Van hoog en laag Het eerste levensboek

Chapter 7

Chapter 73,634 wordsPublic domain

Fons dankte haar met een ontroerden blik. Voor een seconde voelde hij zich haar gelijke. Zij had gegeven, hij gaf terug; hij kende ineens, ofschoon in bitterheid en smart, zijn waardigheid als mensch. Krampachtig wilde hij dàt althans vasthouden. Maar hoe kon hij! Het was een illusie, een glimpje in de duisternis, en meer niet. Zijn antwoord had hen tevreden gesteld, en, omdat zij tevreden waren, hadden zij ook geen behoefte verder in die richting door te gaan. De maatschappelijke kloof, die even tusschen hen was overbrugd geweest, lag alweer gapend open; en eensklaps voelde Fonske zich alleen staan, terwijl hij zich nog bij hen waande. Hun houding, hun laatste woorden, hun glimlach, hun beleefdheid zelve, alles zei hem óverduidelijk dat het onderhoud geëindigd was en hij nu heen mocht gaan. Niets begrepen zij van zijn lijden en smachtend verlangen; zijzelve, die zoo lief en aardig voor hem was, begreep ook in de verste verte niet dat hij één enkel oogenblik gelukkig was geweest en dat eenig moment met schrijnende hartstocht in zich wilde vasthouden; zij knikte en glimlachte hem banaal-vriendelijk toe, nog eens herhalend dat hij tijdig bericht zou ontvangen wanneer hij met het werk mocht beginnen; en eerst toen zij ten slotte zelve met haar aanstaande naar een deur week, begreep Fonske, dat het afgeloopen was en dat hij gaan kon.

Hij ging, de beenen flauw, het hoofd gebukt, als een slaapwandelaar in een naren droom. De zon daalde naar 't westen in oranje glorie en wierp in lange, dwarsche schim zijn droeve schaduw over 't gouden-groene gras wijd vóór hem uit. De lustige koewachtertjes, die reeds hun kudden samendreven, kwamen weer naar hem toegeloopen, om hem nu ook bij zijn terugkomst van 't kasteel nieuwsgierig te bekijken. En Fonske wenschte in zichzelf, dat hij ook nooit anders dan koewachter en veldarbeider was geworden. Al zijn makkertjes van vroeger: Feelke Brouwers, Rietje Koarelkes, Mielke Katoor, Dolfke van de Wiele, waar hij reeds maatschappelijk zooverre boven stond, leken hem nu allen toch zoo oneindig veel gelukkiger dan hijzelf was. Die dachten niet aan kasteeljonkvrouwen, die kenden geen andere ambitie dan door hun dagelijkschen arbeid aan den dagelijkschen kost te komen en waren gelukkig met de meisjes van hun stand, met Mietje Pruime, met Emeranske Casteel, met Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu.

Wat zouden ze gebulderd hebben van het spotlachen, als ze ook maar eventjes vermoed hadden, dat Fons verliefd was op de jonkvrouw van 't kasteel en dat hij ongelukkig was omdat ze met een ander trouwde!

Toen Fons over het water en al spoedig weer in 't dorpje was, voelde hij een onoverkomelijken afkeer om naar huis te gaan. 't Idee dat hij gewoonweg met zijn moeder nu zou moeten praten, dat zij hem zou uitvragen over zijn bezoek in het kasteel, of dat ze zijn onsteltenis zou merken en naar de oorzaak daarvan vorschen, 't was hem alles zóó onuitstaanbaar, dat hij maar dadelijk besloot vooreerst nog niet naar huis te gaan en liever in zijn eenzaamheid om 't even waar te dwalen.

Hij liep achter het kerkje om en sloeg een zandweg in, die naar de bosschen leidde. Weldra was hij in 't midden van de dennenwouden. De naglans van de zon, die nu gansch onder was, brandde nog in het verschiet met een dofrooden gloed tusschen de verre stammen en reeds spanden de lichtschommelende kruinen, die soms zuchtten onder een nauw-voelbaar briesje, zich tot een ondoordringbaar-somber nachtgewelf ineen. Die somberheid en stilte kalmeerden even 't heftige van Fonske's lijden. Een bittere weemoed kwam in hem op, en daar, in de heimvolle eenzaamheid, ontlastte hij zijn smart in tranen. O, wat voelde hij zich week, en zwak, en klein, tegenover de gebeurtenis die daar nu voor hem oprees als een muur, als een rots, als een onoverkomelijke almacht! Wat was hij gek en dom geweest; wat had hij zich onnoozel laten beetnemen door het ellendig gepraat en gezwets van zijn twee steedsche vrienden, die hem de ongerijmdste en onmogelijkste der hersenschimmen als een bereikbare werkelijkheid hadden voor oogen getooverd! Ellendelingen waren zij, en ellendeling was hij zelf, die ooit zoo iets onzinnigs als ernst had kunnen opnemen! Het arm koewachtertje van vroeger, dat was hij en dat bleef hij, en nooit, wat er ook gebeurde, kon het anders worden. Waarom had hij zelfs ooit geprobeerd om te schilderen? Waarom had ze zich ooit met hem bemoeid en getracht in hem een ambitie te ontwikkelen, die toch fataal op een mislukking moest uitloopen? Want mislukt was hij, dat voelde hij eerst nu, definitief, in al zijn schrijnende wreedheid. Dàt wat hij ook eens, tijdens een bezoek in het museum van oude schilderijen vóór het werk der groote meesters zoo scherp gevoeld had: zijn eigen onmacht, zijn eigen onvolmaaktheid, het vlijmend besef van alles wat hem nog, op zoo velerlei gebied, ontbrak, den afgrond, onoverschrijdbaar, die hem van die genieën scheidde; hij voelde 't nu nog oneindig veel scherper, hij voelde 't in zich als de ijzig-koude dood van al wat in hem groot en schoon en sterk was, omdat hem eensklaps 't eenige ontnomen werd, de grondslag, de basis, de lavende, heerlijke, opbeurende en hartstochtwekkende bron: de liefde, waaruit alles voort moest spruiten. Nu kon hij eensklaps niets meer, alles wat hij ooit beproefd had was mislukt, in verloren tijd en moeite; en die gedachte was het droevigste van alles: het deed hem plotseling in wanhoop vluchten, met walg en afschuw voor zichzelf, bijna als een misdadiger.

Hij verliet de benauwde stilte der bosschen, kwam weer in 't open veld, dwaalde daar doelloos rond, nauwelijks wetend waar hij liep.

De maan kwam op, groot, rond, dof-oranje over het zwartgroen der bosschen, als een zeldzaam wezen vol nieuwsgierigheid en droefheid, die met verlegen aangezicht schuchter komt kijken. Haar stille komst was in weemoedige harmonie met Fonske's lijden, en hij ging met haar mee als 't ware, stil loopend langs de stille wegen, waar nu haar twijfellicht zijn vage schaduw wierp.

Zoo kwam hij langs een grooten omweg bij het dorpje weer. Hij was er vóór hij 't bewust werd, en schrikte dat hij er reeds was.

Neen, niet weer naar huis nu, ondanks zijn moeder die wellicht vol angst op hem te wachten zat. Hij kòn niet, hij zou er gek geworden zijn, hij zou er hardop zijn lijden hebben uitgesnikt. Hij keerde zich om en besteeg machinaal den Molenberg, in wanhoop stug-besloten daar ergens onder den molen of tusschen de heesters den nacht door te brengen.

Hijgend en afgemat kwam hij door 't kreupelhout langs steile kronkelpaadjes op den zandigen top. Hij zonk er zuchtend neer in 't heidekruid en sloot een lange wijl zijn moede oogen. Iets dofs kwam over hem, alsof hij droevig in zou sluimeren. Maar zijn geest werkte, zijn lijden werkte en weer gingen zijn oogen triestig open.

Daar lag vóór hem, en onder hem, de nuchtere werkelijkheid. De maan was hoog en hel gerezen in den somberblauwen, tintelenden sterrenhemel en haar koud, blank licht bescheen het nederig dorpje met hier en daar een schamel lichtje achter de gesloten luiken, en, sterk en trotsch, elk op zijn heuvel, de twee machtige, regeerende kasteelen, helder en als 't ware feestelijk glanzend door al hun verlichte ramen, die elkaar over de wijde vlakte der weilanden heen jubelend schenen toe te lachen.

Ja, zij jubelden en lachten! Zij glinsterden en tintelden elkander van verre victorieus te gemoet, om feest te vieren over de gelukkige gebeurtenis, die morgen algemeen bekend zou zijn!

Fonske klauwde zijn beide handen in den grond waarop hij zat. Zijn geest verslond den afstand, zijn oogen drongen in de rijke zalen, hij zag de jonkvrouw, zoo wonderlief en schoon, in de armen van haar verloofde. Hij haatte hem, had hem kunnen slaan, hem van haar kunnen wegrukken. Hij zag zijn donkeren, sardonischen lach, zijn zegelach van wreedheid en van valschheid en 't schreeuwde in hem op als tegen een wandaad, die niet mocht gebeuren.

Maar plots was 't of hij door een slag werd overeind gezweept. Ginds verre, bij 't grafelijk kasteel, was in den nacht een vuurpijl opgegaan, die hoog in de lucht tot een veelkleurigen lichttuil openbloeide, en een schot knalde, door het gesmoord, lang-aangehouden "aaah!" eener onzichtbare menigte begroet. Fonske begreep, dat nu reeds de verloving bekend was en gevierd werd; en, terwijl nog meer vuurpijlen in de hoogte openknalden, vlogen in het stille dorp de deuren open, kwamen de menschen opgewonden in de straat en holden joelend naar 't kasteel toe. In enkele oogenblikken waren de huizen leeg en weer zonk Fonske in zijn heibed op den zandheuvel, onder den ouden, houten molen, die als beschermend het geraamte van zijn breed-gekruiste, naakte wieken over hem uitspreidde, neer.

Nu mocht hij wel hardop zijn leed uitsnikken als hij wilde: geen mensch meer zou hem hooren. Hij voelde zich verlaten alsof hij gansch alleen was op de wereld; en in die absolute eenzaamheid koesterde hij een soort bittere troost: de triestige berusting van hem wien geen geluk meer wacht op aarde. Hij was negentien jaar oud en voelde in zich de ontgoochelde levensmoeheid van een grijsaard. Niets leek hem meer de moeite waard, alles scheen hem nu voor altijd uitgebloeid en dood; hij voelde zich zoo oud en afgeleefd als het geraamte van den molen die al zooveel ervaren had en in bespiegelende onverschilligheid ook dit schouwspel nog bijwoonde. 't Was als een óveroude, grijze wijsaard, die daar stond; hij scheen te droomen in sereene rust, zoo eindeloos hoog en verre boven alles wat daarginds gebeurde; en de glinsterende sterren, die zich in den donkerblauwen hemel, door zijn naakte wieken spijkerden, waren als zoovele, tot flonkerend juweel versteende tranen van lang-verleden en vergane wee.

En in de groote rust, die van dat wonder wezen uitging, kwam ook in Fons weldra een trieste stilling van gelatenheid. Hij hoorde nog slechts ais in een droom de verre hoezee-kreten en 't geknal der schoten; de jubelende lichtgloed der regeerende kasteelen week al verder en al verder van hem weg; en hij had slechts één smachtend verlangen meer: daar nu in zijn volle eenzaamheid op den heuvel in te slapen en er nooit meer te ontwaken.

Zijn oogen vielen dicht en de tranen die heel zacht tusschen zijn dichte wimpers vloden, deden nu geen pijn meer. Niets meer deed pijn, alles was dof en stil, hij rustte, hij sluimerde, hij was moe, doodmoe; hij zou weldra voor goed inslapen.

Dat duurde zoo een heele lange poos, in stillend-zacht en dof vergeten. Toen kromp zijn aangezicht tot een plooi van smart en 't kwam hem voor alsof zijn naam werd uitgeroepen. Hij luisterde en trok zijn oogen open.

Drommen menschen kwamen weer in 't dorpje, daar beneden aan den heuvel en in 't verschiet over de weilanden waren de lichten der regeerende kasteelen bijna allen uitgedoofd. Het feest was afgeloopen en de menschen keerden stommelend en pratend huiswaarts; en nu hoorde hij ook werkelijk en duidelijk zijn naam uitspreken: men zocht hem, zijn moeder liep in angst van huis tot huis, en geen mensch had hem gezien: men begon voor een ongeluk te vreezen.

Onder den gruwelgreep der werkelijkheid stond Fonske overeind. Nu moest hij eindelijk wel, nu moest hij weer onder de menschen komen. Hij walgde en sidderde ervan, al het afschuwelijke van zijn lijden stormde even ontembaar weer in hem op; het bruisde in hem tot een opstand; maar meteen wist hij dat hij niet kón ontsnappen; en, op een schreienden kreet van zijn moeder, die als gek den Molenberg kwam opgerend, gaf hij eindelijk antwoord, met een stem zoo droef en schor, dat hij er zelf van schrikte:

--Hier ben ik!

Een gejaagd geritsel door de blaren, een hijgend geloop langs het paadje en zij stond vóór hem, door een andere vrouw vergezeld.

--O, jongen toch! O, jongen toch! al vier uur lank da 'k ou zoeke! Wa schilt er toch! Wa hè-je gij toch gedoan! snikte zij.

--'K ben ziek, 'k heb heufpijne, antwoordde hij dof. En meteen herkende hij, in 't manelicht, de vrouw die met zijn moeder was: Lisatje Van Belleghem.

Dat ontroerde hem. Hij vond daar ineens iets heel liefs en zachts in, dat Lisatje zijn moeder vergezeld had. 't Was als een streelende troost in zijn verdriet en even keek hij 't meisje dankbaar aan. Zij zag bleek in den maneschijn, met groote, donkere, angstig-starende oogen; en haar ovaal gezichtje leek heel klein onder den zwart-wollen sjaal, dien zij tegen de avondkoelte over haar hoofd geslagen had en met de linker hand onder haar kin dichthield. De angststem van zijn moeder leidde weer zijn aandacht af:

--O, jongen, we mienden dat er ou 'n ongeluk overkomen was. Wa schilt er toch?

--Heufpijne, 'k voele mij ziek, 'k lag hier 'n beetsen uit te rusten, herhaalde Fons neerslachtig.

--Kom mee noar huis, jongen, en eet watte, of legt ou in ou bedde, drong zacht de moeder aan. Weet ge 't greut nieuws al? Weet ge da mejonkvreiw Elvire mee menier Gaëtan goa treiwen?

--Joajik, beet hij schor, kortaf, als in een toornkreet.

De beide vrouwen schrikten.

--Kom mee, herhaalde zachter zijn moeder.

--Och, loat mij hier moar, antwoordde hij ongeduldig.

--Och, nien, os 't ou b'lieft, Fons,.... begon de moeder dadelijk weer te schreien.

--Kom, Fons, smeekte nu ook heel zacht, nauwelijks hoorbaar, Lisatje.

Hij liet zich meenemen. Zij sloegen den zandigen, kronkelenden karreweg in tusschen het kreupelhout, volop beschenen door de maan. De moeder strompelde voorop. Fons en Lisatje volgden. Zij liepen benauwend-zwijgend, alle drie. De holle weg lag lichtend-blond als zwavel, tusschen het donker der begroeide bermen. Sommige struiken verkronkelden tot vreemd-wanstaltig vormen, als gefolterde wezens die krampachtig de armen en handen wrongen; en hun grillig door elkaar gestengelde, reeds ietwat ontbladerde hoogste twijgen vlochten een donker, sprietig kantwerk op de helle maneschijf. Ondanks zijn groote droefheid voelde Fons het mooi-sereene en stemmigsvolle van den avond.

O, wat had hij willen wandelen in zulke nachten, met haar die hem begrijpen kon en liefhad! Hij zuchtte en schudde 't hoofd.

Een zucht, zwak als een echo naast hem, deed hem verwonderd opkijken. Was dat wel Lisatje, die ook in stilte had gezucht? Schuchter keek hij haar van terzijde aan en in den helderen maneglans zag hij strakke tranen blinken in haar lieve oogen.

Fons schrikte. 't Was om hem, hij voelde 't, dat Lisatje schreide. Zij schreide om hem, zooals hij zelf geschreid had om de jonkvrouw, beiden smachtend naar een ideaal, dat niet bereikt kon worden. Kón het werkelijk niet? Waren zij beiden niet het slachtoffer van een vergissing, waar hij alleen de schuld aan had?

Nog eens keek hij Lisatje van terzijde aan, terwijl zij naast elkaar, achter de moeder, 't maneglanzend pad afdaalden en een diepe, zachte emotie woelde even vol verteedering in hem op.

--Lisatje,.... hij prevelde haar naam zoet in zichzelf, Lisatje.... als een liefkoesterend zonnestraaltje, als een troost vol teedere verzoening in zijn verder, pas beginnend leven! Was hij niet al die jaren dom en blind geweest? Had hij niet het echt geluk verwaarloosd om een hersenschim na te jagen? Iets trilde in hem, van angst en van geluk, dat hij bijna de kans verkeken had, maar dat het toch nog niet te laat was. Een frisch geluk van toekomst bloeide eensklaps in de verte voor hem open: wie weet of zij de vrouw niet worden kon die hem tot het hoogste in zijn kunst zoude bezielen; zij de lang en te vergeefs gezochte, 't eenvoudig, onbedorven buitenmeisje, dat jarenlang, als in stil-nederig bewustzijn van een plicht, gedwee op hem gewacht had?

Zij waren aan zijn huisje en 't speet hem, dat zij er reeds waren. Maar Lisatje kon niet alleen naar huis zoo laat in den avond en zijn moeder zelve zond hem met haar mee.

Eerst spraken zij geen enkel woord. 't Was of 't verlangde alleen-zijn hem nu plotseling verlamde. Al het andere stormde ook nog even als een woeste deining in hem op. Maar eensklaps nam hij moed en vroeg, heel zacht, met een stem die eventjes hikte:

--Lisatje,.... woarveuren hè-je doar geschriemd?

Zij gaf geen antwoord. Haar voetjes klonken zenuwachtig-gejaagd in de nachtelijke stilte op de harde keien van den steenweg. 't Was of ze vluchten wilde.

--Wilt ge 't mij nie zeggen? Zie-je mij nie geirne? vroeg hij eensklaps abrupt.

Zij schrikte ervan. Hij zei ineens te veel. Hij zei ineens álles. Het duizelde in haar.

--O, Fons, zuchtte zij.

Hij nam haar hand. En zijn arm sloeg hij zacht om haar middel.

--O, dat er ons iemand moest zien! sidderde zij.

Hij sloot haar dicht tegen zich aan, hield haar stil, gaf haar zijn eersten zoen.

--Lisatje, 'k zie ou geirne, zuchtte hij.

--De jonkvreiwe zie-je geirne, antwoordde zij, zich loswringend.

Dat beet hem als een gift; hij liet haar los.

--Ge'n meugt da nie zeggen! riep hij barsch.

Zij zweeg. Weer liepen zij een poosje sprakeloos naast elkaar, tusschen de eerste huizen. Het bonsde in hem, onstuimig. Hij voelde zich verkleind, vernederd, en wilde groot en sterk zijn. Hij dacht er aan om plotseling weer af te breken, om haar geen blik meer te gunnen.

't Was of ze 't voelde. Eensklaps nam zij zelve weer zijn hand, heel zacht, heel teeder, legde haar hoofd op zijn schouder en smolt zuchtend weg in tranen.

--'K zie ou toch al zeu lange geirne, snikte zij dof.

Zij stonden vóór haar ouder's woning. Er was nog licht achter de gesloten blinden en boven de deur stond leesbaar als bij klaarlichten dag het opschrift van het uithangbord:

Xaveer Van Belleghem, huisschilder en tapissier.

Fonske gaf haar een stillen, langen zoen.

--Nie schriemen, Lisatje, nie schriemen, suste hij fluisterend. En hij droogde zelf, met zijn zakdoek, haar tranen af.

--Wanneer zie 'k ou weere? vroeg ze fluisterend.

--Morgen, antwoordde hij op denzelfden toon. O, Lisatje, mijn Lisatje, we goan nou toch alle twieë zeu gelukkig worden. 'K hè ou toch zéúvele te zeggen, veur loater, veur de toekomste.

--Watte? vroeg zij, met plotseling opgewekte, vrouwelijke nieuwsgierigheid.

--Morgen, zei hij, morgen, nou es 't te loate.

Een gestommel daarbinnen deed hen haastig van elkander scheiden. De portaaldeur ging open en Van Belleghem verscheen op den drempel, breed en zwaar in 't schijnsel van den lichtkring.

--Ha! zij-je doar eindelijk! 'K miende da ge ginder ging blijve sloapen! lachte hij vettig.

Fonske wou, ondanks Van Belleghem's aandringen, niet binnenkomen. Hij wenschte vluchtig goe nacht en haastte zich weg.

Hij liep naar huis toe, gejaagd, met groote schreden, zijn gansche wezen overweldigd van emoties. Maar vóór zijn hekje bleef hij even staan, en, na een korte aarzeling, besteeg hij voor de tweede maal, sluipend als een dief, den zandigen Molenberg.

Hij kón zoo maar niet dadelijk gaan slapen. Het was tè bruisend-vol in hem; hij moest dat eerst laten bezinken en bedaren.

Hij kwam op den top van den heuvel, in de beschermende schaduw van den ouden molen. Een zacht, frisch windje blies er suizelend door de naakte wieken en streelde heerlijk-kalmeerend zijn gespannen hoofd en zijn gloeiende wangen. Wat was 't daar alles schoon en grootsch in stil-heldere maneklaarte! Wat lag het dorpje kalm-gelukkig daar beneden rond zijn kerkje en hoe sereen wond de rivier haar zilveren slingerlint omheen de sluimerende weilanden!

Zijn oogen schitterden en hij strekte de handen uit, als wou hij al die zachte weelde omvatten. Dat alles was van hem, hij voelde 't ineens als een overheerlijke bron, waaruit hij schatten en wonderen zou putten. Alles wat hij totnogtoe gedaan had was niets dan zoeken en dwalen van vergissing in vergissing; zijn leven begon pas; zijn leven, zijn rijke, mooie, milde, echte leven lag daar vóór hem open als een tooverwereld, verheerlijkt door 't geluk der liefde, glanzend en glinsterend als 't ware van de kunst waarmee hij 't zou bezielen.

Nu was hij man ineens, een fiere, sterke, trotsche man, in vol bewustzijn van zijn kracht en waardigheid. Niets meer was in hem over van het schamel koeiertje van vroeger jaren, en gansch 't verleden scheen reeds verre weggeweken, als in een vagen droom.

Hij keek over de weilanden, en door den grijsachtigen sluier dien het manelicht tusschen de verten spreidde, zag hij de donkere silhouet der twee regeerende kasteelen, die met nog slechts één enkel weifelend lichtje elkander melancholisch schenen aan te kijken. Ook alles wat daar nog zoo kort geleden was gebeurd en hem zoo zwaar doen lijden had, scheen reeds heel verre van hem af te liggen. Zijn geest was er al vreemd geworden; zijn blik kon er zich niet meer aan boeien en zacht kwam hij terug naar 't nederig huisje onder aan den heuvel, het laag, manegeel huisje met de geslotene, grijsblauwe luiken, waar nu ook Lisatje Van Belleghem van hun zoo lang door hem verwaarloosde geluk te droomen lag.

Zoo had het moeten zijn; en zoo was het ook goed, o, zeer goed, na veel strijd en vergissing.

Nu mocht het leven beginnen.

EINDE VAN HET EERSTE LEVENSBOEK.

AANTEEKENINGEN

[1] Pourtant.

[2] Kikvorsch.

VAN DIT BOEK ZIJN 10 EXEMPLAREN GEDRUKT OP GESCHEPT HOLLANDSCH PAPIER VAN PANNEKOEK.

Van CYRIEL BUYSSE verscheen bij VAN DISHOECK:

't Bolleken. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50. Lente Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50. In de Natuur. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50. Het Leven van Rozeke van Dalen. 2 dln. Ingen. f 4.25. Geb. f 5.50. Het volle leven. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50. 'k Herinner mij. Ingen. f 1.90. Geb. f 2.50. Het Ezelken. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50. De vroolijke Tocht. Ingen. f 0.90. Geb. f 1.25. Stemmingen. Ingen. f 1.90. Geb. f 2.50. De Nachtelijke Aanranding. Ingen. f 2.25. Geb. f 2.90. Per Auto. Ingen. f 0.90. Geb. f 1.25.