Van de Ganges naar den Amazonenstroom De Aarde en haar Volken, 1904
Chapter 3
Ongeveer twee meter boven den grond der kloof was een natuurlijke holte in de rots, en twee vijf voet hooge gangen leidden in verschillende richtingen naar binnen. Vóór de opening, die het gunstigst voor den wind lag, hoopten wij nu volgens het voorschrift van mijn vrienden in Gensan een massa takkebossen op en staken die aan, om door den wind den rook in het hol te laten drijven. Op zij van de uitgangen stonden wij, gedekt door stukken rots, om het eruit verjaagde dier onder schot te krijgen. Achter ons stond de begenadigde kunstenaar met gevelde speer en met een gezicht, even vuilwit als zijn kleed. Hoed en speer sidderden om het hardst, en 30 M hooger aan den rand der kloof strekten de andere Koreanen hun lansen uit, om den "bohm," als hij voor den dag kwam door den aanblik van de overmacht den moed te benemen!
Jammer genoeg wou hij maar niet voor den dag komen, en toen ik eindelijk mijn hond in de eene opening jaagde, kwam hij weldra vroolijk weer uit de andere te voorschijn. Dadelijk was mijn zanger weer in zijn element; hij stormde met een brandende fakkel het hol binnen en stelde zich aan, alsof hij den tijger er zoo bij den staart zou uittrekken. Niet anders deden de overige heeren onzer lijfwacht, die natuurlijk ook dadelijk beneden waren, daar zij juist met het wetten van hun wapens klaar waren en nu gereed waren tot den strijd. Overigens vonden wij toch nog de resten van een tijgermaal in het hol, dat eerst kort te voren verlaten moest zijn.
Op den dag van deze vroolijke tijgerjacht verlieten wij de kust en begaven ons landwaarts in. Door wijd moerasland, waarin wij vele honderden eenden, ganzen en reigers zagen, bereikten wij de hoofdketen van het bergland en stegen langs buitengewoon slechte, steile wegen, meestal diep onder de sneeuw, naar een hoog plateau, dat van daar allengs naar de westkust daalt.
Toch was ook op den volgenden dag de weg vol afwisseling, liep nu eens door groene dalen, dan door rotskloven en over besneeuwde bergpassen en dikwijls moesten wij het pad eerst vrij maken, anders konden de lastdieren niet passeeren. Over 't algemeen nam het bosch toe, vooral rondom Hoijang, in welke plaats wij langer bleven, om jachtuitstapjes naar de zuidelijk gelegen Diamantbergen te ondernemen. Ook hier was ons geen tijger beschoren; maar het gelukte mij, ten minste een grooten luipaard te dooden, die bij een drijfjacht op rood wild geheel onverhoopt uit een kloof kwam en voorbij trachtte te sluipen.
De behandeling van het vel in ons kamp wekte natuurlijk de levendigste belangstelling der dorpelingen. Toen ik zelfs aan eenige kinderen een Illustrirte Zeitung had cadeau gegeven en hun chocolade had gevoerd, scheen mijn roem tot de geheele omgeving doorgedrongen te zijn, want de muur van menschen, die, tien pas van mijn tent verwijderd, om ons heen werd opgetrokken, werd steeds dikker. Er waren eens wel 500 menschen om ons heen, die stompzinnig hurkend op den grond, al onze bewegingen gadesloegen.
Als mij de zaak dan verveelde of als er één te vrijpostig werd, hitste ik mijn hond op hen aan, en op 't zelfde oogenblik was van het laffe publiek niets meer te zien dan een vluchtend wit kluwen van over elkaâr rollende menschen. Daarbij namen ze dat in 't geheel niet kwalijk; maar schenen het voor een uitstekende grap te houden, waarover ze nog wel een uur bleven lachen.
Zonder ons langer op één plaats op te houden, legden wij nu dagelijks meer dan 50 K.M. af, trokken over kale toppen, die vaak een ruim uitzicht over het woeste bergland gunden, langs grootere rivieren met zulke erbarmelijke bruggen, dat wij er de voorkeur aan gaven, door 't water te waden of te zwemmen, en bereikten na vier dagen over Keum-söng en Keum-hang bij Jepang een beteren weg, die ook weer wat drukker was. Zelfs eieren en een soort van brood konden wij nu in de dorpen koopen en een verschrikkelijk wijntje, soel genaamd, dat veel op koemys lijkt.
Mijn koreaansche begeleiders waren op den marsch al vetter geworden, vooral de zanglustige. Het was ook verbazingwekkend, wat zij voor hoeveelheden rijst verslonden, bij één maaltijd ieder vijf à zes pond. Wat de Koreaan eet, is hem volkomen onverschillig, zei men mij later algemeen; maar hij voelt zich eerst dan gelukkig, als hij de vaste overtuiging heeft, dat het absoluut onmogelijk is, er nog een hap bij te stoppen.
Daarmee evenredig is ook de luiheid der Koreanen. Kenmerkend is de manier, waarop ik hen een spade zag hanteeren. Bij zoo'n instrument behooren altijd drie personen: de een steekt het ding in den grond; twee of drie anderen staan er tegenover en trekken ieder aan een touw, dat aan de kanten van het blad der spade is bevestigd; zoo halen zij den schop met aarde omhoog!
In Jangjoe was ons laatste kamp opgeslagen, en toen bespeurden we ook reeds de nabijheid der hoofdstad. Het verkeer op den hoofdweg nam toe; wij haalden grootere en kleine karavanen in, soms ook draagstoelen met hoogwaardigheidsbekleeders, en eindelijk kwam ons, als duidelijkste bewijs voor de nabijheid van een centrum van beschaving, een fietsende Koreaan tegen.
Het breede dal werd steeds vriendelijker, en de hitte steeds grooter. De boomen waren met bloemen bedekt evenals de weiden, en 's middags zagen wij de hoogten vóór ons gekroond met een heuvel op- en heuvel afloopenden muur. Het hoogste punt werd ingenomen door een zware poort met een dubbel bewaakt wachthuis. Vóór den muur excerceerde een compagnie koreaansche troepen, wier uniformen op die van Japanners geleken, maar veel vuiler waren.
Achter den muur breidde zich in een ruim dal de stad Seoel uit, welker inwonertal op een kwart millioen geschat wordt. Evenals bij de meeste oost-aziatische steden onderscheiden zich de huizen weinig van die in de dorpen; ze waren alleen wat zindelijker. Van europeesche beschaving was niet anders te bespeuren dan een electrische tram, die in de zeer breede hoofdstraat, waar alles zich concentreerde, het verkeer beheerschte, en dan een groote, fransche kathedraal, die door haar ligging van alle kanten zichtbaar is.
Ook overigens schijnt de fransche invloed er groot te zijn; zoo kende aan het postkantoor geen der koreaansche ambtenaren Engelsch, wel spraken enkelen Fransch, iets wat in Oost-Azië zeer ongewoon is.
Twee uren reden wij door de stoffige, zonnige stad, tot wij een zendeling troffen, den eersten Europeaan sinds Gensan, die ons in een, ons als een klein paradijs voorkomend, japansch hôtel bracht.
In de kleine, europeesche kolonie in Seoel, die bijna alleen uit zendelingen bestaat, waren ook eenige Duitschers en met behulp van den tolk van ons consulaat betaalde ik mijn bedienden, die weer naar Gensan terugmarscheerden.
De ligging van Seoel is zeer eigenaardig; ik ken geen andere hoofdstad, die door zoo steil en hoog opstijgende bergen, met zoo grootsche omtrekken, omgeven is als de koreaansche.
Na twee dagen maakte ik van het spoortreintje gebruik, om mij naar de havenstad Tsjemoelpo te begeven en wachtte er de stoomboot, die mij naar Takoe brengen zou. Interessant is in Tsjemoelpo, dat er vrij europeesch uitziet, de hooge vloed, die uitgestrekte deelen van den oever onder water zet en in zijn hoogsten stand een verschil van 40 voet maakt met de eb.
De gemakkelijke japansche stoomboot was zeer vol; de Europeanen waren meestal kooplieden, weinig toeristen, officiersvrouwen en de onvermijdelijke zendelingen met vrouwen en veel kinderen. Men schijnt in Oost-Azië niet erg op hen gesteld, en ook onder ons, Europeanen, bewogen ze zich meestal in chineesche kleeding met staart. In Tsjefoe kwamen nog een paar gemoedelijke chineesche heeren aan boord, en twee dagen later arriveerden we te Takoe en wierpen vóór de zandbank het anker uit, tegenover een lange rij oorlogschepen van alle volken.
Na korten tijd van wachten stoomde een kleine sloep op ons toe, om ons, passagiers, aan wal te brengen; maar eerst na een uur waren we zoo dicht bij de grijze, nevelige kust gekomen, dat we de lage, lange Takoeforten konden zien. Toen we daarna echter in de gele Peiho voeren, werd het tooneel dadelijk levendig. De forten aan beide zijden van den stroom met hun vele litteekens van kogels en de groote kanonnen waren met de vlaggen der verschillende volken bezet; met soldaten dicht gevulde booten werkten zich langzaam tegen de rivier op, en onder strenge contrôle passeerden wij een aantal mooie kanonneerbooten, waaronder vooral de japansche en amerikaansche door hun groote schepraderen in 't oog vielen.
Langs de kale oevers zagen wij kleine troepen indische ruiters en eindelijk hadden wij de schoorsteenen en groote loodsen van Togkoe vóór ons. De geheele rivier lag hier vol met kleine stoombooten en groote jonken en andere booten, waarop in reuzengroote letters de mooiste duitsche en fransche namen prijkten.
Aan den oever was een druk gewoel van allerlei menschen in allerlei kleeding. Het tooneel won niet weinig in levendigheid, doordat niet alleen elk huisje maar ook elke hout- en steenkolenhoop vlagjes en wimpeltjes droeg met de kleuren van een europeesche natie.
Met moeite drongen wij door de straten, waarin we ook europeesche dames, vooral Russinnen, zagen, en kwamen zoo aan het station, waar het gewoel bijna nog grooter was, maar toch een voornamer stempel droeg, daar de imposante, indische politieagenten streng de Chineezen en de gemeene soldaten weerden. Toen ik uit het venster van mijn coupé kalm het plein vóór het stationsgebouw overzag, aanschouwde ik een wijde zee van alle mogelijke hoofddeksels; de breede vilten hoeden van de Amerikanen; de bepluimde hoeden van de bersaglieri; de tulbanden der Indiërs en helmen en mutsen van allerlei soort, van de kleine der Engelschen tot de groote der Russen. Welk een verschil tusschen de elegante, krijgshaftige figuren van de russische officieren en de koreaansche troepen, die ik het laatst had gezien.
De spoorwegwaggons geleken op onze derde klasse, en de dienst werd waargenomen door engelsche soldaten, die de ambtenaren en officieren met vrije reisgelegenheid, en dat hadden ze bijna allen, hun namen in een boek lieten opschrijven. De Chineezen werden in open veewagens opeengehoopt getransporteerd.
Na twee uur rijdens door een eenzame, zandige streek, langs veel ruïnen van dorpen, kwamen statige europeesche huizen en torens in het zicht, en wij bereikten het station van de millioenenstad Tientsin.
In vluggen draf trokken mij riksjakoelies over de pontonbrug der Peiho naar de europeesche wijk, die veel grooter is, dan ik had verwacht. Zij alleen is zoo groot als een flinke europeesche stad en de scheiding der verschillende naties is er veel strenger doorgevoerd dan te Sjanghaï.
Door een statige allee langs de rivier en door nette straten vol soldaten, ruiters, voorname équipages en militaire wagens van allerlei soort kwam ik eindelijk in het zeer deftige Astorhouse Hôtel. Hier kwam 's avonds de voorname wereld voor het dîner bijeen, en men zat er 's namiddags als in een groote europeesche stad bij een concert op het open hôtelterras en liet het bonte verkeer der promenade voorbijgaan.
Hoe kort het nog geleden was, dat deze geheele vergenoegde kolonie zich in groot gevaar bevond, kwam mij te binnen, toen ik de europeesche wijk aan den franschen kant verliet. Daar, aan het begin der chineesche stad zag ik niets dan een uitgestrekt nog niet geruimd veld van ruïnen, overblijfselen van verbrande en stukgeschoten huizen. Moeilijk viel het, zich er een weg doorheen te banen.
Op de hoeken der straten in de verdere chineesche stad stonden chineesche en indische politieagenten, die den Europeaan beleefd salueerden. Aan het beroemde Keizerskanaal gekomen, zag ik het dicht bezet met schepen en huisbooten. Het is ook inderdaad een veel gemakkelijker weg dan de ellendige, chineesche wegen, waarop bij uitstapjes in den omtrek mijn paard vaak tot de knieën wegzonk in 't moeras. Proviand- en waterwagens van de vreemde soldaten zaten dikwijls vast in de modder en hadden dan het recht, voorbijkomende Chineezen aan te roepen, om hulp te bieden.
Op een morgen zag ik de geheele wereld door een dofgelen sluier, en op straat kon men geen vijf pas van zich af zien, terwijl oogen, neus en ooren dadelijk vol fijn zand zaten. Er was een van die beruchte zandstormen uitgebroken, die vaak dagen lang duren, en ik besloot een poging te wagen, eraan te ontkomen door naar Peking te vertrekken. Dat hielp echter niet veel, want het zand drong door de spleten der ellendige waggons en maakte ons met de gloeiende hitte de reis zeer lastig. Bovendien was een andere trein door de zandbergen, die op de rails lagen, ontspoord en van een brug gestort, zoodat wij op de ongeluksplaats een eind te voet door het zand moesten afleggen en zelf de bagage moesten meesleepen.
Eerst tegen den avond kwamen we met verscheiden uren vertraging te Peking aan.
Weldra reed ik, door vlugge koelies getrokken, door de massieve, diepe poort van den tweeden muur, nog hooger en breeder dan de eerste, waar de spoorweg ons doorheen had gebracht. Toen eerst was men in de eigenlijke stad. De straat was zeer breed in tegenstelling met de steden van Zuid-China, maar zoo vol kuilen en gaten, dat ik dikwijls ellenhoog opgewipt werd. Een menigte kleine, zware, met paarden bespannen karren ging ons voorbij, een lange trein kameelen dwong ons tot uitwijken, en menigmaal had er een botsing plaats met het vuile straatpubliek, dat druk zich bewoog tusschen de veelal open huizen.
Europeesche soldaten zag ik in de menigte in 't geheel niet; aan hun tegenwoordigheid herinnerden echter eenige cantines, die er zonderling uitzagen tusschen de met papieren vlaggen versierde huizen, waarin men de gestaarte handwerkslieden, kooplui en koks bezig zag.
Toen verhief zich weer vóór ons een reusachtige muur en door de donkere poort gaande, kwamen wij in de Tartarenstad, waar wij dadelijk rechts de straat van de gezantschappen insloegen.
Alles lag hier nog in puin, evenals in de chineesche stad in Tientsin; maar de verwoesting was hier nog veel vollediger. Vroeger echter kan deze smalle straat ook niet imposant geweest zijn; van de weer opgebouwde gezantschappen ziet men alleen de muren; de hoofdgebouwen liggen in de tuinen, verder van de straat af.
Voor toeristen was de Keizerstad natuurlijk het belangrijkste. Door een groote poort komt men op een ruim voorplein, zoo uitgestrekt, dat wij eerst na vijf minuten lustig dravens de tegenoverliggende poort bereikten, die de laatste afsluiting is van de Keizerstad. De vele goed onderhouden muren, die meer binnenwaarts al kolossaler worden, geven een goed denkbeeld van de afgeslotenheid der chineesche regeering en van den aard van het geheele volk.
Rechtuit heeft men dan in de Keizerstad de weer door muren omsloten Verboden stad, waarin evenwijdig achter elkander, door op zij gesloten pleinen van elkander gescheiden, de zes hallen liggen, aan de voorvaderen des keizers gewijd. Het gewoonlijk door het hof bewoonde deel der stad, het winterpaleis, ligt ten westen daarvan aan den oever van eenige groote vijvers, over een waarvan een lange marmeren brug geleidt, en bestaat uit talrijke hallen en paviljoens, die tusschen de groene lanen van een uitgestrekt park liggen.
Hier had generaal Waldersee zich met zijn staf en de troepen ingekwartierd, en bij het oneerbiedig huishouden van onze soldaten in de heilige zalen van den Zoon des Hemels zullen zich de voorvaderen wel in hun graven hebben omgekeerd. Een rit naar het keizerlijke zomerpaleis leidde mij door de lange Kettelerstraat, de hoofdstraat van Peking, met mooie, van snijwerk voorziene gevels. Er waren bijna niet anders dan arme Chineezen op straat te zien; de voor Sjanghaï en Canton zoo karakteristieke optochten van voorname Chineezen met dozijnen volgers, die lantaarns en vaandels en titellijsten enz. dragen, en leelijke tamtammuziek doen hooren, ontbraken hier geheel.
De aristocratie bleef tijdens de bezetting van Peking meestal in haar huizen, voor zoo ver zij niet met den keizer gevlucht was. In 't beeld der stratendrukte werd zij vervangen door in Zuid-China onbekende kameelenkaravanen, die uit de woestijnen van Midden-Azië en Mongolië komen, en welker vreemde drijvers trots de hitte in dikke pelzen gehuld waren.
Na een uur bereikten wij den in 't Noorden van de Keizerstad gelegen Kolenheuvel, 't centrum der Tartarenstad, van welks top, bedekt met ruïnen, ik een prachtig overzicht van Peking nemen kon.
Dicht vóór mij lag de Verboden stad met haar gele daken, en buiten aan den horizon der wijde huizenzee verrezen aan alle kanten de donkere kolossale buitenpoorten. Naar het Noorden en het Westen werd het land bergachtig. Die richting sloegen wij in en bereikten door het noordelijkste, armoedigste deel der tartarenstad, waar men niets bespeurt van de vlaggen en lantarens der Chineezenstad, den buitensten muur. Daarachter begon de Keizerstraat, de mooiste weg uit China, die uren aaneen met zware, marmeren platen is geplaveid, langs statige tempels voert en merkwaardig zindelijk wordt gehouden.
Het land werd groen; er vertoonden zich al meer loofboomen, en na eenige uren dook in de verte een met bosch bedekte heuvelketen op, waarin wij tallooze opgewipte daken onderscheidden en eenige pagoden van veel verdiepingen; een uiterst weldadige aanblik na het vuile, lawaaiige Peking.
Deze wijk van paleizen was door Italianen bezet, bij wie ik vriendelijk werd ontvangen. Bij den ingang stonden twee geweldige bronzen leeuwen, die waarschijnlijk te zwaar waren geweest, om te worden meegenomen, want alles was zoowat leeggeplunderd. Aan den voet der heuvels lag een groot meer, omgeven door een marmeren balustrade en door mooie wandelgalerijen. Enkele paviljoens waren in den vorm van schepen in het meer uitgebouwd, en in een haventje lagen nog de galabooten, die het hof voor pleiziertochtjes had gebruikt. De tegenoverliggende oever was afgesloten met een rij hooge boomen.
Tegen de heuvels op was een prachtig park aangelegd, en honderden sierlijke huisjes met geelroode, schitterende pannen stonden er verspreid om het terrasvormig aangelegde hoofdgebouw. Het groote meer werkte aangenaam verkoelend op de temperatuur, en de in China schaarsche donkere schaduw van het woud verhoogde het behagelijke van de plaats.
Van een der torentjes op de hoogte van de heuvels overzag ik den geheelen parkaanleg met de paleizen, alles een sterke tegenstelling vormend met de donkere, neerdrukkende hoofdstad, welker reuzenmuur men in de verte kon zien. Beneden lag het meer in zijn marmeren omlijsting, rondom mij heen suisde het in de kruinen van de boomen, die zich welfden over de mooie gebogen lijnen van de bonte daken, met draken als waterspuwers. Daartusschen klonken de tonen van de door den wind bewogen klokjes der pagoden, juist als wij het als kinderen in de sprookjesboeken lazen.
Toen ik naar beneden daalde, vond ik in het binnenste van een toren eenige Japanners bezig een laatste, tot nu tot vergeten bronzen kandelaber los te schroeven.
Den dag, waarop wij in Australië zouden landen, had een beambte veel te bespreken met de zich aan boord bevindende zonen van het Hemelsche Rijk, en wij overige passagiers stelden er veel belang in. De invoer van Chineezen is namelijk in Australië enkel mogelijk tegen betaling van vrij hooge sommen, terwijl Chineezen, die reeds eenmaal in Australië zijn geweest, er zonder nadere betaling kunnen terugkeeren. Alleen moeten zij hunne identiteit bewijzen, opdat niet dezelfde pas van toelating van hand tot hand zal gaan, nadat er een Chinees in Australië genoeg heeft verdiend en naar China teruggekeerd is.
Daarom is er van staatswege een portret van den bezitter bij den pas gevoegd, en onze beambte moest nu nagaan, of de photografieën met de eigenaars overeenkwamen, want het is dikwijls genoeg gebeurd, dat geheele familiën, het eene lid na het andere op denzelfden pas in Australië zijn toegelaten.
Zooals de herder de afzonderlijke gezichten van zijn schapen, zoo leert ook de vreemdeling in China de gezichten van de gele heeren onderscheiden, die in 't begin allen precies op elkaâr schijnen te gelijken; maar naar slechte, oude portretten zoo mogelijk bloedverwanten van het gele ras uit elkaâr te houden, was ons allen te zamen vaak niet mogelijk, en wij stelden vast, dat het voor de australische regeering geraden zou zijn, liever het Bertillonsche meetsysteem of iets dergelijks toe te passen.
Met die belangrijke bespiegelingen waren wij nog bezig, toen het schip onverwachts in een smalle baai tusschen de hooge rotsen aan de kust binnendrong en wij ons al spoedig in Port Jackson bevonden, de beroemde haven van Sydney, die de vloten der geheele wereld zou kunnen bevatten en zoo begunstigd is door de natuur, dat er slechts zeer geringe havenwerken noodig waren, om het den grootsten schepen mogelijk te maken, direct aan den wal aan te leggen.
De geheele baai gelijkt op een fjord; maar de oevers rijzen niet steil omhoog, maar zwellen zachtjes aan tot lage bergen en zijn tot aan den waterspiegel met bosch bedekt. Maar juist als daar vertakt de baai zich in vele zijarmen, en overal kijken uit het groen de witte huizen en torentjes. Langzamerhand volgen op de voorsteden, waar die huizen bij behooren, de gebouwen van de eigenlijke stad, die ook rondom deelen van de baai is gelegen en voor een deel de hoogten bedekt. Overal voeren stoombooten en zeilschepen; veel oorlogschepen lagen er voor anker naast allerlei groote en kleine vaartuigen.
Spoedig was ik aan wal gegaan en rolde in een engelsche cab met gummibanden om de wielen, over de geasphalteerde straten met volkomen europeesche drukte naar een mooi hôtel, met 't aangename bewustzijn, na een jaar uit Europa afwezig te zijn geweest, hier voor de eerste maal een beschavingsoase in de buiten-europeesche landen te hebben bereikt en over alle genietingen van een europeesche hoofdstad weer te kunnen beschikken.
Met een zekere ontroering zag ik de witkielen aan, de krantenjongens en de droschkenkoetsiers, want die groepen ontmoet men nooit in de steden van Oost- en Zuid-Azië; zij zijn de ware vertegenwoordigers der beschaving van te huis!
Door kennismaking met personen op de stoomboot had ik ook eenige voeling met gezelschapskringen in Sydney, waar men voor den vreemdeling zeer innemend is. De omgang is ongedwongen en prettig. Een groote rol speelt in 't leven van de menschen de haven met haar verschillende bochten. Dikwijls worden pics-nics gegeven en in zeilbooten gaat men naar geliefde hoekjes van de baai en amuseert er zich in de vrije natuur of probeert eens, een haai te vangen, 't geen een verdienstelijk werk is, daar er nog altijd vele in de haven leven.
's Namiddags ontmoet men elkaâr bij het concert in den Botanischen Tuin, die een der mooiste inrichtingen van dien aard is en zich midden in de stad een eind langs de zee uitstrekt. De Zondagen zijn gruwelijk vervelend; geen comedie is er; de electrische tram rijdt niet en in 't hôtel kan men zelfs geen warm eten krijgen! De arbeiders werken hier elken dag slechts acht uren en 's Woensdags is ook nog van twaalf uur af een vrije dag.
De schouwburgen kwamen mij niet first rate voor, ofschoon ik het gunstigste jaargetijde daarvoor trof, want ik kwam in Juni, dus midden in den winter van het zuidelijk halfrond aan. De dames uit deftige kringen bezochten de schouwburgen zelden; haar ontmoette men eerder 's avonds in een der prachtige banketbakkerswinkels of in sommige restauraties bij afternoon-tea.
Het amuseerde mij altijd, den onderlingen naijver te bemerken tusschen de menschen van Sydney en van Melbourne. Reeds op de stoomboot van Manilla naar Sydney had ik toevallig aan tafel mijn plaats tusschen een heer uit Melbourne en een uit Sydney, en ik scheen beider vertrouwen te hebben gewonnen, want zij vertelden mij bij beurten kwaads over hun wederzijdsche staten en personen.