Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 3

Chapter 33,758 wordsPublic domain

De afstand van Tsjemkend naar Tasjkend bedraagt slechts honderd-veertig wersten (honderd-een-en-twintig kilometers). Het eerste station ligt op eene hoogte, tusschen twee niet onaanzienlijke bergen; ge ziet hier de overblijfselen van een groot gebouw, dat, volgens sommigen, vroeger een school, volgens anderen, een karavanseraï, tevens vesting, was. Voor dit laatste gevoelen pleiten de schietgaten in den muur aan de wegzijde. Op dien weg is het levendig en druk genoeg. Voortdurend trekken karavanen heen en weer, die naar Tasjkend, Kokhand of Bokhara gaan, om handel te drijven; de geleiders; in den regel Kirghisen, laten zich achteloos heen en weder schommelen op hunne kameelen, terwijl zij hunne eentonige, weemoedige liederen neuriën. Verder ontmoet ge Sarthen, met hunne witte tulbanden en veelkeurige kaftans; ruiters, wagens, voetgangers, in bonte mengeling. Ter wederzijde van den weg zijn Kirghisen-koloniën gevestigd.

Eindelijk, als ge nog twintig mijlen hebt af te leggen eer ge te Tasjkend zijt, vertoonen zich reeds van verre de prachtige tuinen en gaarden, die deze hoofdstad van russisch Turkestan met een gordel van groen en bloemen omringen.

IV.

Wij trokken Tasjkend binnen langs een weg, ter wederzijde door een vaart begrensd, aan wier overzijde zich de heerlijke tuinen uitstrekken: een waar paradijs van vruchtboomen, met populieren en wijngaarden vermengd. Deze lusthoven omgeven de stad aan alle zijden, met uitzondering van eene enkele: die vanwaar het russische leger naderde, dat Tasjkend met storm innam. Daar zijn de tuinen vernield, de boomen uitgeroeid; en in de plaats daarvan verrijzen thans, in de russische wijk, de woningen der nieuwe veroveraars en heeren des lands.

De dag begon nauwelijks aan te lichten, de lucht was frisch en met welriekende geuren doortrokken, toen ik de russische wijk bereikte, na gedurende eenigen tijd langs den gekanteelden muur der stad te zijn voortgetrokken. Deze wijk, Nieuw-Tasjkend genaamd, heeft nette regelmatige straten; de welgebouwde huizen hebben slechts eene enkele verdieping en een plat dak. Ik stapte af aan het eenige hotel, dat destijds te Tasjkend te vinden was; en in dat hotel nam ik de eenige kamer, die niet was verhuurd: zij zag er zeer zindelijk uit. Het gebouw staat op een plein, waarvan het midden wordt ingenomen door de russische kerk; een der zijden door het onlangs gebouwde hotel van den gouverneur; en de andere zijden door de woningen der aristokratie van Tasjkend:--deze woningen waren toen nog in aanbouw.

Mijn eerste bezoek gold den generaal G..., militairen gouverneur van Sir-Darja. De generaal, dien ik reeds te Orenburg had leeren kennen, gaf mij dadelijk een aanbevelingsbrief voor majoor C... burgerlijk gezaghebber van Tasjkend. Ik besteeg een kozaksch paard, en door een soldaat geleid, toog ik op weg om den majoor op te zoeken.

De reiziger, die aan het voorkomen der steden van den Levant gewend is, vindt ook te Tasjkend niets bijzonders. Ook hier zijn het armelijke leemen woningen, met vensters van geolied papier; grauwe muren, nauwe en bochtige straten, waar de regen kuilen in den grond graaft, zoo diep, dat mijn paard er bijna tot aan de knieën inzinkt. De voornaamste straat der stad, die naar den bazar loopt, is ter wederzijde omzoomd door winkels, waar, onder uitstekende matten, de kooplieden in veelkleurigen rok nederzitten bij hunne waren, die zwart zien van de vliegen. Een levendige en luidruchtige menigte golft door elkander. Eindelijk zijn wij aan de woning van den majoor. Ik wenschte van hem een geschikten gids te bekomen, die mij de stad kon leeren kennen, met eenige personen in betrekking brengen, en die in een der inlandsche wijken eene woning voor mij kon huren.

Het plan was niet kwaad bedacht, maar de uitvoering had met groote moeilijkheden te kampen: de inboorlingen gevoelen weinig sympathie voor de Russen, en zijn er volstrekt niet op gesteld, hunne huizen voor hen beschikbaar te stellen. Eindelijk wist de _kourbach_ (politie-agent), dien de majoor mij had toegevoegd, toch een geschikte woning met binnenplaats en stal voor mij te vinden. Mijn huisje grensde bijna aan een muur der citadel; het stond in de wijk Kasjgarsky, aldus genaamd omdat zij voornamelijk placht bewoond te worden door lieden, van Kasjgar afkomstig. Ik zeg _placht:_ want dit gedeelte der stad is thans half verwoest en bijna ontvolkt, sedert de Kasjgaren en andere Oosterlingen, na den intocht der russische troepen, meerendeels de stad hebben verlaten. Ge bespeurt hier thans nauwelijks een teeken van leven, uitgenomen eenige gemeene kroegen, door oude afgedankte russische soldaten gehouden, en gelegen langs den weg, die naar het europeesche kwartier voert.

Mijn huisheer is niemand anders dan de aksacale der wijk. Dit saamgestelde turksche woord beteekent letterlijk grijsaard: _sacale_ (baard), _ak_ (wit); in de gewone oneigenlijke beteekenis wil het zooveel zeggen als overheidspersoon, gezaghebber, hoofd der politie. Mijn aksacale, een man van hoogen leeftijd, bezit werkelijk den zilver witten baard, waarop hij, krachtens zijn naam, recht heeft; zijn regelmatig gelaat mag nog aanspraak maken op schoonheid. Hij is uiterst beleefd, en maakt telkenmale, als hij groet, eene zeer diepe buiging; nooit zag ik hem zonder rozenkrans. Blijkbaar wil hij zich zooveel mogelijk een deftig en eerwaardig voorkomen geven.

Daar ik in mijn huis mijn eigen meester wilde zijn, liet ik de deur, die van mijn appartement toegang gaf naar het door den aksacale bewoonde gedeelte der woning, sluiten; ook liet ik den stal door een beschot in tweeën splitsen. Deze maatregel was dubbel noodig, omdat mijn huisheer, tengevolge van zijne betrekking, allerlei soort van lui bij zich moest ontvangen, die dikwijls rumoer genoeg maakten. Daarop liet ik mijne kamer zoogoed mogelijk schoonmaken, ik liet een groot venster in den muur aanbrengen en een kachel zetten, omdat ik niet, op de manier der Sarthen, mij met een bekken vol gloeiende kolen wilde behelpen. Door mijne binnenplaats liep eene tamelijk heldere beek, door een paar boomen overschaduwd; ik hield er een haan en een paar kippen op na; in mijn stal stond een klein kirghisisch paard, sterk en goed in 't vleesch, met dikken staart en zware manen. Ik was dus nu volkomen geïnstalleerd: het werd tijd, mijne studiën te beginnen.

Evenals in alle steden van Centraal-Azië, zijn ook te Tasjkend de huizen van leem gebouwd, die zich echter tot eene zoo vaste massa samenvoegt, dat de woningen eene groote mate van stevigheid bezitten, en in dit droge klimaat het zeerlang kunnen uithouden. Bij sterken en aanhoudenden regen krijgen zij het evenwel te kwaad: hier verliest er een het dak; ginds bezwijkt een der hoeken; bijna overal dringt het water in de benedenvertrekken door;--maar houdt de regen op, dan is de aangerichte schade ook in weinige uren hersteld. De aardbevingen, die hier vrij dikwijls voorkomen, richten erger verwoestingen aan: somwijlen worden dan gansche straten en wijken vernield.

Het hout is in dit land zoo duur, dat de inboorlingen, zelfs de rijksten onder hen, zich te gronde zouden richten, indien zij voor den bouw hunner huizen zich van steenen, in den oven gebakken, zouden willen bedienen. Wel heeft men steenkolenmijnen ontdekt, maar die steenkool is ook verre van goedkoop; en het is der moeite niet waard, de steenen in de zon te laten drogen, want de gekneede leem doet voor zulke steenen niet veel in stevigheid onder. Daarom is het niet waarschijnlijk dat de inboorlingen zeer spoedig het voorbeeld der Russen zullen volgen, die bij voorkeur gedroogde steenen gebruiken. De openbare gebouwen, zooals de moskeeën, de bazars, de karavanserais, worden doorgaans met in het vuur gebakken steenen gebouwd.

Het bouwen van huizen gaat hier nog gauwer in zijn werk dan bij ons. Men maakt eene soort van pap van aarde en _samane_ of fijngehakt stroo, en laat de daarvan gekneedde kluiten in de zon drogen. Inmiddels wordt het houten geraamte der woning in elkaar getimmerd en opgezet; dan wordt de ruimte tusschen de latten met droge kluiten gevuld, die door middel van slijk, met stroo vermengd, tot een geheel worden verbonden. Het dak bestaat uit een houten zoldering, met een laag aarde bedekt. De woningen der aanzienlijken hebben doorgaans twee verdiepingen, en onderscheiden zich daardoor van de huisjes der armen: nare krotten, zonder licht of lucht, walgelijk onrein, met nissen in den muur, vilten lappen en matten op den grond, een haard van klei in een hoek of in het midden der kamer. Van tafel of bed geen spoor. In den zomer kan men, desgevorderd, nog in deze spelonken leven; maar des winters is het er bijna niet uit te houden: de regen dringt door het dak, de wind fluit door de vermolmde balken en wanden, de koude dringt van alle zijden naar binnen, en de brandstof is zeer duur in Centraal-Azië.

De huizen der meer vermogenden zijn vrij wat beter ingericht. Langs de binnenplaats loopt eene breede, overdekte galerij, door fraaie houten zuilen gedragen. Gedurende drievierden van het jaar is deze galerij de verblijfplaats der familie, waar gegeten en gearbeid, gepraat en gerookt wordt. Onder de galerij komen de deuren uit van de verschillende kamers, die meestal zeer netjes zijn, en dikwijls met smaakvolle teekeningen langs de wanden en aan de zoldering versierd, waarvan het alleen jammer is dat de kleuren zoo schel zijn. In den muur zijn nissen aangebracht, die dikwerf in kleine kompartimenten zijn verdeeld. De houten vloer is met stukken vilt en tapijten bekleed; op sommige plaatsen bevinden zich diepe openingen, bestemd voor de dagelijksche reinigingen. Een groote vierkante opening dient om in het koude jaargetijde het kolenbekken daarin te plaatsen. Des winters plaatst men boven dien bak eene soort van tafel, die met kleeden wordt overdekt, welke tot op den grond afhangen, de kolen, dus eenigermate van de lucht afgesloten, verteeren langzamer, waardoor brandstof bespaard wordt. Is het koud, dan schaart zich de familie rondom deze tafel; ieder wikkelt zich zoo dicht mogelijk in de dikke gewatteerde kamerjapon, en steekt zijne handen onder het kleed, boven het kolenvuur.--In den laatsten tijd hebben eenige aanzienlijke inwoners van Tasjkend, in navolging der Russen, het traliewerk met geolied papier, dat bij wijze van venster diende, vervangen door wezenlijke vensters met glasruiten. Deze vensters zien echter allen op de binnenplaats uit; waarschijnlijk zullen er nog vele jaren moeten verloopen, eer de inboorlingen zich zoover emancipeeren, dat zij ook aan de straatzijde hunner woningen vensters maken.

Ik zal in geene uitvoerige beschrijving treden der moskeeën van Tasjkend, die allen van baksteen zijn gebouwd, enkelen uitgezonderd, die van leem zijn. Geen enkele is van gehouwen steen of uitsluitend van hout. In het algemeen bestaan zij uit eene groote zaal, aan drie zijden door eene breede, open galerij omgeven, die op houten zuilen rust, deels gebeeldhouwd, deels met marmeren ornamenten belegd. De muur en de zoldering der galerij zijn in den regel versierd met schilderwerk in sterk sprekende kleuren, somwijlen ook met beeldhouwwerk. Ik heb reeds gezegd, dat de geloovigen hun schoeisel in deze galerij laten staan, alvorens zij het bedehuis binnentreden.--Terwijl zij bidden, houden de ware geloovigen het gelaat gewend naar eene spits toeloopende nis, in den naar de zijde van Mekka gekeerden muur aangebracht. Alleen in de aanzienlijke moskeeën vindt men een predikstoel, die eenige treden boven den grond is verheven. Hoewel de muren zorgvuldig gewit zijn, is het in deze moskeeën, met hare weinige en zeer kleine vensters, toch tamelijk duister. De grond is bedekt met matten, vilten kleeden en witte katoenen lakens.

Dicht bij den bazar staat eene groote moskee met twee minarets, door een der laatste gouverneurs van Tasjkend gebouwd; een man, die zich aan schandelijke knevelarijen en afpersingen schuldig maakte, maar wiens naam toch in gezegend aandenken bij het volk is gebleven, dank zij de door hem gestichte scholen en moskeeën.

Ik sprak daar van scholen. Te Tasjkend, evenals in de andere steden van Centraal-Azië, vindt men de lagere scholen bij de kleine moskeeën; de scholen van hoogeren rang zijn of aan de groote moskeeën verbonden, of somwijlen in afzonderlijke gebouwen gevestigd. Als ik mij wel herinner, bezit Tasjkend zeven zulke hoogere scholen of _médressehs_, die door een zeker aantal _mollahs_, meesters, gehouden worden. Waaraan het deze inrichtingen het meest ontbreekt, dat zijn de leerlingen; zelden zag ik in eene médresseh meer dan tien knapen te gelijk bijeen; de meeste cellen van het ruime gebouw waren doorgaans ledig en gegrendeld.

De mollahs, ook de knapsten onder hen, weten bitter weinig, en dat weinige heeft nog niets te beduiden: het is louter conventioneele kennis, geheugenwerk. Als een mollah den Koran kan lezen en verklaren, en bekend is met de commentariën door eene menigte muzelmansche theologen over dit heilige boek geschreven, dan is hij voor zijn vak bekwaam. Hoe meer hij van den Koran van buiten kent, hoe beter hij de verschillende verklaringen onthouden heeft, des te grooter geleerde is hij. Het komt daarbij louter op geduld en geheugen aan; heeft men den eenen commentaar uitgelezen, dan begint men aan een ander, en zoo gaat het voort, tot in het oneindige, altijd in hetzelfde kringetje rond. Wetenschap, in den waren zin des woords, zelfs van de meest gewone soort, moet ge bij de onderwijzers evenmin zoeken als bij de leerlingen: hetgeen evenwel niet belet dat de mollahs een zeer hoogen dunk van zichzelven hebben, en ook door het publiek met eerbied worden aangestaard.

Ik herinner mij nog zeer goed het kleine manneke, dat ik in de voornaamste moskee ontmoette. Hij was een mollah en reeds tamelijk bejaard.

"Dat is," zoo werd mij verzekerd, de geleerdste man van de geheele stad; hij heeft al de mollahs van Tasjkend onderwezen.

"Dat is heel knap; maar wie heeft hemzelf onderwezen?"

"Zijn vader, en zijn vader heeft te Bokhara gestudeerd."

Mijn geleider sprak die laatste woorden op een plechtigen toon uit, tevens eene beweging met de hand naar het zuidwesten makende, alsof hij zeggen wilde: "Daar ginds, daar ligt het groote brandpunt van beschaving en wetenschap."--In Bokhara gestudeerd te hebben, geldt nog, door geheel Centraal-Azië, voor de hoogste aanbeveling: daar vloeit de onvervalschte bron der wetenschap, daar worden alle geheimenissen der tegenwoordige en toekomende wereld ontsluierd. Treurig overblijfsel van een sinds lang verbeurden roem!

Ik vroeg eens aan een geleerde van Tasjkend, wat hij alzoo onderwees.--"Alles", kreeg ik ten antwoord.--"Dat is veel. Maar zeker zijn er toch wel enkele vakken, waarin ge meer bepaald onderricht geeft?"--Zoodra ik mijn vraag gedaan had, berouwde het mij. De mollah begon nu op zijne vingers op te tellen, wat hij alzoo onderwees. Er kwam geen einde aan. Inderdaad, hij wist alles en kon alles leeren!

De lagere scholen zijn niets anders dan groote vertrekken, vol kleine kinderen. Reeds van verre herkent gij ze aan het gejoel en gegons. Op den grond geknield of neergehurkt, schommelen de kleine bengels rusteloos heen en weder, en herhalen achter elkander, op luiden, half zingenden toon, eene of andere vanbuiten geleerde zinsnede uit den Koran. Dat woelt en kruipt door elkaar, en schreeuwt en zingt en snatert, dat hooren en zien vergaat. De meester zit mede op den grond, gewapend met een lang dun riet, waarmede hij de ondeugendsten tot de orde roept, en de luiaards tot ijver aanspoort. Telkens daalt die rietstok op de handen of den rug van een of anderen kleinen deugniet neder; dan is het huilen en schreeuwen, tot de meester, met forsche stem, het zwijgen oplegt.

V.

Zelden zag ik eene zoo gemengde bevolking als te Tasjkend en in de andere steden der russische bezittingen in Centraal-Azië. Men vindt in Turkestan, Sarthen, Tadsjiken, Oesbeken, Kirghisen, Koeramas, Turkomannen, Nogaïs, Kasjgaren, Afghanen, Perzen, Arabieren, Joden, Hindoes, Tsiganen of Heidens, en eindelijk Russen. Over al deze volksstammen een enkel woord.

De Sarthen, die de groote meerderheid der gezeten bevolking van Tasjkend uitmaken, zijn, naar het mij voorkomt, geen afzonderlijk ras: ik houd ze voor eene vermenging van de Tadsjiken en de Oesbeken; in hun voorkomen en gelaatstrekken hebben zij iets van beide deze stammen. Steeds trof mij de sterke overeenkomst tusschen de Sarthen en de Joden. Dezelfde gelaatstype, dezelfde neigingen, hetzelfde karakter. Evenals de Jood, is de Sarthe schraapzuchtig en tuk op winst; als de Jood, houdt hij van schacheren en kleinhandel; als de Jood, kent hij, waar het zijn belang geldt, geen gemoeds- of gewetensbezwaren; als de Jood eindelijk, is hij kruipend en lafhartig.--Het woord Sarthe beteekent _kramer_, _schacheraar_; en getrouw aan hun naam, hebben de Sarthen zich meester gemaakt van den geheelen handel des lands, zoowel in de steden als bij de nomaden. Zij zijn het, die overal het hoogste woord voeren; onder voorwendsel van de wet des Profeten te verbreiden, laten zij de onwetende zonen der woestijn vier malen den prijs betalen der eerste levensbehoeften, die hij hun slijt. De eenige lichtzijde van het door en door vulgaire hebzuchtige karakter van den Sarthe, is zijne begeerte naar onderwijs, en een zekere geschiktheid om verbeteringen in te voeren. Maar wachten wij ons voor overdrijving: die meerdere leerzaamheid en vatbaarheid kan den Sarthe alleen toegekend worden in vergelijking met de andere muzelmannen van Centraal-Azië.

De Tadsjiken zijn zeer schoon van gelaat en voorkomen; zij danken dit aan hunne afkomst, daar hunne voorouders uit Perzië zijn gekomen. Zij spreken nog een perzisch dialect. Zij vormen als het ware de verstandelijke aristokratie van Turkestan, en ieder, die in Centraal-Azië aanspraak wil maken op beschaving en goede manieren, tracht zooveel mogelijk, in spraak, gewoonten en toon, de Tadsjiken na te bootsen.

De Oesbeken, in vroegere tijden waarschijnlijk door eene vermenging van verschillende rassen ontstaan, vormen thans eene eigene, gesloten nationaliteit. Zij hebben uitstekende wangbeenderen en eene groote physieke kracht, maar hun verstand gaat niet boven het middelmatige. Toch zijn zij de meesters en beheerschers van het land: zij zijn als het ware de krijgshaftige adel, en al de emirs en khans van Centraal-Azië zijn Oesbeken. Zij hebben het nomadenleven nog niet geheel vaarwel gezegd; velen hunner hebben zich nimmer in eene stad gevestigd, en zelfs onder de stadbewoners zijn er, die bijna het gansche jaar doorbrengen in tenten, rondom hunne woning opgeslagen. Geheel ongelijk hebben zij niet: ook zonder een Oesbeke te zijn, kan men, gedurende de ondragelijke hitte van den turkestanschen zomer, aan het verblijf in eene frissche tent de voorkeur geven boven dat in eene bedompte woning.

De Kirghisen zijn in een aantal stammen gesplitst. Ge herkent ze op het eerste gezicht aan hun karakteristiek voorkomen: kort ineengedrongen lichaam, breeden platten schedel, uitstekende wangbeenderen, smalle oogen, vooruitstekenden mond, korten platten neus, kleinen dunnen baard, donkerkleurige huid van alle schakeeringen tusschen de bruine tint van een Zuid-Europeër tot bijna koolzwart. Met hunne _iourten_ (tenten) zwerven zij over eene onmetelijke uitgestrektheid, in de Siberische steppen, in russisch Turkestan, in de khanaten van Khiwa en Bokhara. Hun gezamenlijk aantal bedraagt wellicht drie millioen zielen. Hun ware naam is niet Kirghisen, en wanneer men hen daarmede aanspreekt, antwoorden zij: "Wij zijn geen Kirghisen, wij zijn Kazaks." Zoo heeten zij dan ook inderdaad; doch daar de Russen hen steeds Kirghisen noemen, beginnen zij zich aan dien naam te gewennen, die misschien ontleend is aan een hunner stammen, de Kyrgz. Waarom juist deze kleine stam, verscholen in de reusachtige gebergte van Thian-Sjan, zijn naam heeft gegeven aan de volkerengroep, over het onafzienbare gebied van Siberië tot de Amoe-Darja, en van het Oeralgebergte tot de bergen van Thian-Sjan verspreid:--ziedaar eene vraag, waarop ik niet kan antwoorden.--Zooals men weet, splitsen de Kirghisen zich in drie hoofdgroepen of afdeelingen: de Groote-Horde, ten oosten, nabij de grenzen van Siberië en China; de Kleine-Horde (inderdaad de talrijkste) van het Oeralgebergte tot het meer Aral; en de Middelste Horde, tusschen de beide vorigen gevestigd. Eigenlijk behoort men hier nog eene vierde groep bij te voegen: de Binnen-Horde, die zich in 1812, in de destijds onbewoonde steppen van het gouvernement Astrakhan vestigde.--Alle Kirghisen zijn muzelmannen; maar zij nemen de wet van den Profeet alleen in zoover in acht, als deze strookt met hun ingewortelde vrijheidszucht en hun hartstocht voor roof en plundering, die hun eigenlijk levenselement is. Zij zijn immer op de loer, altijd speurende naar buit, voortdurend van de eene plaats naar de andere trekkende: alle soort van weelde of overdaad is hun dan ook vreemd. De tent van den Kirghise is eenvoudig in den hoogst mogelijken graad; hetzelfde geldt van zijne kleeding, en zijn voedsel is ellendig.

De Koeramas, die men in de stad Tasjkend en in de omstreken aantreft, zijn gesproten uit eene vermenging van arme Kirghisen, tot verschillende stammen behoorende, met de onvermogende inwoners der stad. Zij gaan door voor zeer bekrompen van verstand, indien al niet voor idioot. Het woord Koerama, dat letterlijk _vermengd_ beduidt, wordt te Tasjkend doorgaans in ongunstigen zin gebruikt: het is wel niet rechtstreeks een scheldwoord, maar geldt toch als een spotnaam. Eens liet ik mijn album aan een aanzienlijk ingezetene zien. Het portret van een Koerama, die trouwens een zeer kenbaar gelaat had, trof hem bovenmate: hij lachte overluid en riep, in de handen klappende: "Uitstekend! Dat is een echte Koerama!"--"Maar wat vindt gij dan toch zoo bijzonders aan de Koeramas?" vroeg ik hem.--"Eschaki:"--het zijn ezels--antwoordde hij droogweg.

De Turkomannen zijn zeer zeldzaam te Tasjkend, waar men hen bijna niet dan van hooren zeggen kent. De zeer weinigen, die ik hier ontmoette, hadden zoozeer de eigenaardige type van hun stam verloren, dat ik hen gerust met stilzwijgen kan voorbijgaan.

Veel talrijker zijn de Nogaïs, die tot het tartaarsche ras behooren. Zij zijn bijna allen uit het zuidoosten van Rusland of uit Siberië afkomstig: de een verliet het land om aan den kerker te ontkomen; een ander om zich aan de militaire dienst, zoo gehaat bij de muzelmannen, te onttrekken; een derde weer om een andere reden. Van nature met veel gezond verstand begaafd, en bovendien eenigszins ontwikkeld door de onvermijdelijke aanraking met de Europeanen in Rusland, weten de Nogaïs zich in Centraal-Azië uitnemend te vinden: vooral wanneer zij slim genoeg zijn om zich voor martelaars te doen doorgaan, ter wille van hun geloof uit hun vaderland verdreven. Diegenen onder hen, die de muzelmansche scholen van Kazan of eenige andere russisch-tartaarsche stad hebben bezocht, waar het onderwijs buiten kijf op hooger trap staat dan in Turkestan, brengen het gemakkelijk tot _moudariss_ (professor), en worden algemeen als geleerden geëerd. Daar de Nogaïs meestal in Rusland gewoond hebben, zijn zij zeer geschikt om als bemiddelaars en tusschenpersonen te dienen tusschen de veroveraars, wier taal zij spreken, en de inboorlingen, wier godsdienst zij belijden. Men moet hen echter niet te veel vertrouwen, want zij zijn niet bijzonder nauwgezet.

De Kashgaren te Tasjkend zijn, zooals hun naam aanduidt, afkomstig uit Klein-Bokharije of Opper-Turkestan, en vooral uit Kasjgar, de voornaamste stad dezer uitgestrekte landstreek. Meest allen zijn afstammelingen van uitgewekenen, die, hetzij in den loop der vorige eeuw, hetzij in de laatste jaren, Klein-Bokharije verlieten, vandaar verdreven door de gedurige oorlogen, die dat land teisterden. Vroeger waren zij echter hier veel talrijker dan tegenwoordig. Velen hunner hebben een echt chineesche type.