Van hoog en laag Het eerste levensboek
Chapter 5
Zij kwamen weer in 't dorpje. Op elken drempel zaten nu de menschen van de zachte avondfrischheid te genieten; en reeds van verre zag Fons Lisatje met haar moeder staan, vóór 't huisje van Van Belleghem. Hij hoopte maar dat zijn vrienden het meisje niet zouden opmerken, maar het liep mis: Sylvain ontdekte haar dadelijk, bleef staan, en zei glimlachend:
--Dat es 't scheun meiske van 't portret.
--Verdeeke joa 't, riep Florimond. Ala, Fons, presenteert ons ne keer.
Met tegenzin, hoog kleurend en gegeneerd, voldeed Fonske aan 't verzoek:
--Lisatje, da zijn tweeë van mijn kameroaden uit de tiekenschole.
--W'hèn ou portret gezien mademoiselle, 't es scheune, zilde, zei Florimond met stralende oogen.
--Es 't woar, meniere; glimlachte 't meisje schuchter den blik neerslaande.
--Moar 't origineel es nóg scheunder, complimenteerde Sylvain.
Lisatje, die maar half begreep, keek nog bedeesder even op en sloeg de oogen dadelijk weer neer. Fonske beet op zijn lippen, inwendig spijtig en geërgerd, en hij voelde weer een diep-priemend steekje van vluchtige jaloezie, alsof aan iets getornd werd, waar hij alleen recht op had. De moeder bleef stijf en vagelijk-wantrouwend naast den muur staan; Van Belleghem, opgeblazen-dik en rood, verscheen in de deurpost, die hij geheel vulde, en tikte even aan zijn glimmend petvizier.
De twee estheten namen hun flaphoeden af en groetten tot afscheid. Fonske zei "tot morgen" aan Van Belleghem en keek Lisatje strak en glinsterend in de oogen aan. Hij zou zijn vrienden op het dorp maar niet meer nooden. Hij was wel niet verliefd op Lisatje, maar--hij wist niet waarom--hij had toch niet gaarne gezien, dat een van die twee op haar ging verlieven.
Beiden waren hoogst verrukt van Lisatje. Zij hielden daar een betoog, midden op de straat, over 's meisje's frissche schoonheid, die voor Fonske als een openbaring klonk. Met zulke oogen had hij haar toch nooit aanschouwd. Zij vonden haar tienmaal, honderdmaal, duizendmaal mooier dan de jonkvrouw en begrepen niet hoe Fonske dat ook niet zag en voelde. Zij zouden niet aarzelen. Al was de jonkvrouw nog zoo rijk, honderdmaal, duizendmaal zouden zij de voorkeur aan Lisatje geven. 't Gaf Fonske een gevoel van troost, gemengd met wrevel.
In Fonske's huis pakten zij de schilderijen bij elkaar. Sylvain koos er vijf uit, waaronder het portret van Lisatje. Fonske had dit laatste nu veel liever bij zich gehouden, maar dorst Sylvain, die hem wellicht aan koopers zou helpen, niet mishagen. Hij droeg het pak en vergezelde hen naar het station.
Onderweg kwamen zij meneer den pastoor tegen. Fonske nam haastig zijn hoed af en groette zoo nederig en zoo diep als hij mejonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan had gegroet. De twee estheten, daarentegen, namen in 't minst geen notitie van den geestelijke. Fonske was er gansch ontsteld van, want meneer de pastoor was geen mindere macht dan meneer de graaf of meneer de baron en hij vreesde strenge verwijten, dat hij in slecht gezelschap verkeerde. Meneer de pastoor had héél verbaasd en zelfs héél boos naar zijn twee gezellen opgekeken.
--Saleweert-e gulder de pàsters niet? kon Fonske niet nalaten gansch ontdaan te vragen.
--Den dienen die doar veurbij gekomen es? vroeg Florimond minachtend uit de hoogte. We 'n kennen hem niet.
--'t Es menier de pàster van Meulegem, antwoordde Fonske vol benauwd ontzag.
--Al was ie-hij de Paus, we 'n kennen hem niet, zei Sylvain smalend.
--Hoe durven ze toch! dacht Fonske. En weer voelde hij, in een mengsel van angst en bewonderende afgunst, bij hen die sterkende kracht, dien waardigheidstrots tegenover machtigen en rijken, welke hem zoo zeer ontbraken.
Op het perron van 't stationnetje namen zij van elkander afscheid. Sylvain beloofde vast reeds den volgenden ochtend met de schilderijen bij zijn kooper aan te gaan en hoopte wel dat hij over weinige dagen Fonske eenig gunstig bericht zou kunnen zenden.
Den volgenden ochtend--Fonske was bezig aan wat decoratiewerk in het gemeentehuis--klopte de daar langs komende postbode op een der ramen om zijn aandacht te wekken.
--Fons, vroeg hij, toen de jonge man met zijn borstel in de hand naar buiten kwam, het-e gij gisteren oavond ou schilderijen in den trein nie loate stoan?
Fonske schrikte geweldig.
--Mijn schilderijen! Ha 'k hé ze meegegeven aan iene van mijn kameroaden!
--Hawèl, den dienen hé ze vergeten stoan, zei de postbode. Gelukkig hét de conducteur ze gevonden en, omdat hij ou kent, hè z' hij weere noar Meulegem meegebrocht. Ze stoan in de stoassie.
Fonske liet vallen wat viel en holde wanhopig naar huis toe.
Juist kwam zijn moeder hem gansch ontsteld te gemoet, met een blauw papiertje in de hand.
--Och Hiere, Fons, 'n dépêche! Wa mag da zijn!
't Was van Sylvain. Hij maakte excuses, had gelukkig vernomen dat de schilderijen weer naar Meulegem waren, vroeg onmiddellijk terugzending aan zijn adres.
Drie dagen later ontving Fonske een tweede telegram:
"Vier schilderijen verkocht samen driehonderd vijf en zeventig frank."
't Was of Fonske eensklaps gek werd. Hij sprong letterlijk op van geluk, hij danste van geluk en kwam met 't blauw papiertje naar zijn moeder toegeloopen, luid-jubelend.
--Moeder! moeder! 't 'n es niet te geleuven! Vier schilderijen verkocht veur drei honderd vijf en tsjeventig fran! moeder, moeder, we zijn rijke!
XVI.
Die dag van het bezoek zijner vrienden teekende een ommekeer in Fonske's leven. Hij was niet langer 't schuwe mannetje, dat vreesachtig-eerbiedig opzag tegen al wat boven hem stond; 't gelukte hem althans iets van de overgeërfde slaafsche onderworpenheid van zich af te schudden.
Hij voelde zich opeens rijker geworden; niet alleen door het verdiende geld, maar rijker van gemoed. Hij kon meer, hij durfde meer, hij mocht meer. Er kwam iets mannelijks in hem, hij hield het hoofd op, zijn oogen keken recht en frank de menschen en de dingen aan, zijn stap werd vlugger, veerkrachtiger. Er lag een helder doel voor hem in het verschiet, waaraan veel ander heil verbonden was en waar hij flink op afstuurde.
Hij wilde kunstenaar worden, hij wàs kunstenaar, hij zou er zijn brood mee verdienen!
Het eerste wat hij deed was op beleefden, doch vasten toon aan Van Belleghem te gaan zeggen, dat hij voortaan nog wel binnenhuis-versiering en decoratie-geschilder, maar geen kladpotters-facade-werk meer wenschte te verrichten. Zoo iets beviel Van Belleghem maar half en even zette hij een norsch gezicht; maar Fonske hield vol, vertelde van de vier verkochte schilderijen en Van Belleghem lei zich uit nooddwang bij den toestand neer. Trouwens, 't was of het zoo wezen moest: nog denzelfden dag ontving Van Belleghem een aanvraag tot wandversiering van een nieuwe, bij het station gebouwde herberg en Fonske werd de als van zelf aangewezen persoon om het werk uit te voeren. De condities waren mooi, hij ging met Van Belleghem kijken. Zij kregen accoord en er werd besloten dat Fonske de vier herbergwanden met waterverf-tafereelen zou beschilderen: een hertenjacht in groene bosschen, een wolvenjacht op de sneeuw en verder 't kasteel van meneer den graaf en 't kasteel van meneer den baron, ieder op zijn heuvel, met de rivier en de weilanden vol grazend vee er onder. Te vergeefs had Fons gepoogd, uit een begrip van logisch verband, de wolvenjacht te doen vervangen door een ander tafereel, b. v. door het kerkje en het oude molentje, aangezien er misschien nog wel herten, maar zeer zeker geen wolven in den omtrek meer bestonden. Doch de bierbaas had absoluut op de wolven aangedrongen en Fonske moest, met tegenzin, wel toestemmen. Het ging niet zonder eenige moeite. Sylvain en Florimond hadden met hem wel eens gesproken over wat zij noemden "hun artistiek geweten", dat hun slechts toeliet die werken uit te voeren, welke met hun esthetische opvatting strookten. Nooit weken zij van dit hardnekkig-vastgehouden beginsel af en Fonske vroeg zich even af, of het nu ook zijn artistieke plicht niet was onwankelbaar zijn meening te verdedigen. Hij deed het echter niet. Voor ditmaal gaf hij toe, vast besloten, later, als hij nog wat sterker in zijn schoenen stond, geen enkele concessie meer te doen.
Toen kwam iets anders aan de beurt. Een artiest mocht wel eigenaardig, maar niet schunnig gekleed loopen. Een artiest toch was een heer, en, als zoodanig, diende hij zich netjes voor te doen. Met een deel van de drie honderd vijf en zeventig frank, kocht Fonske zich nieuwe kleeren. Hij nam ook de gewoonte aan, elken dag, ook op zijn werk, een witte boord te dragen, en hij liet zijn haar groeien en machinaal streken af en toe zijn vingers in krullende beweging op zijn bovenlip, waar zich een donzig snorretje begon te ontwikkelen. In enkele weken tijds was Fonske zóó veranderd, dat de menschen hem niet meer herkenden.
In de stad had het kringetje zijner kennissen zich ook langzaam uitgebreid. Zijn verkochte schilderijtjes waren, met werk van andere jonge schilders, in een klein zaaltje ten toon gesteld geweest, en enkele menschen waren hem komen aanspreken, hadden hem komplimentjes gemaakt. Zelfs had een locaal kunstblaadje waardeerend over zijn arbeid geschreven. Meer en meer ontwikkelde hij zich tot bewuste zelfstandigheid en voelde hij hoeveel ruimer de wereld en het leven waren, buiten het nauwe kringetje, dat totnogtoe zijn blik omgrensde. De regeerende kasteelen van zijn nederig dorpje schenen hem niet langer de eenige, bestaande wereldmachten; meneer de graaf, meneer de baron, meneer Gaëtan of jonkvrouw Elvire de eenige voorname en superieure wezens: hij zelf nu voelde zich dagelijks ontwikkelen en stijgen en naarmate hij steeg kwam het hem voor of de traditioneele afgoden daalden en of hij meer en meer met hen op een gelijk plan kwam te staan.
Hij sprak nu tamelijk goed Fransch, hij kon een Fransch gesprek volgen en er min of meer deel aan nemen, hij had reeds eenmaal, vrij voldoende, een franschen brief beantwoord. En, wat wel teekenend was voor zijn ontwikkeling: hij begon ook in andere kunst-uitingen belang te stellen: hij las boeken, 's avonds, als hij tijd had en meer dan eens was 't reeds gebeurd, dat hij ook na de teekenacademie in de stad bleef, ergens, met vrienden, in een eenvoudig restaurantje lunchte en daarna een muzikale of theatrale matinee bijwoonde.
Ongeloofelijk-sterk werkte aldus de wrijving van gedachten, het kritisch aanhooren, aanschouwen en genieten van verschillende kunst op hem in. Hij kon het lang niet alles in zich opnemen en verwerken; 't was ineens veel te rijk-en-afwisselend, maar dat loste zich dan langzaam-bezinkend in hem op gedurende de vele rustig-stille dagen van de arbeidsweek en voortdurend verrijkt in levenskennis en ervaring kwam hij bij het reeds verkregene en begrepene nieuwe schatten oogsten.
XVII.
Zoo maakte hij ook eens, door tusschenkomst van Florimond en Sylvain, wier relaties zich vrij breed vertakten, kennis met een personage en een wereld waar hij vroeger wel eens van gehoord had, maar die steeds, door de dorps-autoriteiten afgeschilderd werden als het snoodste en slechtste dat er kon bestaan. Eens, op een kleine tentoonstelling, waar hij weer iets ingezonden, en zeer gelukkig verkocht had, werd hij voorgesteld aan Kappuijns, het alombekende, verafschuwde, of verafgoodde, kopstuk der sociale volkspartij.
Fons herinnerde zich, dat meneer de pastoor meer dan eens, in zijn sermoenen, tegen Kappuijns en zijn verderfelijken invloed had gepredikt. Geen mensch, op 't dorp, zou het gewaagd hebben met zulk een man ook maar even om te gaan en nu stond Fonske vóór hem, vóór dat levend zinnebeeld van snoodheid en van zonde, alsof het niets was.
Hij beefde ervan en sloeg eerst, als duizelig, de oogen neer. Hij kon den doorpriemenden blik van dien man niet verdragen. Dat was nu ook een heerscher, maar van een gansch ander soort dan de heeren der regeerende kasteelen. Als eenvoudig werkman was hij de kamp om het bestaan begonnen, hij had geleden en gestreden, hij had zelfs maanden doorgebracht in de gevangenis voor zijn te kras-geuite meeningen; en nu stond hij daar, ongebroken en krachtiger dan ooit, man van het woord en vooral man van de daad, sterk als een rots tegen de aanranding, gevreesd en zelfs geëerd door velen, die destijds gepoogd hadden hem dood te drukken. Hij was een groote macht geworden door zijn taaie werkkracht en knappe volharding, hij had de menschen overwonnen en naar zijn eigen, sterken wil gekneed en daarbij was hij zuiver en eerlijk gebleven, verre verheven boven 't lage ideaal van geld en weelde, dat voor zoovelen het hoogste, maar voor hem slechts een ondergeschikt deel was van wat hij had willen en kunnen bereiken.
Hij sprak met Fonske over de beteekenis der kunst en onder 't spreken had hij die knedende bewegingen der handen die hem eigen waren en waarmede hij zijn argumenten om zoo te zeggen tot concreet-voelbare bewijsstukken scheen te verwerken. Wat speet het hem, dat hij zelf geen kunstenaar was! Wat was er nog veel, oneindig veel te scheppen en hoe zou hij die wereld van gewaarwordingen en ervaringen, waar hij vol van was, die bij hem overborrelde, met aangrijpende kracht uitgebeeld hebben! Hij keek naar Fonske's schilderijen en vond er wel veel goeds in, maar wat was er nog oneindig veel meer en grooters en diepers te verwezenlijken! Het gansche lijden van het proletariaat was nog in duizenden en duizenden schakeeringen te beelden, en 't moest en 't zou geschieden door de krachtige jongens uit het volk, die des volks ellende hadden meegeleefd en meegestreden. Waarom een droomerig, arcadisch landschap uitgeschilderd, terwijl er in dat landschap mannen zwoegden, dag aan dag, van den ochtend tot den avond, hun gansche leven lang, in afbeulende verstomping, voor een ellendig stuk brood! Wat was, van uit een menschlievend en zelfs gewoon-menschelijk standpunt beschouwd, aangrijpender: een lichtekooi of rijke dame met prachtsieraden in een luxe-koets, of een arm fabrieksmeisje dat, in lompen neergehurkt, tegen den barren muur dier fabriek, van afgematheid zit te hijgen! En waarom, als schilders conterfeitsels van den oorlog wilden scheppen, waarom moesten het telkens schitterende uniformen zijn, en steigerende paarden, en wapperende vlaggen en trofeeën; en niet de gruwelijke, anonieme, vuile en triestige doodsellende van één enkel, onschuldig, afgemarteld wezen: het simpel soldaatje, één en miljoenenvoudig, de Menschheid zelve, die voor de grillen of belangen van slechts enkele machtigen vermoord wordt? Ja, de leelijkheid, de vuilheid, de gore, vieze, triestige, stinkende vuilheid en niet het valsche klatergoud van den oorlog, wie zou dát eindelijk eens schilderen?
Hij wond zich op, hij liet zich gaan, hij kneedde zijn woorden als ballen, weldra, als hield hij een publieke voordracht, door een schaar van gretige toehoorders omringd; en de twee estheten, die het heelemaal niet met hem eens waren, en zelfs voor een man van zijn groote beteekenis niet de minste deferentie toonden, schreeuwden hem namen in 't gezicht: Millet! Géricault! Delacroix! terwijl Fonske voor het geweld van 't twistgesprek achteruitdeinsde, als door schrik bevangen. Maar nieuwe horizonnen gingen meteen voor hem open; wat die man, wat die geweldige Kappuijns bereikt had, konden ook anderen in een andere lijn bereiken: men moest vooral willen en durven, hartstochtelijk, fanatiek, met nooit-vermoeide werkkracht, de oogen steeds halsstarrig-strak gevestigd op zijn ideaal. Kappuijns' blakende woorden waren als een stroom van ontembare energie over Fons heen gevloeid; 't werd in hem als een plotselinge openbaring van nog nooit vermoede, eigen kracht; die sterke man had, in enkele minuten tijds, als 't ware een nieuwe wereld voor het nuchter buitenkind geopend.
XVIII.
Hij had hem ook bovenal,--en voor het eerst, en heel wat sterker dan totnogtoe de woorden van zijn vrienden deden, zijn volle waardigheid als onafhankelijk mensch doen voelen en beseffen.
Hij was zooveel waard als een ander mensch: zooveel als meneer de graaf, zooveel als meneer de baron, zooveel als meneer Gaëtan, ondanks het verschil van maatschappelijken stand en fortuin. Hij mocht verliefd zijn op de jonkvrouw, evenals hij mocht verliefd wezen op Lisatje; dat maakte geen verschil: de eene was niet meer dan de andere. En hij had zelfs het recht verliefd te zijn op alle twee; het was geen schande, zooveel groote kunstenaars--dat had hij immers herhaaldelijk van Florimond en van Sylvain en ook van vele anderen gehoord--zooveel groote kunstenaars waren te gelijkertijd op meer dan ééne vrouw verliefd geweest, werden door meer dan ééne vrouw in hun voortreffelijkste werk geïnspireerd.
Wàs hij nu eigenlijk verliefd op de jonkvrouw? Ja, hij dorst het ten slotte aan zichzelf bekennen: hij wàs verliefd op haar!
Hij was verliefd op haar, als op het hoogste en schoonste, dat hij kende; verliefd op haar als op een beeld van inspiratie, dat men in een idealen droom aanbidt. Zij was dè Schoonheid zelve, de schoonheid van alles voor hem, en zijn aanbidding, die hij in zijn eigen diepste binnenste toch als iets gruwelijk-gewaagds, als iets misdadigs en bijna als iets wandadigs verborg, had feitelijk de naïeve, frissche reinheid van een kinderlijke poëzie. Hij waande zich groot-menschelijk, bijna tyrannisch-menschelijk in zijn dweepende liefde, en had hij haar maar één enkele maal die vereerende liefde in woorden mogen uitdrukken en éénmaal van haar hooren, dat zij hem ook zoo beminde, nooit zou hij iets anders of iets meer gewenscht en gevraagd hebben. 't Was de romantische aanbidding van een herdertje voor zijn koningin!
Vreemd: van op een afstand, terwijl hij met zijn vrienden in de stad over haar sprak, scheen hem, wat hij als de verwezenlijking zijner liefde beschouwde, oneindig veel gemakkelijker te bereiken, dan wanneer hij dichter in haar nabijheid was. Zoo op een afstand stond ze meer in nuchtere realiteit, als gewoon mensch, als vrouw voor hem. De kameraadjes hielden hem graag een beetje voor den mal met zijn voorname liefde, en hij kon het nu best velen en ook even meelachen, gelukkig zelfs dat het gesprek zoo ongegeneerd over haar liep. Maar in het dorpje, onder de aristocratische bescherming der regeerende kasteelen, werd zij dadelijk weer de ongenaakbare godin, waarnaar hij zelfs niet op dorst kijken. Hij moest haar maar even van verre zien aankomen; hij moest slechts haar vader, haar moeder, of zelfs haar gouvernante zien, terstond gaapte de afstand, die anders niet meer bestond, hem als een afgrond aan en weer voelde hij zich het jongetje van niemendal, het koewachtertje, het slaafje, dat van haar weldaden leefde. En hij begreep heel goed dat alleen iemand uit haar eigen stand, zooals meneer Gaëtan, ooit op haar kon aanspraak maken.
Nog steeds werd er in 't dorp verteld, dat die twee zeer zeker met elkander zouden trouwen. Men zag ze altijd samen, zij groeiden samen op, het kon bijna niet anders. Wel kwamen er ook dikwijls andere jongelui en jonge meisjes op de twee kasteelen, doch dat was maar tijdelijk: die bleven een poosje en verdwenen, terwijl de jonker en de jonkvrouw aldoor samen bleven. Fonske wist dat zoo goed als iedereen en soms dacht hij daaraan met stillen weemoed en liet zich in zijn droomen en gepeinzen gaan. Als hij nu eens meneer Gaëtan was in plaats van Fonske Vermaere! Rijkdom kon hem weinig schelen, maar jonkvrouw Elvire!.... O, wat zou hij gelukkig zijn! En hij aanzag meneer Gaëtan als een soort halve God op aarde, die wellicht den omvang van zijn eigen groot geluk niet eens kende. Langdurig kon hij den jonker staan nakijken, waar hij hem in het veld zag wandelen of door de straat zag gaan; hij ontleedde gansch zijn houding, kleeding en manieren; hij spande zich in om te begrijpen welke bekoring wel van zulk een man mocht uitgaan, en vergeleek dan met zichzelf en hoe hij er wel zou uitzien als hij zulke kleeren en manieren had als meneer Gaëtan. Het werd een imitatie: Fonske kocht zich een hoed en een das zooals meneer Gaëtan er droeg en eens, op een vroegen zondag-ochtend, vond zijn moeder hem in het slaapkamertje bezig met zich achter op het hoofd een "boulevard" te kammen.
--Ha moar jongen, wa peist-e gij! Ge kamt ou lijk menier Gaëtan! riep de vrouw verbaasd.
Fonske kreeg een heete kleur van schaamte en antwoordde kregel, haastig weer zijn haren platstrijkend.
--Och, moeder, zij-je nie wijs; 't es omda 'k 'n beetse brand hé op mijn achterheufd.
--Ha joa joa, zei de vrouw gerustgesteld. 'k Miende dat-e menier Gaëtan wildet noardoen. Ge 'n zoedt nie meugen, jongen, ze zoên 't ons kwoalijk nemen op 't kastiel.
--Kwoalijk nemen! Kwoalijk nemen! Ne meinsch mag hem toch wel kammen lijk of hij wilt, pruttelde Fonske misnoegd.
De moeder ging daar maar liever niet verder op door.
XIX.
Ondertusschen had zich althans één vast voornemen, ontstaan uit zijn ontwaakte waardigheidsgevoel als mensch, in hem als 't ware vastgeschroefd. Hij wilde niet langer geldelijk door de jonkvrouw of haar ouders ondersteund worden. Hij had het ook niet meer noodig; hij verdiende nu langzamerhand genoeg om heel netjes in zijn onderhoud en in dat van zijn moeder te voorzien; hij wachtte zelfs maar op een gelegenheid om met haar op een deftiger stand te gaan wonen; en hij besloot, vóór het wintervertrek naar de stad, aan de jonkvrouw een brief van dank te schrijven en haar daarbij nog eens een van zijn beste schilderijtjes als geschenk aan te bieden.
Hij oordeelde, dat hij nu ook wel genoeg Fransch kende, om zijn brief in die taal te schrijven. Dat stelde hem alweer op meer gelijken voet met haar; hij ging maar dadelijk aan 't werk, en toen hij er, na groote inspanning, mee klaar was, liet hij hem den volgenden zondag lezen aan Florimond en aan Sylvain, om er, zoo noodig, nog de fouten uit te halen.
De twee estheten trokken eerst erg hun neus op. Zij vonden het een laffe zwakheid van Fons, dat hij haar in 't Fransch wilde schrijven. Juist tegenover zulke lui, die de waardigheid van hun nationaliteitsbewustzijn heelemaal verloren hadden, diende men dit gevoel in zichzelf krachtig en scherp-levendig op te houden. Fons had zijn brief in het nederlandsch moeten schrijven. Doch zij kregen ten slotte medelijden met hem en ondanks zijn weerzin haalde Florimond de fouten uit het epistel, die talrijk waren.
Thuis gekomen schreef Fonske den brief op mooi papier zorgvuldig over. Dan koos hij uit, wat hem het mooiste van zijn schilderijen leek: het dorpje onder sneeuw, met de ontbloeiende lichtjes bij invallenden avond, en vroeg den dorpsveldwachter of hij dat naar het kasteel wou brengen. Eerst had hij gedacht er zijn moeder mee te zenden, maar toen voelde hij als 't ware iets vernederends voor zichzelf in die opdracht. Beter ging het door den veldwachter. Zoo had het iets gewichtigers, iets meer officiëel, iets dat paste bij de plechtigheid van den franschen brief. De veldwachter, trouwens, vroeg niets beters. Zijn dikke borrelneus bewoog van de pret, toen Fonske hem een frank gaf om onderweg een paar "dreupelkes" te drinken.
Twee dagen later kwam het antwoord. Fonske, die van zenuwachtige ontroering tweemaal vier en twintig uur bijna niet at noch sliep, zag den derden dag tegen den avond een der lakeien van 't kasteel, buigend onder 't lage deurtje, moeders huisje binnenstappen. Hij liep hem na, ontving den brief uit zijn handen.
Reeds het adres was een emotie:
Monsieur Alphonse Vermaere artiste-peintre Meulegem.
Voorzichtig, met trillende vingers, trok Fons den omslag open.
Monsieur,
Quelle agréable et double surprise vous me faites en m'envoyant une lettre écrite français et en y ajoutant le charmant effet de neige! J'ignorais totalement que vous connussiez le français et surtout que vous l'écriviez si bien. Je vous en fais mon compliment le plus sinçère et suis heureuse de constater qu'il ne vous manque plus rien maintenant pour devenir un grand artiste. L'oeuvre que vous y ajoutez du reste le prouve et je suis très contente de la posséder et vous remercie sinçèrement.