrouwen stonden in de deur harer woning, tegelijk nieuwsgierig en schuw, want de verschijning van een _Ourousse_ (Rus) is geene alledaagsche zaak. Terwijl naar eene woning voor ons werd rondgezien, nam ik voorloopig mijn intrek in een tuin, waar het dorpshoofd mij kwam bezoeken. Hij beschouwde mij blijkbaar met groot wantrouwen, daar hij meende dat ik door de russische regeering gezonden was, om rekenschap te vragen van zekere verkeerde handelingen. Toen hij begreep dat dit niet het geval was, maakte zijn wantrouwen plaats voor verbazing, met zekere minachting gemengd. De Oosterlingen kunnen zich maar niet voorstellen, dat iemand louter voor zijn pleizier, om zich te onderrichten, gaat reizen; is de reiziger geen officiëel persoon, geen handelaar, kan hij geen bepaalde reden opgeven waarom hij reist, dan kunnen zij den indruk niet van zich weren dat eene andere min loffelijke oorzaak, die hij niet durft noemen, hem beweegt, zijn vaderland en familie te verlaten. Ook ik kon mijn aksacale niet aan het verstand brengen, dat ik geen ander doel had dan vreemde landen te leeren kennen: ik ben er zeker van, dat hij mij als een halven dwaas beschouwde.
De broeder van den aksacale verschafte mij eene goede woning met een stal, en eene ruime, met boomen beplantte binnenplaats. Deze woning lag aan een breed, maar niet diep kanaal, dat voornamelijk diende tot besproeiing der velden en om eenige molens in beweging te brengen; ter wederzijde is een rij huizen gebouwd, die door fraaie boomen worden overschaduwd. In deze straat bevindt zich de voornaamste der twee winkels, die in het dorp te vinden zijn; voor dien winkel verzamelen zich iederen avond de nieuwsgierigen van het vlek, om te praten, de nieuwtjes te vernemen en te spelen. Vooral op de dagen, als de bazar te Tsjinaze geopend is, heerscht hier des avonds eene bijzondere drukte. Niet ver van mijne woning staat een moskee, die niets bijzonder merkwaardigs heeft. Des morgens en des avonds is zij meest met landlieden gevuld, die er hunne gebeden komen opzeggen; de stedelingen zijn minder ijverig in het waarnemen hunner godsdienstplichten; de meer bejaarden onder hen bezoeken nog het trouwst het bedehuis.
VII.
Hodjaguend verlatende, volgden wij de oevers van de Sir, ter wederzijde omzoomd door uitgestrekte rietbosschen, de geliefkoosde verblijfplaatsen van fazanten en wilde ganzen. Het land is vrijgoed bebouwd: fraaie graanvelden, weelderig groene weilanden, en akkers met wilde slaapbollen beplant, trekken overal de blikken tot zich.
Weldra ontdekken wij zeer duidelijk de hooge oevers van de Angrene, eene kleine rivier, die zich hier in de Sir-Darja uitstort. Evenals alle andere rivieren in dit gedeelte van Centraal-Azië, is ook de Angrene, in den zomer en in het algemeen wanneer het niet of bijna niet regent, verdwenen: in die mate zelfs, dat, zooals het spreekwoord zegt, bij het begin van den herfst de kippen droogvoets door de rivier kunnen gaan. Maar in het voorjaar, als het hevig en lang achtereen regent, als de sneeuw op de bergen smelt, dan verandert het tooneel: de rivieren zwellen dan zoo, dat het dikwijls onmogelijk en altijd gevaarlijk is, ze over te steken. Nu moesten wij juist den volgenden dag de hoog opgezette Angrene overvaren.
Op de aanwijzing van onzen gids Bakisj verlieten wij den oever der rivier, en sloegen links af, bijkans onbegaanbare en onkenbare paden door het kreupelhout en de biezen volgende, en door onze verschijning gansche zwermen van eenden opjagende. De biezen werden eindelijk zoo hoog, dat zij tot boven den buik onzer paarden reikten; wij trokken maar altijd door deze wildernis voort; het werd donker, en ik bemerkte aan alles, dat onze gids zelf den weg niet meer wist. Bakisj begon te zingen, hield weder op, en zag rondom zich, voor zoover dat in de duisternis mogelijk was; hij moest nu eindelijk zelf erkennen dat wij verdwaald waren. Eensklaps kwamen wij aan eene kleine rivier, die echter niet de Angrene was. Ondanks de duisternis, stuurden wij onze paarden in het water, om eene waadbare plek te vinden: maar zij werden weldra door het water opgetild en moesten gaan zwemmen; wij vonden geen voorde. Het was onmogelijk de rivier over te steken; wij besloten dus den oever te volgen; maar eensklaps stuitten wij op een nieuwen hinderpaal: een gracht, zoo diep, dat ik huiverde bij de gedachte, in den donkeren nacht in dezen afgrond te moeten afdalen. Er schoot echter niets anders over. Onze paarden waren bang; sommigen gleden en struikelden; maar toch bereikten wij zonder ongeval de overzijde.
Wij sukkelden nu nog een poosje in de duisternis voort, toen wij gelukkig in de verte een licht zagen schemeren. Dit licht kwam uit de eenzame tent van een Kirghise, die ons den weg wees, welken wij te volgen hadden om een groot dorp aan den oever der Angrene te bereiken. Daar aangekomen, vonden wij onze reisgenooten, die van ons af waren geraakt, en nu reeds ons avondmaal hadden gereed gemaakt. Dit dorp was eene kolonie van Tamintzis, een volksstam, die zich voornamelijk in de omstreken van Tasjkend, Tsjinaze en Khodsjend heeft nedergezet, en zich op den landbouw toelegt. Onze komst bracht het gansche dorp in opschudding, en, evenals overal, zagen wij ons ook hier door een drom van nieuwsgierigen omringd. De verbazing kende geen grenzen toen mijne valiezen werden opengemaakt, en daaruit allerlei voorwerpen van dagelijksch gebruik te voorschijn kwamen, maar die deze eenvoudige lieden nimmer gezien hadden. Zij vroegen naar alles; kreten, uitroepen van bewondering, wonderlijke gebaren en sprongen--dit alles scheen nog maar half toereikende om hunne innige verbazing uit te drukken.
De zoolang gezochte Angrene vloeit vlak langs het dorp. Den volgenden morgen zullen wij haar in eene _sala_ oversteken. Een sala is een klein vlot van biezen vervaardigd.--"Wees niet bang," zeide men mij telkens; "onze sala is in goeden staat, en wij zullen u levend aan den anderen oever brengen."
Toen ik, den anderen morgen, die zoo hoog geprezen sala zag, liep mij eene rilling door de leden: het ding bestond uit eenige bossen riet, zoo slecht mogelijk saamgebonden. Ik liet nog eenige stevige halmen en rottingen aanbrengen; men bevestigde de sala met alle touwen, die ik beschikbaar kon stellen; eindelijk werd het meer dan broze vaartuig zooveel mogelijk vergroot, verzwaard en sterker gemaakt. De stroom was zeer sterk, de overtocht bepaald gevaarlijk; het gansche dorp was uitgeloopen, om te zien hoe het met den Ourousse en zijn gevolg zou gaan.
Eerst gingen twee Kirghisen, ieder met een paard, in den stroom; de paarden konden zich niet staande houden en werden met duizelingwekkende snelheid door den stroom medegevoerd; maar de Kirghisen, alleen met een korten broek gekleed, konden goed zwemmen en behielden hunne tegenwoordigheid van geest. Met de eene hand de manen, met de andere den teugel vasthoudende, stuurden zij hunne verschrikte rossen, met veel behendigheid, naar den linkeroever van de Angrene, en bereikten den vasten wal op ongeveer zestig el beneden het punt van uitgang. De proef was dus geleverd: de paarden konden de rivier oversteken. Nauwelijks hadden zij den oever bereikt, of de paarden, nog bevende van angst, moesten andermaal te water gaan; zij snoven, hinnikten, sidderden over al hun leden, en wierpen angstige blikken op de rivier; maar men liet hun geen tijd om tot zichzelven te komen; zij werden met den staart aan het vlot vastgebonden, en nu ging het voorwaarts! Twee mannen zwommen voor de paarden, vijf anderen rondom het vlot; de beesten zwoegden en snoven te midden van den stroom; de toeschouwers op den oever hielden den adem in. Ik volgde met angstige blikken mijne bagage, aan het broze vaartuig toevertrouwd. De sala vloog over het water, door den geweldigen stroom medegesleept; zij naderde den anderen oever, en de personen, die er op waren, klampten zich gelukkig aan dien oever vast, toen ik vreesde dat alles reddeloos verloren was. Het vlot keerde ledig terug; en nu werd ik, met het overige van mijn bagage, met behulp van minder vermoeide paarden, naar den overkant gebracht. De arme Kirghisen waren half dood van koude; zij verlangden naar wat brandewijn: het hinderde mij, dat ik hun slechts thee kon aanbieden.
Wij vervolgden nu onzen weg naar Boeka, dat wij vóór den nacht hoopten te bereiken. Het land is vlak en tamelijk wel bebouwd: aan den horizon verheffen zich eenige heuvelen, waarvan de hoogste den naam van Hanka draagt. Deze heuvel had een indrukwekkend voorkomen; ik wilde hem bezoeken. Rondom den heuvel lagen een aantal lagere hoogten verspreid, met gras begroeid, en zonder eenig spoor van gebouwen, behalve de eenzame graftombe van een _aouliëh_ (heilige), die op een dezer hoogten verrees en van verre de aandacht tot zich trok door een veelkleurigen lap, aan een langen stok bevestigd. Ik vermoed, dat hier eenmaal eene groote stad heeft gestaan, waarvan de citadel ongetwijfeld den hoogsten heuvel bekroonde; de top van dien heuvel vertoont nog een eigenaardigen vorm: hij is bijna vierkant en heeft steile, regelmatig afloopende randen. Ik vond niets dan eenige scherven en gebakken steenen.
Het begon reeds donker te worden, toen wij Boeka bereikten; wij gaan eenige smerige en nauwe straten door, tot wij voor een kleinen winkel komen, waar nog licht brandt. Daar de zoon van den aksacale ons had gezegd, dat zijn vader voor eenige dagen afwezig was, begaven wij ons naar de woning van den _biï_, voor wien ik een brief van aanbeveling had. Deze biï, letterlijk notabelen, vindt men in alle Kirghisen-dorpen; zij zijn belast met de handhaving der openbare orde en zijn tevens zooveel als vrederechters. Deze biï, een man van rijpen leeftijd, had een zeer eerwaardig voorkomen; hij was langen tijd aksacale van Boeka geweest, en was nu tot de waardigheid van biï opgeklommen.
Boeka is een aanzienlijk dorp, waarvan de aarden woningen tegen de helling van een vrij steilen berg zijn gebouwd. De inwoners zijn Kirghisen, die in voorkomen en levenswijze veel overeenkomst met de Sarthen hebben. Rondom het dorp strekken zich, tot op wijden afstand, rijstvelden uit, door kanalen doorsneden, en op dat oogenblik geheel onder water staande, zooals in de lente steeds het geval is. De landlieden, tot aan den gordel in het water staande, arbeiden daarom niet minder ijverig. De velden zijn in vierkante vakken verdeeld, die door kleine aarden wallen van elkander worden gescheiden. Elk dezer vakken staat, door eene kleine opening in den dijk, met een kanaal in gemeenschap. Is de bodem genoeg van water doortrokken, dan wordt dit gat weder met een paar kluiten aarde dichtgestopt. De kanalen, die hun water uit de Angrene ontvangen, zijn zeer vischrijk.
Op marktdag is het te Boeka zeer druk en levendig. De markt is aan alle kanten omringd door kleine winkels of kramen, die gedurende zes dagen gesloten zijn, maar des Maandags worden geopend. Dan stroomen de koopers en nog meer de bezoekers van alle zijden samen, om elkander te ontmoeten, de nieuwtjes te vernemen, hunne bekenden te spreken en ook zaken te doen. Zulk een marktdag levert inderdaad een zeer aardig en schilderachtig tooneel op, dat vooral voor een vreemdeling zeerveel aantrekkelijks heeft; ge vindt hier allerlei zaken bij elkander, die ge niet verwachten zoudt. Buiten den bazar of de eigenlijke markt, wordt de veemarkt gehouden, waar paarden, schapen, runderen, kameelen enz. worden verkocht. Deze markt is vooral merkwaardig, omdat hier koopers en verkoopers, mannen en vrouwen, allen zonder uitzondering te paard zitten.
Te Boeka vernam ik eene geheel onverwachte en gewichtige tijding: men zeide mij, dat de Emir van Bokhara te Samarkand was, en zich gereed maakte om tegen Rusland te oorlogen. Ik geloofde er niets van, en liet mij daarom bewegen om nog eenigen tijd te Boeka te blijven, en bij mijn vriend den aksacale, die van zijne reis was teruggekeerd, mijn intrek te nemen. Ik moest mij daar vergenoegen met een ellendig krot, bestaande uit twee armzalige kamers, waar de regen door het dak stroomde, en waar het wemelde van vleermuizen, duiven, zwaluwen en musschen. Mijn ongeloof werd weldra beschaamd. Toen ik eenigen tijd te Boeka vertoefd had, ontving ik een brief, waarin mij werd medegedeeld dat een veldtocht der Russen naar Bokhara op handen was. De oorlog alzoo, en wel in mijne onmiddellijke nabijheid, in het hart van Centraal-Azië! Ik kon aan de verzoeking om mede van den strijd getuige te zijn, geen weerstand bieden, en haastig verliet ik het dorp, waar ik mij voorgesteld had veel langer te zullen blijven. Na de gewone afscheidsgroeten, gaf ik mijn gastheer de gebruikelijke geschenken van spiegeltjes en andere soortgelijke voorwerpen. Het gerucht van den aanstaanden oorlog was reeds onder het volk doorgedrongen; en toen ik mijne woning te Boeka verliet, bespeurde ik duidelijk aan de houding en de gelaatstrekken der inwoners, dat zij mij als vijand beschouwden, en dat de ingewortelde haat jegens den christen en den overwinnaar weder, in al zijne kracht, bij hen wakker was geworden.
VIII.
Ik ben op weg om de russische voorposten op te zoeken. Voor reismakkers heb ik twee gewichtige personages: de _raïs_ en de biï van Toy-Tioubeh, de voornaamste stad van het district van Koeraminsk, ten zuiden van Tasjkend, op den weg naar Khodsjend. Wat een biï is, weet ge; de raïs is een soort van geestelijk ambtenaar. Beiden zijn mij aanbevolen door het districtshoofd van Koeraminsk, en zijn volkomen bereid mij te vergezellen, in de hoop van daarvoor eene ruime belooning te ontvangen. Bovendien zit de voorliefde voor een zwervend leven dezen lieden in het bloed. De raïs is lang en mager; hij draagt een grijzen baard, en geeft zich een zeker _air_ van vroomheid; de biï is klein en zeer gezet van postuur; zijn breed en plat gezicht wordt door zijne uitstekende wangbeenderen juist niet verfraaid. Moessa-Ben--zoo heet de biï--houdt er twee bedienden op na. Ik vraag hem, hoeveel hij aan die lieden betaalt; uit zijn antwoord bleek mij, dat de betrekking tusschen meester en dienaar, hier in dit land, nog aartsvaderlijk eenvoudig is.
"Gij ziet," zeide de biï, "dien ouden man, op dat magere paard, met mijn bagage; hij dient mij sedert vijf jaren; ik heb hem iets gegeven bij zijn huwelijk, en van tijd tot tijd help ik hem, naar mij dit gelegen komt."
Weldra vergisten wij ons in den weg, en het kostte ons niet geringe moeite, om de noodige inlichtingen te bekomen. In het eerste dorp, waar wij naar den rechten weg vroegen, wilde men ons eerst niet te woord staan; maar toen de raïs en Moessa-Ben ten ernstigste verzekerden, dat ik een groot heer was, veranderde de stemming, en had men eindelijk zelfs de beleefdheid mij een kop _gatijsh_ (gestremde melk) en een koek aan te bieden. Het geldstuk, dat ik in ruil gaf, ging van hand tot hand, den ganschen kring rond.
Het smalle pad, dat wij nu volgden, loopt door prachtige weilanden, waar nimmer de maaiers de zeissen doen gaan, want het vee is schaars in dit land. Bloemen, van allerlei kleur en geur, versieren het onmetelijke groene tapeet, dat zich naar alle zijden, zoover wij zien kunnen, uitstrekt, en dat slechts hier en daar door enkele helder gekleurde woningen wordt afgebroken.--Wij waren ver van de steppen; en toch deden enkele tooneelen ons aan de steppen denken: nu eens uitgedroogde rivierbeddingen, hoewel de Aprilmaand nog niet verstreken was; dan weder kameelen of schapen, door de velden rondzwervende, en letterlijk bedekt met raven, die, met groote behendigheid, de insecten vangen, welke zich in het dichte en kroesige haar van den kameel en in de wol van het schaap verschuilen.
Weldra bereiken wij een plek, waar de grond, met steile helling, afloopt naar eene oude bedding van de Sir-Darja, die tegenwoordig op korten afstand vloeit. Beneden gekomen, vinden wij een met kalk vermengden bodem, met zout en salpeter, in den vorm van zeer kleine kristallen, bezaaid; hier en daar verheffen zich in deze uitgedroogde bedding van de groote rivier boschjes van doornstruiken, die ook zoo veelvuldig langs hare oevers voorkomen. Wij trekken maar altijd voort, door het verlaten bed van de Sir-Darja. Hoe verder wij komen, hoe dichter de rietbosschen worden; elk oogenblik vliegen gansche zwermen eenden uit deze biezen op; maar mijne reismakkers beweren dat ook gevaarlijker gasten, tijgers en panthers, in deze jungles schuilen. Onze paarden kunnen niet dan met moeite voortkomen op dien weeken, salpeterachtigen grond, die onder hunne hoeven scheurt en splijt. Van tijd tot tijd jagen wij kleine wilde katten op, die dan met snelle en sierlijke beweging naar hun hol vlieden, waar zij een oogenblik aan den ingang stilhouden om ons aan te zien en dan ijlings te verdwijnen.
Wij gaan dicht langs de schilderachtige ruïnen van Kasj-Teguermen (de Twee-Molens), eene oude vesting, waarvan de wal vrijwel bewaard is gebleven, maar het inwendige geheel in puin ligt. De zon goot hare stralen met verblindenden glans uit over deze leemen vestingwerken, en kleurde van verre aan den horizon, aan gene zijde der breede rivier en der wijde vlakte, een schilderachtig gebergte, dat zich fier en stout in de lucht verhief.--De weg wordt steeds minder eenzaam. Ter wederzijde staan eene menigte torentjes en wachthuizen, zoowel om de vogels als om de dieven op een afstand te houden. Raïs verzekert mij dat deze torens en deze wachthuizen zijn gebouwd op de graven der gevallenen in den krijg; volgens hem, is het in Turkestan de gewoonte om de soldaten, die in den slag sneuvelen, langs den openbaren weg te begraven; dit geschiedt opdat de voorbijgangers voor hunne zielen zouden bidden.
Wij naderen Khodsjend; de weg is ter wederzijde omzoomd door tuinen, waar prachtige oude moerbezieboomen hunne schaduw spreiden; overal vertoonen zich de teekenen van zorgvuldige bebouwing. Khodsjend wordt door eene gracht en door een dubbelen gordel van goed onderhouden muren verdedigd; de binnenste muur is zeer hoog. De stad telt eene bevolking van ongeveer dertig duizend zielen, en is bekend door hare zijde, hare wijngaarden en hare tuinen. Over het algemeen maakt zij op den vreemdeling geen onaangenamen indruk. Van hare huizen, hare moskeeën en de graftomben der heiligen valt niets bijzonders te zeggen. De bazar kan de vergelijking met dien van Tasjkend in geen enkel opzicht doorstaan.
Het paleis van den voormaligen bey is tegenwoordig de woning van mijn vriend, den kolonel Kouchakewitch, den gouverneur van het district. Ongelukkig was hij juist afwezig; hij was op zijn rondreis, waar hij zich niet alleen van zijne administratieve plichten kwijt, maar die hij ook dienstbaar maakt aan de wetenschap: want de kolonel is een groot liefhebber der natuurlijke historie, die eene merkwaardige verzameling van vogels, insecten, slangen en meer andere dieren bezit; zijn tuin is eene ware menagerie in het klein.
Ik ontmoette te Khodsjend een mijner vroegere kennissen, die hier eene betrekking bekleedde. Hij zeide mij dat de tijding van den oorlog der Russen tegen Bokhara ook hier de gemoederen zeer in beweging had gebracht. De inwoners van Khodsjend, dweepzieke muzelmannen, en nog in geenen deele met de christelijke overheersching verzoend, hopen vurig, dat de dertig- of veertig duizend krijgers van den Emir van Bokhara korte metten zullen maken met die handvol vreemde indringers, die zich in het land genesteld hebben.--Mijn vriend deelt mij ook mede, wat aanleiding gegeven heeft tot den thans uitgebroken oorlog. De gouverneur-generaal van Centraal-Azië stond op het punt naar Petersburg te vertrekken, toen hij vernam dat een bende roovers uit Bokhara langs onze grenzen stroopte en alle gemeenschap belemmerde. De gouverneur stelde zijn vertrek uit, begaf zich naar de voorposten, nabij de stad Dsjisak, en gaf last, eene aanvallende beweging uit te voeren. Inmiddels hadden driehonderd Afghanen, die de keurbende van het leger van den Emir uitmaakten, zijne dienst verlaten, en waren, met hun opperhoofd en twee kanonnen, tot de Russen overgeloopen. Onder de leiding van dien aanvoerder, den prins Iskender-Khan, hadden zij de tot hunne vervolging afgezonden troepen verslagen, en waren in het kamp van Dsjisak gekomen, waar zij verklaarden dat zij voortaan niemand anders dan den Ak-Padisjâ, den witten tsaar, wilden dienen.--Ik zou dus ook in de gelegenheid zijn, kennis te maken met de Afghanen, dat merkwaardig en hooghartig volk, dat zoo schitterende bewijzen van zijn onbedwingbaren heldenmoed en zijne vrijheidsliefde gegeven heeft, in den bloedigen worstelstrijd tegen het machtige Engeland. Een reden te meer, om zoo spoedig mogelijk onze troepen te bereiken en met hen naar Bokhara te trekken! Men zeide mij dat ik geen oogenblik meer te verliezen had; ik nam dus haastig afscheid van mijne vrienden te Khodsjend, na hun mede een aandeel te hebben beloofd van de merkwaardigheden, die wij in het paleis van den Emir zouden vinden, indien wij overwinnaars waren. Maar geen enkele Rus twijfelde aan de zegepraal onzer wapenen.
Bij mijn overhaast vertrek van Khodsjend, waar ik gaarne langer had willen blijven, gaf ik mijn raïs zijn afscheid. De kolonel noopte mij, mijns ondanks, het geleide aan te nemen van drie Kozakken.
De drie Kozakken gingen niet verder mede dan tot Naou, een klein versterkt dorp, schilderachtig op een heuvel gelegen, en waar een klein detachement in bezetting lag. Ik beval hun naar Khodsjend terug te keeren, en vervolgde mijn weg tot aan het groote dorp Kazym, waar de aksacale ons een nachtverblijf aanwees in de moskee. Wij sloegen eerst ons kamp op in den voorhof en niet in het bedehuis zelf; maar de regen dwong ons, daarbinnen eene schuilplaats te zoeken. Het gebouw zag er armoedig en vervallen uit, en de bouwstijl was niet van dien aard, dat de bewondering daarvan ons lang uit den slaap behoefde te houden. De vensters waren met geolied papier beplakt; het dak werd gedragen door ruw behouwen balken; de platgetreden aarden vloer was met een vilten kleed bedekt; langs de wanden waren, ter manshoogte, een soort van kapstokken geslagen, waaraan de geloovigen, eer zij hun gebed verrichten, hunne schoenen ophangen.
Ik was ten hoogste verwonderd, dat het heiligdom aldus als herberg werd gebruikt. "Hoe," vroeg ik aan den aksacale, "hebt gij mij, een ongeloovige, zoo zonder bedenken, een verblijf kunnen aanwijzen in uwe moskee?"
"De huizen van Kazym zijn te onzindelijk voor u," antwoordde hij. "De moskee zal door uwe tegenwoordigheid niet meer ontwijd worden dan door die der doortrekkende kooplieden, die men er nu en dan herbergt. Bij het weggaan geven de gasten van het bedehuis een klein geschenk voor het heiligdom, en de moskee van Kazym vaart er wel bij."