Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 4
De Afghanen, gering in aantal, wonen bijna allen in een karavanserai, waar geen vreemden worden toegelaten. Zij zijn of kooplieden of smokkelaars, zeer dikwijls het een zoowel als het ander. Zij laten de in Centraal-Azië zoo geliefkoosde groene thee, over Hindostan uit China komen; en ondanks dien kolossalen omweg; leveren zij die gesmokkelde thee voor minder prijs dan de russische thee, die rechtstreeks over Kiachta wordt ingevoerd.
De Perzen munten in verstandelijke ontwikkeling boven alle tot dusver genoemde stammen uit. In de onafhankelijke khanaten bekleeden zij de hoogste en moeilijkste ambten, worden de gewichtigste zendingen aan hen vertrouwd. Vroeger slaven, zijn zij sedert de russische overheersching vrije mannen geworden. Te Tasjkend maken zij een zeer belangrijk bestanddeel der bevolking uit; hun aantal is vrij groot, en blijkbaar gevoelen zij zich in hun nieuw vaderland geheel te huis. Dit is te opmerkelijker, daar zij allen Sjîiten zijn, en dus, in den grond, de natuurlijke vijanden der muzelmannen van Centraal-Azië, die voor verreweg het grootste gedeelte tot de secte der Sonniten behooren. Dit verschil in belijdenis belet de Perzen evenwel niet, trouw de moskeeën te bezoeken. Wie zal zeggen, in hoeverre zij hierin oprecht zijn? Zeker is het, dat de Sarthen hen niet veel vertrouwen, en nog altijd de gezworen vijanden der Sonniten in hen zien. "Die honden van Sjîiten, zeide mij eens een inwoner van Tasjkend, komen in onze moskeeën, maar dat is om ons zand in de oogen te strooien. Tehuis gekomen, doen zij hun gebed nog eens over."
Arabieren vindt men zeer weinig te Tasjkend; in de andere steden van Centraal-Azië zijn er enkelen gevestigd, en in de omstreken van Samarkand vormen zij kleine koloniën. Voor zoover ik er over kan oordeelen, onderscheiden zij zich hier als elders door een sprekend gelaat, levendige en doordringende oogen, zware wenkbrauwen, en een fraaien baard.
Veel talrijker zijn de joden, die in een afzonderlijke wijk wonen. Hun getal groeit voortdurend aan: want de Joden, die te Bokhara en in de onafhankelijke khanaten worden onderdrukt, komen in russisch Turkestan een veiliger verblijfplaafs zoeken, op het gevaar af van hun hoofd te verliezen, indien zij op hunne vlucht betrapt worden. De joden van Tasjkend en in russisch Turkestan mogen zich dan ook wel gelukkig roemen, als zij hun toestand vergelijken met dien hunner geloofsgenooten in de andere landen van Centraal-Azië. Daar zijn zij, in hunne kleeding en hun openbaar leven, aan allerlei strenge bepalingen onderworpen. In sommige steden mogen zij niet dan op een ezel binnenkomen; in andere mogen zij slechts te voet gaan. Het is hun verboden, zijden of andere kostbare kleederen te dragen: hun gewaad moet van eenvoudig laken en steeds donkerkleurig zijn. Zij mogen geen anderen gordel hebben dan een koord, en geen ander hoofddeksel dan de _toppeh_, een kleine ronde muts of kapje, waarover zij des noods eene soort van bonten muts mogen dragen. Maar geen jood zou het zonder levensgevaar kunnen wagen, zich te versieren met een tulband, of zelfs zich het hoofd met een doek te omwikkelen. In russisch Turkestan zijn zij natuurlijk van al deze bepalingen ontslagen: daarom zijn zij te Tasjkend zoo trotsch; zij berijden fraai opgetuigde paarden, tooien zich met veelkleurige kleederen, en als zij een _tur_ (russisch heer) ontmoeten, beproeven zij het, hem op militaire wijs te groeten.
Voor de komst der Russen verkeerden de Hindoes te Tasjkend bijna in denzelfden toestand van vernedering als de kinderen Israëls. Zij zijn niet talrijk; maar wat zij in aantal missen, vergoeden zij door ijver en werkzaamheid. Deze Hindoes zijn de gruwelijkste woekeraars der wereld: een rente van twee- en driehonderd percent is voor hen eene kleinigheid. Zij zijn bijna allen zeer rijk, maar leven op een hoogst eenvoudigen voet, zonder vrouwen, in afzonderlijke karavanserais, waar zij ieder hunne eigene kamer, eene kleine donkere, maar zindelijke cel, hebben. Zij zijn uiterst matig, eten geen vleesch, drinken niets dan water, en bereiden zelven hunne spijzen, ook om verontreiniging door anderen dan geloofs- en standgenooten te voorkomen. Het zijn in den regel schoone, welgebouwde mannen, met een zielvol gelaat en eene edele gestalte. Wat hun karakter aangaat, zou ik hen liefst met de joden vergelijken. Echter met dit karakteristieke onderscheid. Zoodra er eenig gevaar dreigt, begraaft de Jood zijn geld en zijne kostbaarheden in den grond, en loopt weg, zonder zelfs een oogenblik om te zien. De Hindoe daarentegen gaat rustig op zijn koffer zitten, en blijft zijn narghileh rooken, al weet hij ook dat de dood hem wacht.
De Tsiganen of Heidens, die echte wereldburgers, zwerven ook, maar in kleinen getale, door russisch Turkestan. Die de Gitanos in Spanje of de Zigeuners in Hongarije en Polen gezien heeft, kent ook de Tsiganen van Centraal-Azië: ook hier leven zij van bedelarij en diefstal; en houden zich tevens met waarzeggerij bezig. Tegen de algemeene gewoonte in muzelmansche landen, gaan hunne vrouwen met onbedekt gelaat.
Ik mag dit overzicht der veelsoortige bevolkingen van Centraal-Azië niet eindigen, zonder met een enkel woord te spreken van de laatstaangekomenen, maar tevens de machtigsten: de Russen. Tot dusver is hun aantal gering; zij ontleenen hun overwicht aan den schrik hunner wapenen en aan de onbetwistbare meerderheid hunner europeesche beschaving boven de halve barbaarschheid der volksstammen van Centraal-Azië. Bijna alle hier gevestigde Russen zijn militairen, ambtenaren of kooplieden: de eigenlijke kolonisten zijn tot dusver in dit land niet verschenen. Toch naderen zij langzaam maar zeker, in de richting van de Sir-Darja, en het oogenblik is waarschijnlijk niet meer verre, waarop de landbouwers van zuidwestelijk Siberië ook de grenzen dezer nieuwe russische provincie zullen overschrijden.
Ongetwijfeld heeft de russische kolonisatie van Centraal-Azië met gewichtige bezwaren te kampen: het komt er vóór alles op aan, grondeigendom te verwerven, en de landen, die thans aan de inboorlingen behooren, in het bezit der Russen te doen overgaan: en dit is niet gemakkelijk. Toch, het koste wat het wil, moet deze kwestie worden opgelost, en wel zoo spoedig mogelijk. Dit is noodig: niet alleen in het belang van Rusland, maar vooral ook in het belang der inboorlingen zelven, die er niet dan bij zouden verliezen, indien zij weder onder het juk hunner vorige tirannen werden teruggebracht, en wanneer op nieuw die oneindige reeks van burgeroorlogen, geweldenarijen en gruweldaden begon, waaruit tot dusver de geschiedenis van Centraal-Azië was saamgeweven. Zonder eene ernstige en op breede schaal aangelegde kolonisatie, zal russisch Turkestan alleen in naam russisch zijn. Indien de regeering zich de zaak niet aantrekt, en niet zorgt de noodige gronden in hare macht te krijgen, waarop zich eene talrijke christelijke en beschaafde bevolking, nevens de barbaarsche muzelmansche stammen, vestigen kan, zullen wij langs de boorden van de Sir-Darja in dezelfde positie blijven verkeeren als de Engelschen in Hindostan: dat wil zeggen, dat wij ieder oogenblik aan het gevaar blootstaan, door een algemeenen opstand der inboorlingen verdreven te worden.
VI.
De bedelende derwisjen wonen meest bij elkander in zoogenaamde _kalenterkhanen_, bestaande uit een ruimen binnenhof met boomen beplant en door een beek besproeid; voorts uit een kleinen terp, die als bidplaats wordt gebruikt, en uit een armzalig, morsig gebouw. De bedelaars zitten of liggen doorgaans langs de muren of op het platte dak van dat gebouw: zij praten, rooken, drinken thee, of dommelen onder den invloed van den bedwelmenden _kouknar_. De bedelarij wordt in Centraal-Azië op uitgebreide schaal gedreven en is er zeer goed georganiseerd. De zeer talrijke gemeente der bedelaars vormt eene broederschap, aan welker hoofd een chef staat, die, naar men zegt, afstamt van den heilige, door wien de orde der _douvanis_ of _divanis_ (bedelaars) is ingesteld.
Herhaaldelijk heb ik gepoogd een bezoek af te leggen bij dien _tura_ (meester, heer) der bedelaars, die vrij wat beter is gelogeerd dan zijne onderdanen: maar nooit heb ik het geluk gehad hem tehuis te vinden: nu eens was hij te Tsjemkend, dan te Khodsjend, dan ergens anders. Als opperhoofd van alle douvanas van Turkestan, heeft de tura van Tasjkend weinig vrijen tijd: hij moet telkens zijn wijd uitgestrekt gebied doorreizen, om geschillen tusschen zijne onderhoorigen te beslechten en rekening en verantwoording te vorderen van hunne inkomsten en uitgaven: want iedere douvana is verplicht, hetgeen bij elken dag ontvangt, na aftrek van het volstrekt noodige, aan de kas der broederschap af te staan.
Ieder die wil kan douvana worden: hij heeft daartoe slechts een verzoek in te dienen bij den tura, en zich aan eenige formaliteiten te onderwerpen; hij zet een roode muts op van bijzonder fatsoen, aan den rand met schapenvacht omzoomd; slaat zich een gordel met een zekeren symbolischen steen versierd, om de lendenen, en voorziet zich van een nap, uit een halve kokosnoot vervaardigd, en waarin de douvana alles verzamelt, wat men goedvindt hem te geven. Het hoofdstuk zijner kleeding is de _halate_ of pij, die, volgens het voorschrift, uit lappen en snippers moet bestaan, en die er dikwijls, door de bonte mengeling van kleuren en stoffen, allerschilderachtigst uit kan zien. De douvana heeft twee halaten: een voor dagelijksch gebruik, die niet anders dan eene smerige lappendeken is; en de staatsie-halate, ook wel uit vodden en lappen vervaardigd, maar uit zindelijke, onverkleurde lappen, die hij in de bazars bijeen zoekt.
Reeds vroeg in den morgen verlaten de douvanas hunne kalenterkhane, verspreiden zich door de hun aangewezen wijken, en keeren eerst des avonds terug. Dan wordt de rekening van de ontvangst opgemaakt; men praat, rookt zeer sterke _nacha_, en drinkt thee of kouknar. Van dien laatsten drank behoeft men niet veel te gebruiken om het verstand te verliezen: men bedrinkt zich dus, en slaapt dan zijn roes uit, om den volgenden morgen weder van nieuws te beginnen. De douvanas kunnen zich soms bespottelijk aanstellen. Ge kunt u niet van lachen onthouden, wanneer ge tien of twintig groote kerels ziet, allen wonderlijk uitgedost, en op een eigenaardig zingenden toon, in koor, eene bede om een aalmoes uitgalmende. Daarbij steken zij hunne vingers in de ooren, buigen zich voorover en blazen zich--ik weet niet hoe--zoo op, dat het schijnt of zij barsten zullen.
Bijna alle douvanas zijn overgegeven dronkaards en opiumeters: drie of viermaal per dag, en dikwijls nog meer, gebruiken zij eenige koppen kouknar of doses opium. Ik ontmoette eens zulk een douvana opiumeter, meer een geraamte dan een levend wezen. Lang en uitgeteerd, met een vaalbleek geel gelaat, zag en hoorde hij ternauwernood wat om hem heen gebeurde. Mijne woorden klonken als een onbestemd geruisch in zijne ooren; zijne lippen bleven stijf op elkander gesloten. Eensklaps zag hij een balletje opium in mijne hand; zijn strak gelaat nam dadelijk eene vreemde uitdrukking aan; hij sperde zijne oogen wijd open, en sprong als een wild dier naar mij toe. "Geef hier, geef hier!" riep hij. Maar ik deed een paar stappen achteruit, en borg mijn opium weg; toen wrong de ongelukkige zich in allerlei bochten en vertrok zijn gelaat op afschuwelijke wijze. "Geef mij den _beng_ (opium), och! geef het mij", kermde hij op half gesmoorden toon. Eindelijk gaf ik hem een stukje: hij greep het met beide handen, ging tegen den muur zitten, en verslond in stilte en met blijkbaar welgevallen het noodlottige balletje. Het duurde niet lang of een vreemde, akelige glimlach vertrok al de spieren van zijn gelaat; hij sprak binnensmonds eenige onverstaanbare woorden zonder samenhang, en verviel weldra in eene soort van verrukking, nu en dan door stuiptrekkingen afgewisseld.
De kalenterkhanen zijn niet enkel bedelaarsdoelens, maar tevens eene soort van koffiehuizen en clubs. De opiumrooker, die tehuis aan zijn hartstocht niet kan of durft botvieren, gaat naar de kalenterkhane; de dronkaard komt er zijn kouknar drinken; anderen gaan er heen om er met hunne kennissen te praten, of de nieuwtjes van den dag te vernemen. Eens, op een vrij kouden dag, trad ik te Tasjkend zulk een kalenterkhane binnen. Nooit zal ik het schouwspel vergeten, dat ik daar zag. Al de douvanas opiumeters zaten, dicht tegen elkander gedrongen, op den vloer neergehurkt, tegen den muur, om zooveel mogelijk tegen de koude beschut te zijn. Velen hadden reeds hunne dosis vergif ingenomen: hun gezicht had eene uitdrukking van bestiale stompzinnigheid, hun mond was half geopend, en sommigen bewogen hunne lippen, alsof zij iets zeggen wilden. Anderen zaten met het hoofd tusschen de knieën, en snorkten luid, terwijl hunne spieren zich nu en dan samentrokken en geheel hun lichaam zich krampachtig bewoog.--De opium-eter is dadelijk kenbaar aan zijn slordig voorkomen, zijne onzekere, vreesachtige bewegingen, zijn doffen, starenden blik, zijn vervallen geel gelaat, zijne ziekelijke onaandoenlijkheid. De opium wordt niet alleen gegeten, maar ook gerookt. De rooker ligt op den grond, en zuigt door een lange pijp den damp in van een balletje opium, dat een ander met een tangetje voor den kop der pijp houdt. Naar men zegt, vervalt de rooker nog spoediger dan de opium-eter tot een soort van waanzinnige verdooving.
Geene andere stad in den Levant, die ik gezien heb, bezit een bazar, die in uitgestrektheid met den bazar van Tasjkend kan wedijveren. Wel zijn de winkels klein, maar hun aantal is legio: het schijnt wel of alle inwoners van Tasjkend winkeliers zijn. De bazar bestaat uit eene menigte straten, ter wederzijde omzoomd door houten winkels, kramen zoo ge wilt; die straten zijn nauw en bochtig, maar heerlijk koel, dank zij de matten, die over de geheele lengte, van den eenen winkel tot den anderen zijn uitgespannen en de zonnestralen keeren. Alle winkels gelijken op elkander; zij bevatten over het algemeen zeer weinig voorwerpen van waarde: den ganschen inboedel zou men al heel gauw voor honderd gulden kunnen koopen. De koopman, doorgaans tamelijk gezet van postuur, is voortdurend bezig, zichzelven of zijne koopwaar met een waaier af te koelen; hij zit, met de beenen onder het lijf, te babbelen, aardigheden te verkoopen, thee te drinken, de vliegen te verjagen: in één woord, hij schijnt zich met alles bezig te houden, uitgenomen met zijn handel. De klanten zijn dan ook zeldzaam, uitgezonderd de drie dagen in de week, dat de bazar ook voor de nomaden geopend is: des zondags, des woendags en des vrijdags. Aan de nomaden alleen is het te danken dat de handel zich staande houdt, en dat sommige voorwerpen, die de Europeanen nauwelijks de moeite waard zouden achten om op het vuur te gooien, nog altijd koopers vinden.
Op de koopdagen stroomen de landlieden uit den omtrek, de Kirghisen van de naburige kampementen, reeds in den vroegen morgen, naar den bazar. Ook de stedelingen begeven zich, bijna met het krieken van den dageraad, daarheen: zij komen niet om te koopen of te verkoopen, maar om te zien, om mede te wandelen met de menigte, om ook deel te nemen aan de standjes, en de nieuwtjes op te vangen. Onderweg wipt men even de moskee in om zijn morgengebed te doen; men blijft eenige oogenblikken luisteren naar een mollah, die de gaanden en komenden voor een poosje om zich verzamelt, hun iets uit de levens der heiligen voorleest, of een preek houdt, die bijna altijd tegen de _honden van kafirs_ (ongeloovigen), dat wil zeggen de christenen, gericht is. In den namiddag wordt het gedrang en gewoel, het geschreeuw en geroep en gejoel zoo sterk, dat in weinig europeesche steden iets dergelijks is te zien. Elk oogenblik loopt men gevaar, door een ezel omvergeloopen of door een kameel platgedrukt te worden.
De meeste ruimte wordt ingenomen door handelaars in stoffen: zij verkoopen voornamelijk russische mousselinen, en zijden en katoenen stoffen, te Kokhand of Bokhara vervaardigd. Volgens oostersch gebruik, zijn de kooplieden van hetzelfde gilde ook allen in dezelfde straat gevestigd: hier ziet ge de schoen- en zadelmakers en anderen die in leder en huiden handelen; ginds de tapijtverkoopers en de handelaars in vilt, die hier in voortreffelijke hoedanigheid en bewerking gevonden wordt. Eene andere straat wordt door de zijdeborduurders ingenomen. Het borduren van zijde heeft in dit gedeelte van Centraal-Azië den hoogsten trap van volmaaktheid bereikt, en dit kunstwerk is zeer goedkoop omdat de grondstof weinig kost en het arbeidsloon zeer gering is. De Europeaan, die voor de eerste maal zulk een zijdeborduurder ziet werken, weet niet wat het meest te bewonderen: de fraaie kleuren en de rijke prachtige patronen, of wel den fijnen smaak en de verwonderlijke behendigheid der werklieden.--De handelaars in vaatwerk kondigen zich reeds van verre aan door het voortdurend geklop en gehamer: want--dit vergat ik te zeggen--de meesten dier winkels zijn tevens werkplaatsen, waar de uitgestalde voorwerpen ook vervaardigd worden. Als handelstad heeft Tasjkend in het gansche land geen mededingster. Zij vormt het kruispunt van de voornaamste handelswegen van Centraal-Azië; de karavanen, die van Bokhara en Kokhand naar Rusland trekken of omgekeerd; nemen altijd haar weg over Tasjkend. Dit verkeer zal nog toenemen zoodra er geregelde betrekkingen zullen zijn aangeknoopt tusschen Rusland en Opper-Turkestan of Klein-Bokharije, dat zich aan het gezag van China heeft onttrokken, en dus voortaan zijne benoodigdheden van elders moet halen.
Een vroeger ook te Tasjkend bloeiende tak van handel, de slavenhandel, is sedert de vestiging der russische heerschappij vervallen. Die handel wordt echter nog steeds gedreven in de onafhankelijke khanaten van Turkestan, te Khiwa, te Bokhara, te Kokhand. Voor den noodigen voorraad van slaven zorgen de Turkomannen, door hunne herhaalde invallen in de perzische grensprovinciën: alle gevangenen, die tot de secte der Sjîiten behooren, worden door de roovers verkocht; de Sonniten daarentegen worden door de Turkomannen, hunne geloofsgenooten, ongemoeid gelaten. Is de razzia goed geslaagd, dan zijn de prijzen laag, en kan men een slaaf voor omstreeks vijftig gulden koopen. De slavinnen zijn veel zeldzamer en dus ook veel duurder dan de slaven, omdat de Turkomannen de eersten liefst voor zich zelf houden. Meermalen vernam ik van oude slaven, uit Perzië afkomstig, hoe zij als jeugdige knapen, door de Turkomannen werden geroofd, hetzij terwijl zij met hunne ouders of verwanten aan den veldarbeid waren, hetzij in het dorp zelf, ondanks de woede en smart der weerlooze bevolking. Dan werden zij, dikwijls vele dagreizen ver, onder allerlei ontberingen, naar de markt gevoerd, waar zij in handen vielen van een of anderen meester. Gelukkig nadert het einde van dezen snooden handel; zelfs in het nog niet aan Rusland onderworpen gedeelte van Turkestan wordt men angstvallig slaven te koopen, omdat men weet dat zoodra de Russen komen, alle slaven onmiddellijk in vrijheid worden gesteld.
Ook voor de vrouwen van Turkestan, die nu metterdaad evenzeer slavinnen zijn, al dragen zij niet dien naam, is, naar wij vertrouwen, een betere toekomst aanstaande. Haar tegenwoordige toestand is ellendig, nog beneden die harer zusters in Turkije en Perzië. Zij worden nog strenger bewaakt, nog angstvalliger van aller verkeer met de buitenwereld afgesloten, nog meer in haar werkkring beperkt. Reeds in de wieg worden zij aan een man verkocht, die haar tot vrouw neemt, als hare ontwikkeling, noch uit een moreel, noch uit een physiek oogpunt, voltooid mag heeten. Zoo komen zij nooit tot een eigen zelfstandig leven: want als zij den leeftijd hebben bereikt, waarop het verstand tot rijpheid komt, zijn zij reeds verouderd door de moederzorgen, en gebroken en verwelkt door harden arbeid. Is het wel te verwonderen, dat zij zich met niets anders weten bezig te houden dan met praatjes en intriges? Moge de russische invloed vooral hierin ten goede werken!
Toen ik Tasjkend verliet, was het feest van den _beïram_ in vollen gang. De straten wemelden van Sarthen, voor het meerendeel beschonken, hetzij door het onmatig gebruik van kouknar, hetzij omdat zij zich te buiten waren gegaan aan brandewijn, waarvan de ware geloovigen groote liefhebbers zijn. De menigte richtte hare schreden naar een boschje, op ongeveer een mijl afstands van de stad; de mannen hadden hunne fraaiste veelkleurige tsjapans aangetogen, de vrouwen hare mooiste mousselinen van russisch fabrikaat. Ons gezelschap bestond nu uit vier personen: als tolk had ik een gerussificeerden Tartaar van Kassimow, een edelman, misschien wel een prins: althans hij maakte aanspraak op den titel. Een ander Tartaar vervulde de rol van bediende; eindelijk had de gouverneur van Tasjkend mij nog een Kozak van Orenburg toegevoegd, die mij gedurende de geheele reis moest vergezellen. Wij waren behoorlijk van geweren en revolvers voorzien.
Wij slaan den weg in naar Tsjinaze, ten einde den overtocht over de rivier Tsjirdsjik te vermijden, die in dezen tijd des jaars, vanwege den hoogen stand des waters, niet zonder gevaar is. Het is heerlijk weder; een verrukkelijke lenteavond overstroomt het geheele landschap met een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid. Wij brengen den nacht door in het dorp Nogaï-Kourgane, waar wij onze tent, onder den blooten hemel, in de schaduw van prachtige boomen, opslaan. Den volgenden morgen zetten wij onze reis voort. Ik zal mijne lezers niet vermoeien met eene opsomming van alle bijzonderheden van dien tocht, en eene beschrijving van al de plaatsen waar wij halt hielden. De geheele landstreek vertoont overal hetzelfde karakter, en ook de dorpen gelijken allen op elkander. Wij brachten een kort bezoek aan de weinig beteekenende ruïnen van Iski-Tasjkend (Oud-Tasjkend) de voormalige hoofdstad des lands, en bereikten eenige dagen na ons vertrek van Tasjkend, de stad Tsjinaze, die eigenlijk niet veelmeer dan een dorp is.
Voor de komst der Russen was Tsjinaze eene plaats van zekere beteekenis; maar sedert de verovering hebben een aantal inwoners, met name kooplieden, de stad verlaten, om zich in het nieuwe Tsjinaze te gaan vestigen, op eenigen afstand, nabij de plaats waar de Tsjirdsjik in de Sir-Darja vloeit, gesticht. Oud-Tsjinaze heeft weinig aanlokkelijks voor den vreemdeling; maar een hevige orkaan, door geweldige stortregens gevolgd, dwong ons, er te blijven en te overnachten. Den volgenden morgen geleek de weg een modderpoel, waardoor met groote kracht sterke waterbeeken stroomden, die zich in de Tsjirdsjik gingen storten. Gelukkig is de afstand tusschen Oud- en Nieuw-Tsjinaze niet groot anders hadden wij waarschijnlijk onderweg onze paarden verloren. Op onzen weg daarheen zagen wij Kirghisen, met veldarbeid bezig, zich daarbij bedienende van werktuigen, die door hunne eenvoudige samenstelling nog aan de aartsvaderlijke tijden herinneren.
Nieuw-Tsjinaze ziet er niet veel bekoorlijker uit dan het oude: de citadel is klein, de huizen zijn laag, de boomen zeldzaam, hetgeen vreemd schijnt in de nabijheid van twee rivieren. De stad ligt echter te hoog, om het water, door middel van irrigatiekanalen, over het land te kunnen verspreiden; maar indien daardoor het bezit van tuinen en boomgaarden onmogelijk wordt, zoo tiert hier toch de wilg in grooten overvloed: en in Turkestan is geen enkele boom te versmaden.
Den volgenden morgen staken wij, in een ijzeren boot, de Tsjirdsjik over. Langs de steile oevers dezer smalle rivier zag ik verscheidene diepe gaten, die, zooals ik vernam, des winters den Kozakken tot verblijf dienen. "Maar, zeide ik tot den armen Kozak, die mij dit mededeelde, dat moet wel hard zijn, des winters in zulke holen te wonen!"
"Het is hard."
"En waar woont gij des zomers? In tenten?"
"Neen. In de open lucht."
"In de open lucht! En hoe maakt ge het dan bij regen en wind?"
"De regen maakt ons nat, maar de zon droogt ons weer."