Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 46

Chapter 463,641 wordsPublic domain

„Hoe gaat het u hier?” vroeg ik eens, met behulp van den tolk, aan een der oudsten des dorps, dien ik onderweg in mijn wagen had genomen.

„„God verdraagt nog onze zonden,”” was het antwoord.

„Zijn uwe vrouwen goed, u trouw, genegen en behulpzaam?”

„„Er zijn goeden en slechten.””

„Zijn uwe kinderen gehoorzaam en geven zij u vreugde?”

„„Wij hebben niet over hen te klagen.””

„Is het land, dat gij bebouwt vruchtbaar en levert het goede oogsten op?”

„„Wanneer wij tienmaal meer inoogsten dan wij gezaaid hebben zijn wij reeds tevreden.””

„Groeit uw vee goed?”

„„Wij zijn tevreden.””

„Hoeveel paarden bezit gij?”

„„Twee en dertig; misschien ook wel vijf en dertig.””

„Hoeveel paarden gebruikt gij bij den arbeid?”

„„Acht à tien, nu en dan twaalf.””

„Dus fokt gij de anderen aan om ze te verkoopen?”

„„Somtijds verkoop ik er een.””

„En wat doet gij met de anderen?”

„„Nitschewo.””

„Hoeveel runderen en schapen bezit gij?”

„„Dat weet ik niet. Mijne vrouw zorgt voor de koeien, schapen en zwijnen.””

„Hebt gij veel belasting te betalen?”

„„Ik ben tevreden.””

„Hebt gij u over een of ander te beklagen?”

„„Ik ben tevreden.””

„Gij hebt dus over niets te klagen, en alles is hier goed?”

„„Neen, niet alles; ik heb eene klacht.””

„Welke?”

„„Het wordt ongezellig in het land!””

„Ongezellig, wat beteekent dit?”

„„Nu ja, het wordt ons te klein.””

„Te klein, in hoeverre?”

„„Och, de dorpen schieten overal uit den grond op als paddestoelen. Men kan zich niet meer roeren en weet niet meer, waar zijn akkers aan te leggen. Indien ik niet te oud ware, ik was reeds lang verhuisd.””

„De dorpen schieten als paddenstoelen uit den grond? Waar? Ik zie geen enkel dorp. Hoe ver ligt het naaste dorp van het uwe verwijderd?”

„„Vijftien werst.””

Zoo spreekt, denkt en oordeelt de boer van het kroondomein. Het groote land is hem niet groot genoeg, en toch zou het twintigste gedeelte van de hoeveelheid, waarover hij naar goedvinden beschikt, genoeg voor hem zijn, indien hij het slechts beter bebouwde. Want de grond is zoo vruchtbaar, dat de geringste moeite in ruime mate beloond wordt. Valt een enkele maal de oogst tegen alle verwachting niet zoo goed uit als gewoonlijk, komt het gebrek de plaats van den overvloed bij hem vervangen, dan beschouwt de boer zulks niet als een natuurlijk gevolg zijner luiheid, maar als een beschikking Gods, als een straf voor zijn zonden.

In werkelijkheid gaat het hem, in weerwil van al zijn zonden, bijzonder goed, en hij had meer reden om van eene belooning zijner zonden te spreken. Want niet het gebrek, maar de overvloed benauwt hem. Van regeeringswege wordt aan iederen boer vijftien hektaren van het beste land, in den regel naar eigen keus, voor iedere mannelijke ziel van zijn huisgezin toebedeeld; daar echter van de honderd duizend vierkante werst van het domein tot aan het jaar 1876 slechts tweehonderd en vier en dertig duizend bewoond waren, komt het er nog heden niet op aan, dat elke boer zich meer toeëigent dan hem toekomt, dan wel of hij zich tevreden stelt met zijn wettig deel. Enkele families gebruiken niet minder dan twaalf- tot vijftienhonderd hektaren en het is hun geheel onverschillig of zij het daarvoor benoodigde aantal paarden of nog twintig of dertig daarboven voeden. In werkelijkheid geschiedt het niet zelden, dat de overtollige huisdieren den boeren van het kroongoed van eene zware zorg bevrijden, van de zorg n.l. den hun geworden zegen, dien zij ten gevolge der uiterst gebrekkige verkeersmiddelen niet te gelde kunnen maken, op te gebruiken. In een land, in welks hoofdstad onder gewone omstandigheden het pud of zestien kilogram roggemeel niet meer dan 30 cents, het pud tarwemeel niet meer dan 48 cents, het pud ossenvleesch in den winter hoogstens 72 cents, een schaap ƒ 2.40, een gespeend kalf ƒ 6, een varken ƒ 4.80, een uitstekend paard zelden meer dan ƒ 60 van ons geld kost, drukt elke goede oogst de prijzen dermate, dat de buitengewone zegen in een last verkeert. Wanneer de boer van het kroondomein voor 100 K.G. koren niet meer dan 72 cents van ons geld kan verkrijgen, dan wordt hem, die buitendien niet meer werkt dan even noodig is, de vlegel al te zwaar in de hand, de zegen volgens zijn bekrompen begrippen tot een vloek.

Deze, nu nog bestaande toestanden geven meteen eene verklaring van de meeste ondeugden, ook van de deugden onzer kolonisten; hun traagheid, hunne nu en dan walging wekkende tevredenheid, hunne onverschilligheid tegenover verliezen, hunne mildheid jegens behoeftigen en barmhartigheid jegens ongelukkigen. Eveneens begrijpen wij nu het allen Siberiërs eigen streven om het aantal bewoners eener plaats zooveel mogelijk te vermeerderen. Het groote land heeft als het ware menschenhonger. Ieder Siberiër beschouwt daarom met welgevallen zijn talrijk huisgezin; en daarom bestaat er in geheel Siberië geen vondelingshuis. Waartoe dit? Iedere vrouw, die meent, dat zij haar kind niet zou kunnen voeden, of van hetzelve wenscht ontslagen te worden, vindt gewillige afnemers voor het kleine wezen.

„Geef maar hier,” zegt de boer tot zulk eene onnatuurlijke moeder, „geef maar hier; ik zal ’t wel groot brengen,” en zijn gezicht staat daarbij zoo vroolijk, alsof hem een veulen geboren werd. In vroeger dagen, toen de bevolking nog veel geringer was dan thans, huwelijkte men de nog niet volwassen of pas volwassen kinderen reeds uit, ten einde hun zoo spoedig mogelijk oudervreugde deelachtig te doen worden en arbeiders te kweeken; tegenwoordig trouwen de jongelingen gewoonlijk niet voor hun 18e jaar, maar zoo mogelijk met oudere meisjes, die hoop geven op een zoo spoedig mogelijken kinderzegen, terwijl de ouders des bruidegoms zeer gaarne de meisjes behulpzaam zijn in het hengelen naar een huwbaar jongeling.

En om te bewijzen, dat ook de romantiek niet ontbreekt bij de boeren van het Altaï-domein, wil ik hier vermelden, dat geheime huwelijken zelfs in dit land niet zeldzaam zijn en dat almede een van liefde brandend jongeling zich soms niet ontziet het voorwerp zijner aanbidding te schaken. Het laatste geschiedt evenwel meestal met volkomen goedkeuring van alle belanghebbenden, dus ook van de wederzijdsche ouders—want in dit geval spaart men de kosten van eene bruiloft, in casu van den brandewijn. Op een bruiloft toch is het een algemeen gebruik alle dorpsbewoners te onthalen, vooral op de noodige hoeveelheid geestrijk vocht! Het spreekt vanzelf, dat ook in het kroondomein de liefde alle bezwaren, zelfs de tegenkanting der ouders, weet te overwinnen. Het meisje is, gelijk alle meisjes op dit wereldrond, zeer spoedig voor den schaaklustigen jongen gewonnen, en een heilig dienaar der kerk is tegen eene meer dan gewone belooning gaarne te bewegen het trouwformulier er over uit te spreken—alleen de vertoornde ouders zijn niet zoo licht te verzoenen. De moeder vervloekt hare dochter, de vader zijn zoon; beiden bezweren bij alle Heiligen de ondeugende kinderen nooit weer terug te willen zien:

„En de Hemel, steeds genadig, Hoort ook zulks met groot geduld.”

Toch komt de verandering in deze gezindheid niet van boven, maar een onweêrstaanbaar toovermiddel werkt eindelijk de verzoening uit: „snaps” wordt dit toovermiddel genoemd bij die menschen, welke Duitschlands grond, Woetki bij hen, die Ruslands heilige aarde bewonen. Zoodra de schoonvader drinkt heeft de jonge echtgenoot het pleidooi gewonnen; want mama schoonmoeder drinkt mede, en de foeselhoudende nektar verweekt ook het hardvochtige hart der laatste. Verschijnen dan, als het ware toevallig, nog eenige vrienden op het tooneel, ook deze worden niet teruggewezen en drinken dapper ter eere der verzoening mede; de nu gemaakte kosten toch, zijn in elk geval nog veel geringer dan wanneer het geheele dorp den zegen des hemels voor het jonge paar, al drinkende, had helpen afsmeeken. Wie zou nu nog kunnen loochenen dat de liefde, de reine, heilige liefde zelfs een boerenjongen uit het Altaïgebergte vindingrijk maakt.

Een bruidsschat ontvangt het meisje van het kroondomein niet; integendeel, haar moeder verlangt van den bruidegom een geschenk, en eischt dit zelfs, naar vrouwenaard, dikwijls onder huilen en schreien. Slechts wanneer bijzondere omstandigheden in ’t spel zijn, wanneer b.v. op den morgen na de bruiloft, de gasten het bruidshemd, dat zij wenschten te zien, niet overeenkomstig hun verwachtingen vinden, gebeurt wel eens het tegendeel. De verstandige en ervaren schoonpapa bedient zich in dergelijke gevallen van het beproefde toovermiddel, brengt een behoorlijk aantal, vooraf reeds, voorzichtigheidshalve gereed gehouden flesschen te voorschijn, belooft den vertoornden of althans mopperenden schoonzoon een veulen, een os, eenige varkens, enz. De geesten worden rustiger, de verzoening is getroffen.

Waarom ook zou de bruidegom toornen? Anderen is het eveneens gegaan en de toekomst kan veel goed maken. Vadervreugde kan immers ook onder niet regelmatige omstandigheden zijn deel worden; vadervreugde echter blijft het. Want broodzorgen behoeft ook het armste paartje niet te hebben, als het slechts de handen wil roeren; men helpt het gaarne aan dit en dat, en wanneer de zoo barmhartige hemel slechts eenige jaren matig wil zijn met het uitstorten van zijn zegen, wanneer koorn en vee een redelijken prijs behouden, dan sieren ongetwijfeld na weinig tijds theepotten en schoteltjes een hoektafeltje, zijden dekens het groote twee-slaapsbed, schitterende heiligen-beeldjes den rechter achterhoek, en boven alle beschrijving schoone schilderijen, voorstellende jachten op leeuwen, tijgers, beren, wolven, olifanten, herten en krokodillen de wanden der in geen gegoed boerenhuis ontbrekende, rein en netjes gehouden „mooie kamer.”

Een weinig hiervan afwijkend huiselijk leven kan ook het deel worden van alle bannelingen, die naar Siberië „gezonden” worden, voor den een iets vroeger, voor den ander wat later, indien zij slechts zulk een huiselijk leven begeeren, lang genoeg leven en eenigszins door de fortuin begunstigd worden. Ik heb in Siberië andere denkbeelden over de bannelingen gekregen dan ik koesterde vóór ik Siberië bezocht; ik doe echter vooraf opmerken, dat ik niet tot hen behoor, die meer hart schijnen te hebben voor moordenaars, roovers, brandstichters, dieven of dergelijk gespuis dan voor een vlijtigen huisvader, die in ’t zweet zijns aanschijns het brood voor eene talrijke familie tracht te verdienen, en dat ik mij tot nog toe niet heb kunnen verheffen tot de hoogte van hen, die elke straf willen verminderen, elke gevangenschap verzachten.

Elk jaar worden gemiddeld 15000 menschen naar Siberië „gezonden,” gelijk de gewone uitdrukking luidt. Zware misdadigers worden levenslang, minder zware voor een aantal jaren verbannen. Over de gestrengheid en de gebreken van het Russische wetboek spreek ik hier niet; dat daarin de doodstraf voorkomt als slechts toepasselijk op de zwaarste en zeer zeldzaam voorkomende misdaden is zeker geen bewijs voor de hardheid van genoemd wetboek; het ergste is wel, dat zoodanige bannelingen, die wegens staatkundige misdrijven werden veroordeeld, onderweg en dikwijls ook in Siberië op dezelfde wijze behandeld worden als de gemeenste misdadigers.

De tot verbanning veroordeelde wordt allereerst van de gevangenis der provinciestad naar die van de gouvernements hoofdstad overgebracht en daarna met den spoortrein, of een gewonen boerenwagen naar Nischni-Nowgorod, Kasan of Perm gezonden. Of men in den tegenwoordigen tijd op voetreizen de misdadigers nog twee aan twee aan een langen keten klinkt en ze noodzaakt dien keten gedurende de geheele reis te dragen, weet ik niet; gezien heb ik zulks nooit en ik ben ook vast overtuigd, dat de bekende zachtaardigheid van den overleden keizer deze oude barbaarsche handelwijs niet gedoogd zou hebben. In de genoemde steden, ook in Tjoemen en Tobolsk bevinden zich ruime doorgangsgevangenissen; onderweg, op alle, tengevolge van het bouwen van een daarmede parallel loopenden spoorweg nog niet verlaten wegen, minder ruime gebouwen, ter opsluiting van de daar den nacht doorbrengende bannelingen. In zooverre dit niet noodzakelijk is worden dezen nimmer gedwongen te voet te gaan, maar door middel van spoorwegen, wagens en stoombooten naar de plaats van bestemming getransporteerd; b.v. van Nischni-Nowgorod of Kasan naar Perm, van Tjoemen uit op de Thoera, Tobolsk, Irtysch, Ob en Tom naar Tomsk. De gevangenissen zijn eenvoudige, maar vrij zindelijke, de daarmede samenhangende, maar op voldoende wijze afgescheiden hospitalen voorbeeldig ingerichte gebouwen, de rivierbooten zeer lange, twee verdiepingen bevattende schepen, die men het best zou kunnen vergelijken bij reusachtige, drijvende kooien, daar de geheele bovenverdieping in het midden, evenals eene vogelkooi, van tralies is voorzien. Elk dier booten, door een stoomschip gesleept, bevat ruimte voor zeshonderd personen, daarenboven een groote keuken, een ziekenzaal, eene kleine apotheek, en tevens afzonderlijke vertrekken voor de bemanning en de begeleidende soldaten. Tusschen Perm en Tjoemen rijden wagens, die eveneens op vogelkooien gelijken en voor het vervoer van de gevaarlijkste misdadigers dienen.

Elke banneling ontvangt van regeeringswege een zwaren, grijzen wollen mantel, waarop aan de rugzij een vierkant, al naar den aard van het misdrijf, of liever van de straf, verschillend gekleurd stuk laken is vastgehecht. Hierdoor worden de soldaten, voor zooveel noodig, ingelicht omtrent de personen, over wie zij het toezicht hebben. Iedere „ongelukkige” ontvangt dagelijks tien, is hij van beteren stand vijftien, maar bij langduriger gevangenschap zeven, somtijds vijftien kopeken voor de aanschaffing van zijn voedsel. Deze som is zoo ruim berekend, dat men met eenig overleg daarvoor alle noodzakelijke levensbehoeften kan koopen, ofschoon nog daarenboven iederen dag, de vasten alleen uitgezonderd, aan elken persoon drie kwart pond vleesch wordt uitgereikt. Indien de vrouw en de kinderen de veroordeelden vergezellen, dan ontvangen deze een gelijke som. Bijverdiensten zijn geoorloofd; het door werken of bedelen gewonnen geld vloeit, alhoewel niet altijd ongedeeld, in den zak van den veroordeelde, soms ook wel in den vorm van woettki door zijn keelgat.

Zooeven merkte ik op, dat de vrouw en kinderen den veroordeelde mogen vergezellen; ik moet er nog bijvoegen, dat zulks in den regel ook geschiedt. De veroordeeling tot een gestrenge straf, ingevolge van een zwaar misdrijf, levert ook in Rusland een voldoenden grond op om echtscheiding aan te vragen; het staat dus iedere vrouw vrij om haar man in de verbanning te volgen, of thuis te blijven. Zelfs de kinderen boven de 14 jaren hebben het recht voor zich te beslissen, of zij met hunne, naar Siberië trekkende ouders willen meêreizen of niet. Maar de regeering ziet het gaarne, dat vrouw en kind den veroordeelde volgen, werkt zulks op alle mogelijke wijzen in de hand, en houdt zich tevens ernstig onledig met de vraag, in hoeverre de moeilijkheden en onaangenaamheden, aan de reis verbonden, kunnen worden verminderd.

Dat deze onder alle omstandigheden drukkend zijn, kan niet geloochend worden; zoo ijselijk evenwel, als zij ons afgeschilderd worden, zijn ze niet. Alleen de allerzwaarste misdadigers worden geboeid naar de plaats van bestemming vervoerd; de anderen genieten meer vrijheden dan onze veroordeelden.

Het ellendigst is de reis, wanneer deze op stoombooten of op door deze gesleepte schepen moet worden afgelegd. De bannelingen en hunne gezinnen worden samen in ééne ruimte opgesloten; de gevolgen dezer handelwijs zijn uitspattingen van allerlei aard, waaronder zulke, die moeilijk nader te beschrijven zijn, en deels niet voorkomen kunnen worden, of waarop niet genoegzaam gelet wordt. De slimme dief besteelt den minder schranderen beroepsbroeder, de sterkere overmant den zwakkere; men snijdt de zolen van de laarzen der slapenden, om zich de hier wellicht verborgen banknoten toe te eigenen; de onverbeterlijke zondaar doet den berouwhebbenden wankelen of bederft dengene, bij wien nog hoop bestond op verbetering, in den grond. Wel is waar worden thans de mannelijke en vrouwelijke misdadigers onderweg gescheiden, maar de familieleden blijven bij hun hoofd, en nu loopen de vrouwen en dochters der bannelingen gedurende de reis bestendig gevaar, al moge men zooveel mogelijk trachten zulks te beletten. Daarentegen wordt de reis door middel van stoomschepen ook wederom aanmerkelijk verkort, zoodat de nog niet geheel bedorvenen, en zoo ook de vrije, niet veroordeelde bannelingen te eerder aan die heillooze invloeden worden onttrokken. Bezwaarlijker echter, ofschoon minder gevaarlijk voor de nog niet geheel bedorven veroordeelden, is de reis te land. Een Russische boerenwagen, op Russische wegen, en gereden door Russische, bijna onafgebroken in galop voorthollende paarden, is voorzeker naar onze begrippen een martelwerktuig, maar niet voor de Russen uit den geringen stand, die van hunne jeugd af aan geen beter voertuigen of wegen gewoon waren. De banneling moet, wel is waar, zich hier tevreden stellen met een kleiner plaatsje dan de boer, wanneer deze met zijn gezin uit rijden gaat, daar de wagen vol geladen wordt met zes tot acht personen, maar ook de koetsier en mederijdende soldaat hebben het niet beter dan de veroordeelde; alleen de zware misdadiger maakt daarop eene uitzondering; diens ketens klinken ons bij zulk een rit alleronaangenaamst in de ooren. Een banneling uit den beschaafden stand, b.v. een wegens politiek misdrijf veroordeelde, heeft het natuurlijk vreeselijk te verantwoorden en hij is volkomen in zijn recht, wanneer hij deze reis met de zwartste kleuren afschildert, maar de plaatselijke gesteldheden en landsgewoonten in acht genomen, verliest deze gedwongen verhuizing althans iets van den vloek der wreedheid, die op haar kleeft. En wat eindelijk de voetreizen betreft, deze vinden vooreerst nooit in den winter plaats, worden slechts van krachtige mannen, die kunnen loopen, geëischt, strekken zich over geen langer dagmarschen uit dan veertig werst, en worden om den derden dag met een rustdag in de aan den weg gelegen gevangenis afgewisseld. Ook de soldaat moet alweder te voet gaan, maar deze heeft nog buitendien op de bannelingen te letten en is voor hen verantwoordelijk, zoodat hij het zwaarder heeft dan deze. Even veel gewicht als de moordenaar aan zijn ketens heeft mede te slepen, moet de soldaat torschen aan zijn wapens, pakkage en ammunitie. En de laatste is een trouw dienaar van den staat, de eerste een uitvaagsel der maatschappij.

Onrechtvaardig is en blijft het, dat een uit hoogere standen ontsproten en wegens een gemeen misdrijf veroordeelde banneling, indien hij zulks uit eigen middelen of die van anderen kan bekostigen, anders wordt behandeld dan een voor hetzelfde misdrijf veroordeelde uit den geringen stand; aan eerstgenoemden veroorlooft men, onder geleide van twee, voor hunne heen- en terugreis door hem te betalen kozakken, op eene wijze gelijk hij zelf wenscht en dus zoo gemakkelijk mogelijk, naar de plaats zijner verbanning te trekken.

Wordt zulks door iederen onbevooroordeelden Rus of Siberiër als eene ongerechtigheid gebrandmerkt, en de waarheid er van onbewimpeld erkend, aan den anderen kant is het even waar dat er van mishandeling der getransporteerden van de zijde der met de overbrenging en bewaking belaste beambten van hoogeren of lageren rang, gelijk door de bannelingen zelf wordt erkend, geen sprake is. Het komt wel eens voor, dat oproerige bannelingen onderweg worden doodgeschoten of op andere wijs voor altijd onschadelijk gemaakt, maar zulke voorvallen behooren tot de grootste zeldzaamheden en zijn noodzakelijke uitvloeisels der omstandigheden, terwijl dit middel dan eerst wordt toegepast als alle andere maatregelen onvoldoende blijken te zijn. De Rus is uit zijn aard niet wreed zooals de Spanjaard, Turk, Griek of Zuid-Slavoniër; veeleer, uit een kwalijk begrepen gevoel van barmhartigheid, soms uit traagheid, te zacht dan te hard; hij spant wel eens mensch en dier boven hun krachten in, maar ze voor zijn vermaak met opzet martelen, dit doet hij nooit. Reeds uit den naam, aan alle bannelingen gegeven, „ongelukkigen” spreekt genoegzaam een diep gevoel des volks, en met dit gevoel van barmhartigheid houdt iedereen rekening, de soldaat en veiligheidsbeambte, de opzichter der gevangenissen en de gevangenbewaarder. Dat sommige onverbeterlijke booswichten zelfs het vroomste lamsgeduld kunnen prikkelen en in flikkerenden toorn veranderen, is te begrijpen; dat eervergeten kantoorklerken op de verbanningsplaatsen zich zelfs het ongeluk schatplichtig maken om in ’t bezit van meer geld te geraken dan de Staat hun aan jaarwedde uitbetaalt, werd mij door bannelingen medegedeeld; dat de ter verbanning veroordeelde opstandelingen van de laatste Poolsche revolutie strenger door de hen begeleidende Russische soldaten werden behandeld dan andere bannelingen, ja zelfs met onverbiddelijke gestrengheid, heeft een gewezen scherprechter, die mij zijne levensgeschiedenis door bemiddeling van een tolk moest verhalen, geklaagd. Voor zulke buitensporigheden de tegenwoordige regeering verantwoordelijk te stellen, gelijk nog altijd geschiedt, haar eeuwige barbaarschheid toe te schrijven, en bestendig van den knoet te spreken, die reeds sedert jaren is afgeschaft, onze oostelijke buren in ’t algemeen als barbaren af te schilderen, dit is eenvoudig zinneloos, omdat zulks in alle opzichten een logen is.

Alle vigeerende wetten, verordeningen en inrichtingen bewijzen, dat de regeering op de meest welwillende wijze voor de bannelingen zorgt en zooveel mogelijk er op bedacht is hun lot te verzachten, terwijl iedereen in de gelegenheid wordt gesteld hierin vroeger of later verbetering te brengen. Zoo is het streng verboden de bannelingen met onrechtmatige hardheid te behandelen, en wie dit gebod overtreedt wordt streng gestraft; hun iets op onrechtmatige wijze te onthouden geldt voor een zware misdaad. Overal heerscht het streven de straf te verzachten, zoodra zulks maar eenigszins kan, den veroordeelde aan de menschelijke maatschappij terug te geven, zoodra zulks mogelijk is. Maar men helpt alleen hem, die dit verdient, niet dengene, die beterschap huichelt. Want men fokt in Siberië geen huichelaars, zooals in onze gevangenissen. De bij ons maar al te veel gebruikelijke, walgingwekkende zucht om van de veroordeelden „vromen” te maken, kennen de Russen niet, omdat het in hunne oogen iets is, wat vanzelf spreekt, dat ieder de kerk en de „lieve heiligen” eert en acht, op zijn tijd vast en in ’t algemeen dat doet, hetgeen de in uiterlijke vormen opgaande kerk eischt. Men pakt er het kwaad bij de juiste plaats aan en verkrijgt uitkomsten, die wij de Russen zouden kunnen benijden, of liever benijden moesten.

Van de vijftien duizend bannelingen worden telken jare slechts duizend aan de bergwerken overgedragen, terwijl de anderen op verschillende gouvernementen worden ingedeeld of, gelijk het heet, ter kolonisatie verwezen. In de groote gevangenissen scheidt men niet alleen de mannen van de vrouwen, maar ook Christenen, Joden en Mohamedanen; bij de kolonisatie let men eveneens op het geloof. Zoodra de tot eene lichte straf veroordeelde misdadiger de hem aangewezen plaats bereikt heeft, verkrijgt hij van de regeering als laatste gift een woonbewijs, en van nu af mag hij elk eerlijk beroep ongehinderd uitoefenen, niet evenwel zonder toestemming der overheid van het distrikt, waar hij behoort, terwijl hij evenmin het dorp van zijn verblijf mag verlaten, weshalve hij dan ook voortdurend onder politie-toezicht is geplaatst.