Van de Ganges naar den Amazonenstroom De Aarde en haar Volken, 1904
Chapter 4
Victoria scheidde zich namelijk van Nieuw Zuid Wales af uit vrees, dat het als rijkste provincie te veel in de schatkist zou moeten storten, en Sydney heeft dat nooit vergeten, vooral omdat het de oude moederstad is, terwijl Melbourne, eerst vijftig jaren oud, moderner en beter gebouwd is en zich daarom ver verheven acht boven het ouderwetsche, reeds meer dan honderd jaren oude Sydney. Thans was de verhouding bijzonder gespannen, omdat beide steden hoofdstad wenschten te worden van de australische federatie. De vijandschap ging vroeger zoo ver, dat reizigers, die de slaapwaggons van de lijn Sydney-Melbourne gebruikten, midden in den nacht werden gewekt en uitstappen moesten, daar de elkaâr vijandige staten geen vreemde wagens over de grens lieten komen.
Elken morgen bijna reed ik uit mijn aardig hôtel op de hoogten van Darlinghorst aan de Wooloomooloobaai per fiets naar het tien mijlen zuidelijk gelegen dorp La Pérouse, waar ik afstammelingen aantrof van de oude oerbewoners der landstreek, door de regeering hier geplaatst, bij wie ik ijverig les nam in het werpen met den boemerang.
Dit eigenaardig wapen hebben de inboorlingen van Nieuw-Holland uitgevonden, en nergens anders op de wereld is het in gebruik. Het vormt met den kangoeroe en het merkwaardig vogelbekdier een der typische eigenaardigheden van Australië. Het smalle, vlakke, hoekig gebogen stuk hout is in alle drie afmetingen gekromd, en men vervaardigt het, door het vochtige hout met geweld te draaien en bij het vuur te harden. Vooruit geworpen, slingert het om zichzelf, wordt ten gevolge der krommingen bij elke draaiing door den tegenstand der lucht een weinig uit zijn koers gebracht en keert eindelijk in een wijden boog tot den slingeraar terug. De inboorlingen kunnen het meestal behendig in de lucht grijpen. Zeer ver en juist kan men werpen tegen een lichten wind in, daar dan de boemerang als een vlieger door den luchtstroom wordt gedragen. Ondanks de lichtheid ontwikkelt het hout door de snelle draaiende beweging bij het treffen tegen een of ander voorwerp een kracht van beteekenis; zoo zag ik vrij dikke takken af knikken door het scherpkantige werphout, en ik geloof wel, dat men met den zwaren oorlogsboemerang, die echter alleen rechtuit kan worden geslingerd, een mensch den schedel kan verpletteren. Met hun breede neuzen en grove trekken maken de inboorlingen geen aangenamen indruk.
De meest gewilde verdere uitstapjes hebben plaats naar de Blauwe Bergen van Nieuw Zuid Wales, die men bereikt door een spoorwegrit van eenige uren naar het Westen. Er is daar dicht bosch en men wordt er aan het Thüringerwoud herinnerd, doch zonder de vele bewoners. Ik had eerst plan, de streek per fiets te bereizen, maar bleef na korten tijd reeds steken in de sneeuw en verdwaalde buiten dien, daar de weg niet te herkennen was, omdat er niemand langs was gegaan, sedert de sneeuw gevallen was. Den geheelen namiddag en een deel van den avond marscheerde ik in ééne richting verder, steeds met mijn wiel aan de hand, zonder een mensch of een huis aan te treffen. Des te meer wild zag ik, toen de maan was opgekomen, en ik was verbaasd over de groote menigte kangoeroe's, die ik opjaagde. Reeds 's namiddags kruisten velen mijn weg, en het maakte een allergrappigsten indruk te zien, hoe de groote dieren met de kleine kopjes het eene achter het andere aan in lichte en toch verre sprongen voortijlden, daarbij de lange staarten op en neer bewegend.
Toen ik reeds had besloten om maar vuur te maken en mij voor een kampeering in te richten, bereikte ik ten slotte nog een gehucht, waar ik door vriendelijke menschen gastvrij werd opgenomen.
Lang zat ik met den heer des huizes, een schapenfokker, onder een glas grog aan den vlammenden haard, en hij haalde zijn herinneringen op aan den goeden ouden tijd in Australië, toen men nog eens kon vechten met ontvluchte galeiboeven en wilde inboorlingen. Het is opmerkelijk, hoe snel zich in dit werelddeel de dieren en planten vermenigvuldigen, die er ingevoerd zijn. De schapen bijvoorbeeld, die nu den grootsten rijkdom van Australië uitmaken; dan de musschen, die een liefhebber onnoodigerwijze heeft ingevoerd; de distel en vooral de konijnen, die nu zooveel schade aanrichten, dat de regeering een hoogen prijs gesteld heeft op het vinden van een afdoend verdelgingsmiddel. Zooals mijn gastheer vertelde, kan men zich voorloopig niet anders redden dan door heele terreinen met een stevig draadvlechtwerk te omheinen, dat zoo diep in den grond is aangebracht, als de konijnen hun holen graven.
Op een drijfjacht den volgenden dag schoten wij, behalve eenige kangoeroe's, ook twee buideldieren.
Men houdt er echter in Australië meer van, de kangoeroe's te paard met speciaal daarop afgerichte honden te jagen, waarbij dan vele honden bezwijken onder de scherpe klauwen der vervolgde dieren. De soep van kangoeroestaart was uitstekend; maar over 't algemeen houdt men niet veel van het vleesch, en alleen voor het vel is een goede prijs te bedingen.
Door de ervaring wijzer geworden, zette ik mijn reis te paard voort, om de beroemde Jenolangrotten te bezoeken, groote, mijlenlange druipsteenholen met prachtige kalkvormingen, het mooiste wellicht, dat men van dien aard te zien kan krijgen.
Er was daarbij een idyllisch mooi gelegen, geriefelijk hôtel, maar ondanks de drukke passage zag men hier eveneens op elke wandeling kangoeroe's langs de rotsen klauteren.
Weldra verlangde ik intusschen weder naar de groote stad, vooral omdat ik Australië spoedig dacht te verlaten.
Op de laatste dagen van mijn verblijf te Sydney deed ik veel pogingen, om een zeilschip te vinden, dat bij zooveel mogelijk Zuidzee-eilanden moest aanleggen, want de ware poëzie der Stille Zuidzee en haar eilanden meende ik alleen per zeilschip te zullen genieten. Maar al mijn zoeken liep op niets uit.
De weinige zeilschepen, die er waren, gingen òf rechtstreeks naar Zuid-Amerika òf naar de eene of andere afgelegen eilandengroep en terug, zoodat ik daar dan een halfjaar of mogelijk wel een jaar zou hebben moeten wachten, tot er eens toevallig een ander schip langs kwam. En zoo besloot ik dan, voorloopig tot Nieuw-Zeeland de gewone poststoomboot te nemen, die den volgenden dag in zee zou gaan.
De vaart naar Auckland op het Noordeiland van Nieuw-Zeeland, die op vier dagen beslag zou leggen, eischte zeven dagen voor zich en was zoo stormachtig, als ik nog nooit iets had meegemaakt. Warme spijzen konden eenige dagen lang in 't geheel niet klaargemaakt worden, alles wat niet zeer zorgvuldig was vastgesjord, rolde door elkaâr en bracht den niet uitkijkenden passagier builen en schrammen toe. In 't bed moest men zich laten vastbinden, als men niet telkens weer eruit geslingerd wilde worden, en in den salon stond het water bijna een voet hoog, als een bijzonder hooge stortzee een der deuren naar het dek had opengerukt.
De meeste passagiers waren verheugd, toen ze in de haven van Auckland weer in de frissche lucht op dek konden komen. Boven hadden de golven ook niet zonder resultaat gewerkt; twee booten waren weggeslagen, en alle mogelijke andere dingen, die buiten den rand van het dek uitstaken, waren weggevaagd.
De eerste blik op Auckland imponeert niet. De stad lijkt een engelsche havenstad van middelbare grootte, en ofschoon de reiziger van te voren weet, dat hij in een stad komt, waar bijna alleen Europeanen wonen en die modern is gebouwd, toch zal hij altijd weer een teleurstelling gevoelen, omdat het eerste Zuidzee-eiland, dat hij betreedt, zoo weinig heeft van die eigenaardigheden, die hij met het begrip Zuidzee-eiland verbindt.
Het deel der kust, waar de stad is gelegen, verheft zich nog al hoog, en van de hoogte, heeft men een ruim uitzicht over de zee, alsook naar de andere zijde, naar het vriendelijke, boschrijke binnenland, waar zich talrijke uitgebrande vulkanen verheffen.
Hoog in de hoogte staat het Museum, waar men, behalve de beenderen van den uitgestorven reuzenvogel Moa, de vele gereedschappen en werkstukken van de oude bewoners, de Maori, vinden kan. Interessant zijn de lange booten voor oorlogsgebruik, waarin vijftig en meer roeiers achter elkaâr kunnen zitten. De Maori's zijn het eenige volk der Stille Zuidzee, dat bij het binnendringen van de europeesche beschaving reeds op zoo hoogen trap stond, dat het in staat was, zich daarnaar te schikken en er niet door te gronde ging. Er zijn nog meer dan 40 000 Maori's, die 't meest op het Noordeiland leven, en hun aantal neemt zelfs in de laatste jaren toe. Hun vermindering was een gevolg van de bloedige oorlogen, die enkele tientallen jaren geleden op het eiland woedden, want de Maori's hadden zich snel aan het gebruik van vuurwapenen gewend en weerden zich dapper en behendig tegen het voortdringen van de Europeanen.
Vooral in het aanleggen van versterkingen wisten zij zich meesters te toonen, en de Engelschen leden in menig geregeld gevecht de nederlaag. Tegenwoordig zijn ze in 't bezit van dezelfde burgerrechten als de blanke kolonisten en vervullen allerlei betrekkingen. Ze zijn ook kiezers, zij, zoowel als hunne vrouwen, want in Nieuw-Zeeland is de vrouw, ook in politiek opzicht, met den man gelijkberechtigd, en 't gebeurt wel, dat er meer vrouwen dan mannen bij de stembus verschijnen.
De Maori's, die ik in de straten zag, waren volkomen europeesch gekleed; alleen toonden de vrouwen een zekere voorliefde voor groote, bonte omslagdoeken en waren somtijds aan de kin getatoeëerd. De gezichten waren intelligent en niet leelijk.
Om het inwendige van het eiland te leeren kennen en vooral het zonderlinge, belangwekkende gebied der warme bronnen, maakte ik gebruik van den spoorweg Auckland-Rotorua. De tocht ging door bergachtig land; in de dalen weidden groote kudden, maar dat waren de eenige dieren, die ik te zien kreeg. Wilde viervoeters zijn er niet op Nieuw-Zeeland, evenmin als op de meeste andere Zuidzee-eilanden. Het geheele landschap krijgt iets karakteristieks door de veelvuldigheid der kleine hulstboompjes.
Het stadje Rotorua is beroemd als badplaats, en zieken uit heel Australië, Oost-Azië en zelfs uit Europa gaan er heen. 't Is het middelpunt van een groot district, onder welks dunnen bodem aanhoudend sterke vulkanische krachten werkzaam zijn en op vele plaatsen zich aan de oppervlakte merkbaar maken. Na van het station uit een half uur te hebben geloopen, liet ik de verspreid liggende huizen achter mij en kwam over een kleine rivier te Whakarewarewa, een grootere, alleen door Maori's bewoonde plaats, zooals over 't algemeen in deze voor hen heilige, vulkanische districten de Maori's het meest voorkomen en nog het dichtst bij hun oorspronkelijken cultuurtoestand zijn gebleven.
Mooie, lichtbruine meisjes boden zich als geleide aan, en vol vertrouwen liet ik mij door een kind met vriendelijke oogen brengen naar het machtsgebied der onderaardsche krachten. Dichtbij den ingang aan de brug lag reeds een plas, waarin het water vurig kookte en bruiste. Toen kwamen nog een aantal andere, grootere en kleinere vijvers, alle van meer of minder hooge temperatuur. Hier en daar speelde de jeugd, en oude Maori's zag ik er hun pijpje rooken. Rondom de plassen lagen de huizen, kleine houten woningen met groot, laagafhangend dak, en fraai met snijwerk versierd. Vóór de ingangen stonden totems, hooge palen met de beeltenissen der voorvaderen van den huisheer erin gesneden.
De ligging van het dorp is in zoover zeer gunstig, dat de bewoners het gemak vinden van een steeds gereed warm bad, en zorg voor brandstof is geheel bij hen uitgesloten, want als het koud wordt, schuift men het verplaatsbare houten huis eenvoudig naar een warmer plekje van den grond, en in den vollen zomer gaat men meer ter zijde.
Om heet water te krijgen, behoeft men den grond slechts een klein eindje uit te graven, en ik heb zelf eieren gegeten, die in een eigengemaakte kuil gekookt waren.
Iets verder dan Whakarewarewa lag een grooter meer, dat ten deele kookte en bruiste; maar het vreemdste waren de borrelende moerassen. Deze in een donker bosch gelegen, met riet bedekte moerassen, waaruit aanhoudend groote luchtbellen opstegen en met knappend geluid braken, leken wel helsche machines. Alleen de aanwezigheid der wondermooie Maorimeisjes hield mij van griezelen terug, en het werd mij daardoor eerst duidelijk, waarom men op dezen niet moeilijk te vinden weg geleide noodig heeft en wel jong, vrouwelijk geleide. Nadat ik ten gevolge van deze voortreffelijke inrichting weer Rotorua in goede gezondheid had bereikt, liet ik mij per rijtuig naar het Geyserhôtel brengen, dat op een half uur afstands, eenzaam, onmiddellijk bij de groote geysers is gelegen. Het was reeds donker, toen ik er aankwam; maar toch moest ik na een sober avondmaal weer naar buiten in de koude, om een der grootste geysers te zien, die slechts elke twintig uren éénmaal springt.
In het maanlicht zag ik eerst niets anders vóór mij dan eenige rotsblokken om een gat in den grond. Plotseling echter begon het te bruisen; de aarde scheen te sidderen, één-, twee-, driemaal spoot iets wits, eerst een voet, dan een meter hoog uit de opening, en toen op eens ging met donderend geweld een breede waterzuil dicht vóór mij 150 voet hoog naar boven, door den wind uiteenspattend en aan de andere zijde neervallend. Eerst na eenige minuten zakte de straal weer langzaam en zonk weg in de diepte, en van het prachtig schouwspel bleef niets over dan een dof gerommel onder onze voeten.
Hetzelfde schouwspel herhaalde zich den anderen morgen onder velerlei vormen, toen ik onder het nu al gewoon geworden geleide van een Maorimeisje 't gebied der geysers doorwandelde. Daar zag ik ook de beroemde Waikiteterrassen, waarvan het grootste gedeelte door een aardbeving kort geleden werd verwoest, maar die nog altijd een merkwaardigen aanblik bieden. Het is een groot, in terrassen dalend veld, gevormd door afzettingen van kiezelzuur en dat naar den vorm op een sterk verdeelden, bevroren waterval, naar de substantie op blauw glanzend albast gelijkt.
Rondom waren talrijke geysers. Eenige spoten elk kwartier en dan slechts kort; andere met tusschenpoozen van uren, en nog weer andere stoorden zich niet aan bepaalde termijnen. Voorzichtig naderde mijn geleidster de openingen altijd van den windkant; maar toch dook ik soms plotseling van schrik ineen, als onverwachts naast mij een kokende bron luid opspoot. Nooit echter zal ik den imposanten totaalindruk vergeten, toen ik van een hoogte de geheele streek overzag. De stoutste fantazie kan zich geen voorstelling maken van iets, dat meer gelijkt op middeleeuwsche afbeeldingen van de hel.
Tusschen de met donker bosch bedekte bergen was ik aan alle kanten door zware wolken stoom omringd, vlak bij lag een kaal rotsgebied, links beneden vreemde, nooit te voren aanschouwde steenvormingen, die op schitterende watervallen geleken en vóór mij schuimden hoog de waterkolommen op, nu eens in dunne stralen met kleine tusschenpoozen spuitend, dan met gelijke en lang aangehouden kracht groote massa's water omhoog slingerend, vele tegelijk soms aan alle kanten. Daarbij was de lucht vervuld van een dof gedreun, en onder de voeten was de grond niet vast en stevig.
Ver achter mij zag ik in den vroegen morgen de verdwijnende kusten van het eiland Toetoeïla, waarop een amerikaansche stoomboot mij had afgezet en dat ik te middernacht met de kleine verbindingsboot Kawan had verlaten. Dicht vóór ons verrezen reeds de bergen van Oepoloe, het hoofdeiland van Samoa; en heel in de verte vertoonden zich de omtrekken van nog andere eilanden. De lucht was onbeschrijfelijk zacht en droeg in verkoelende vleugjes heerlijke geuren van het land tot ons over. Ik voelde voor het eerst, dat ik mij werkelijk in de Zuidzee bevond, waarover ik zoo dikwijls had gedroomd. De kleine Kawan stampte en slingerde geweldig, trots de kalme zee, en de meeste van de ongeveer twintig passagiers waren zeeziek. Er waren veel zendelingen aan boord en eenige samoaansche vrouwen met haar kinderen, volkomen ingepakt in bonte doeken en voorloopig onzichtbaar.
Dicht naast mij op de houten bank lag het hoofdje van een aankomend meisje, en ik kon de verzoeking niet weerstaan, voorzichtig een tip van den doek van haar gezichtje op te lichten. Daar trof mij uit de mooie oogen een zoo diep wanhopige blik, die van zoo innig lijden door de zeeziekte getuigde, dat ik den doek gauw weer liet vallen en wat met haar moeder bleef praten, een dikke, vriendelijke dame in een europeesche babyjurk, die uitstekend Engelsch sprak en geen last had van de algemeene kwaal.
Intusschen waren wij het eiland genaderd, en ik zag het strand geheel bezet met hooge kokospalmen, dien echten boom der Stille Zuidzee. Lang voeren wij langs dichte palmenwouden, die ver landwaarts in gingen, en zelfs op de hoogten der bergen op den voorgrond teekenden de mooie kronen zich duidelijk af tegen den donkerblauwen hemel.
Tegen den middag weken de bergen iets meer van de zee terug en wij bereikten de open reede van Apia. Achter een rif, met schuim bedekt, lagen eenige kleine zeilschepen voor anker en in de ondiepe zee dichtbij het strand zag ik een grooten scheepsromp op zij liggen, 't wrak van de Adler, die vóór eenige jaren hier met een paar andere schepen in een taifoen is gestrand.
Langs de kust lagen, vaak door palmen van elkaâr gescheiden, veel kleine europeesche huizen en op den achtergrond verrezen boschrijke heuvels. Al spoedig verschenen de duitsche dokter en de douane-inspecteur in witte uniformen bij ons aan boord en daarna was er niets meer, dat onze landing belette.
De boot, waaraan ik mijzelven en mijn bagage toevertrouwde, werd door een gespierden reus geroeid, die alleen de gebruikelijke lawa-lawa, den heupdoek, droeg en mij in gebroken Duitsch vertelde, dat hij vroeger op de berlijnsche tentoonstelling tentoongesteld was geweest. Daarbij sprak hij met ingenomenheid over de Duitschers in het algemeen en over de vrouwelijke bevolking van Berlijn in het bijzonder en bood mij ten slotte zijn diensten aan voor het vervolg.
Niet erg verrukt over dit door de cultuur gefatsoeneerde exemplaar van het samoaansche ras, zocht ik een onderkomen in het beste der drie hôtels van Apia, dat wel niet veel comfort aanbood, maar toch een kleine inrichting had voor het nemen van een bad in de zee. IJs was op heel Samoa niet te krijgen. Buiten mij was er nog één gast, eveneens plezierreiziger; het andere hôtel was geheel leêg. Veel menschen, die hier zaken doen, denken nog met weemoed aan de tijden, waarin Samoa nog den strijd der mogendheden om zijn bezit bijwoonde, toen er altijd veel oorlogschepen in de haven lagen, die drukte en geld in het land brachten. Nu is er alles stil geworden.
In het centrum van de stad Apia ligt het regeeringsgebouw, en toen ik er den gouverneur opzocht, excerceerden juist de inlandsche troepen daar onder commando van een duitschen onderofficier. De bruine jongens zagen er lang niet slecht uit met hun witte jas en korte broek, met zijgeweer en karabijn; de beenen waren in den natuurstaat gelaten.
De inboorlingen, die ik in de lange straat, waaruit Apia gevormd wordt, ontmoette, waren lang en flink gebouwd en hadden dikwijls een zeer aantrekkelijk uiterlijk. Van alle buiteneuropeesche volken komt, afgezien van dien der Hindoes, de gelaatsvorm van de Polynesiërs het meest met onzen smaak overeen. De mannen waren enkel met de lawa-lawa bekleed, droegen het haar steil omhoog en hadden het meestal roodachtig geverfd; zooals ik later hoorde, bleeken zij het met ongebluschte kalk.
Alleen 's avonds, als zij naar de kerk gingen, moesten ze volgens voorschrift een jasje dragen. De inboorlingen, die dwaas genoeg zijn, zich geregeld geheel in europeesche kleeding te steken, worden dikwijls ziek en teringachtig, vermoedelijk doordien zij er zich door verwennen en de kleêren aanhouden, als die doornat zijn geworden of ze onvoorzichtig en op ongelegen tijd uittrekken. De vrouwen droegen bijna alle een lang, ruim kleed met bloote armen. Zij waren evenals de mannen bijna altijd met bloemen getooid, hadden kransen in het donkere haar en lange, sterk geurende kransen om den hals en het middel. Veel Europeanen in Apia hebben samoaansche vrouwen, met wie zij zeer gelukkig schijnen te zijn. De kinderen uit zulke verbintenissen zijn vaak bijzonder mooi, worden vaak voor eenige jaren naar Europa gezonden om hun opvoeding te voltooien en brengen dan den vreemdeling in verrukking door haar lieftalligheid en de pikante tegenstellingen in haar wezen.
De gezelschapskring van den gouverneur was maar klein, en eerst bij een picnic, dat eenige duitsche kooplieden ons, vreemdelingen, aanboden, werd een breeder kring samoaansche dames en kleurlingen uitgenoodigd. In talrijke rijtuigen reed men naar buiten, naar een in de schaduw van het woud gelegen waterval. Er kwamen daar ongeveer vijftig personen samen en het ging er vroolijk en ongedwongen toe. Vóór den maaltijd, die in de open lucht gebruikt werd, kregen we iets aardigs te zien. 't Riviertje vormde onder aan den waterval een grooter bekken met kristalhelder water, waarnaast zich een steile rots verhief, wel 25 M. hoog. Van deze rots sprongen de dames, de eene na de andere, in licht badcostuum in het water, zich verfrisschend in het koele nat.
De hitte was in het middaguur zeer groot; alle huizen waren tot vier uur gesloten en niemand was dan op straat te zien. Alleen de vroege morgenuren waren geschikt, de omliggende groote cacao- en palmenaanplantingen te bezoeken. Daarbij kon men echter met paard en rijtuig altijd slechts een paar mijlen ver de kust volgen; dan werden de wegen alleen bruikbaar voor voetgangers. Daarom kon ik ook mijn plan, om de andere deelen van het eiland te leeren kennen, enkel te voet volvoeren en ging in het meer landwaarts in gelegen dorp der inboorlingen geschikte menschen zoeken, die als gidsen en als dragers konden dienst doen.
De samoaansche hutten gelijken op strooien bijenkorven, waarvan de rand op palen van een meter hoogte rust. De ruimte tusschen de palen laat den zeewind ongehinderd toe, en alleen bij regen wordt een sluiting aangebracht met gordijnen van boombast en palmbladeren. De vloer is gestampt en wordt belegd met vlakke, gladde steentjes, waarover gevlochten matten in verscheiden lagen een prettige vloerbedekking vormen.
Spoedig vond ik daar wat ik zocht en besloot nu, eerst dwars door het oerwoud, dat het midden van het eiland inneemt, naar de tegenoverliggende kust te marscheeren en dan steeds langs de zee te gaan, waar bijna alle samoaansche dorpen aan grenzen.
Vooraf bracht ik nog een bezoek bij den ouden "koning" Mataafa, om van hem een aanbevelend schrijven te vragen voor de andere hoofden, door wier provincies ik zou trekken. Daar ik hoorde, dat een rok of andere attributen van een feestkleedij door den ouden heer niet verlangd werden, stapte ik er in mijn gewoon wit linnen pak op uit naar Moelinoe, een smal schiereiland, dat de haven van Apia in 't Westen afsluit en waar Mataafa met zijn trouwste aanhangers gevestigd is.
De huizen van Moelinoe geleken in bouwtrant op alle andere samoaansche huizen; ze waren alleen wat sierlijker en grooter. Ik liet mijn kaartje naar den koning brengen, en in hoogsteigen persoon sloeg hij een der matgordijnen op zij, reikte mij de hand en wees mij als zitplaats een hoop fraaie matten.
Hij droeg, als de andere Samoanen, niets dan de lawa-lawa om de heupen en leek precies op de portretten, die ik van hem had gezien. Door middel van een tolk, want Engelsch noch Duitsch spreekt Mataafa, liet ik hem een paar stevige vleierijen over zijn land en volk zeggen, waarmee hij blijkbaar in zijn schik was. Toen vroeg hij naar het doel en het verloop van mijn reis en sprak ervan ook eens in Duitschland te willen komen, als alles hier goed geregeld was.