Van hoog en laag Het eerste levensboek

Chapter 6

Chapter 63,840 wordsPublic domain

A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain. J'en ai dejà parlé à mes parents, qui sont d'accord avec moi. En attendant, continuez à bien travailler et à faire des progrès dans votre art.

Veuillez croire à l'assurance de mes sentiments distingués.

Cesse E. d'Assonville.

Fons vouwde 't briefje dicht en stopte 't in zijn zak. Hij zag heel bleek en sterk beefden zijn handen. Hij had niet elk woord begrepen, maar wel de zinnen in hun geheel en hij moest dat nu maar kalmpjes, in de eenzaamheid, laten bezinken en in zich verwerken.

--Es mejonkvreiwe kontent? vroeg glimlachend de moeder.

--O, joa z' zilde, antwoordde Fonske verstrooid, en voegde er bij, dat hij nu spoedig weer naar zijn werk moest.

In plaats van naar zijn werk te gaan beklom hij stiekum den Molenberg en ging er zich op een eenzaam plekje rondom in het kreupelhout verschuilen.

Daar haalde hij den brief weer uit zijn zak.

Hij rook er even aan, doch proefde geen bizondere lucht. In den linkerhoek stond een licht-lila kroontje met een wapen en daar streek hij even met zijn vingers overheen en voelde 't hard relief der ingeperste stempeling. Toen las hij hem heel langzaam, woord voor woord, weer over.

"Connussiez"; die verbuiging kende hij niet, maar 't leek hem heel knap en heel mooi en hij begreep toch. "Constater" begreep hij niet, heelemaal niet. Dat woord had Florimond hem nooit geleerd. Maar 't deed er niets toe, hij verstond den zin en voelde zich gloeien van geluk en trots. Maar wat hem trillen deed, wat hem onuitsprekelijk ontstelde en geheel van streek bracht waren de laatste zinnen: "A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain".

Wat mocht ze daar wel mee bedoelen? Welke verrassing hield ze voor hem in bewaring tegen de volgende lente: een verrassing waar haar ouders reeds van af wisten en die zij goedkeurden! Hield zij wellicht ook van hem? Vermocht de kunst den afgrond tusschen hen te dempen? Zag zij de mogelijkheid in, met hem... och, 't was onzinnig, en toch, welke verrassing--een verrassing die hem zou gelukkig maken--kon het anders wel wezen?.... Het suisde in hem en 't nevelde vóór zijn oogen: hij voelde zich eensklaps door een groote, weeke teederheid bevangen en zijn blik werd vochtig.

Het plekje waar hij zat was als een droom van stille poëzie. Hij zat te midden van bloeiende hei, met om zich heen een dichten kring van struikgewas in gouden najaarspracht. Door een opening ontwaarde hij het vreedzaam dorpje in de diepte en verder het smaragden kleed der weilanden, waarop de koeien graasden, en achter 't zilver-kronkellint van de rivier, den weg-wazenden overheuvel, met de torens en de tuinen van het grafelijk kasteel. Wat was het alles mooi en vreedzaam, wat baadde alles om hem heen in zacht en kalm geluk! De wereld leek zoo groot en zoo ruim en zoo mild van daar uit, er scheen zoo oneindig veel rustige plaats voor het geluk en voor de weelde van een ieder. En die weelde voelde hij in zich doordringen, als iets dat hem gegeven werd en niet meer zou ontnomen worden. Het was slechts een illuzie, maar een illuzie zoo zoet en rein en rijk en wellicht rijker dan een tastbare werkelijkheid; en op dat oogenblik verlangde Fonske niets meer, niets dan het heerlijk woekeren en ontbloeien van den schat, van al de menigvuldige schatten, waarmede hij zich nu begenadigd voelde.

Toen hij den volgenden zondag den brief aan zijn makkers liet lezen, hadden dezen maar één roep:

--Ça y est! Ze wil mee ou treiwen!

Fonske liet hen dat zeggen: voorloopig had hij genoeg aan de gelukkigmakende verrassing, die zij hem tegen de volgende lente bewaarde.

XX.

Het was een heerlijke winter voor Fonske. Alles scheen samen te werken om hem nu aanhoudend tot zijn volle, zelfstandige kracht te ontwikkelen en in hem de ontvangst van het volmaakt geluk als 't ware voor te bereiden. De decoratie-schildering, die hij voor Van Belleghem in de nieuwgebouwde herberg bij het station had uitgevoerd, had zoo de aandacht getrokken en viel zoozeer in den smaak, dat hij nu ten allen kante werd gevraagd en er al spoedig over denken mocht om voor eigen rekening te beginnen; en ook zijn zuiver kunstwerk, zijn landschappen en figuren vonden vast hun plaats in kleinere tentoonstellingen en werden vlot verkocht tegen prijzen, die niet onder deden voor wat Sylvain en andere jonge schilders voor hun doeken kregen. Af en toe voelde Fonske wel, dat er op kunstgebied nog hoogere ambities waren; doch dat kwelde hem niet; hij was al heel veel verder dan hij ooit gehoopt had; hij telde mee onder de jonge schilders van zijn tijd en was zich reeds een beetje trotsche waardigheid als kunstenaar bewust.

Dat was al merkbaar aan zijn uiterlijk, aan zijn houding en manieren. Hij deed niet zoo, dat hij zijn vroegere dorpsmakkers aanstoot of ergernis gaf, maar toch voelde hij zeer goed den afstand die nu lag tusschen hem en Rietje Koarelkes of Feelke Brouwers, evenals hij nog wel goed den socialen afstand voelde die bleef gapen tusschen hem en meneer Gaëtan. Hij had ook meer 't besef van vrijheid en van onafhankelijkheid gekregen. Als hij nu soms geen lust had om te werken, dan ging hij ook niet werken; en als hij daarentegen zin had om, al was het ook midden in de week, eens naar de stad te gaan, dan ging hij naar de stad. Sinds lang had hij zijn moeder genoopt zich deftiger te kleeden en een hulp in huis te nemen; en tegen Kerstdag deed zich een kansje voor, dat hij niet liet ontsnappen: door sterfgeval kwam een net huisje leeg, juist onder aan den Molenberg: hij huurde het per brief van den baron, aan wien het toebehoorde; en in enkele weken tijds was 't keurig door hem ingericht, met vriendelijk-bemuurschilderde kamertjes en een ruim en luchtig atelier in 't noorden, op de mansarde-verdieping. Nu was hij heelemaal een schilder, de commercieele decoratie-schildering werd hem bijna te min; hij voelde zich zeer een heer geworden, bijna een soort kasteelheertje, niet zoo héél verre meer beneden den voornamen stand der twee regeerende kasteelen. Het huisje kreeg van buiten een zeer liefelijke roze kleur met groene-en-witte luikjes; en op het tuinhekje schilderde hij zelf den naam, dien hij er aan geven wou in harmonie met het karakter van den Molenberg, die daar vlak achter lag:

"Villa du Moulin".

Hij dacht wel, hoe Florimond en Sylvain zouden verontwaardigd zijn, omdat hij 't niet een vlaamschen naam gaf, maar hij was al zooverre, dat hij zelfs hùn afkeuring durfde trotseeren, als hij daardoor maar ietwat nader kwam tot zijn voorname illusie, tot de jonkvrouw van 't kasteel en de gelukzalige verrassing, die zij voor hem in bewaring hield.

In die illusie, en ook in de hoop op deszelfs verwezenlijking, werd hij trouwens meer en meer door zijn beide vrienden gesterkt. Die vonden er zelfs hoegenaamd niets buitengewoons aan, die kwamen telkens weer aanzetten met hun voorbeelden van groote kunstenaars die door prinsessen werden bemind en geïnspireerd; en zij zelven, trouwens, bij gebrek aan voorradige prinsessen, lieten zich gul genoeg inspireeren door jonge dames van wat minder soort, met wie zij lief en leed, vooral het eerste, deelden. 't Was iets waarvan 't eenvoudig buitenjongetje maar niet bekwam. Nu eens waren zij met deze, dan met gene, telkens zoo warm-intiem alsof 't voor eeuwig was en een week daarna weer van elkaar gescheiden, als hadden zij elkander nooit gezien. Het waren meestal meisjes met plat-gestreken bandeaux en gedecolleteerden hals en Florimond en Sylvain betitelden haar met den pronknaam van estheten-vrouwen: vrouwen, die de superieure kunstuitingen voelden en, vrijgevochten van elk wereldsch vooroordeel, feitelijk de eenige waren, die werkelijk de artiesten-ziel begrepen.

Bijna elk jong meisje, uit de nog niet geheel verdorven volksklasse, was trouwens, volgens de twee vrienden, geschikt om, onder leiding van een artiest, tot estheten-vrouw ontwikkeld te worden; en daarom ook konden zij Fons niet genoeg aanraden de opvoeding van Lisatje Van Belleghem onder dat opzicht te voltooien. Deed hij het niet, dan zou een ander hem wel gauw genoeg in die zeer aangename taak vervangen, of, erger nog, het meisje zou door een gewonen plebeër verleid worden en voor de kunst verloren gaan. Eigenlijk had Fons haar al lang in hun artistiek stadsmilieu moeten binnenleiden en hij mocht meer dan dom heeten als hij 't nog nu niet zoo spoedig mogelijk deed.

Dat alles, gepaard met het ontwaken van Fonske's zinnen, wekte geweldige prikkeling en opwinding in hem. Het vertroebelde de reine eerlijkheid van zijn gemoed en het begrip van goed en kwaad werd duister en verward in hem. Hij kwam er van lieverlede toe Lisatje te beschouwen als iets waar hij in ieder geval recht op had, als iets dat zijn persoonlijk bezit was, een bezit dat hij zich enkel nog uit vrees, ontzag en liefde voor de kasteeljonkvrouw niet openlijk dorst toe te eigenen, zooals Sylvain en Florimond hem 't voorbeeld gaven. Maar hij lei toch al vast de bakens voor de toekomst; hij nam veel meer dan vroeger notitie van Lisatje, en 't aardig kind, dat lang onder zijn onverschilligheid geleden had, zag nu, in argeloos-gelukkig-zijn, blijde dagen te gemoet.

XXI.

Ondertusschen was de lieve lente alweer in aantocht. Langen tijd hadden alleen de lijstertjes gejubeld en gezongen in de nog winternaakte kruinen, maar nu kwamen ook de andere lentevogeltjes en 't was alsof hun onverpoosd en opwekkend gezang eindelijk de zoo lang sluimerende bloempjes en de blaadjes deed ontwaken. De lage heesters kregen doorschijnend-groene, kanten hemdjes, de lijsterbes bloeide alom op 't molen-heuveltje in witte, bedwelmend-zoetgeurende trosjes, en plat tegen den groenen grond blonken de blauwe oogen der viooltjes en schitterden de witte kelkjes van de lelietjes-van-dalen, terwijl alom de gele tuilen der bloeiende brem verblindend opvonkten, alsof een reuzenhand, met óvermild gebaar, daar gouden schatten had in 't rond gestrooid. De zon, die gansche dagen door het blauw uitspansel reisde, ging 's avonds slapen in een wonderschoonen toovertuin vol wazige oranje glorie, en toen kwam 't maantje kijken, een beetje blikkerig-kil in zijn rijken, donkerblauwen hof vol twinkelende sterren; en het gezang der nachtegalen galmde onverpoosd, plechtig-verliefd in de heilige stilte.

En Fonske, hoofd en hart vol van de naderende verrassing, waarvan de nachtelijke zangers hem in zijn slapelooze uren als 't ware de blijde komst aankondigden, wist wel dat het nu niet lang meer duren kon vóór het werkelijkheid zou worden. Reeds waren de regeerende kasteelen uit hun winterslaap ontwaakt; zij keken herlevend naar elkaar uit hun wijd-open ramen en deuren, als blij elkaar weer op hun oude plaats terug te vinden, en in de wei joelden de jolige koewachtertjes hun vrije blijdschap uit te midden van het jonge vee, dat lentedronken na de eindelooze winteropsluiting, eerst al zijn dolle kuren bot moest vieren, vooraleer het, kalm-en-wijs-plichtmatig, met den snoet in 't malsche groen aan 't grazen ging.

En op een middag waren zij daar eindelijk ook weer, de twee families, zooals zij elken zomer kwamen, met de vogels en de bloemen, en 't gansche dorpje was vervuld van die jaarlijks verwachte en toch telkens weer nieuwe gebeurtenis. De wisselende gang van de seizoenen, 't uitsterven van een jaar en het geboren worden van een nieuw jaar, waren mindere gebeurtenissen in het leven van de dorpelingen dan het jaarlijks gaan en komen der regeerende families; er kwam al dadelijk een andere toon in de gemeenschap; 't was of een stille sluier alles dempte en wie een tijdlang los en vrij en zonder vrees rechtop geloopen had, keek al gauw weer gedwee naar den grond en ging zijn gangen met dat eigenaardig gangetje, dat aan andere dorpsbewoners, waar geen kasteelen waren, ietwat minachtend-spottend zeggen deed:

"Dat is de gang van Meulegem."

En hoe Fonske, in zijn vrijere ontwikkeling, daar ook tegen streed, onweerstaanbaar voelde hij, telkens en telkens weer, die benauwende drukking, even sterk als vroeger en als alle andere bewoners.

Zij waren er, en Fonske wachtte, vol schuchtere emotie, wat nu komen zou. Het duurde lang; zij waren er al dagen, al weken, en er gebeurde niets. Zou zij haar belofte, waarop hij den ganschen winter geteerd had, vergeten hebben? Hij had haar reeds een paar maal gezien,--wat was ze mooi en groot geworden, een echte jonge dame nu, in 't vol bewustzijn van haar rijke schoonheid!--hij had haar diep gegroet en ook van haar een vriendelijken groet terug ontvangen, maar dat was alles. Verder ging het leven zijn gewonen gang, met 't zelfde heen en weer geloop tusschen de twee kasteelen; en Fonske begon gansch te wanhopen, toen hij eindelijk, op een morgen, het zoolang verwacht verzoek ontving, of hij dien middag tegen drie uur op het kasteel wilde komen.

Het sloeg hem van ontroering als een zwakheid in de beenen. De kleur trok van zijn wangen weg, zijn hart klopte geweldig en zijn adem hijgde. Met zwakke stem vroeg hij zijn moeder of zij al zijn beste kleeren wilde uitleggen.

Hij kon in het geheel niets eten. Vruchteloos drong moeder aan, dat hij toch zijn bordje soep zou ledigen: hij moest het half vol laten staan.

Om half drie trok hij 't weiland in. Hij had een hoog boord, een bonte das, manchetten, een zwart hoedje en verlakte schoenen aan; hij zag er uit als een jong heertje. Hij droeg zelfs een paar bruine handschoenen tusschen zijn vingers en zijn klein, blond snorretje had hij met een ijzer opgekruld. Eerst had hij nog even gedacht er heen te rijden op het heel mooi rijwiel, dat hij zich onlangs had aangeschaft; maar na overweging vond hij het te voet toch passender.

De koewachtertjes, die hem zoo deftig door de weide zagen stappen, staakten hun spelletjes om naar hem te komen kijken.

--'t Es Fons, hij goa noar 't kastiel, fluisterden zij met een soort eerbied.

Maar Fons keek hen nauwelijks aan. Wat was hij dat ontgroeid in al die jaren!

Hij liet zich overzetten bij boerke Floncke, wisselde daar verstrooid een heel kort praatje met de lui en sloeg de deftige kasteellaan in.

Bij het monumentaal ingangshek hield hij even stil om aan den portier te vragen of de jonkvrouw wel op het kasteel was. Hij kreeg een bevestigend hoofdknikje tot antwoord en stapte de bochtige, breede grintlaan, tusschen de bloeiende heesters in.

Zijn hart bonsde geweldig. Hij had moeite om den stijgenden weg te beklimmen. Bij den zwanenvijver, die op 't vlakke lag, kalmeerde dat eenigszins. 't Was of de breede vijver, begroeid met waterlelies en de statig-stille zwanen hem die kalmte gaven. Vrij onbevangen schreed hij over de brug en 't pleintje dat er achter lag, klom op de stoep en belde aan.

Een gegaloneerde lakei kwam de glazen deur openen. Fons werd in de ruime, door planten en bloemen versierde vestibule gebracht en verzocht op een der rieten stoelen plaats te nemen. De lakei verdween langs den breeden trap met zachten looper.

Fons nam eens vluchtig alles op: mooie, geïncrusteerde tafeltjes, hooge, antieke kasten rechts en links, een prachtklok met speelwerk in een hoek. 't Sloeg juist drie uur en de klok speelde, nobelvoornaam in zwaren toon, als uit een verren beiaardtoren. De hall liep in de gansche breedte der benedenverdieping van bordes tot bordes door en Fonske zag hoe mooi het van daar uit was aan de beide kanten: aan den voorkant de rivier, de weilanden, den heuvel waarop 't kasteel van den baron stond en het oude molentje; en aan den anderen kant een schitterenden bloementuin, met als achtergrond een majestatisch eikenbosch, hoog en ondoordringbaar als een donkergroene muur.

Binnen in 't kasteel, in de hoogte van het trappenhuis en achter de gesloten deuren, scheen een voorname stemming te heerschen. Fons hoorde slechts vage, verdoofde geluiden, alsof alles wat er daar gebeurde heel héél verre van hem af lag. 't Scheen wel of wat daar leefde en gebeurde niet tot hem kon komen. Maar ergens boven ging eensklaps een deur open en weer dicht en het kwam Fonske voor of hij gesmoord gestommel en gegichel hoorde.

Hij rees op en keek naar boven.

Hij zag eerst twee en dan nog eens twee voeten langs den looper afdalen. Toen zag hij den onderrand van een donkerblauwen rok en vlak daarnaast twee grijze broekspijpen. Enkele seconden later stond hij vóór jonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan, die hem glimlachend te gemoet traden.

Vreemd deed het hem aan toen hij ze zoo samen vóór zich zag. 't Was hem te moede alsof er iets gebeurde wat niet mocht. Het was alsof zij hem bedrogen hadden zonder hem te waarschuwen. En hij schrikte, hij schrikte geweldig en voelde 't in zijn binnenste ijskil worden, toen hij merkte, dat zij hand in hand beneden kwamen. Jonkvrouw Elvire, trouwens, maakte de hare dadelijk los en stak die met haar vriendelijksten glimlach naar Fonske toe, zeggend:

--Dag menier Alfons. Hoe goat 't mee u?

--Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske bevend; en hij kreeg ook de hand van meneer Gaëtan, die hem met zijn gewonen, donkeren, sardonischen grijnslach begroette. Toen keken zij elkander aan en er was eventjes een oogenblik als van gegeneerde stilte.

De jonkvrouw en meneer Gaëtan wisselden een blik en 't was de eerste, die met eenige inspanning begon:

--Menier Alfons,....

Maar zij bleef stokken, en iets van onuitsprekelijke teederheid en vrouwelijke gratie, kwam als een schuchterheid zacht over haar, en deed haar wangen kleuren. 't Was week en teeder als de liefdesglimlach van een overwonnen vrouw, die zich wil geven, en zij keek Fonske aan met oogen, die als 't ware om verontschuldiging vroegen, terwijl een kort, zwak lachje van haar mooie lippen gleed.

--Meneer Alfons, hernam zij eindelijk, haar bedeesdheid overwinnend, of da ge 't gij nu weet of morgen, dat es 't zelfde: meneer Gaëtan en ik goan samen treiwen en meneer Gaëtan komt hier op 't kasteel inweunen. We willen onz' appartementen deur u loaten decoreeren en dàt es de surprise, woar da 'k u verleden joar van gesproken hè. Wilt-e gij ne keer mee ons meekomen; we zullen u de koamers loate zien?

Fons wist zich bijna goed te houden. Even duizelde 't zóó overweldigend vóór zijn oogen, dat hij niets meer zag, noch hoorde, noch voelde; maar 't oogenblik daarna werd hij als 't ware wakker en zag ze schemerig vóór zich staan, hand in hand, zij met haar zachten, lieven glimlach, hij met zijn donkeren, sardonischen grijnslach en beiden naar hem starend, op zijn antwoord wachtend.

--Dat 'n hét-e zeker nie gepeisd, hè? vroeg nog de jonkvrouw, met iets gelukzalig-triomfeerends in haar toon en houding.

En Fonske had den moed te antwoorden:

--Nien ik, mejonkvreiwe, dàt 'n he 'k zeker nie gepeisd. Proficiat, mejonkvreiwe. Proficiat, menier Gaëtan.

--Merci, glimlachten zij beiden. En de jonkvrouw, reeds naar de trap omgekeerd:

--Wilt-e nou moar meekomen, meneer Alfons?

--Joajik, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske toonloos, de verloofden volgend.

--Il a l'air un peu maboul, ton protégé, grinnikte halfluid meneer Gaëtan onder het trappen-klimmen.

--Tais-toi, fluisterde zij, kleurend, il comprend le français.

Fonske beet zich op de lippen en een bloedgulp golfde naar zijn aangezicht. Hij had wel niet precies begrepen, maar toch genoeg om te gissen waarover ze 't hadden. O, kon hij nu maar wegvluchten; kon hij nu maar ergens alleen zijn om zijn droefheid en ellende hardop uit te snikken! Maar hij moest mee, als een slachtoffer: hij strompelde de treden op, de gangen door, de kamers in en uit.

De jonkvrouw expliceerde hem wat zij verlangde: hier, in dit vertrek, dat hun slaapkamer zou zijn, alles pervenche en wit. Deuren en kasten ivoor, met een pervenche biesje, en diezelfde kleur als rand onder 't plafond en als plint boven den vloer. Dat zou dus alles zeer eenvoudig zijn, maar in haar boudoirtje daarnaast wenschte zij wandschilderingen van hem. Zij verlangde er twee: tegen den linkermuur het panorama van rivier en weiland, met den molenheuvel, het dorpje en het kasteel van den baron als achtergrond; en, aan den rechterwand, juist het tegenovergestelde panorama: ook weer de weilanden en de rivier, maar met den anderen heuvel en het kasteel van haar ouders tot achtergrond. Zag meneer Alfons wel kans om dat heel mooi te maken?

Fons knikte, wezenloos. Ja, hij zou het wel kunnen maken, wanneer men hem althans den tijd daarvoor liet. Hij vroeg met heesche stem of er ook koeien in het weiland moesten loopen; en de jonkvrouw antwoordde dat zij daar juist bizonder op gesteld was: jawel, koeien, veel koeien, en ook koewachtertjes, zooals hij vroeger zelf daar liep, glimlachte zij.

Fonske sidderde. Weer steeg een bloedgolf naar zijn wangen, maar zij merkten 't niet, namen hem mee door de gang, naar het vertrek, dat meneer Gaëtan's werkkamer en fumoir zou worden. En ook meneer Gaëtan verlangde muurschilderingen, maar geheel andere dan jonkvrouw Elvire.

--Ge weet wel, meneer Alfons, sprak hij eenigszins uit de hoogte, ik 'n ben niet veur die geweldige couleuren gelijk mejonkvreiwe. Mijn koamer wordt in 't iekenheit gesteken en ik zoe geern 'n beetsen donkere schilderijen hén. Gien bleiwe beumen en gien lileiwe koeien veur mij. Zoe-de gij keunen 'n wilde-zwijnenjacht schilderen?

--'K peis 't toch wel, menier Gaëtan.

--En nen automobiel?

--Euk wel, menier Gaëtan.

--Mais, Gaëtan, est-ce que tu ne vas pas regretter ça? vroeg zij, zacht-afkeurend.

--Mais non, ma chère, tu sais bien ce que j'aime, antwoordde hij, even ongeduldig wenkbrauwfronsend, alsof daarover reeds meer tusschen hen gedebatteerd was. En dan weer tot Fons, op den toon waarmee hij een schotel in een restaurant zou bestellen:

--Hawèl, menier Alfons, veur mij op deze muur 'n wildezwijnenjacht ne woar? in nen donkeren bosch mee veel kreupelheit en dikke, bruine beumstammen; en, op den anderen muur mijnen automobiel, mee ik aan de volant en de chauffeur nevens mij, binst da we de dreve van 't kastiel oprijen. Hedde 't goe verstoan?

--Joajik, menier Gaëtan, antwoordde Fonske toonloos.

Zij gingen even bij een raam staan, schenen daar iets zeer gewichtigs onder elkaar te fluisteren, terwijl Fons een oogenblikje midden in 't vertrek alleen bleef. De jonkvrouw kleurde, met een uitdrukking als van spijt en bedeesdheid op haar lief gezicht; en 't was ten slotte ook meneer Gaëtan, die weer naar Fonske toe kwam en hem vroeg:

--Enne.... en.... de prijs, menier Alfons, keunt-e gij ons à peu près zeggen hoevele dat dat al te goare moe kosten?

Fons rechtte, als in plotselingen trots, zijn nederige gestalte op. Als een zoete wraak lag het hem op de tong om uit te roepen, dat hij het hier alles gratis gaf. Maar hij durfde niet, uit liefde en eerbied voor de jonkvrouw. Toch was het op een toon, die hem even in zijn eigen achting weer verhief, dat hij kon antwoorden:

--O, menier Gaëtan, mejonkvreiw Elvire hè vroeger zeuvele veur mij gedoan dat 't alles goed es 't gien da ge mij wil geven, en al gaaft ge mij zelfs hoegenaamd niets, dat 't eug nog goed zoe zijn.

--Vois-tu bien! zei 't meisje zacht tot haar verloofde; en zij keek Fonske minzaam, met een soort verteedering aan.