Van hoog en laag Het eerste levensboek
Chapter 3
Niet steeds keerden al de jonge koewachtertjes, na den langen winter in de verre boerderijen, met het herleven van de lente, in de vrije, frissche weilanden terug. Zij werden jonge mannen en het harde sjouwersleven eischte hen op. Voor altijd moest vaarwel worden gezegd aan de onbezorgde vrijheid in de gezonde, heerlijke natuur. Zij kregen een spade of een vork te hanteeren in plaats van de koewachterszweep; zij werden mesters, delvers, ploegers of vertrokken reeds vóór 't vroege daglicht naar de groote stadsfabrieken, waaruit zij eerst met 't sombergrauwe van de schemering terugkeerden. Geen buitelsprongen meer, geen kikkers vangen, geen joelend alahoe-geroep in 't galmend knallen van de zweepen: zij kregen ernstige gezichten, gezichten van vermoeienis en vroegtijdige zorg; en hun aardige kindernaampjes: Rietje, Pierke, Feelke veranderden in 't hardklinkende en stugge: Riek, Pier, Feel.
Voor Fonske zou die tijd nu ook wel heel gauw komen. Nog één zomer en hij zou ook door 't harde leven worden opgeëischt.
Zijn moeder had er reeds veel en lang over nagedacht en er ook met hem over gesproken. Fonske had gedwee het hoofd gebukt: hij wist wel dat het moest. Alleen de vraag wàt hij zou worden, was nog niet vast bepaald. Voor zwaar boerenwerk was hij te zwak; van arbeid in de groote stadsfabrieken--wreede gevangenissen van gedruisch en stof en stoom--had hij een gruwel; het eenige wat hem aantrok was een nuttig bedrijf in de richting waar zijn fantaisie zich had ontwikkeld: het schilderen.
Hij wilde schilder worden. Maar huisschilder, natuurlijk, om voor zichzelf en voor zijn moeder aan het dagelijksch brood te komen. Het andere, 't kunstschilderen, dat was een droom, een illuzie, die zeker ook wel kon verwezenlijkt worden, dank zij de liefelijke goedheid van jonkvrouw Elvire en haar ouders, maar slechts als uitspanning, 's zondags en in zijn schaarsche vrije uren. Eén enkele, laatste zomer van vrijheid zou hij dus nog genieten, en in dat vooruitzicht leefde hij met veilig troostgevoel, toen zich onverwacht een gelegenheid voordeed, die het onvermijdelijke eensklaps kwam bespoedigen.
Op een ochtend klopte Van Belleghem, de dorpshuisschilder, bij Fonske's moeder aan. Na wat heen en weer gepraat over andere dingen, kwam hij met zijn voorstel voor den dag: dat hij een jong helpertje kon gebruiken en of hij Fonske daarvoor zou kunnen krijgen.
Eerst had de moeder, zoo onverhoeds gepakt, wel eenige aarzeling. Maar Van Belleghem zei haar hoeveel hij 't jongetje al dadelijk zou geven en dat was zooveel meer dan wat hij als koewachtertje kon verdienen, dat zij al spoedig toesloeg. 't Was ook immers wat Fonske verlangde; het eenige wat hij er bij inschoot was zijn laatste, vrije zomer; maar een jaar vroeger of later moest het toch zoo eindigen en nog eens zei moeder ja, terwijl Van Belleghem, tot sluiten van 't accoord, zijn hand uitstak en met een slag die in de hare klapte.
Dat nieuws hoorde Fonske toen hij 's avonds van zijn werk bij boer Monteijne thuiskwam. Eerst was hij grenzeloos bedroefd. Hij schreide om zijn nu verbeurden, laatsten, vrijen zomer en om het verlies van alles wat daarmee gepaard ging. Het zou ineens voor hem een zoo geheel ander leven worden; het was de plotselinge en onverwachte dood van al zijn liefste illuzies; hij zou niet meer in volle vrijheid mogen schilderen in de heerlijke ruimte der weilanden; hij zou jonkvrouw Elvire niet meer heen en weer zien gaan; hij zou niet meer van verre kunnen meeleven iets van het heerlijk bestaan der twee regeerende kasteelen!
Dat was de harde dwang van 't noodlot, de nooddwang van den arme, die plotseling zoo zwaar op hem werd neergedrukt. Hij moest, omdat hij arm was! Moeder poogde hem te troosten met het lokaas van het mooie geld, dat hij nu reeds verdienen zou; maar moeder zelve was bedroefd zonder juist te weten waarom ze dat was: ook moeder had het nu liefst nog anders gewild, doch de kans was er en mocht niet ontsnappen; en dat begrepen zij eindelijk alle twee en legden zich gedwee bij het onvermijdelijk noodlot neer.
Drie dagen later stond Fonske, van den hals tot de voeten met een witten kiel bedekt, kleintjes en droevig en mager naast den zwaar-dikken, ook ten voeten uit gewitkielden Van Belleghem, de binnenportaaldeur van de "Warande", een der dorpsherbergen te beschilderen.
X.
's Winters sliepen de kasteelen, als twee groote, deftig-stugge wezens, ongestoord in hun voorname rust. Zij keken norsch, met doffe oogen van gesloten luiken, elkander over de verlaten uitgestrektheid van de weiden aan, en om hun doode praal was geen bekoring noch mysterie meer. De najaarsstormen waren met de laatste bladeren weggevlogen en alles leek nu ijl en klein en kil en nuchter. Somtijds, wanneer een zonnestraaltje vluchtig door de nevelsluiers brak, scheen alles voor een oogenblik frischlevend op te fleuren: het gras schitterde, de naakte twijgjes trillerden, en zelfs de doffe muren en kanteelen schenen even, met een koesterend zonnelachje uit hun winterslaap te ontwaken; maar dadelijk trokken zich weer de grijze sluiers dicht en hun doodsche, stille kleurloosheid bedekte alles.
De menschen uit het dorpje schoven daar omheen als schaduwen voorbij. Zelfs in hun winter-eenzaamheid regeerden de kasteelen. Het galmend schot van een koddebeier, het zwaar geblaf der waak- en jachthonden, een bel die ergens klonk, waren als zooveel getuigenissen van de geheime, groote macht, die daar, zelfs in de afwezigheid der meesters, nog tastbaar heerschte. De géést van de kasteelen bleef aldoor regeeren, als gold het een natuurkracht.
Maar met de lente kwam ontwaking en de menschen wachtten, in een soort angstig verlangen, op de terugkomst hunner traditioneele heerschers. Waar zaten zij den ganschen, langen winter? In hun prachtige paleis-huizen der hoofdstad; of ergens ver op reis, in warme, vreemde landen? De menschen wisten 't niet, maar het mysterie verhoogde het prestige en de terugkomst werd verbeid als een telkens nieuwe openbaring.
Weldra opende de kasteelen hun zoolang stug-gesloten ooge-luiken. Er werd geverfd, geboend, gewasschen; er heerschte heen-en-weer geloop, gerij, bedrijvigheid, en op een ochtend waren de heeren daar terug, als lentevogels na de winterdoodschheid. Zij kwamen terug in 't heerlijkste getijde van het gansche jaar, met de ontluikende blaadjes op de heesters, met het lente-geroep van den koekoek in de blauw-wazige verten, met de wegschietende zilverschichtjes van de visschen in het water, met de verkwikkende geuren van alles wat herleefde en bloeide, met de zachte weelde van de vette koeien in de malsche wei, waar zij zich als groote, zware bloemen langzaam in den zonneglans bewogen, terwijl de jolige koewachtertjes, ravottend, onder 't trosje hooge populieren, in wild gestoei hun lentevreugd uitjubelden.
Fonske, helaas, was er nu niet meer bij. Fonske, naast Van Belleghem op een hooge ladder, was bezig, onder toezicht van den rentmeester, met de venster-kozijnen van het grafelijk kasteel te verven.
Welke van al die ontelbare ramen zouden wel deze van jonkvrouw Elvire's kamer zijn? Daar dacht Fonske voortdurend aan zonder het iemand te durven vragen, en meteen vroeg hij zich vol angstige benauwing af, wat jonkvrouw Elvire wel zou zeggen, als ze hem daar bezig vond. Hij hoopte maar, zonder te weten waarom hij het hoopte dat hij er vóór haar komst reeds weg zou zijn.
Doch dat gebeurde niet. Op een ochtend, juist den laatsten dag dat zij er werkten, kwam de rentmeester met groote gejaagdheid den terugkeer der familie aankondigen. Van Belleghem en Fonske moesten zich nu maar razend haasten, zien dat ze klaar kwamen; maar ondanks al hun ijver kregen zij toch niet heelemaal gedaan en Fonske stond nog boven op den ladder, toen de groote auto van den graaf, volgeladen met valiezen, het erf opreed.
De dienstboden waren er reeds in den ochtend aangeland en kwamen hun meesters groeten; de rentmeester stond, diep buigend, met zijn hoed in de hand, de tuinlui en de koddebeiers hielden zich eerbiedig op een afstand.
Fonske, bevend en blozend zonder te durven neerkijken, borstelde maar ijverig voort, stil hopend, dat hij niet opgemerkt zou worden; maar de graaf, nauwelijks uit den wagen gestegen, keek dadelijk naar de ladders op en vroeg verwonderd aan den rentmeester hoe het kwam dat de ververs nog niet weg waren. Zijn vraag wekte ook de aandacht van mevrouw de gravin, van jonkvrouw Elvire, en de Engelsche, en op haar beurt keken zij omhoog en zagen en herkenden Fonske.
--Is dat wel Fonske! riep het jong meisje verbaasd.
Fonske, zijn naam hoorend, greep naar zijn pet om te groeten. Maar in zijn ontroering deed hij 't zoo onhandig, dat de verfborstel van tusschen zijn vingers wegglipte en met een spat op den grond viel.
--Och Hiere! kreet Fonske en haastte zich den ladder af.
Daar stond hij vlak vóór zijn jonge beschermster. Vuurrood, met schuwe-schaamte-oogen, keek hij haar even aan en sloeg dan weer den blik ten gronde.
--Moar Fonske, zij-de gij virrewoare geworden? vroeg jonkvrouw Elvire. En in den klank van haar stem lag als 't ware iets van teleurstelling, terwijl zij hem, met vervreemde oogen, van het hoofd tot de voeten opnam.
--Joajik, mejonkvreiwe, schuchterde Fonske.
--En goat-e gij noar de tiekenschole nie mier?
--Toettoet, mejonkvreiwe, alle zondagnuchtijngen.
--What a pity! jammerde halfluid de stem van de Engelsche.
Fonske stond daar, roerloos, met zijn bekladde handjes, tusschen welks vingeren den opgeraapten borstel beefde. Hij had wel kunnen schreien, zonder te weten waarom. Hij keek nog eens bedeesd de jonkvrouw aan en vond haar zóó veranderd, dat hij haar haast niet herkende. 't Was of daar iemand anders vóór hem stond. In die enkele maanden had ze zich bijna tot volwassen vrouw ontwikkeld. Haar haren waren opgestoken, zij droeg geen korte japon meer en zelfs de uitdrukking van haar gezicht scheen anders: nog altijd lief en mooi; mooier, véél mooier zelfs dan 't jaar te voren, maar ook ernstiger, strakker, verder van hem af als 't ware. Fonske voelde instinctmatig dien plotselingen afstand van verwijdering, dat werk van de afwezigheid en 't maakte hem nog bedeesder, het stolde als 't ware zijn ziel in zijn binnenste.
--G' hèt toch nog geschilderd, hoop ik? vroeg ze na een poos en bekeek hem even weer met een glimlach zoo innemend-vriendelijk als vroeger.
--O joa joajik, mejonkvreiwe, haastte Fonske zich te antwoorden.
--Hawèl, ge moet veurt doen, zilde; 'k zal ne keer kome kijken. Goên dag, glimlachte zij heel lief, en volgde haar ouders en de Engelsche in het kasteel.
Met zwakke beentjes klom Fonske weer den ladder op. Het duizelde vóór zijn oogen en even moest hij zich goed vasthouden.
--Toe, Fons, hoast ou, da we gedoan hèt, vermaande Van Belleghem.
--Joa, boas, zei Fonske en ging vlijtig weer aan 't borstelen.
Achter het raam waar hij werkte, zag hij eensklaps gestalten heen en weer bewegen, binnen in de kamer. Fluks herkende hij jonkvrouw Elvire en de Engelsche en twee knechts, die een koffer boven sleepten. Hij zag de jonkvrouw haar manteltje uittrekken. O! 't was dus haar kamer, waaraan hij werkte!
Hij zag het meisje even roerloos staan en in zijn richting kijken. Toen zei ze iets tot de Engelsche, die naar het venster toe kwam. Zij knikte van achter de ruit naar Fonske en glimlachte met al haar tanden, en meteen liet ze 't ratelend rolgordijn neer.
Fonske trilde even, alsof hij schrikte van het plots geluid. Hij had het gevoel van iemand, die iets onbescheidens heeft gedaan en tot straf de deur vóór zijn neus dicht krijgt.
XI.
Naarmate de koewachtertjes ouder en grooter werden en een voor een het vrije leven van de wei moesten vaarwel zeggen, werd, met hun werkkring, ook de aard van hun vermaken anders. Velen bezochten reeds 's zondags de herbergen, speelden biljart of kaart, dronken bier en jenever en keken naar de meisjes.
Rietje Koarelkes was al flink aan 't vrijen met Emeranske Casteel; Feelke Brouwers liep achter Mietje Pruime en Miel Katoor en Dolfke van de Wiele zag men meestal in de buurt van Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu. Alleen Fonske had nog niemand.
Fonske had niemand, maar wel was er iemand, naar de andere kereltjes althans beweerden, die heel graag Fonske had gewild, en dat was niemand minder dan Lisatje Van Belleghem, het veertienjarig dochtertje van Fonske's eigen baas.
Lisatje Van Belleghem had een fijn en zacht gezichtje, frisch wit en roze, met golvende blonde haren en mooi-lichtblauwe oogen, blauw als de bloempjes van het vlas in Juni-weelde. Haar glimlach was zoet en bekoorlijk en zij had mooie witte tandjes, die eigenaardig konden blinken als zij glimlachte. Lisatje hielp haar moeder in huis en in het ververswinkeltje en uit háár hand was het, dat Fonske zijn eerste "virfbakske" gekocht had.
Uit den aard zelf van de betrekking, die Fonske bij Van Belleghem vervulde, moest hij er dikwijls aan huis komen. Hij gebruikte er dan ook meestal het middagmaal en als 't wat laat werd met hun werk, ook wel eens het avondeten. Dan werd hij door Lisatje bediend en 't meisje zette hem gewoonlijk borden voor alsof hij uitgehongerd was. Hij moest telkens voor de te milde hoeveelheid bedanken, maar telkens ook drong Lisatje zóó vriendelijk, met zulk een innemenden glimlach van haar bloeme-oogjes en haar schittertandjes aan, dat Fonske dikwijls meer verorberde dan hij wel lust had, om haar geen verdriet aan te doen.
's Zondags, als Fonske naar den trein ging om in de stad zijn teekenles te nemen, was het hoogst zelden als Lisatje hem onderweg naar het station niet ontmoette, en ook bij zijn terugkomst, stond zij doorgaans op den drempel van haar huisje, waar hij voorbij moest, de frissche lucht te genieten. Rietje, Feelke, Dolfke, Mielke hadden dat alles al lang in de gaten evenals Emeranske, Mietje, Elodie en Pharaïlde, en allen lachten en gekten er om: alleen Fonske merkte daar niets van, of was met andere gedachten bezig. Fonske teekende en schilderde aanhoudend in zijn schaarsche, vrije uren, met trillend-gespannen hartstocht, als werkend voor een doel dat niemand anders kende; en, wijl hij de sympathie van het meisje wel voelde, zonder den aard daarvan te vermoeden, liet hij haar af en toe zijn schilderingen zien en juichte inwendig van genot, wanneer zij die, met van eerbiedige bewondering in elkaar geslagen handen "zeu scheune, o, toch zeu scheune" vond.
Fonske was daar zoo gelukkig door, dat hij haar eens beloofde haar portret te zullen maken, wat Lisatje tranen van ontroerde dankbaarheid in de mooie blauwe-bloemenoogjes bracht.
XII.
Het duurde wel een heele tijd vooraleer jonkvrouw Elvire haar belofte naar Fonske's werk te komen kijken, volbracht.
Het was reeds volop zomer en al heel dikwijls had Fonske het jong meisje met haar gouvernante, of in gezelschap van meneer Gaëtan en den baron, van het eene kasteel naar 't ander door de weiden heen zien loopen, zonder dat zij ooit bij hem aankwam. Telkens vroeg hij 's avonds, bij zijn thuiskomst, gejaagd aan zijn moeder: "Hè jonkvreiw Elvire hier nog nie geweest?" Telkens moest moeder hem met het spijtig: "nien z' jongen, nog niet" teleurstellen.
Fonske werd er droevig en neerslachtig onder. Het kwelde hem, het wierp een schaduw over zijn gansche leven: jonkvrouw Elvire zag niet meer naar hem om; jonkvrouw Elvire had hem vergeten. En daar was niets aan te doen, hij kon toch zelf niet naar haar toegaan als zij het niet verlangde; en Fonske leed in stilte en begon te wanhopen, toen eensklaps, op een zondag-namiddag, terwijl hij in Van Belleghem's huis bezig was met Lisatje's portret te schilderen, zijn moeder, vergezeld van jonkvrouw Elvire en haar gouvernante, daar buiten vóór het raam verschenen.
--Och Hiere! schrikte Fonske. En de penseelen vielen uit zijn hand, net zooals weken te voren den kladborstel gevallen was.
--Zóen ze binnen komen! riep met een angststem Lisatje, die dadelijk opgesprongen was.
Maar ze waren reeds binnen. "Kijk, zie, mejonkvreiwe, hier zit hij" riep Fonske's moeder, de beide jonge dames voorloodsend.
--Derangeeren we niet? vroeg het kasteelmeisje met haar vriendelijksten glimlach. En zij knikte minzaam naar Lisatje, terwijl de Engelsche verrukt uitriep:
--Oh! what a beauty!
Fonske was opgestaan, geheel en al ontsteld door het voornaam bezoek. Hij had een kleur als vuur en kon nauwelijks met enkele, korte zinnetjes de belangstellende vragen van het jong meisje beantwoorden. Zij keek naar het portret, vond het heel mooi, keek dan ook lang en strak naar Lisatje, als wou zij haar geheel ontleden.
--Es dat 'n vriendinneke van u? vroeg zij eindelijk met een raadselachtigen glimlach.
--O nie nien 't, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske zonder na te denken, met een soort gejaagde onhandigheid. En weer kreeg hij een vuurkleur zonder te weten waarom. Even keek hij op naar Lisatje, die dadelijk, als 't ware boos, den blik van hem afwendde.
--Woarom niet? hernam jonkvrouw Elvire. Ge schildert heur zeu scheune.
En weer keek zij vol aandacht het jong meisje aan en wisselde enkele woorden in vreemde taal met haar gouvernante.
--'t Es de dochter van Van Belleghem, mijn miester, antwoordde onderdanig Fonske.
--Joa 't, mejonkvreiwe, 't es lijk of hij zegt, meende Fonske's moeder gewichtig te moeten beamen.
Een deur ging open en Van Belleghem kwam binnen: groot, dik, rood, met zwarte snor en opgeblazen kop, die van heel wat zondag-borreltjes en potjes bier scheen te getuigen. Hij had een platte, zwarte pet op met verlakte klep, die hij even afnam om te groeten en hij riep dadelijk vet-lachend, op familiairen toon:
--Da es nen artiest, e-woar, mejonkvreiwe! Hij zal nog moeten eindigen mee 't expezeeren!
En hij lachte heel hard om zijn buitengewoon-geestig gezegde.
Jonkvrouw Elvire en de Engelsche lachten maar heel zwakjes tegen. Zij voelden blijkbaar iets hinderlijks in de aanwezigheid van den triviaal-dikken kladpotter. Zij wisselden halfluid enkele woorden in hun vreemde taal en jonkvrouw Elvire vroeg aan Fonske:
--Kan ik euk ou ander werk ne keer zien, dat thuis es?
--Joa joa g' mejonkvreiwe, antwoordde Fonske; en hij was dadelijk bereid haar te vergezellen. 'K zal weere komen om 't hier op te kuischen, zei hij tot Lisatje.
Lisatje gaf geen antwoord. Zij stond rood-gegeneerd naast den muur en in haar mooie blauwe-bloemen-oogjes glom als een natte gloed van droeve spijtigheid.
--Goên dag, groette haar minzaam jonkvrouw Elvire, en ook de Engelsche groette innemend, met vollen tanden-glimlach; maar in Lisatje's benauwden wedergroet verkropte haast een snikje.
Zij zag, als 't ware hunkerend, het drietal buiten vóór het raam passeeren. Fonske keerde zich instinctmatig half om en zag haar ook, maar dadelijk trok ze zich weg, als wilde zij hem niet meer zien.
Toen Fonske na een uur in 't huisje van Van Belleghem terug kwam om voort aan Lisatje's portret te werken, was 't meisje nergens te vinden. Het heele schilderrommeltje stond daar nog onaangeroerd en Van Belleghem noch zijn vrouw wisten waar hun dochter was. Van Belleghem ging op den achterdrempel staan en riep met zijn grove, zware stem naar achter in het tuintje:
--Hei, Liza, woar zit-e dan?
--Hier, klonk zacht een zwak stemmetje.
--Ge moet binnen komen, Fons es doar weere.
Maar Lisatje kwam niet.
--Wa steekt ze zij in heur heufd! pruttelde de moeder. Toe, Fons, goa zelve ne kier zien.
Schoorvoetend ging Fonske 't tuintje in. Het was een heel klein tuintje, een paadje tusschen palmboompjes en klapbes-struiken, met aan het eind een bloemenpriëeltje. In dat priëeltje zat Lisatje heel alleen op een bank, met den rug halvelings naar Fonske toegekeerd.
--Lisatje, wilt-e weere komen poseeren? vroeg hij zacht.
--Nien ik, hoofdschudde zij kortaf.
Hij stond daar even, roerloos en bedremmeld.
--Woarom niet? vroeg hij eindelijk.
--Dóáromme!
Hij begreep er niets van. Wat had hij haar nu toch misdaan!
--Toe, kom, streelde hij vleierig.
--Nien ik, zeg ik ou! beet zij hem eenklaps vinnig toe; en draaide een boos gezicht naar hem om, dat gansch betraand was.
--Oo! schrikte hij, stil achteruit-wijkend.
En meteen begreep hij,.... begreep in angstvolle ontzetting dàt, wat Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers en Mietje Pruime en Pharaïlde Van Rompu en al de anderen al sinds maanden lang begrepen hadden.
XIII.
Drie jaar waren verloopen. Fonske werd nu zeventien. Hij was lang uitgegroeid en mager opgeschoten, en een fijn, bruin snorretje beschaduwde zijn bovenlip, maar verder droeg zijn smal gezichtje nog altijd iets van die schuchtere, weemoedig-getrokken uitdrukking der kinderjaren, alsof vroeg verdriet en stille armoede er een onuitwischbaren stempel op hadden gegrift.
Om hem heen ging 't leven den gewonen gang, waarin het nu eenmaal scheen vastgegroeid. Steeds leefde hij alleen met zijn moeder in het kleine dorpshuisje, steeds ging hij werken bij en met Van Belleghem, steeds trok hij iederen zondagochtend naar de teeken-academie in de stad, en steeds ook kwamen met de lente en vertrokken met den winter de bewoners der regeerende kasteelen. Meneer de graaf hinkte wat aristocratisch-stijver op zijn stokje, meneer de baron opende een steeds ruimer uitzicht over 't groene wei-landschap tusschen zijn waggelende o-beenen; en meneer Gaëtan, heel lang en slank geworden, droeg nog steeds zijn griezelig-weggekamden "boulevard" op 't zwarte achterhoofd en beoefende verder velerlei sporten: jagen, paardrijden, automobielen, het laatste dikwijls in gezelschap van jonkvrouw Elvire en haar engelsche gouvernante.
Van jonkvrouw Elvire kreeg Fonske af en toe nog eens bezoek. Het meisje, dat nu een mooie, jonge dame was geworden, bleef belang stellen in haar beschermeling, doch haar jeugdige geestdrift van den eersten zomer, toen ze zijn talent ontdekt had, was toch nooit teruggekomen. Sinds den dag, dat ze Fonske gezien had, in kladpotterskiel op den ladder aan 't kasteel, was er iets in haar bejegening veranderd, alsof zij pas dan had gevoeld een afstand, die niet mocht overschreden worden.
In de eerste tijden had Fonske sterk daaronder geleden. Voor hem toch had die verandering geen reden van bestaan, al voelde hij ook instinctmatig wel, dat die verhouding juist de eenig mogelijke was tusschen hem en een meisje van haar stand. Hij had er soms 's nachts in zijn bed om geschreid en dat onbevredigd gevoel tegenover jonkvrouw Elvire had hem ook bestendig de zachte genegenheid doen verwaarloozen van Lisatje, die na haar eerste en eenige pruilbui, weer dadelijk zoo lief-toeschietelijk naar hem toegekomen was. Iets van verbitterde teleurstelling was diep op den bodem van zijn zieltje blijven liggen; en, zonder dat hij 't zelf vermoedde, hadden de jaren en het ontwikkelingsproces van zijn groeiend leven, dat pijnlijk gevoel scherp in hem wakker gehouden. De minste aanraking van 't teeder onderwerp deed de zieke snaar weer trillen, en hoe meer ze trilde, hoe meer het heimelijk leed, door allerhande bijoorzaken onderhouden en gevoed, zijn angel in de wond omkeerde.
Een van die bij-oorzaken, een der scherpste en gevoeligste, kwam van buiten af op hem inwerken. In den loop der jaren had hij van lieverlede inniger aanraking gekregen met enkele leerlingen der teeken-academie, en wel voornamelijk met twee: Florimond Brandt en Sylvain Van Wetering.
Zij waren alle bei zoowat anderhalf jaar ouder dan Fonske. Sylvain had reeds schilderijen op tentoonstellingen geplaatst gekregen en verkocht; en Florimond, die als aspirant-beeldhouwer was begonnen, scheen langzamerhand een kentering in de uiting van zijn kunstgevoel te volgen, en was bepaald op weg om dichter en schrijver te worden. Beiden waren geboren stedelingen. Florimond's ouders hielden een klein handeltje en de vader van Sylvain was klerk bij een notaris.
Het waren twee eigenaardige typen: Florimond, een en al uitbundigheid; Sylvain geconcentreerd en stug. Twee contrasten, ieder op zichzelf heel sterk-individuëel, en beiden een onbewust-krachtigen invloed uitoefenend op Fonske, die met een soort bewonderende vereering naar hen opzag.