Van hoog en laag Het eerste levensboek

Chapter 4

Chapter 43,920 wordsPublic domain

Reeds hun uiterlijk boezemde 't eenvoudig kind van 't platteland zulk een ontzag in. Zij waren alle twee een hoofd langer dan Fonske, sterk en flink als echte mannen, met oogen vol zelfvertrouwen en een baard, dien zij maar lieten groeien: blond bij Florimond, bruin bij Sylvain. Hun geest, hun ideeën, waren als de uiting zelve van hun fyziek wezen. Alles bij hen klonk affirmatief-beslist, sterk voor of sterk tegen iets, zonder toegevendheid noch middelmaat. Er waren geen vraagstukken, op welk gebied ook, waar ze geen verstand van hadden en waarvoor ze niet dadelijk de oplossing vonden. Zij wisten het en transigeerden nooit; 't was zoo en niet anders, en wie dat niet aannam was minder dan niets en had geen reden van bestaan. In een paar dozijn droge woorden brak Sylvain de gansche teeken-academie af en bouwde een nieuwe, onaantastelijke kunstleer op; met enkele grootzwaaiende gebaren haalde Florimond beeldhouwkunst, poëzie, litteratuur en tooneel omver en rees zelf, als een jonge Titan, op de puinen daarvan in de plaats. Zoo had Fonske hen dikwijls bezig gehoord, de een exuberant en praterig, de andere koel en stil, en zoolang had hij in bewondering naar hen staan gapen, tot zij hem eindelijk opgemerkt en, door zijn stille vereering gevleid, eenigszins in hun midden opgenomen hadden.

Zij toonden belang in hem te stellen en hadden gevraagd wie hij was en hoe hij op de teekenacademie was gekomen.

Fonske, met kleurende wangen, vertelde hun van den graaf, en van den baron, en van jonkvrouw Elvire, en van meneer Wattenberg. Bij het hooren van dezen naam schimpten zij vinnig: dat was een uil, een ploert, een vent van niks, maar de bescherming van den graaf en zijn dochter stemde de twee intransigante estheten tot grondiger nadenken, en weldra uitte de prater van het tweetal, zijn ideeën over het geval en wat er van kon komen.

--De kunst, zei hij, stond boven alles. Dat was het hoogste en eigenlijk het eenigste. Al het overige was niets, bestond niet. Fonske, als schilder met talent,--en dat zou hij worden--stond hooger, duizend maal hooger dan de graaf, en de baron, en de jonker, en de jonkvrouw. Maar Fonske was arm en dat maakte hem ondergeschikt. Hij moest dus, als het kon, zien rijk te worden. Zij allen, artiesten, moesten trachten rijk te worden, hadden het recht en zelfs den plicht zoo spoedig mogelijk rijk te worden, omdat rijkdom vrijheid was en vrijheid, volle, onbezorgde en onbegrensde vrijheid onontbeerlijk voor 't ontbloeien van de kunst. En in Fons' speciaal geval was de weg zeer eenvoudig en zeer helder aangewezen: de jonkvrouw was rijk, zij had zich voor hem geïnteresseerd, hem onder haar bescherming genomen: hij moest het er dus maar op aanleggen om haar zoo spoedig mogelijk tot de zijne te maken. Nog eens: Hij was in niets haar mindere; wel integendeel in alles haar meerdere, behalve in 't fortuin. De jonkvrouw mocht zich zeer gelukkig achten als ze door haar geld, door haar ellendig geld, later een groot kunstenaar tot echtgenoot kon hebben.

Fonske luisterde vreemd op, en vroeg zich even af, of die twee hem soms voor den gek hielden. Doch neen, in 't geheel niet, zij waren volkomen ernstig; de stille beaamde met gewichtig hoofdgeknik de woorden van den prater, en beweerde in een paar korte zinnen, dat zulke dingen veel gebeurden, dat er ontelbare voorbeelden van waren.

Vol van tegenstrijdige gedachten en gewaarwordingen ging Fonske dan naar huis en bespiegelde tot in 't oneindige de mogelijkheid van de hem voorgetooverde illuzie. Dat leek hem alles wel bereikbaar en gemakkelijk zoolang hij ginds in de stad was en de moed-ingevende, opbeurende woorden van Florimond en van Sylvain aanhoorde, maar hier, in 't nederig dorpje waar eigenlijk iedereen gebukt ging, en vooral in het armoedig huisje van zijn moeder, zoo zwak en klein, onder de wel-beschermende, maar tevens benauwende schaduw der twee machtige, regeerende kasteelen, hier leek het plotseling weer domme waan en onzin, en de jongen werd boos op zichzelf, dat hij ook maar één enkel oogenblik ernstig zulk een ongerijmde hersenschim kon koesteren. Hij schudde 't als een gekheid van zich af, hij wilde er niet meer aan denken, hij wilde aan niets meer denken dan aan zijn kunst, die hem meer en meer in beslag nam en waaraan hij tot de laatste minuutjes van zijn zoo zeldzame vrije uren opofferde.

XIV.

Hij maakte vorderingen. Hij voelde zelf dat hij vorderingen maakte en dat gevoel vervulde hem met kracht en moed. Eens had jonkvrouw Elvire hem iets van haar eigen werk getoond en zóó vast en zeker en toch zonder eenigen overmoed wist hij, dat het zijne daar nu reeds verre boven stond, dat dit vluchtig bewustzijn, althans in iets haar meerdere te zijn, hem dagen lang troost had gegeven. Hij wist het, hij wist het met de volste zekerheid; en niet alleen hij, maar ook zij zelve had het gevoeld, want zij had hem gezegd:

--Gij keunt dat al veel beter als ik, Alfons.

Alfons! Zij noemde hem nu niet meer Fonske, gelijk vroeger, maar gaf hem zijn vollen naam. Zij sprak tot hem als tot een man, en, waar zij over kunst sprak, als tot een gelijke en weldra als tot een meerdere. Een gelijke! Zou het dan toch mogelijk zijn wat Florimond en Sylvain hem steeds met kracht bleven voorspiegelen! Als kunstenaar, ja, maar verder!.... Had hij maar de kennis, de wetenschap, de instructie, de manieren, en ook het onverstoorbaar zelfvertrouwen en aplomb van zijn twee vrienden; maar daar had hij niets van, helaas! hij wist niets, hij kende nog niet eens enkele woorden Fransch--de taal die zij gewoonlijk sprak--en hoe knapper hij werd in zijn kunst, hoe dieper en schrijnender voelde hij alles wat hem nog zoozeer ontbrak aan verdere opleiding.

Kon hij althans maar een beetje Fransch, om niet altijd in zijn plat vlaamsch dialekt met haar te moeten spreken! Maar wie zou het hem leeren? Hij piekerde daarover, hij dacht er halve nachten over na en voelde zich radeloos-ongelukkig. Dat kwam hem ineens als een alles-overwegende hoofdzaak voor. Dat hij arm was, dat hij laag werk moest verrichten om aan zijn brood te komen, dat hij met zijn moeder in een hutje woonde, dat alles leek hem niets, vergeleken bij het groote euvel, dat hij geen enkel woord Fransch kon spreken. En eens, in den nood van zijn ontreddering, bekende hij 't aan Florimond en aan Sylvain:

--'t Zoe meschien meugelijk zijn, da 'k moar 'n beetse Fransch kon.

--Leert heur vloamsch! antwoordde Florimond, die een vurig vlaamsch-gezinde was.

--Da kan ze, zuchtte Fonske.

Florimond keek hem strak aan, met glimlachenden mond en schitterende oogen, als in geestdriftig nadenken.

--Hawél, weet-e watte: 'k zal ou Fransch leeren.

Fonske sprong van blijdschap op.

--O! da-ge dá wilde doen! Da-ge dá wilde doen! smeekte hij als in een vrome bede.

XV.

En het gebeurde. Elken zondag, na de teekenles, nam Florimond, de heetgebakerde, hartstochtelijke flamingant, die het Fransch goed kon maar onverzoenlijk haatte, Fons mee naar huis en gaf hem fransche les. Fonske schoot er wel zijn middagmaal bij in, maar wat kon het hem schelen: hij leerde Fransch!

De eerste keeren waren pijnlijk. Fonske wanhoopte of het wel ooit zou gaan. Maar hij wilde met een stugge energie en eindelijk ging het een beetje. Weldra kon hij sommige dingen in de courant lezen en een elementair gesprek voeren.

Maar behalve 't speciale doel waarvoor het buitenkind zich wenschte te ontwikkelen, deed de groeiende kennis in hem ook van lieverlede een gansche wereld van onbekende emoties en verlangens ontwaken. Hij voelde reeds den invloed der beschaving in haar duizenden vertakkingen en 't was hem als een telkens nieuwe openbaring, als de kennismaking met een tooverwereld waar hij 't wonderkind van was. Wat was het leven anders dan 't geen hij tot nog toe op zijn dorpje kende! Wat was 't oneindig rijker en veelzijdiger! En, de algemeene verschijnselen tot zijn eigen bestaan terugbrengend, dacht hij aan 't geen er noodzakelijkerwijze in moest veranderen om hem eenigszins op het peil te brengen, waar hij zich, althans voorloopig, wenschte te handhaven. Hij moest andere, meer steedsche kleeren dragen; hij moest het minderwaardig werk, bij Van Belleghem, zoo spoedig mogelijk verlaten om zich, zoo veel en zoo uitsluitend als 't maar kon, enkel aan zijn kunst te wijden; en eindelijk moest hij zijn moeder zien te bewegen om zich ook netter en fatsoenlijker te kleeden en een andere, ruimere, ietwat deftiger woning te betrekken. Maar voor dat alles was geld--en nog wel tamelijk veel geld--noodig; en hoe zou hij daar aan geraken?

Naarmate zijn betrekkingen met Florimond en Sylvain intiemer werden, drong hij ook wat dieper tot hun eigen leven door en kwam er van zelf toe hun voorbeeld eenigszins te volgen. Dat waren krachtige modellen, van wie een sterken invloed en een vast vertrouwen uitging. Sylvain had weer een schilderijtje verkocht en van Florimond waren verzen opgenomen in een tijdschrift dat betaalde; zij hadden beiden geld op zak; en Fonske, door zijn sterk verlangen en den nood gedwongen, nam eindelijk al zijn moed bij elkaar en vroeg eens aan Sylvain:

--Keunt-e mij euk nie ne keer aan azeu ne keuper helpen?

Nog al verbaasd en misschien wel een ietsje geërgerd over Fonske's durf, keek Sylvain naar hem op. Maar meteen voelde hij zich gevleid dat het buitenkind zoo nederig zijn hulp inriep, en, na een oogenblikje aarzeling, antwoordde hij, flegmatisch-kortaf, als naar gewoonte:

--Misschien. Hèt-e wat?

--Joa joajik, verzekerde Fonske.

Tot nog toe hadden de beide estheten zich eigenlijk niet geïnteresseerd voor wat Fonske, buiten de academie-lessen om, al of niet aan teekenen en schilderen presteerde. Evenmin hadden zij eenig verlangen getoond om te weten waar hij woonde of kennis met zijn omgeving te maken. Nu leek het hen echter wel leuk om daar eens heen te gaan en op een mooien zondagmiddag werd het plan ten uitvoer gebracht.

Na iets gebruikt te hebben in een restauratie--ook al weer een ontroerende nieuwigheid voor Fonske, waar hij zich voorzeker nooit alleen zou gewaagd hebben,--haalden zij den trein en stapten een half uurtje later bij het klein stationnetje Meulegem af.

Fonske had vooruit zijn moeder gewaarschuwd. Zij zou zich op haar uiterst-best-mogelijk aankleeden en het armoedig huisje zou er zoo weinig armoedig en zoo netjes uitzien als het maar kon.

't Was geen geringe emotie voor Fonske, toen hij zoo tusschen zijn twee voorname vrienden den weg naar 't dorp opwandelde. Zij droegen breedgerande, zwarte deukhoeden op hun wilde haren en hadden elk een zwaren knuppel mee, alsof ze zich aan een aanranding verwachtten. Zij waren echte stadsmenschen, die nooit naar buiten kwamen en zij stelden Fons al dadelijk de gekste vragen over wat zij op het land bemerkten.

Hun verschijning maakte ophef. Die langen haren, die groote hoeden, die wild-groeiende baarden, 't was alles heel ongewoon op Meulegem; de deuren vlogen in 't voorbijgaan open en Fonske hoorde duidelijk genoeg de onbehouden-nieuwsgierige uitroepingen:

--Wie zijn datte? Mee wie leupt Fons Vermoare doar? Ha da zijn zeker zotten!

Florimond glimlachte, zeer uit de hoogte:

--De naturellen 'n zijn hier nie geweune van meinschen te zien, geleuf ik!

Eigenlijk schaamde Fons zich een beetje, èn over 't eigenaardig uiterlijk van zijn twee vrienden, dat niet paste in die omgeving, èn over de opdringerige onbescheidenheid zijner mede-dorpelingen. Vóór het "Vosken" onder andere, waar Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers met nog twee andere jonge boerenkinkels aan het bolspel waren, ging het er wel wat erg toe. Zij staakten hun spel om met gapende monden en oogen te kijken en Feelke riep brutaal-luid terwijl ze voorbijtrokken:

--Fon, .... verdome, .... wa ès da? Mee wie leupt-e gij doar?

Fons gaf geen antwoord, maar achter hun rug ging een hoongebrul op, gevolgd door hevig schaterlachen.

--'t Zijn hier nog wilden, glimlachte kalm Sylvain.

Fonske was maar blij dat ze al spoedig aan zijn huisje waren.

--Welgekomen, meniers, welgekomen! groette Fonske's moeder, hen nederig op haar drempel te gemoet komend.

Zij namen even hun geweldige flaphoeden af en groetten haar als "madam".

--Tut tut tut, madam, Noem gulder mij "vreiwe" meniers. We 'n zijn wij moar simpele wirkmeinschen, meniers. Kom binnen as 't ulder blieft.

Zij traden binnen, hun hooge gestalten onder 't laag deurgewelf buigend.

Fonske leidde hen in 't slaapvertrek, liet hun daar zijn schilderijen zien.

--Dàt es slecht! riep dadelijk, op categorischen toon, Florimond, naar een doek waarop 't kasteel stond afgebeeld, wijzend.

Sylvain, sprakeloos, hoofdknikte beamend. Fonske voelde zich pijnlijk te leur gesteld.

--Menier Wattenberg vond het pertan [1] goed, waagde hij schuchter.

Dat deed de anderen opspringen.

--Dat es wel 't duidelijkst bewijs dat 't niet 'n deugt! triomfeerde Florimond. En Sylvain, vol minachting glimlachend, beaamde nogmaals met een zwijgend hoofdgeknik.

Andere doeken werden getoond.

--Dàt es goed, zie, dàt es goed! riep Florimond een landschapje ter hand nemend. En, op een spottoon:

--Wat hè menier Wattenberg dóarvan gezeid?

--Hij 'n hè 't nie gezien, antwoordde Fonske.

--Dìt es goed, dìt is nog veel beter, zei nu op zijn beurt, in kalme woorden, Sylvain, een lijstje uit den stapel nemend. En hij ging er mee bij 't raampje staan.

't Was 't conterfeitsel van Lisatje Van Belleghem. Zonder het zelf te weten had Fonske er iets werkelijk-aardigs van gemaakt. Hij had het jong meisje de profil geschilderd, tegen het licht van een kleingeruit raampje, dat uitzicht op een bloementuintje had. En het frisch wangetje, het mooi-omschaduwd bloemen-oogje, het zuiver voorhoofdje en heel het fijn profiel met blonde haren, alles kwam in zachte harmonie van lijn en kleuren overeen met de omgeving: 't was of het knap gezichtje midden in de bloemen stond, zelf bloem onder de bloemen, met iets van zalige verrukking om de half-ontsloten lippen, alsof het heerlijke geuren inademde. Nu kon ook Florimond niets anders dan juichend goedkeuren; zij gingen alle twee bij 't venster nauwkeurig de details ontleden en toen keerden zij zich met een oolijk lachje naar Fons om en vroegen hem of dat een meisje uit het dorp was.

--Joajoa 't, antwoordde Fons, 't es Lisatje Van Belleghem, 't dochterke van mijnen boas.

--'t Es spijtig da z'in de stad nie 'n weunt, 'k zoe euk ne kier heur portret moaken, zei Sylvain. En weer lachte hij ondeugend.

Fonske ging daar niet verder op door, maar de toon van zijn vrienden over Lisatje beviel hem maar half. 't Was eenigszins alsof de hand werd geslagen aan iets dat hem alleen toebehoorde. Hij voelde iets als een heel klein beetje jaloezie; en meteen kreeg Lisatje voor hem een beteekenis die ze totnogtoe niet had. Hij nam het schilderij en stopte het weg; liet andere dingen zien.

Zij vonden nog twee of drie stukken goed en al het overige onvoorwaardelijk prullen, en Sylvain besloot dat hij die enkele doeken zou meenemen en ze aan zijn kunstverkooper laten zien. Hij hoopte wel, dat hij er twee of drie van de hand zou kunnen doen. Fonske was al bij voorbaat dankbaar-tevreden.

Toen was er daar in 't huisje niets meer te bekijken en nu verlangden zij den tijd dien zij nog over hadden te gebruiken om iets van het dorp en de omgeving te zien.

--We zillen op de Meulenberg goan, zei Fonske. Van doar uit zie-je alles.

Zij gingen.

Fonske leidde hen eerst tusschen de enkele huizen van 't dorpje, waar alweer de menschen zeer nieuwsgierig op hun drempel kwamen kijken. Enkelen groetten met diepe buiging, uit slaafsche gewoonte hun heeren te groeten, maar de meeste deden het niet, gedeeltelijk omdat Fons er bij was, maar ook wel alsof zij instinctmatig voelden, dat het hier geen echte heeren gold, zooals zij die gewend waren. Toen zij voorbij het huis van Van Belleghem kwamen was Fons eigenlijk blij dat daar niemand op den drempel stond en hij zei hun ook maar niet, dat Lisatje daar woonde. Langs een smal, stijgend paadje, tusschen twee, dicht met kreupelhout begroeide zandheuvels, bracht hij hen boven op den molenberg.

Daar strekte zich een heerlijk zicht van urenwijde ruimte uit. En 't was zóó onverwacht, daar midden in het vlakke Vlaanderen, dat zelfs aan de twee stedelingen, vrij ongevoelig voor natuurschoon, een kreet van verraste bewondering ontsnapte.

Het gansche land lag er onder hun voeten, met bosschen, bouwland, weiden en rivier, in doezelige golvingen wegdeinend naar de blauwachtige heuvelverten, alsof een goede reus met groote, zachte hand in liefdevol gebaar over de wijde streek had heengeaaid. Hier had hij een glinsterenden zilverkronkel der rivier getrokken, dáár had hij een donker bosch geplant, ginds verder nog het tintlend goud der oogstvelden gestrooid, en alles als het ware overgoten met een heilig-stille atmosfeer van zoete rust. Het nietig dorpje, met zijn spits kerktorentje, dat daar vlak onder lag, was als een nestje van geluk en poëzie; de oude, grijze molen stond met naakt-gekruiste wieken in zijn eenzaamheid te droomen en heel in het verschiet, heel licht en nauwelijks zichtbaar boven de eindelooze, dichte deining van de donkere boomenkruinen heen, verrezen de hooge torens van de verre stad, ijl als lichtbakens over de wijde uitgestrektheid van een zee.

Fonske, trotsch dat ze zijn streek zoo mooi vonden, wees hun de twee kasteelen: 't kasteel van "menier den b'ron," 't kasteel van "menier de groave".

--Zeu 't es doar da ze weunt? glimlachte Florimond naar de koepels en de torens wijzend.

Fonske kreeg een kleur.

--Joa 't, knikte hij met inspanning.

--Hawèl, ik hier, en gij doar, Sylvain, schertste Florimond, om beurt naar de twee kasteelen wijzend, da zoe mij goan. En ou?

Sylvain grinnikte dat hij er niets tegen op had, maar dat er toch ook wel een plaatsje voor Fons en de jonkvrouw moest openhouden worden.

Zij gingen daar een tijd op door, tot stille ergernis van Fonske, die dat alles wel misplaatst vond; en eindelijk drukten zij 't verlangen uit, althans één van die twee kasteelen, het mooiste, waar Fons later zou wonen, van dichtbij te zien.

Fonske kon niet anders dan er hen heen brengen.

Zij huppelden vlug den molenberg af, liepen dwars door het dorp, kwamen in de weide.

--Wa veur 'n biest es dat! riep eensklaps Sylvain, angstig op zij springend.

Nu kon Fonske ook eens hartelijk met hem lachen.

--Zij-je gij schouw van nen oakpuit [2]! spotte hij.

Sylvain had blijkbaar nog nooit een kikker gezien. Met aandachtig wantrouwen ging hij 't beest nauwkeuriger opnemen, telkens weer 'n beetje schrikkend bij iederen wipsprong. Florimond, die wél eens kikkers had gezien, lachte hem vierkant uit.

--'K ben d'r vies van, griezelde Sylvain met opgekrulde bovenlip.

In kalme nieuwsgierigheid kwamen nu ook de koeien op hen af. Zij stapten loom en breed over de wei en bulkten. De beide stedelingen bleven staan en hielden hun knuppels in de hoogte.

--'t Zijn stieren! riep Sylvain.

Fonske moest schaterlachen, ging naar de koeien toe, klopte hen pletsend op de schoften:

--Ala, Bloare, ala, Blesse, uit de wig!

--'K 'n zoe buiten toch nie keune weunen, verzekerde Sylvain.

Zij kwamen bij de rivier en stonden vóór 't kasteel, Fonske vol overgeërfd ontzag, de beide stedelingen met iets superieur-schimpends in de oogen.

--'t Ziet er parvenu-achtig uit, beweerde Florimond; en Sylvain hoofdknikte, sprakeloos beamend. Fonske begreep het woord wel niet, maar voelde een afkeuring.

Florimond ging naar het bootje toe, dat aan den oever lag.

--O! ge 'n meug niet! schrikte Fonske, 't es 't beutse van 't kastiel.

--'t Beutse van 't kastiel! riep Florimond verbaasd. En 't ligt hier in de wei!

--'t Es gelijk, 't es 't beutse van de groave, doar 'n mag niemand mee voaren! verzekerde Fonske.

--Hoe komen de meinschen dan over 't woater? ergerde zich Florimond.

--Ginder, 'n endeke verder, aan den overzet van boerke Floncke, zei Fonske.

Zij volgden de rivier tot aan den overzet van boerke Floncke, waar, op hun geroep, een stevig-knappe meid hen met een bootje naar den anderen oever bracht. Zij liepen dwars door boerke's hof; de beide stedelingen even neus-dichthoudend voor een scherp-riekende mestvaalt en kwamen weldra in een lange, prachtige beukendreef, de dreef van het kasteel.

Fonske vond het niet bepaald prettig daar met zijn twee voorname vrienden te loopen. Eigenlijk achtte hij hen beter geschikt voor de stad dan voor buiten en 't speet hem wel een beetje dat hij ze naar Meulegem had meegenomen. Zij bewonderden zoo weinig wat hijzelf zijn leven lang had leeren waardeeren en vereeren, en hij wist niet goed of hij wel verheugd dan bang moest zijn voor een mogelijke ontmoeting met jonkvrouw Elvire of een der andere adelijke familieleden. Terwijl hij dat in zichzelf overwoog werd het gesnor van een automobiel hoorbaar en door 't kasteelhek kwam de welbekende, grafelijke auto aangereden.

Fonske kreeg een vuurkleur en trok zenuwachtig zijn vrienden bij de mouw.

--Z' es doar! kreet hij dof.

De twee estheten drongen op zij. Zij maakten front naar den weg en bleven onbeweeglijk staan, als palen. Heel langzaam kwam de open auto aangereden. Aan 't stuur zat meneer Gaëtan, naast hem jonkvrouw Elvire en in den achterwagen de Engelsche, die glimlachte met bloote tanden.

Fonske nam zijn hoedje af en groette met diep-nederige buiging. Hij kreeg een minzaam knikje, toch een beetje als van verre, terug. Toen vertrok 't gezicht der jonkvrouw plotseling als van ontstemde verwondering en in het snorren van den motor keek zij met hautaine strakheid naar de twee groote flaphoeden en de wilde baarden. De estheten hadden geen lid verroerd. In arrogant-stugge houding namen zij het meisje vrijpostig op en keken ook den jonker met zijn "boulevard" na. 't Was zóó gewild en vlug-vijandig, dat Fonske ervan schrikte. Met een grijnslach van minachting keerden zij zich in 't opgejaagde stof der auto om, en Florimond zei tot Sylvain:

--Ik 'n zoe ze nie moeten hén. En gij?

Sprakeloos-grinnikend schudde Sylvain het hoofd. Neen, hij ook niet.

--Wa veur nen ignobele crétin es dat, die nevens heur zit? vroeg Florimond aan Fonske.

--Menier Gaëtan, de zeune van menier den b'ron, antwoordde Fonske, die maar half begreep.

--Es dat heur lief?

De ruwe woorden troffen Fonske als een kaakslag. Nog nooit had hij iemand zoo oneerbiedig over hun traditioneele heerschers hooren spreken. Het deed hem pijn en het maakte hem nijdig. Hij gaf geen antwoord. En toch,.... diep in zijn binnenste, voelde hij een soort ontzag voor die twee flinke kerels, die zoo maar raak, en zonder vrees, de geduchte dorpsafgoden van hun voetstuk durfden gooien. Het was een kracht welke hij niet bezat; een vrijheid, en daardoor een waardigheid, hoe ruw ook, die steun gaf aan hun leven. Zij hadden niet gegroet, zij hadden niet het hoofd gebogen, zij kenden schuwheid noch ontzag, zij voelden zich niets minder, wel het tegendeel, dan die machtigen en rijken, en Fonske onderging, in weerwil van zichzelf, een soort van afgunstigen eerbied voor een durf en kranigheid, die hij wel nooit bezitten zou.

Langzaam keerden zij naar 't dorp terug: de zon ging onder in oranje glorie en de stille populieren wierpen lang hun dwarsche schaduwvlekken over 't glinstergroene weiland. Het dorpje lag zich als 't ware te spiegelen in avondluister en 't roomig vee, door de koewachtertjes opgedreven, stond roerloos-wachtend bij den oever der rivier, als met goud omgoten.

De twee regeerende kasteelen op hun heuvel, keken elkaar met schitter-ruiten aan. Het was alsof ze alle twee, in rijk genieten, elkander's pracht en macht bewonderden. Zij heerschten, men zag ze voelbaar heerschen over 't gansche land, en zelfs de twee teugellooze en vrijgevochten estheten werden iets als een benauwende drukking gewaar, want Florimond zei tot Sylvain terwijl hij naar de beide imposante buitens wees:

--Dà zoe hier weg moeien, dà stoort.