Van hoog en laag Het eerste levensboek
Chapter 2
De meester keek, sprakeloos-wenkbrauwfronsend, met de linkerhand aan zijn kin. Fonske zelf stond heelemaal op zij, als 't ware in de zaak niet betrokken en even verder vormden de koewachtertjes een absoluut-roerloos groepje, allen met star-ronde oogen van gespannen aandacht, den zweepstok onbewegelijk naast de morsig-bloote voetjes, de bijna wit-verkleurde haren als een boschje kortgeknipte stoppelhalmen glinsterend in de zon.
Meneer Wattenberg knikte heel eventjes goedkeurend met het hoofd en scheen op 't punt zeer deftig iets te zeggen, maar juist kwamen meneer de baron en meneer Gaëtan binnen bereik en dat leidde voor een oogenblik de belangstelling af.
--C'est donc vrai qu'Elvire a découvert un petit génie? vroeg ietwat ongeloovig-schertsend de baron, terwijl hij, warm en amechtig van het loopen, met een laatste waggeling zijner o-beenen, tusschen welks open ruimte zich even een stuk van het landschap vertoonde, onder het frissche lommer der populieren verscheen.
--Il parait, l'exposition allait justement commencer, glimlachte de graaf, zijn ouden vriend de hand drukkend.
De baron was wellicht niet ouder dan de graaf, maar zijn nóg moeilijker loopen deed hem ouder schijnen. Hij droeg een vollen baard, die grijsde en de uitdrukking zijner zeer groote en ietwat uitpuilende oogen had iets angstigs en benauwends, als van iemand die voortdurend naar zijn adem snakt. Zijn zoon, een hoofd langer dan hij, was een donker Mephisto-type, met een beginnend zwart snorretje en zeer nauw-gespleten zwarte oogen, die nooit heelemaal frank de menschen en de dingen aankeken. Zijn glimlach had iets grijnzends en zijn glimmend haar was tot achter in den nek gescheiden door een griezelig blauw-witte spleet, welke de boeren in 't geniep zijn "luizenboulevard" noemden. Dikwijls werd door de menschen in het dorp beweerd en voorspeld, dat meneer Gaëtan later met jonkvrouw Elvire zou trouwen. Het heette dat het om zoo te zeggen al van in hun wieg door de beide families aldus geschikt was en de menschen zeiden ook dat het een heel mooi paar zou zijn, omdat zij op elkander leken.
Er was misschien wel iets van aan. Jonkvrouw Elvire leek op meneer Gaëtan, maar zooals iets heel moois en liefs op iets ongunstigs en onaangenaams kan lijken. Jonkvrouw Elvire had ook donkere haren en oogen, maar zoo zacht en zoo open van uitdrukking. Haar teint was bleek als dat van meneer Gaëtan, maar van een donzig-fluweelen matheid, een matheid om heel zacht te aaien en te streelen, iets als een wasem, dien men nauwelijks durft aan te raken. En instinctmatig voelden de menschen voor jonkvrouw Elvire een uitgesproken en verteederde genegenheid, en voor meneer Gaëtan, ondanks hun eerbied, iets van benauwd ontzag en intuïtief-verwijderende angstigheid.
Meneer Wattenberg groette nederig-diep den baron en zijn zoon en toen kwamen zij weer allen om de uitgestalde schilderijtjes staan. Meneer Wattenberg schoof er dadelijk een drietal op zij, die volgens hem in het geheel geen waarde hadden. Maar twee nam hij er uit: een panoramisch landschap van een deel der streek en een ander dat den terugtocht van de koeien met de zweep-klappende koewachtertjes voorstelde; en daarover hoofdknikte hij goedkeurend, en gaf, doctoraal-gewichtig, in het Fransch, uitvoerige explicaties.
Stil van gretige belangstelling ving jonkvrouw Elvire al zijn woorden op. Waar hij prees tintelden haar naïeve kinderoogen van blijmoedige geestdrift; waar hij meende te moeten afkeuren kwam er iets gelaten-droevigs over haar matbleek gezichtje, als van teleurgestelde, frissche illuzie. Ook de anderen zagen nieuwsgierig-zwijgend toe: de groene Engelsche met glimlachenden tandenmond en vreemde uitroepingen van verrassing, de beide oude heeren ietwat sceptisch op hun hoede en meneer Gaëtan met zijn Mephisto-grijnslach, de nauw-gespleten, donkere oogen telkens van de schilderijtjes afgeleid naar Elvire en meer nog naar de Engelsche, die hij met heimelijk-geboeide aandacht nauwkeurig scheen op te nemen en te ontleden. Fonske was heelemaal op den achtergrond geraakt en scheen om zoo te zeggen vergeten; en de groep der koewachtertjes verroerde niet, pal van spannende verwachting, dicht op elkaar getroppeld met hun vuile, naakte beentjes en hun blonde, bloote kopjes, als een trosje jonge, dichtgeplante boompjes, roerloos rechtop tierend in de glinsterende zon.
Eindelijk keerde meneer Wattenberg zich om en kwam naar Fonske toe.
--Hedde gij goeste van veurt te leeren schilderen, manneken? vroeg hij:
--Joajik, meniere, antwoordde Fonske even schuw-opkijkend en dadelijk weer de oogen neerslaande.
--Zoe-de gij iedere zondag nuchtijnk in de stad noar de teekenlesse wille goan!
--Os ik mage van moeder, knikte Fonske.
--Ge zil meugen, menier de groave zal 't aan ou moeder vroagen en ouën trein betoalen.
Fonske knikte, zwijgend.
--Hoe êwd zijt-e gij?
--Twoalf joar.
--Hèt-e nog broerkes of zusterkes?
Fonske schudde 't hoofd.
--Hawèl, 't es goed, besloot de meester. Zegt aan ou moeder, da menier de groave heur morgen zal kome spreken. En ondertusschen meugt-e veurt tiekenen en schilderen os ge tijd hêt, en ieder weeke zal ik mee mejonkvreiw Elvire ou wirk komen noarzien. Verstoan, manneken?
Of Fonske het verstaan had! En of ook al de koewachtertjes het verstaan hadden! Fonske vond geen woorden om te danken en kon alleen maar schuchter met het hoofd knikken, doch al zijn kameraadjes keken hem met groote oogen van heimelijk-afgunstige bewondering aan.
Jonkvrouw Elvire kwam naar hem toe.
--Zij-de nie blije? juichte zij met stralende oogen.
--O joa ik, mejonkvreiwe, os ik moar 'n mag van moeder, antwoordde Fonske met een vuurkleur.
--Is n't he nice! streelde de Engelsche met verteederden glimlach.
--Hedde gij dat allemoal alliene gedoan? vroeg hem nu ook meneer Gaëtan met zijn griezeligen, donkeren gezichtsgrijns. Maar hij luisterde niet eens naar Fonske's antwoord; hij keerde hem den rug toe en begon in vreemde taal gekheid te maken tegen Elvire en de Engelsche, die hij aan 't lachen wist te brengen.
Benauwd keek Fonske op, als vreesde hij, dat er om hem gelachen werd. De koewachtertjes, steeds roerloos in hun dichte groepje, keken naar meneer Gaëtan's achterhoofd, naar zijn blauw-witten "luizenboulevard" tusschen het glimmend-weggestreken donker haar. Er was er een, die even het woord durfde fluisteren; doch met een vermanend "zwijg, gie loeder" werd hij onzacht door de anderen den mond dicht gestompt.
Meneer de graaf en meneer de baron, nog even in gesprek met meneer Wattenberg, hadden zich langzaam omgekeerd. De zaak was afgehandeld. Elvire zou als een verwend kindje haar zin krijgen met Fonske; men zou het althans voor een tijdje probeeren; en reeds spraken zij over andere dingen, over de aanstaande opening der jacht en over enkele belangen der gemeente in verband met hun persoonlijke belangen.
Zij namen afscheid. Elvire en de Engelsche, gelukkig over het welslagen van hun plannetje, gingen niet weg zonder Fonske de hand te drukken. Ook de meester kwam nog eens bij hem en wakkerde hem aan om vooral goed te leeren teekenen. Meneer Gaëtan ging met den graaf en met de meisjes mee en meneer de baron keerde heel alleen, over de uitgestrektheid van het weiland, licht-schommelend op zijn o-beenen, naar zijn kasteel terug.
In stilte waren de koewachtertjes weer bij Fonske gekomen, die hen nu zijn schilderijen liet bekijken. Zij drongen en stompten elkaar om goed te zien en wisselden hun indrukken.
--Ge'n zil nie meugen van ou moeder, meende Feelke Brouwers.
--Hij zal van eigen meugen, os de groave wilt! verzekerde Rietje Koarelkes. En hij zal rijke worden euk.
Fonske zei niets, pakte zijn schilderijtjes bij elkaar.
--Os hij rijke wordt moet hij ons trekteeren! besprak Mielke Katoor.
--En zijn hoar in ne luizen-boulevard kammen! proestlachte eensklaps Dolfke van de Wiele.
--Zwijg, gie loeder! riepen al de anderen met verschrikte oogen naar het grafelijk kasteel omkijkend.
--Lach gulder moar, hij es hij den besten. 'K wensche dat de jonkvreiwe mij euk noar de tiekenschole liet goan, besloot Rietje Koarelkes.
Maar al de anderen lachten Rietje vierkant uit. Wat had die verstand van teekenen! Hij kon nog niet eens goed zijn naam zetten op school.
Even kregen zij ruzie daarover. Scheldende monden snauwden elkaar bijtend toe en de verkleurde piekharen schenen dreigend overeind te rijzen. Het duurde maar een oogenblik. Alles kwam tot bedaren en weldra verspreidden de koewachtertjes zich joelend en zingend en zweepklappend over de groene uitgestrektheid van het met rustig-grazend vee bebloemde weilandschap.
VI.
Den volgenden zondag toog Fonske voor het eerst ter stad naar de teekenschool. Alles was vooruit geregeld door tusschenkomst van den graaf, den baron en meneer Wattenberg; doch daar Fonske hoegenaamd den weg niet kende in de stad, was de baron-burgemeester op het eigenaardig idee gekomen hem daarheen door den dorpsveldwachter te doen begeleiden.
Dat maakte wel een vreemden indruk en de andere leerlingen keken zeer verbaasd en ietwat spottend op. Dat schuchtere Fonske naast dien veldwachter in uniform met zijn rooden neus, leek bijna op een aangehouden landloopertje dat naar de gerechtszaal wordt gebracht. Maar meneer Wattenberg was op voorhand gewaarschuwd; hij nam Fonske in ontvangst en stelde hem aan den directeur der teeken-academie voor; en dadelijk werd het kind een plaats aangewezen en hem 't pleistermodel getoond, dat hij moest uitteekenen.
Die heeren waren uiterst vriendelijk voor hem, wat niet belette, dat hij zich daar zeer vreemd en ontredderd voelde. Hij was er een der heel zeldzame leerlingen van 't platteland, en een der allerjongste ook; hij kreeg terstond den indruk alsof al die anderen ongeloofelijk knap waren en hij zelf zoo goed als niemendal nog kende. Zij waren anders en mooier gekleed dan hij; zij bewogen zich daar volkomen ongegeneerd en vrij alsof ze 'r thuis waren, en zij spraken ook een andere taal: het dialekt der stad en ook veel Fransch, waarvan Fonske geen enkel woord verstond. Het kwam hem daarbij voor dat ze hem af en toe minachtend aankeken en bedekt-gichelend over hem fluisterden en dat maakte hem nog veel schuwer en bedeesder. Zijn eenige toevlucht was het vriendelijk gezicht van den meester, naar wiens uitleggingen hij met roerlooze aandacht luisterde en hij spande zich in met uiterste kracht om althans zijn werk goed af te maken.
Maar 't ging niet makkelijk. Het was zoo heel anders dan wat hij gewend was. Die doode, kleurlooze klomp, dien hij moest conterfeiten, die benauwde zaal vol leerlingen, dat triestig licht door matte glazen, alles belemmerde en ontzenuwde het eenzaam, droomerig natuurkind, gewend aan zon en vrije ruimte, en hij had het wanhopig gevoel daar nooit te zullen aarden en er nooit iets goeds te kunnen voortbrengen.
Toch was de meester, die vóór het einde van de les even kwam kijken, over zijn werk niet ontevreden. Hij klopte hem bemoedigend op het tenger schoudertje en gaf hem zacht enkele nuttige wenken. Fonske aanhoorde die als een orakel; hij voelde zich iets minder hopeloos-ontredderd, maar o, nog zoo verre, dacht hij, van wat al die anderen zoo gemakkelijk schenen te bereiken. Had hij den goedigen meester maar voortdurend naast zich kunnen houden! Maar zoodra de meester weg was besloop hem weer het besef zijner ellendige zwakheid en het gevoel zijner absolute eenzaamheid midden in een vreemd-hostiele omgeving. Het uur van eindigen klonk hem als een verlossing in de ooren en bijna als een schuldige verliet hij het gebouw, stil-wegsluipend tusschen al die sterkeren en zelfbewusten, wier spottend-minachtende blikken hij zijn schuwe aftocht voelde vergezellen.
Gedurende de korte terugreis in den trein vermande hij zich. Hij wist wel dat de kameraadjes hem in opgewonden nieuwsgierigheid bij het kleine dorpsstation zouden afwachten en hij wilde toch vooral zijn teleurstelling niet laten blijken. Het speet hem dat hij zijn teekengerei ginds had moeten achterlaten. Zoo'n portefeuille onder den arm, dat had hem een houding gegeven. Maar de trein zelf, waaruit de makkertjes hem zagen stappen, dat gaf ook al prestige en hij wist zich toch wel goed en flink te houden en antwoordde op het hartstochtelijk kruisvuur van vragen, dat hij het heerlijk had gevonden op de teeken-academie, dat het er zoo groot en ruim was, dat er zoo ontelbaar veel leerlingen waren en dat hij er zulke prachtige dingen gezien had.
Stoetsgewijze, als voor een jeugdige held die wordt ingehaald, gingen de bewonderende koewachtertjes met hem mee. En thuis, bij zijn moeder, wachtte hem een verrassing, die al het teleurstellende van den ochtend weer goed maakte en hem een geluk bezorgde, dat dagen en dagen bleef duren: in zijn afwezigheid was jonkvrouw Elvire daar met haar gouvernante geweest en had iets voor hem afgegeven: een pracht van een verfdoos en een album met schilderpapier, iets zóó moois, dat het juichend kind zelfs niet vermoedde, dat het op de wereld bestond.
Hij kreeg een kleur als vuur, hij loosde zuchten, lange, lange zuchten van bijna verschrikte verrukking en plotseling losten zich de àl te machtige emoties van dien dag in tranen op: hij schreide van plezier, hij schreide als een onnoozel, zwak, klein kind, dat zijn ontroering kan beheerschen noch verbergen.
Dienzelfden middag, in de zachte, zoete zon, beklom hij met zijn album en zijn prachtdoos den molenberg en ging aan 't schilderen. Hij schilderde van verre 't grafelijk kasteel uit, 't kasteel van zijne weldoenster, met rivier en park en weiden. Hij wilde 't schilderen voor de jonkvrouw, in dankbare herinnering van hare groote goedheid en hij schilderde 't met een soort van veneratie en van liefde, die gansch zijn tenger wezentje als van koorts deed beven.
Eenzaam zat hij daar, zoo klein en eenzaam vóór het heerlijk tafereel van weidsche pracht, half verscholen onder heesters-schaduw op den stillen heuvel, naast den gekruiswiekten, ouden molen in bespiegelende zondagsrust en met hoog en wijd over zich heen de blauwe hemelkoepel en de zilverwitte wolken. De uren vervlogen, geen mensch wist dat hij daar zat en kwam hem storen en de volheid van zijn zoet geluk drong in hem als een zegen en als een schat van weelde en bescherming. Hij voelde zich rijk in zijn armoede, groot in zijn nederigheid, hij voelde een geluk dat hij niet kon bevatten, maar dat hem, klein kind, als 't ware de gansche wereld ten geschenke gaf.
VII.
De volgende zondagen ging het Fonske niet meer zoo benauwd op teeken-academie. Hij raakte langzamerhand gewend aan den omgang met zijn mede-leerlingen en deze wenden ook aan hem. Maar schuw-ondergeschikt bleef hij zich in den grond van zijn wezen toch voelen, omdat al die anderen zooveel wisten dat hij nog niet kende en zoo stevig midden in een leven stonden, waaraan hij vreemd bleef. Had hij maar een beetje Fransch gekend, de taal die zij voortdurend onder elkander spraken en die hen wegen scheen te openen, welke voor hem gesloten bleven! 't Was of ze daardoor alleen tot een anderen, hoogeren stand behoorden, bijna tot den stand van den graaf en van jonkvrouw Elvire. Verder kon hij wel met hen mee, voelde zich niet minder in bekwaamheid voor de teekenkunst. De meesters waren zeer tevreden; hij werkte gemakkelijk en maakte vooruitgang, hoewel hem telkens iets belemmerde dat de ontplooiing van zijn jonge, frissche kracht begrensde. Dat zat hem in het doodsche van die groote, duffe zaal vol leerlingen, in het krijtachtig-levenlooze van die pleisteren modellen, in dat egaal, grijs-matte licht waarin niets scheen te trillen noch te fleuren. Hij kòn er niet met liefde werken; hij wrocht er uit plicht, omdat men hem gezegd had dat het zoo moest, en hij bewaarde al zijn gloed en voelde al zijn genot slechts in de vrije ruimte der frissche en zonnige natuur, waar hij, als vroeger, al zijn beschikbare uurtjes ging slijten. 't Kasteel had hij afgemaakt en aan jonkvrouw Elvire uit dankbaarheid ten geschenke gegeven; en 't meisje was verrukt geweest, en ook meneer Wattenberg had hem zijn lof niet onthouden en zelfs met eigen hand eenige correcties aan zijn werkje toegebracht.
Het trosje hooge populieren, eenzaam wuivend en suizend in de groene uitgestrektheid van de weilanden tusschen de twee regeerende kasteelen, was en bleef Fonske's lievelingsplek, waar hij om zoo te zeggen het middenpunt van zijn gansche leventje voelde. Daar was hij in zijn element, daar was hij zichzelf, klein tusschen al dat groote, maar gelukkig-klein, omdat hij daar thuis was en zich in zijn nietigheid beschermd voelde. Hij leefde als het ware iets mee in 't leven van de twee kasteelen, heel dikwijls kwamen de jonkvrouw en haar meester naar hem kijken en nu stelde hij ook een belang dat hij vroeger niet kende in 't heen en weer bezoek tusschen de bewoners der beide landgoederen.
Eigenaardig was het hoe zijn jong, ontvankelijk gemoed telkens verschillend reageerde op iedere verschijning van de verschillende bewoners. De jonkvrouw en haar gouvernante, dat was als de zon, die stralend en koesterend naar hem toe kwam. Het gaf hem een warme kleur van emotie, alsof hij werkelijk een gloed van buiten af tegen zijn wangen voelde. Meneer Gaëtan, daarentegen, was als de nacht, die tot hem naderde. Hij was er bang voor en hij griezelde ervan, als voor iemand die hem kwaad zou kunnen doen. Ook voor den graaf was hij bang, maar op heel andere wijze. Hij vreesde zijn fijne, peilende spot-oogen, alsof de graaf hem heelemaal doorzag en ontdekte dat er feitelijk niets in hem zat; en alleen de komst van den baron gaf hem in 't geheel geen ontroering, wellicht omdat zijn aandacht geheel en al was afgeleid en in beslag genomen door het vreemde waggel-loopen van den ouden man. Fonske beschouwde dat reeds onbewust met schildersoogen, het boeide hem als iets, dat hij zou willen nateekenen en hij vond het zoo grappig, dat telkens tusschen die schommelende o-beenen een stuk van het landschap verscheen: nu eens een hoekje wei met een grazende koe, dan weer een ver zeiltje op de rivier, een zeiltje, dat zoo eigenaardig heen en weer scheen te dobberen, waggelend als een zeescheepje tusschen het waggel-loopen van 't barontje, die het met zich scheen mee te trekken. Eens, op een stillen middag, begon hij zoo iets uit het geheugen te teekenen. Hij had er innig-dolle pret om in zichzelf, want het was goed en het leek, maar hij wachtte zich wel het aan de makkertjes te laten zien; hij verscheurde 't haastig toen hij hen joelend zag aankomen en op zijn bleek, als naar gewoonte ietwat stroef gezichtje was zelfs geen zweem van zijn vluchtige, ondeugende oolijkheid meer te bespeuren.
VIII.
Doch langzaam aan begon de rijke, gouden zomer tot het bruine bronskleed van den herfst te tanen en de dagen werden korter en de nachten koel. Weldra woeien de dorre bladeren als zwermen verschrikte vogels uit de hooge kruinen weg, of droppelden in stille, gele tranen neer, heel langzaam, een voor een, met zuchtgeritsel door de naakte twijgen.
Al spoedig zouden de koeien voor den ganschen winter uit de weide worden weggehaald. Al spoedig ook zouden de regeerende kasteelen, thans nog zoo trotsch in luisterrijke najaarspracht boven op hun heuvel, voor maanden lang gesloten en verlaten worden. En de vroolijk-joelende koewachtertjes zouden uit elkaar gaan en zooals kouwelijke winterbeestjes voor elkaar verdwijnen, de een hier, de andere daar, verwijderd en onzichtbaar voor elkander, totdat de zachte lenteluwte hen weer bijeenbracht. Zij zaten 's winters op de verre boerderijen, in mist en slijk en regen, of zij hielpen in de stille, leemen hutjes zwingelen het vlas der rijke zomeroogsten, bij het eentonig snorren van den tredmolen, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat, in kou, en stof, en grijzigheid.
En hij was wel steeds vooruit bekend in 't dorp, de afscheidsdag van de regeerende kasteelen. Mevrouw de gravin ging rond, en mevrouw de barones ging rond, tot in de verste arme huisjes, en overal gaven zij iets, als hulp en onderstand voor den langen, guren winter.
Fonske wist het al dagen te voren: mevrouw de gravin was reeds bij de ouders van Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers geweest en mevrouw de barones bij die van Mielke Katoor en Dolfke van de Wiele, en hij twijfelde niet of ook bij zijn moeder zou weldra iemand komen.
En er kwam iemand! Er kwam, zooals Fonske wel had durven hopen en verwachten, jonkvrouw Elvire met haar gouvernante.
Fonske was thuis toen zij kwamen. 't Was op een grijzen November-ochtend en zij stonden daar ineens voor 't kleingeruite raampje, waardoor zij even aarzelend naar binnen keken.
--Toe, Fons, doe open, ze zijn daar! riep de moeder gejaagd.
Fonske ging haastig open doen en de twee meisjes traden binnen.
De Engelsche kende tè weinig Vlaamsch om met de menschen een gesprek te kunnen voeren en daarom nam de jonkvrouw zelve het woord.
Zij stak de hand uit naar een pakje, dat de gouvernante droeg, en gaf het met een aarzelend-bedeesden glimlach aan de moeder:
--As 't ou blieft, vreiwe, dat es veur de winter.
--O, merci, mejonkvreiwe, ge zij wel bedankt, wel duuzen keers bedankt. Zet ou, mejonkvreiwe, zet ou, ieffreiwe. En zij bood stoelen aan.
Het meisje en de gouvernante gingen zitten. De Engelsche glimlachte zwijgend, met schitterenden tandenmond; jonkvrouw Elvire keek naar Fonske, die bij het raampje had zitten te teekenen.
--Goat 't goed? vroeg ze zacht.
--Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske, schuchter-blozend.
--Zij-de aan iets nieuws bezig?
--'K tiekene 't meuleken uit, van hier.
--Mag ik ne keer zien? glimlachte zoet het meisje.
Fonske liet het haar zien.
--'t Es scheune, zei ze. En ook de Engelsche kwam kijken en glimlachte met een dweeperig "very nice indeed".
De moeder, die met het pakje door een binnendeur verdwenen was, kwam gansch ontroerd weer in 't armoedig keukentje. Zij had tranen in haar oogen, zij vatte alle bei 's jong meisjes handen, boog bijna knielend tot haar neer en stamelde bevend:
--O, mejonkvreiwe, wa zij-je toch goed, zeuveel scheune, woarme klieren en zeuveel geld, mejonkvreiwe. Es dat toch amoal wel veur ons, mejonkvreiwe? Hedde gij ou somwijlen nie gemist? O, mejonkvreiwe, Fons moe ou toch 'n heule greute scheune schilderijnge moaken en ik zal heul de winter 's morgens en 's oavens veur ou bidden.
Het jeugdig kasteelmeisje bloosde gegeneerd. Schuchter keek zij op naar Fonske, die vuurrood, met stroef gezichtje voor haar stond, als schaamde zij zich voor de tè rijke aalmoes, die ze daar gebracht had. Er heerschte iets onuitgedrukt-benauwends tusschen de twee kinderen. Er was toenadering van zachtheid en genegenheid, en meteen was er een afstand als een afgrond, de onoverschrijdbare kloof tusschen armoede en rijkdom.
't Meisje was opgestaan. Zij stond daar even, penibel glimlachend, alsof zij iets verkeerds had gedaan. Zoo mooi van frissche jeugd en weelde, tegenover Fonske, die halsstarrig zijn blikken ten gronde hield geslagen. Toen stak zij hem tot afscheid een bevend handje toe. Fonske merkte 't niet. Zij kwam een stapje nader en meteen zag zij stille tranen over 's knaapjes wangen rollen. Schrikkend trok zij zich terug.
De moeder bromde:
--Fons, gie loeder, zie-je gij niet da mejonkvreiw ou 'n hand wil geven.
Bevend en gedwee stak Fonske zijn hand uit en het jong meisje drukte die vlug en zenuwachtig. Maar Fonske keek haar zelfs niet aan. Heel stil rolden aldoor de tranen over zijn roode wangetjes, tranen zoo helder en zoo zuiver als de kristallen droppeltjes van een levende bron.
Zij waren weg. 't Deurtje was dichtgeslagen en even werd het kleingeruite raampje door twee voorbijzwevende schaduwen verduisterd.
't Was gedaan. Nu zou alleen, voor maanden lang, de droeve, grijze winter heerschen.
IX.