Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 2

Chapter 23,835 wordsPublic domain

Toch zouden de Kozakken, indien zij maar den vijand onverhoeds hadden aangetast, waarschijnlijk de zege hebben behaald; zij zouden hem althans hebben tegengehouden en van verder voortdringen afgeschrikt. Ongelukkig was het detachement niet genoeg op zijne hoede. Niet ver van het fort, zetten onze soldaten zich neder om hun eenvoudig maal van gort gereed te maken, terwijl een twintigtal hunner, ongewapend, de paarden naar de rivier leidden om te drinken. Eensklaps vertoonde zich de vijand, meer dan duizend man sterk, meer of minder goed gewapend; velen alleen met lansen en pieken. Sedert langen tijd had hij op zijne prooi geloerd. De Kirghisen wierpen zich op de twintig manschappen, die op weg waren naar de rivier: en binnen weinige oogenblikken waren genoegzaam allen vermoord. Twee of drie Kozakken echter wisten zich te redden. Een ander, door een tiental wilden achtervolgd, mikte, al vluchtende, nu op den een, dan op den ander, en daar de ruiters der steppen er vooral niet op gesteld zijn, den dood in de kaken te loopen, zou hij stellig ontkomen zijn, indien hij niet bij ongeluk zijn patronen had laten vallen; voor het laatst schoot hij nog eens zijn geweer af, en werd toen neergesabeld.

De vijftig mannen, die hunne gort kookten, waren getuigen van die slachting, maar konden hunne makkers niet te hulp komen. Plotseling overvallen, moesten zij in de eerste plaats op zelfverdediging bedacht zijn. Zoodra de vijand de andere slachtoffers had geveld, sloot hij ook hen van alle zijden in. Had hij zich aanstonds op hen geworpen, zonder hun den tijd te laten zich op tegenweer voor te bereiden, dan was er wel geen twijfel aan geweest of deze handvol Russen zou spoedig bezweken zijn. Maar in plaats van aan te vallen, begonnen de Kirghisen te overleggen wat te doen. De Kozakken grepen nu moed, en vingen aan hunne positie te versterken. Met spaden, stokken en hunne handen, groeven zij kuilen in den grond, waarin zij zich zoogoed mogelijk verborgen; sommigen zetten zich daarin neder, anderen stonden overeind, tot aan de borst of hooger gedekt. De uitgegraven aarde vormde een soort van wal, waaraan met behulp van zadels, en allerlei andere voorwerpen zooveel mogelijk stevigheid werd gegeven. De paarden waren verloren: de Kirghisen hadden ze allen opgevangen. Inmiddels viel de nacht en maakte een einde aan de vijandelijkheden.

Den volgenden morgen hervatten de zwervende zonen der steppe, onder het aanheffen van woeste kreten, den aanval. De Kozakken gingen spaarzaam om met hunne ammunitie: zij hadden slechts veertig patronen per hoofd, en moesten zoolang mogelijk volhouden. Zij lieten dus den vijand tot op korten afstand naderen, en losten dan hunne geweren op den saamgepakten hoop: na iedere décharge waren de rangen der Kirghisen gedund, en bleek de drift der aanvallers merkelijk bekoeld. Telkens weken zij in groote verwarring terug, hunne dooden medevoerende, wanneer zij daartoe den tijd hadden; maar des avonds lagen er nog velen hunner aan den voet van den lagen wal, waar het doodelijk lood hen getroffen had. Den volgenden morgen echter waren geene lijken te zien: de Kirghisen waren des nachts, stil en heimelijk, tot nabij den wal geslopen en hadden de lichamen hunner makkers weggevoerd.

Dit duurde alzoo drie dagen. Zonder spijs of drank, boden de Kozakken met onbezweken moed een hardnekkigen tegenstand. Eindelijk trokken de Kirghisen af. De Kozakken verbergden daarop hunne zadels in het zand, en keerden, meer dood dan levend, naar het fort terug. De manschappen, die op den weg naar de rivier waren gedood, werd het hoofd afgehouwen; en hoogstwaarschijnlijk werden deze bloedige tropeeën, als de teekenen eener schitterende overwinning op de russische legermacht behaald, voor de voeten van den emir van Bokhara gelegd.

Intusschen vervolgden wij onzen weg, en kwamen weldra aan de tent, die de plaats aanwijst, waar zich het veer over de Sir-Darja bevindt. Hier is ook eene wacht van Kozakken, om te beletten dat de Kirghisen steenen uit de puinen van Djanekent wegnemen. Met een groote pont werden wij over de Sir-Darja gezet, in gezelschap van eenige kameelen, die lang tegenspartelden eer zij in de schuit stapten, maar zich gedurende de overvaart zeer rustig hielden.

Op den linkeroever gekomen, bevonden wij ons voor de vestingwerken van Dsjan Kala, die nog vrijgoed in stand zijn gebleven. Zij bestaan in aarden wallen, tusschen de vier en vier-en-een-half el hoog, met eene gracht die nu gedempt is. Binnen die wallen is geen spoor van woning te zien. Ten zuidoosten, op een afstand van ongeveer zes kilometer van de rivier, ziet ge een grooten muur; een kilometer verder, verrijzen eenige heuvelen, sommige met gras en struiken bedekt, andere geopend en half afgegraven. Dat is het oude Djanekent. De Kirghisen hebben onderscheidene heuvels omgewoeld, ten einde zich meester te maken van de gebakken tichelsteenen, die daarin verborgen waren. Vreemd! Nu twee of drie jaar geleden, vermoedde niemand iets van de aanwezigheid dier steenen, bijna geheel in onbruik geraakt hier in dit land, waar alle huizen en gebouwen uit leem en aarde worden opgetrokken. Men zag wel hier en daar fragmenten van tichelsteen, maar niemand dacht er aan, dat een zoo groote overvloed dier steenen in de met gras begroeide heuvelen verborgen lag. Toch was bij de nomaden eene overlevering bewaard gebleven, die van het bestaan eener groote stad in dezen omtrek gewaagde; en dikwijls wezen zij den reiziger de eenzame heuvelen, de overblijfselen van eene ongelukkige stad, die door de slangen verwoest was. Volgens de traditie was deze stad eenmaal de zetel van de vorsten des lands. De laatste hunner had de dochter van een naburigen koning tot vrouw genomen; zij werd hem ontrouw, en de beleedigde echtgenoot doodde haar. De vader van het slachtoffer was een groot toovenaar. Om den dood zijner dochter te wreken, zond hij slangen naar de stad, die den koning en zijn volk verslonden. Men wees mij zelfs een heuvel, met dicht struikgewas begroeid, zeggende dat het daar nog van slangen wemelde. Later deed ik opgravingen in dien heuvel, maar vond geen spoor van eene enkele slang.

Zoodra het eenmaal was gebleken, dat hier een bijna onuitputtelijke voorraad tichelsteenen voorhanden was, begonnen de Kirghisen alles af te breken, en de steenen, die zij konden wegnemen, naar het fort te brengen. Particulieren, die zich eene woning bouwen wilden, kochten al deze steenen op. Zoo voortgaande, zouden de ruïnen weldra geheel verdwenen zijn. Maar nu kwam de regeering tusschenbeiden. Zij verbood dien handel, maar behield zich toch het recht voor, om zelf die materialen te gebruiken ten behoeve van de fortificatiën. Het is te hopen, dat zoo de opgravingen op groote schaal worden voortgezet, dit onder behoorlijke leiding en met de noodige voorzorgen zal geschieden.

Ik liet ook eenige opgravingen doen, en vond menschenbeenderen en beenderen van schapen, paarden en kameelen; voorts gebakken steenen, houtskool en eenige aarden potten, waaronder enkelen van inderdaad fraaie bewerking en met figuren versierd. Ik kon evenwel mijne nasporingen niet voortzetten, omdat het mij daartoe aan tijd en geld ontbrak. De Kirghisen toch voeren weinig uit, en dat weinige doen zij nog slecht. Bovendien begonnen zij, zoodra zij zagen dat ik belang in de zaak stelde, al zeer spoedig hunne eischen hooger te stellen, naarmate zij dieper moesten graven. Ter voorkoming van alle moeilijkheden, liet ik mijne opgravingen maar in den steek.

Gedurende mijn verblijf te Djanekent, bracht ik doorgaans den nacht in een naburig kamp door. De kibitka, waar mij deze gastvrijheid bewezen werd, behoorde aan een Kirghisen-familie, bestaande uit vader, moeder en twee dochters, eene van dertien en eene van negen jaren. Er was ook nog een volwassen zoon, maar dien ontmoette ik maar eenmaal in de vaderlijke tent. Hij woonde in het fort, en dreef ik weet niet meer welken handel, voor rekening van zijn vader.

De vader was een verstandig man, ruim veertig jaar oud, en in zijn voorkomen meer gelijkende op een Nogaï dan op een Kirghise. Hij was steeds gekleed in een wijden witten kamerjapon van kemelshaar, en droeg op het hoofd een zoogenaamden _toppé_. Als het koud was en hij op reis ging, dekte hij zich met een zeer hooge, smal toeloopende muts van schapenvacht.

De mama, gansch niet vrij van praatzucht en oud voor haar tijd, was eene echte vertegenwoordigster van de kirghisische type, platte neus, kleine oogen, uitstekende wangbeenderen. Zij droeg een wijden broek, met hooge laarzen daarover heen; een lang, grof, blauw hemd, en omwikkelde haar hoofd en hals met een stapel doeken.

De oudste dochter, die zelden sprak, was krachtig en welgevormd. Zij geleek veel op hare moeder, en ging ook evenzoo gekleed; alleen droeg zij aan de armen en om den hals armbanden en kettingen van glas en veelkleurige steentjes; hare koolzwarte in kleine vlechten opgemaakte haren waren gewikkeld in een schitterend rooden wollen doek.--Het jongste kind geleek op haar vader. Zij was grillig, maar zeer innemend, en speelde onbeschroomd met mij. Haar hoofd was kaal geschoren, met uitzondering van een krans van vlechten rondom het hoofd en eene dergelijke vlecht op de kruin.

Als ik, bij zonsondergang, in de kibitka trad, vond ik de familie doorgaans neergehurkt rondom het vuur, al knipoogende in de vlam en den rook starende. De moeder en de oudste dochter waren altijd aan den arbeid; de vader stookte met een kleine ijzeren staaf het vuur op, en gaf zijne bevelen. De vrouwen bereidden de soep of bakten koeken. De soep was zeer spoedig gereed: in een grooten ketel werd eene zekere hoeveelheid water geschonken, vervolgens gort en een weinig meel daaronder gemengd, en dan dat alles over het vuur gehangen tot het water kookte. Wat van den maaltijd overbleef, werd in eene houten terrine met een lederen bodem gedaan, en gedurende twee of drie dagen werd de soep nu koud gebruikt. Het bakken der koeken vorderde weinig meer omslag of tijd.

Om het koren te malen, gebruiken de Kirghisen een kleinen handmolen, bestaande uit twee platte, ronde steenen. In den bovensten steen is eene opening, met twee kleine dwarshoutjes voorzien, waardoor een spil gestoken wordt, die op den ondersten steen rust. Het koren wordt door de opening geworpen, waarna de bovenste steen door middel van een langen stok, rechthoekig aan de spil bevestigd, wordt rondgedraaid. Het meel dat aldus verkregen wordt, is met zemelen vermengd en tamelijk grof. In het geheele kamp, uit zeven of acht tenten bestaande, was geen andere molen te vinden dan die mijner gastvrouw; telkens kwam dan ook eene of andere buurvrouw om haar meel te malen, of den molen voor eenige oogenblikken te leenen.

Echter vermoed ik dat niet enkel de molen onze buren en buurvrouwen zoo telkens naar de tent lokte. Mijne tegenwoordigheid in de kibitka was zeker de voornaamste reden van deze drukke bezoeken. Zij wisten dat de kibitka, waar ik tijdelijk mijn intrek genomen had, groote en begeerlijke schatten bevatte: tabak en kruit voor de mannen; zeep, ringen, naalden, enz. voor de vrouwen. Eigenlijk golden de bezoeken dan ook niet zoozeer mijne gastvrouw en haar molen, maar veeleer mij zelf: het einde was dat het grootste gedeelte van mijn kleinen schat allengs in geschenken verloren ging.

De kibitka van mijn gastheer was versleten, maar wij hadden het er warm: het vuur op de stookplaats werd geen oogenblik uitgedoofd. De rook, die de gansche tent vervult, is echter voor iemand, die daaraan niet gewoon is, eene onuitstaanbare kwelling. De Kirghisen branden kameelenmest of struiken van de steppe, die zoo rauw, nauwelijks aan stukken gehakt, op den haard worden geworpen, en toch zeergoed branden. De zorg voor het vuur is doorgaans aan de kinderen opgedragen. De Kirghisen gaan met hunne kinderen geheel anders om dan wij: zij beknorren ze bijna nooit, en beschouwen ze eenigermate als volwassenen. Het kleine dartele ding in onze tent kon soms haar vader duchtig de les lezen. Was zij boos of kwaad gehumeurd, dan gaf men haar een koek, of beloofde haar eenig geschenk, om haar weer tevreden te stellen.

Op zekeren dag besteeg mijn Kirghise zijn kameel en toog op weg naar het fort, waar hij, volgens zijn zeggen, boter ging verkoopen. "Hij gaat geen boter verkoopen, verzekerde mij zijne echtgenoote; hij gaat zijne andere vrouw bezoeken, die te Kazale woont, en die de moeder is van den zoon, dien gij hier eens ontmoet hebt. Van de twee meisje is het eene, dat, zooals gij zegt, op mij gelijkt, een kind van mijn eersten echtgenoot; het jongste meisje is uit dit huwelijk. Toen mijn eerste echtgenoot, die de broeder was van mijn tegenwoordigen man, was gestorven, heeft deze mij tot zich genomen, met mijne dochters en al wat ik had; want ik was zeer rijk. Ik bezat driehonderd schapen, zes kameelen, een aantal paarden en vele wel voorziene koffers. Hij had niets; ik heb alles aangebracht, zelfs deze tent, die toen nieuw was en nu versleten is. Eene mijner dochters is gehuwd te Bokhara, eene andere te Khiwa; ik heb bij mijn eersten man zes dochters gehad. Ongelukkig werd mij nimmer een zoon geboren. Wie zou een zoon met een dochter kunnen vergelijken? Wat beteekent een meisje?" en dit zeggende spuwde zij met diepe verachting op den grond.

Zij voegde er bij, dat haar oudste dochter, dertien jaar oud, op het punt van trouwen stond. De losprijs was sedert lang betaald; zelfs was de bruidegom reeds verschenen om zijne bruid af te halen, voor wie hij, als huwelijksgift, een zeker aantal schapen en paarden had medegebracht; maar de vader van het jonge meisje had bovendien een kameel geëischt, en de jonkman was weder vertrokken, om dien kameel te gaan halen. "Wij zullen onze dochter op een fraaien kameel zetten, zeide de moeder; wij zullen haar mooi aankleeden, en met een sierlijk gewaad bedekken; ik zal zelf ook op een fraaien kameel gaan zitten, en mijn kind naar hare nieuwe woning geleiden."

De bruid was bij dit gesprek tegenwoordig. Zij was verstrooid van gedachten, en luisterde ternauwernood naar hetgeen gezegd werd, als ging het haar niet aan; achteloos vlocht zij koorden van kemelshaar om de tent mede vast te binden. Het jongste meisje, negen jaar oud, was verloofd aan een Kirghise van veertig jaar, die haar voor vier-en-zestig schapen en twee paarden gekocht had, en haar, na verloop van drie of vier jaren, tot zich zou nemen.

III.

Wij vervolgen onzen weg langs den oever der rivier. De breede stroom is bezaaid met eilanden en omzoomd met dichte rietbosschen; ter wederzijde van de steile oevers strekken zich de eindelooze steppen uit, waarop niets, zelfs geen doornstruik, groeit. Dikwijls brokkelen de hooge oevers af, en storten in; ook verandert de rivier telkens hare bedding; hare troebele wateren vlieten met snellen stroom. De Amoe-Darja vertoont, naar men mij zeide, geheel hetzelfde karakter, dat trouwens met de gansche gesteldheid der streek samenhangt; slechts zijn hare oevers beter bebouwd.

Nabij het fort Perowski bereiken de biezen eene zoo aanzienlijke hoogte, dat een kameel en een ruiter te paard daarin geheel verdwijnen. In deze reusachtige rietbosschen leven een aantal tijgers, die, naar men zegt, zeergroot en sterk zijn, en waarop zelden jacht wordt gemaakt. De kozakken alleen en de russische soldaten durven zich met deze dieren meten. Het russische gouvernement betaalt voor den kop van iederen gedooden tijger eene premie van zestig franken; de huid blijft het eigendom van den jager. Bijna altijd ontvlucht de tijger den mensch; maar wee den ongelukkige, die op hem geschoten en hem gemist heeft. Met een bliksemsnellen, geweldigen sprong werpt zich het woedende dier op zijn aanvaller, die zijne onhandigheid doorgaans met zijn leven boet. In deze biezen en rietbosschen huizen ook wilde zwijnen en wolven in groote getale.

Op zes of acht mijlen afstands van het fort Perowski, bij eene vrij sterke vorst, staken wij in eene ijzeren boot, die door Kozakken werd geroeid, de Sir-Darja over. Op den weg van de rivier naar het fort wordt het oog verkwikt door een weelderigen plantengroei; na de dorre naaktheid der steppe, is het ware weldaad, lommerrijke boomen weder te zien.--Het fort Perowski is het oude fort Ak-Metchet, in 1853 door den generaal Perowski met storm veroverd: vandaar de naam. Het vorige jaar had diezelfde generaal voor dat fort Ak-Metchet het hoofd gestooten. Toch was deze vesting niet geduchter dan alle anderen in Centraal-Azië: de fortificatiën bestonden eenvoudig uit ellendige aarden wallen; maar het fort werd toen verdedigd door Yakoub-Beg, dien soldaat van fortuin, die tegenwoordig te Kashgar regeert, in Opper-Turkestan, en een man is van zeldzame energie.

Voorbij het fort Perowski begint de weg te stijgen; tevens wordt hij zandig en moeilijk begaanbaar; de zware wagens hebben soms dagen lang werk om van het eene station naar het andere te komen. Zelfs mijn mandewagen, hoe licht ook, maakte het mijn vier paarden zoo lastig, dat zij somwijlen weigerden voort te gaan. Wat de koetsiers raasden en tierden en de zweepen gebruikten! De streek wordt al fraaier en fraaier: bloeiende eilanden verheffen zich te midden der wateren; langs de oevers worden de boomen steeds talrijker, zoodat zij groepen en boschjes gaan vormen. Overal vergezellen ons de fazanten, die in dit gedeelte der vallei van de Sir-Darja zeer talrijk zijn. Deze vogels zijn uiterst tam; als mijn rijtuig hun te nabij komt, vliegen zij even op, en strijken zes of zeven schreden verder weer neder.

Inmiddels naderen wij langzamerhand de stad Turkestan, reeds van verre kenbaar aan hare door grachten omgeven tuinen: een verkwikkend gezicht voor wie zoo pas de doodsche steppe verlaten heeft. Weldra onderscheidden wij de moskee van Hazrete, het groote heiligdom der orthodoxe muzelmannen van Centraal-Azië; eindelijk teekenen zich de kanteelen van den zwaren muur der citadel tegen de lucht af. Deze muur draagt nog de sporen der russische kanonkogels; aan zijn voet staan eenige kleine huizen, die bijkans geheel wegschuilen en tegenwoordig tot kazerne dienen voor de Kozakken. Turkestan gaf zich, in 1864, na eene korte verdediging van drie dagen, aan de russische troepen over.

De moskee van Hazrete werd, voor ongeveer vijfhonderd jaar, gesticht op het graf van een muzelmanschen heilige, Hazrete of Jassavy genoemd. Het is een fraai gebouw met sierlijke koepels; het prachtig gekleurde émailwerk, dat vroeger deze koepels en geheel den oostelijken muur versierde, is ongelukkig voor het grootste gedeelte afgevallen. Het inwendige, dat zijn licht alleen ontvangen moet door de smalle openingen in de koepels, is tamelijk duister. Eene hooge en smalle deur, met een tapijt behangen, voert naar het eigenlijke heiligdom, dat nog donkerder is dan de moskee. Te midden van dit heilige der heiligen verrijst de hooge graftombe van Hazrete, met rijk geborduurde tapijten behangen. De bodem der moskee is met zerken geplaveid: iets zeldzaams in Turkestan. In een der vertrekken van het gebouw ziet men nog eene groote koperen kuip, waarin, naar men zegt, vroeger het eten der pelgrims werd gekookt.

De Russen, in de stad Turkestan gevestigd houden geen verkeer met de inboorlingen, die, voor zoover ze geen nomaden zijn, onder den algemeenen naam van Sarthen begrepen worden; zij wonen in de citadel of in gehuurde woningen, waar zij zeer slecht gehuisvest zijn. Officieren en soldaten zijn al even weinig met het land ingenomen, en beklagen zich om het hardst over de duurte van allerlei onontbeerlijke zaken, over het klimaat, over de schorpioenen en de spinnen, over wat niet al.

De stad, ten zuidoosten van de citadel gelegen; gelijkt op alle andere inlandsche steden in deze streek; de huizen hebben geen vensters aan de straatzijde, zoodat het familieleven voor alle bespieding veilig is. Op aarden banken zitten Sarthen van allerlei leeftijd, ernstig en kalm met elkaar pratende. De vrouwen, die ge op straat ontmoet, zijn van het hoofd tot de voeten in eene soort van blauwen mantel gewikkeld, haar gelaat is bedekt met een zwart netje van paardehaar, zeer dicht gevlochten. Troepen bedelaars zwerven door de straten, of zitten op den grond, met klagelijke stem uw medelijden inroepende. Derwisjen spreken u om een aalmoes aan, en beloven u in ruil alle zegeningen des hemels; zij zien er zeer zonderling uit, met hun door de zon verbrand gelaat, hunne puntige mutsen, hun gescheurde kleederen; met hun bedelzak op den rug, den staf in de eene, de houten nap in de andere hand.

In den bazar te Turkestan zijn zoowel inlandsche koopwaren als voortbrengselen der russische nijverheid te krijgen. Men vindt er een aantal etablissementen, zooals onze restaurants, waar vooral thee en gebakjes verkocht worden. In de theehuizen zag ik, nevens groote russische _samovars_, ook trekpotten van inlandsch fabrikaat, die zich door hare fraaie vormen en zorgvuldige bewerking onderscheidden. Ik kon de verzoeking niet weerstaan, een dier trekpotten te koopen: zij kostte zestien franken, en was van koper vervaardigd; de ornamenten waren zoo fijn gegraveerd, dat zij bijna op kantwerk geleken.

Behalve de moskee van Hazrete heeft Turkestan geen enkel merkwaardig gebouw; de overige moskeeën onderscheiden zich van de gewone huizen alleen door hare grootte, hare netheid en soms ook door een kleinen koepel. Bij elke moskee behoort een met boomen beplanten voorhof, met waterbekken en eene overdekte galerij; de zoldering en de kroonlijst dezer galerij prijken met allerlei figuren, in sprekende kleuren en dikwijls niet zonder smaak geschilderd.

Evenals in alle oostersche steden, zijn ook in Turkestan de straten smal en donker; zij zijn bovendien van het eene einde tot het andere overspannen met zeildoek, dat de zonnestralen afkeert, en in de straten eene heerlijke koelte doet heerschen, waarbij iemand, die zoo pas de naakte en brandend heete steppe rondom de stad verlaten heeft, zich voelt herleven.

Tsjemkend, de eerstvolgende stad na Turkestan, ligt in een krans van tuinen, die haar bijna geheel voor het oog verbergen. Van verre ziet ge niets dan eene zee van groen, waarboven een schilderachtige heuvel oprijst, die op zijn kruin een half tot puin vervallen vesting draagt. De muren der citadel verheffen zich meer dan twintig el boven de omliggende straten. Toch was zij niet bestand tegen de Russen, die de sterkte stormenderhand veroverden, en in den roes der zegepraal de stad plunderden.

De straten van Tsjemkend zijn--vreemd schouwspel in Centraal-Azië--met grachten doorsneden, die gevoed worden door het van de naburige bergen afstroomende water. Over deze grachten liggen bruggetjes, die naar de deuren der verschillende huizen geleiden. Door de voordeur komt ge, eenigszins zijwaarts afslaande, op eene groote binnenplaats, met boomen, voornamelijk met populieren beplant, waarop de kamers uitkomen. Deze kamers hebben geen vensters; boven de deur is een klein traliewerk, met geolied papier beplakt. Is de deur gesloten, dan is het in de kamer bijna volslagen duister; maar daar het klimaat te Tsjemkend vrij zacht is, staan de deuren bijna altijd open; de inboorlingen brengen het grootste gedeelte van den dag onder het zeil voor de voordeur door. Het water der gracht wordt door buizen naar de binnenplaats der huizen geleid; dit water dient voor allerlei huiselijk gebruik en ook voor de keuken; vervolgens wordt het, een eind verder, weder naar de gracht teruggevoerd. Ik wil wel bekennen, dat ik te Tsjemkend soms met angstigen blik mijn thee aanzag: want, alvorens in de trekpot te komen, had het water waarschijnlijk een tiental huizen doorwandeld.....Bah! zeggen de muzelmannen, het water is niet vuil meer wanneer de onreinheden den tijd hebben gehad zich daarin zevenmaal om te keeren!