Van de Ganges naar den Amazonenstroom De Aarde en haar Volken, 1904

Chapter 2

Chapter 23,861 wordsPublic domain

Het begon al te schemeren, toen ik de plaats bereikte, waar weer een dak-bungalow beschikbaar was. Bij de eerste huizen, die alle van elkander afgezonderd, in het groen lagen, moest ik van het paard gaan en het aan den teugel leiden, want alle bewoners hadden hun nachtleger in de open lucht gespreid, zoodat ze met hun hoofden beslist den weg versperden. Mijn gids schudde enkele slapers wakker, en na veel moeite vonden wij het dak-bungalow en ook den houder van den daarbij behoorenden sleutel.

Bij 't naderen van Japan werkte onze machine onder hooge drukking, en 't geheele schip sidderde onder het sterke voorwaartsdringen van de schroef, en toch keken wij angstig op ons horloge en zouden graag onze snelheid hebben verhoogd. Wij kwamen uit het ongastvrije China met zijn winterkoude, en van de vraag, of wij vóór zonsondergang de haven zouden halen, hing het af, of de havenpolitie van Jokohama ons zou vergunnen, nog dezen avond den grond van 't lenteland te drukken. En de zon stond reeds laag, dichtbij den top van den Foesiyama met witte kruin, die even te voren, veel hooger dan wij gezocht hadden, uit den nevel was opgedoken.

Toen wij echter, om een landtong buigend, in de ruime Jeddobaai binnenvoeren, zagen wij vóór ons, eveneens naar de haven van Jokohama koers zettend, een vloot van verscheiden honderden visschersschuiten met bonte, meest vierkante zeilen, en nu wisten wij, dat wij niet te laat kwamen.

Wij haalden de booten zelfs in en zagen ze bezet met kleine, gele menschen met zwart, borstelachtig, opstaand haar, die ijverig met zeil en roer bezig waren. Dat de gele kleur van het gelaat zich over het geheele lichaam voortzette, was gemakkelijk te zien, want bij elke haastige beweging van de menschjes verschoof het kamerjaponachtige gewaad, en het bleek dat de kimono dan alleen zulk een zedig, deftig gewaad is als hij eerst lijkt, wanneer de drager zich òf zeer langzaam en voorzichtig beweegt òf een gesloten onderkleeding draagt.

De moeite, om de bagage langs de douane en in 't hôtel te brengen, liet ik aan anderen over en ik begaf mij aan wal, om van alle kleine zorgen vrij den eersten indruk van de stad te genieten.

Ik stapte in een der gereedstaande riksja's, de als veêrtjes zoo lichte en toch stevige tweewielige miniatuurvictoria's, die in een flinken draf door een inboorling worden getrokken. Alleen bijzondere voornaamheid of sterke corpulentie van den passagier vereischt een tweeden of een derden koelie voor het schuiven; hoogstens neemt men, als men haast heeft, een voorlooper, om ruim baan te maken.

Het allermeest viel overal in 't oog de rijkdom aan groen en bonte bloemen tusschen de huizen en ervoor, wat sterk uitkwam na de reis door het donkere China. Eerst rolde mijn wagentje langs de breede kade voorbij prachtige, europeesche gebouwen. Toen wij daarna in de echt japansche stad kwamen, die zich ver in de lengte uitstrekt, waren reeds veel duizenden bonte papieren lantarens opgestoken, die dicht naast elkander vóór de huisjes hangend, de straten omzoomden.

Ook mijn menschpaard stak zijn licht op, evenals de andere riksjakoelies. De lichtpunten vóór ons in de straat vermeerderden en warrelden door elkander op grillige manier. De feestelijke indruk van 't geheel werd nog verhoogd door het lichtschijnsel uit de huizen, welker wanden enkel uit open latwerk bestaan en met tusschenruimten van papier zijn beplakt.

Dikwijls waren de muren uit elkaâr geschoven, zoodat ik naar binnen kon zien, maar dat waren meest interieurs van koop- en handwerkslieden, wier namen en aanbevelingen met de sierlijke chineesche letterteekens prijkten op lange strooken papier, als vlaggen over de straat hangend.

Alle straten waren vol vreemde en toch zoo bekende figuurtjes. Dit waren juist dezelfde sierlijke vrouwtjes, die er zoo keurig op porselein en verlakte blaadjes uitzien met hun groote strikken op den rug, den kunstigen vlinder-haardos, het poppengezicht en dikwijls met een kaalgeschoren kindje op den rug, dat een lachwekkend pittig en snugger gezichtje heeft.

De mannen zijn meestal zeer leelijk, vooral wanneer zij europeesche kleeding dragen; dan zien ze er, zelfs als ze door de beste kleermakers bediend worden, meestal net zoo uit als een boerenzoon, die in de stad paradeert met een mooi nieuw pak, dat hem niet heelemaal past.

Eindelijk zocht ik mijn hôtel op de kade en kwam daar in een gansch andere wereld. Het was een van de wereldhôtels, waar men voor den internationalen prijs van 20 francs een eerste-klas verzorging kan genieten. De amerikaansche invloed is er op aangename wijze merkbaar. Alleen de handig en vlug bedienende japansche boys herinnerden eraan, dat men zich niet in een fransch Riviera-hôtel, maar in het verre Oost-Azië bevond.

In den helderen zonneschijn zag alles er den volgenden morgen nog veel vriendelijker uit. In de hôtelkamers waren alle vazen met bloeiende takken gevuld, en buiten was alles een witbloeiende tuin. In de voorstad klom nog steeds de lentestemming, want de schuifwanden der huizen waren meest opengeschoven, en in elk hoekje der vertrekken prijkten lentebloemen, men kwam zelfs geen oud vrouwtje tegen, of ze droeg een bloeienden kersentak in de hand.

Eén oudje maakte zelfs zulk een diepe buiging voor mij en zoog daarbij met den hoogsten eerbied de lucht door de toegeknepen lippen in, dat ik tevergeefs beproefde, den groet even eerbiedig te beantwoorden. En toen ik de aardige, kleine, opgedirkte nesans den gewonen groet "ohaio!" toeriep, kon ik over mijn succes als komiek bepaald tevreden zijn, want het lachen en gichelen der vroolijke, kleine meisjes wou toen maar niet eindigen.

Toen ik een school voorbij ging, was het juist pauze. De kinderen stormden naar buiten en keken mij vol verbazing, volkomen onbevangen aan; maar ze waren niet lastig of opdringerig. De kleine "eerwaarden", zooals alle Japanners elkander onderling betitelen, waren juist zóó gekleed als hunne ouders, en bij de meisjes zag de groote "obi" op den rug er even dwaas uit, als bij de jongens het eenzame haarbundeltje op den kalen schedel!

Reeds hadden de onderwijzers, die binnen het gebouw waren, mij bemerkt. Ze kwamen naar buiten, boden mij van alle kanten hun diensten aan, bekeken mij nieuwsgierig en rustten niet, voordat ik het inwendige van de geheele school nauwkeurig had bekeken.

Alles was zeer netjes en practisch, en wat mij vooral trof, waren de voortreffelijke landkaarten aan den wand. Het onderwijs moet er veel last van ondervinden, dat men altijd nog chineesche letterteekens gebruikt, waarvan er 3000 verschillende moeten worden onderscheiden, zoodat men ze natuurlijk lang niet alle in de school kan onderwijzen. Tegenwoordig begint men reeds, het Japansch met europeesche, latijnsche letters te schrijven.

Een kleine jongen bracht mij toen langs de kust weer terug naar mijn hôtel.

In zee lagen buiten japansche oorlogsschepen, en daaronder één, dat het grootste pantserschip van de wereld moet zijn, en meer in mijn nabijheid waren in het ondiepe water wel een vijftigtal meisjes aan het rondplassen, met hoog opgeschorte kleederen, bezig zeewier in te zamelen, dat als toespijs bij het middagmaal moest dienen.

Des avonds bracht ik een bezoek aan de schouwburgen. Ik zag eerst een klassiek stuk uit de oude geschiedenis, waarbij prachtige gewaden vielen te bewonderen en een hoofdrol werd gespeeld door allerlei griezeligheden, als het "karakiri", opensnijden van den buik, en waarbij werkelijk bloed werd vergoten. Ook zag ik een modern realistisch stuk, waar ook bloed in vergoten werd.

Eerst werd een ongelukkige grijsaard jammerlijk vermoord. Later marscheerden over het "bloemenpad", een voetpad, dat van het tooneel midden door het publiek leidt en waar de belangrijkste episoden en tooneelen op worden afgespeeld, politieambtenaren en een dokter in een lange, zwarte jas. De dokter pakte zijn grooten koffer uit en onderzocht, bij de op het hoogst gespannen verwachting van het publiek, met alle mogelijke glinsterende instrumenten op 't alleruitvoerigst het lijk, om eindelijk den dood te constateeren. Daarna vervolging en gevangenneming van den moordenaar en de geheele behandeling vóór de rechtbank. Toen evenwel de opperrechter na een rede van anderhalf uur nog geen plan scheen te hebben op te houden, gaf ik er de voorkeur aan, mij uit de voeten te maken, hoe graag ik de terechtstelling ook zou hebben bijgewoond.

Een uurtje sporens bracht mij uit Jokohama naar Tokio. De stations zijn overal opvallend klein, zelfs in de hoofdstad, maar alles gaat er vlug en goed, en de waggons zijn gemakkelijk op zijn Amerikaansch ingericht. Eigenaardig klinkt op de perrons 't geklikklak van de klompjes der Japanners. Die voetbekleeding met houten sandalen is zeer practisch. In huis, op de fijne matten, loopt men op kousen met stevige zolen en afgezonderden grooten teen; gaat men uit, dan stapt men eenvoudig op de sandalen, die bij de deur staan, en een lint of band naast den grooten teen hout 't klompje aan den voet vast. Bij nat weêr heeft men plankjes met een opstaanden rand van 5 à 10 c.M., waarmee men droogvoets stapt door de ergste plassen.

Wat een last voor den vreemdeling is het, om telkens vóór hij een japansch huis binnentreedt, zijn omslachtig schoeisel te moeten uittrekken! En ik had nog het ongeluk, schoenen met gespen te dragen, die ik in den eersten dag minstens twintigmaal open en dicht moest gespen, want het was een feestdag, en er was geen enkele schoenenwinkel open.

Dadelijk den eersten dag in Tokio ondernam ik, alleen geleid door het plan der stad uit de engelsche Murray-uitgave, een tocht per rijwiel van mijn hôtel in 't Zuiden der stad naar den Asakusatempel, het grootste nationale heiligdom van Tokio.

Ik dacht den rit in een kwartier te kunnen doen, maar had er meer dan een uur voor noodig, want op den platten grond waren alleen de hoofdstraten aangegeven, en ik wist nog niet, hoe uitgestrekt deze stad van twee millioen zielen was.

Tokio zal wel de uitgestrektste stad der wereld zijn; de middellijn van de vrijwel ronde ruimte is circa 25 K.M., en men kan die uitgestrektheid begrijpen, als men bedenkt, dat de huisjes er, evenals te Jokohama, alle van elkaâr gescheiden staan in de straten. Slechts weinig europeesche huizen staan ertusschen, en dan zijn dat meestal openbare gebouwen. Het was er zeer druk in de straten, en verscheiden Japanners zag ik in europeesche kleederdracht.

Naast den ingang tot het tempelplein zag ik twee van die karakteristieke torens met de vele opgewipte daken, het eene boven het andere en alle met klokjes behangen. De geheele ruimte en alle wegen vóór en om den tempel waren overvol van menschen, die zich samendrongen om de vele winkeltjes en kramen; het geheel zag eruit als een kermis.

De tempel zelf was van voren open en de achtergrond werd ingenomen door veel Boeddhafiguren. Naast sommige van die zwaarlijvige oude heeren, die waarschijnlijk wat te slaperig waren geworden, hing een bel, waardoor men hun opmerkzaamheid kon trekken. Vóór anderen stond op een paar pas afstands een traliewerk met nauwe mazen, waardoor de belanghebbenden hun wenschbriefjes, tot een balletje ineengedraaid, naar den god moesten spuwen, die hun ondanks dat gemis aan respect vergenoegd toelacht, want de meeste balletjes blijven in het hekwerk hangen en dan behoeft hij zich om de wenschen niet te bekommeren.

Het voornaamste deel der stad, waar de meeste villa's van de Europeanen en ook de gezantschapsgebouwen liggen, is de keizersstad in het centrum van Tokio. Zij wordt door een geweldigen muur en een breede gracht omsloten, en een even sterke binnenmuur omringt de keizerlijke gebouwen. Op wijde open pleinen zag ik er juist de gardecavalerie een oefening houden.

Mijn europeesch middagmaal in het hôtel versmadend, ging ik in een japansche restauratie eten. Toen kleine moesme's de achterwanden van de zaal uiteenschoven, kreeg ik een echten, japanschen miniatuurtuin te zien. Zoo'n tuintje maakt den indruk van zeer groot te zijn, want alleen de voorwerpen en de planten, die op den voorgrond staan, hebben hun natuurlijke grootte. Ze worden naar achteren toe al kleiner; de boomen en struiken worden kunstig gekweekt tot dwergvormen, zonder dat zij hun natuurlijk aanzien verliezen, en de kleine bruggen, watervallen en pagoden behooren dan bij het poppige geheel. De zinsbegoocheling is zoo volkomen, dat men een groot park vóór zich meent te zien in een betrekkelijk kleine ruimte.

Het was mijn wensch, ook iets van het binnenland te zien, en terwijl ik nog overdacht, hoe dat het best in te richten, klopte aan mijn deur een japansch heertje, dat zich in correct Duitsch als gids aanbood. Daar hij mij beviel, goede getuigschriften had en een goed fietser beweerde te zijn, huurde ik hem voor een langere fietstoer door het binnenland. Ons eerste doel was Nikko, de heilige stad in het gebergte.

Wij overnachtten op den tocht over de heerlijk gladde wegen in het dorp Akabane, goed verzorgd door aardige japansche meisjes, en lang zocht ik 's avonds in het woordenboek japansche termen op, om vrijer te kunnen praten met het vroolijke volkje, terwijl de kaars flikkerde op het kleine, lage nachttafeltje en ik op de zachte kussens lag te rusten.

Het mooiste gedeelte van den weg naar Nikko was het laatste, een 30 K.M. lange, prachtige laan van hooge boomen, bestemd om de geloovigen, die naar de heilige tempelstad op weg zijn, in de rechte stemming te brengen. Per fiets zelfs reden wij volle twee uur lang op dien weg, die door overoude boomen van wel 30 M. hoogte overschaduwd wordt, terwijl tusschen de zware stammen telkens kijkjes werden geopend op een zonnig berglandschap, niet ongelijk aan dat der italiaansche Apennijnen.

't Bergstadje zelf ligt langgerekt aan een schuimende rivier, door dennenbosch omgeven. De reusachtige tempelgebouwen zijn de beroemdste van Japan, en als men de bronzen voorwerpen en de lakwerken van den tempelschat beziet, merkt men eerst, hoeveel minder de dingen waard zijn, die van dien aard in de winkels van Tokio en Jokohama verkocht worden.

Maar de houten gevels der voornaamste gebouwen zelf, al zijn ze ook nog zoo kunstvaardig uitgesneden, kunnen op een Europeaan, die nu eenmaal aan monumentale steenen gebouwen gewend is, nooit dien overweldigenden indruk maken, dien zij op den Oostaziaat uitoefenenen. Ook de verdere omgeving van de stad is prachtig, en het speet mij, dat ik die al zoo spoedig moest verlaten.

Te Kobe, waar ik later vertoefde, ondernam ik met een kleine kuststoomboot een tochtje op de binnenzee van Japan. Die vaart langs de duizenden beschut gelegen eilanden is een groot genoegen, vooral als men dicht langs den oever gaat en 't drukke verkeer op 't land kan waarnemen. Den tweeden dag kwamen we aan ons doel, het heilig eilandje Miyasjima. Het is met een heerlijk dicht loofbosch bezet, waarin men uren lang in half-donker loopt, om dan aan de kust weer plotseling het schitterend uitzicht op de andere eilanden en de blauwe zee te genieten.

Het aardigste hôtel van heel Japan heb ik daar bewoond; 't bestond uit wel een paar dozijn allerliefste japansche huisjes, elk met twee of drie vertrekken voor één gast, tusschen vijvers en ruischende beekjes in een heerlijk park. Vriendelijke gezelligheid vond ik er onder het argelooze volkje, soms bij onschuldig kaartspel en de kleine vingerhoedjes saké of rijstwijn, en eerst toen ik mij eenige dagen later weer aan boord van een elegante stoomboot onder Europeanen bevond, kreeg ik het gevoel van eenzaamheid, dat iemand soms kan overvallen in een vreemd werelddeel onder onverschillige menschen, maar dat men nooit gevoelt, als men des voorjaars in Japan gaat reizen.

Een geheelen dag waren wij langs Korea's oostkust noordwaarts gevaren en hadden een meer dan 2000 M. hoog oprijzende, besneeuwde bergketen vóór ons gezien, die even kaal en ongastvrij leek, als het chineesche kustland.

Toen ik daarna 's morgens ontwaakte, lag het schip reeds voor anker in de haven van Gensan, de noordelijkste plaats van Korea die door de stoombooten naar Wladiwostok wordt aangedaan.

Het stadje, in japansch-chineeschen bouwtrant, ligt zeer schilderachtig aan den voet der hooge bergen in een wijde bocht. Eenige straten op de helling waren bevolkt met in het wit gekleede figuren met een zonderlingen breedgeranden hoed met kleinen, hoogen bol, een hoed, gelijkend op dien der Rondkoppen uit Cromwell's tijd. Dwaas staat dat hoofddeksel op de dikke, goedmoedig domme Mongolen-gezichten, en daar het maar even past op den haarknoop, moet het met een zwart lintje onder de kin worden vastgebonden. Maar niettegenstaande dat wiebelt de hoed bij elke haastige beweging, zoodat de zorg, om den hoed op het hoofd te houden, het voornaamste deel van den dagelijkschen arbeid van een Koreaan uitmaakt.

Men zag er veel Japanners, en in een zindelijk japansch hôtel nam ik mijn intrek. Het tolwezen der havens van Korea wordt door engelsche beambten, die in koreaanschen dienst zijn, bestuurd, en daar ik wist, dat ook in Gensan een der vijf daar wonende Europeanen als zulk een commissioner hoog stond aangeschreven, zocht ik hem op, ten einde hulp en raad te vragen voor mijn reis dwars door Korea. Ik had al vroeger veel moeite gedaan, om daaromtrent inlichtingen te krijgen, maar het was mij niet gelukt.

Als altijd bij Engelschen in 't buitenland was de ontvangst, die wij in de mooie villa, waar de ambtenaar met zijn beminnelijke vrouw woonde, te beurt viel, zeer innemend, en dadelijk werden maatregelen genomen, om de omslachtige uitrusting, voor mij en mijn bediende noodig, bijeen te krijgen.

De weg dwars door Korea tot de hoofdstad Seoel bedraagt 250 K.M., maar met een omweg naar het Zuiden ter wille van de jacht zouden het 400 à 500 K.M. zijn. Zeer moeilijk was het, een betrouwbaren gids te krijgen, en de kaarten zijn uiterst gebrekkig. Er was geen mogelijkheid op, iemand te vinden, die mij geleiden kon en ook maar enkele brokken van eenige europeesche taal meester was, en zoo moest ik ten slotte een jongen knaap aannemen, met wien ik mij in de eerstvolgende weken enkel door gestes en een paar koreaansche woorden kon onderhouden, welke laatste ik mij nog gauw door den tolk van den commissioner had laten voorzeggen.

Bijna nog bezwaarlijker ging het, paarden te krijgen, waarvan ik er vier noodig had. Eén ervan zou alleen geld hebben te dragen, maar geen goud en zilver, doch zakken met koreaansche kopermunten, die in 't binnenland alleen geldig zijn. Vijf ervan zijn ongeveer één penning (dus gaan er ruim 8 van op één hollandsche cent), zoodat een paard nauwelijks f 60 (holl.) dragen kan.

Eerst den tweeden dag werden er paarden gevonden, die reeds met lasten gedroogde visch onderweg waren en voor mij teruggehaald werden. Zadels zijn er in Korea niet; die moest ik leenen van europeesche bekenden.

Proviand en keukengereedschap werd gekocht en daar men algemeen een tent voor onmisbaar hield, zocht en vond ik een japanschen snijder, die beloofde, voor een waarde van 12 holl. guldens mij een tent van dubbel linnen te bezorgen. Hij viel echter 's nachts onder het werk in slaap en bracht het werk zijner handen eerst tegen den middag; maar 't was dan ook een prachtstuk van geschiktheid en duurzaamheid. Men kon erin staan; er was plaats voor vier personen om te slapen, en de tent kon zeer snel met behulp van drie stangen worden opgezet. De touwen worden er van menschenhaar gedraaid en zijn onverslijtelijk.

Door de krachtdadige hulp van den commissioner waren eindelijk na twee dagen alle hinderpalen overwonnen, en ik kon opbreken. Buiten mijn gids had ik nog twee Koreanen als paardenknechten en drijvers der beide pakpaarden bij mij. De eene was altijd stil als 't graf, een vlijtige knaap, die de dieren bijna geheel alleen verzorgde, de andere was, trots zijn afschrikkende leelijkheid, verbazend ijdel; hij had drie hoeden bij zich, de eene nog hooger dan de andere. Altijd bereid om een grapje te maken, zong hij van den morgen tot den avond zijn eentonige liedjes met eindelooze trillers, sloot innige vriendschap met mijn even langen, duitschen bediende en bracht dien ten slotte er toe, samen door 't heerlijkste tweestemmig gezang den marsch te veraangenamen.

De paarden, die nooit harder dan vlug stapvoets gingen, waren, als alle koreaansche paarden, zeer lastig. Op 't eind der reis had elk van ons kwetsuren van hoefslagen, en het verbaast mij nog, dat bij die herhaalde stooten tegen de borst en den buik geen zware verwondingen werden toegebracht; de stallen waren iederen morgen kapotgeslagen.

De eerste twee dagen reden wij langs de zee naar het Zuiden, vaak over steile rotsen of er omheen door de zee. In 't begin kwamen we door vele dorpen. De vrouwen, die wij tegenkwamen, gingen op zij en draaiden ons zedig den rug toe, als ze niet gesluierd waren. De dorpen herinnerden dikwijls in den bouwtrant van de huizen aan arabische, meestal waren het hutten van stroo en leem. Uit vele woningen kwam een benauwde, onfrissche lucht, want in de vuile, van ongedierte wemelende huizen wordt onder den vloer gestookt. Het wordt er dan bovenmatig warm en luchten doet men nooit.

Te Tong-Tsjen, waar wij aan den avond van den tweeden dag kwamen, liet ik de tent opslaan op de begraafplaats, die aan den oever eener rivier onder oude boomen lag. Ook later gaf ik aan zulke kampen de voorkeur, daar zij bij het bestaande bijgeloof der Koreanen ons voor nachtelijke bezoeken beveiligden, beter dan mijn waakzame hond en de schietoefeningen, die wij dikwijls hielden, om aan het volk onze weerbaarheid te toonen, als het niet al te vriendelijk gezind scheen.

De bodem van de tent werd met een laag stroo en dekens belegd. Wij sliepen daar honderdmaal beter en veiliger, dan in de koreaansche woningen. Mijn maal, dat meest uit eenden en fazanten bestond, die wij overal onderweg in massa aantroffen, werd door mijn bediende bij het open vuur vóór de tent bereid onder de oogen der gezamenlijke dorpsbewoners.

De volgende dag werd voor de tijgerjacht bestemd, daar de menschen allen met een gewichtig gezicht "bohm, bohm" riepen en op 't gebergte wijzend de beweging van schieten maakten. Een der belangrijkste woorden van mijn armzaligen koreaanschen woordenschat was nu juist bohm, de tijger.

Met acht dorpsbewoners, die zich met lange speren gewapend hadden, braken wij den volgenden morgen op. Mijn zangerige paardenknecht mocht natuurlijk ook niet ontbreken; hij voerde een groot woord, trachtte mijn bediende goeden raad voor alle mogelijke eventualiteiten te geven en gesticuleerde daarbij met zijn spies zoo heftig, dat hij ontelbare malen zijn hoed, dat kind van vele zorgen, moest naloopen, als hij den berg afrolde.

Na een marsch van vele uren in de bergen kwamen we aan een zeer romantische bergkloof, in welker diepte zich het hol van den tijger moest bevinden. Onze jachtgenooten waren al te voren steeds stiller geworden; de zanger liep geheel achteraan, en toen wij aan den rand der kloof werkelijk eenige volkomen versche tijgersporen vonden, beduidden mij de dappere speerdragers, dat zij in geen geval meer naar beneden zouden dalen in de kloof; maar dat zij er de voorkeur aan gaven, van bovenaf een kijkje te nemen. Niettemin begonnen ze allen ijverig hun lansen te wetten, vermoedelijk om hun dapperheid ermee op het lijk van den tijger te toonen en mij 't gehoopte, mooie vel te bederven.

Zoo gingen wij dan alleen naar beneden, echter niet zonder dat ik mijn bediende beval, zijn muzikalen vriend ondanks diens tegenstribbelen, mee te nemen, opdat hij van nabij zou zien, wat wij deden, en wij, als we mochten worden opgegeten, ten minste in zijn gezangen zouden voortleven!