Van de Ganges naar den Amazonenstroom De Aarde en haar Volken, 1904
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
VAN DE GANGES NAAR DEN AMAZONENSTROOM. [1]
Naar het Duitsch van Ernst Weber.
Uit een onrustigen slaap werd ik warm en vol muggenbeten wakker. Natuurlijk was de bruine lummel, die buiten vóór mijn slaapkamer gehurkt zat, weer eens een keertje ingeslapen. Een heftige ruk aan het touw deed hem wakker schrikken, en dadelijk begon de punkah, de lange waaier boven mijn bed, weer te waaien, om hitte en muskieten te verdrijven. Maar reeds was er daglicht zichtbaar door de lichte strooien gordijnen, die de deur afsloten naar de binnenplaats, en ik herinnerde mij tegen zonsopgang een sjikari te hebben besteld, die mij hier in de buurt van Agra op een jachtuitstapje zou vergezellen, vóórdat de rechte middaghitte er zou zijn.
Op mijn handgeklap verscheen een in het wit gekleede Indiër, wiens donker hoofd met den intelligenten, zwaarmoedigen blik door een grooten tulband gedekt werd, en reikte mij met een deemoedigen groet den verkwikkenden dronk ijslimonade. Daarna goot hij mij in een groote badkuip stroomen water over het lijf en diende handig en zonder geruisch het rijke engelsche ontbijt, dat intusschen door een ander was klaargezet.
Reeds stampten buiten de paarden. Toen ik buiten kwam, zag ik mijn in de jacht bedreven sjikari juist een tandenborstel gebruiken en dien bij mijn verschijnen haastig in zijn gordel steken. De lompen, die zijn kleeding uitmaakten, vertelden van veel moeilijke marschen. Een geweer droeg hij niet; dat is den Indiërs door de Engelschen verboden. Vlug sprong hij naast den koetsier op den bok, en op het plankje achter den grooten landauer gingen twee satellieten staan, die naar het oordeel van den engelschen hotelbestuurder volstrekt mee moesten rijden, om, op den rit terug, voor het rijtuig plaats te maken te midden van de volksmenigte.
Zoo rolde ik plechtig in den golvenden morgennevel door de nog stille straten van Agra. Donker verrezen rechts van mij geweldige muren en torens met afgeronde tinnen, de oude vesting van keizer Akbar, en toen de heete indische zon de streek met volkomen helder licht bestraalde, bevonden wij ons reeds buiten de stad tusschen uitgestrekte rijstvelden en kleine, daartusschen verspreide boschjes.
Het doel van onzen langen rit was een dorpje van armoedige strooien hutten, idyllisch gelegen in de schaduw van een donker boschje, waaruit het gekrijsch van talrijke bonte papegaaien opsteeg. Daarachter breidde zich een wijde savannah uit, ons jachtgebied, waar wij overvloed van wild aantroffen. Naast het gewone kleine wild joegen wij in de kloven een luipaard en verscheiden wolven op. Het langst vervolgden wij een troep van meer dan twintig slanke antilopen, die zich altijd weer dicht lieten naderen en zich in 't geheel niet om de op de velden arbeidende Indiërs schenen te bekommeren, ja zich dikwijls verstopten onder de kudden vee.
Uitgeput keerde ik na eenige uren, toen de hitte te groot werd, naar mijn rijtuig terug, en terwijl ik mij met een koelen dronk verfrischte, daar de bedienden ijs in dikke wollen dekens hadden meegenomen, bracht een der satellieten een grooten pauwenwaaier boven mij in beweging, en de andere kwam met waschwater en schoon linnen.
In het dorp waren twee bajaderen, die lieten vragen, of ze vóór den Sahib mochten verschijnen. Natuurlijk stond de Sahib dat toe, en daar kwamen twee kinderen voor den dag van hoogstens vier of vijf jaar. De kleinste, een jongen, gekleed in een glinsterend bont costuumpje, was nog kinderlijk in zijn bewegingen, als hij de snaren tokkelde van zijn instrument, dat op een guitaar geleek. Het meisje echter had reeds de houding en manieren van een volwassene, als zij coquet lachend de prachtige, zwarte oogen opsloeg. Zij danste met bekoorlijke gratie; zonderling alleen waren de buigingen en draaiingen der handen in het handgewricht, waaruit de dans voor een groot deel bestond, en de langgerekte tonen van de indische liederen, bij welker hoogtepunten het kleine ding telkens schuchter mijn hand vatte. Allerdwaast was het, een paar engelsche liedjes aan te hooren, die mijn aardige bajadère in miniatuur, tot slot, met verrukkelijk slechte uitspraak voordroeg.
Met klinkende dankbetuigingen zond ik hen heen, en toen ging het in flinken draf stadwaarts. Eerst was er nog een karakteristieke strijd te beslechten. De koetsier, die intusschen afgelost was, een deftig Mohammedaan met dichten, zwarten baard, wilde den sjikari, den verachten Hindoe niet naast zich op den bok laten zitten en schikte zich eerst op mijn uitdrukkelijk bevel in het geval. De aanhangers der beide godsdiensten haten elkaâr nog inniger, dan zij het beide den gevreesden Europeaan doen, wien door dit alles het bestuur wordt vergemakkelijkt.
De straat, waarin de zon fel brandde, was nu veel drukker dan in den vroegen morgen. Meest waren het schoone figuren met sympathieke gelaatstrekken, die in witte en bonte kleederen gehuld waren of ook wel bijna geheel onbedekt liepen. Maar zelfs dan hinderde de naaktheid den beschouwer nooit, want de donkere huidskleur, die men aantrof in alle schakeeringen van lichtbruin tot het donkerst zwart, vormt zelf al een bedekking van het lichaam. Veel mannen hadden strepen en punten op het voorhoofd geschilderd, een teeken van hun kaste, en de slanke vrouwen, die voorbijgingen in wagentjes als kleine tempeltjes, hadden groote versierselen in de ooren en om de armen.
Aan den weg echter lagen, toen wij de stad naderden, bedelaars en zieken, ellendige stumpers, die meestal 't een, zoowel als 't ander waren. Zij strekten de armen uit, die slechts uit vel en been bestonden en waar de gewrichten als knobbels door staken. Allerlei misvormingen waren op hun lichaam te zien en wonden, soms opzettelijk opengehouden ter wille van het bedrijf.
Nu bleek eerst, hoeveel diensten mijn achter op het rijtuig staande jongens bewezen, want de ongeluksfiguren van de bedelaars bleven niet bescheiden aan den rand van den weg zitten, maar wierpen zich kermend en zuchtend soms tot op 't midden van den weg, om een aalmoes af te dwingen, en telkens moest het rijtuig stilhouden en moesten mijn bedienden naar voren komen, om het bedelaarspak van den weg te duwen.
Op een enkele plek der voorstad was de menigte bijzonder dicht. Toen wij ons eindelijk ruim baan maakten door snel voort te rijden, bespeurde ik, dat de oorzaak van het gedrang een fakir was, wiens heftige zelfkastijding de bewonderende aandacht van de Hindoes trok. Op een houten bank, waaruit op afstanden van een vinger breed honderden lange, spitse spijkers opstaken, lag lang uitgestrekt op den rug een naakte, vuile Hindoe. Hij lag stil met gesloten oogen, ofschoon de spijkers voor een deel diep in zijn lichaam waren gedrongen, en het bloed eruit neerdroop. Overigens scheen hij er echter wel bij te varen, want naast hem stond een pot, die reeds vrij hoog gevuld was met de koperen munten zijner vereerders, en evenzoo lagen er een menigte lekkernijen voor hem gereed, als hij van zijn legerstede zou opstaan.
Ik was blij, die weinig aesthetische tooneelen en de altijd heeter brandende indische Augustuszon te kunnen ontloopen, en legde mij later tot een siesta neer op den langen, gemakkelijken rieten stoel, met den onontbeerlijken, den waaier wuivenden windjongen naast mij.
Eerst toen de schaduwen vrij lang geworden waren, stond ik weer op, om nieuwe indrukken op te doen. Een klein aapje, waar ik onder het wandelen op getrapt had, schimpte mij toornig achterna, en toen ik het schertsend met mijn stok dreigde, namen zijne door de Indiërs erg verwende collega's zijn partij op en kwamen van de boomen aan den weg, waar zij gymnastische toeren uitvoerden, naar beneden, verzamelden zich rondom mij heen en keken mij onder luide, booze gedachtenwisseling zoo afkeurend aan, dat ik mij beschaamd uit de voeten maakte.
Veel rustiger gedroegen zich de groote, lompe gieren, die overal op de muren zaten en wachtten op het oogenblik, waarop ze weer naar de omheinde ruimte mochten terugkeeren, waar de Parsen hun dooden aan de roofvogels overlaten.
De Parsen, die het intelligentste en welvarendste gedeelte der bevolking van Indië moeten zijn, onderscheiden zich op straat door een vreemde, op een mijter gelijkende hoofdbedekking en dragen, evenals de voorname Hindoes, een langen, zwarten rok bij een nauwe, witte of bontgekleurde broek. De Mohammedanen daarentegen zijn altijd in het wit gekleed en hebben bonte tulbanden op, waarvan de kleur door geboorte en stand of ambt wordt aangewezen.
Als overal in het Oosten was het inwendige van alle huizen der stad van buiten zichtbaar; alle werk van ambachtslieden wordt in de open lucht gedaan, en het is voor den Europeaan moeilijk, zich door de straten een weg te banen, zonder van de dikwijls prachtige kunstwerken van ivoor en houtsnijwerk, filigraanarbeid en schitterende zijden borduursels met goud en zilver bestikt, meer mee te nemen dan hij eerst voornemens is geweest.
Vlugge paarden brachten mij dan naar de voornaamste bezienswaardigheid van Agra, welker roem alleen reeds vele reizigers naar Indië heeft gelokt, naar den Tadsj Mahal, grafmonument, dat shah Jehan driehonderd jaar geleden voor zijn lievelingsvrouw heeft laten bouwen. Het ligt buiten de stad aan den oever der Dzjoemna, en de meeste reizigers, die veel hebben gezien, zijn éénstemmig van oordeel, dat dit het mooiste bouwwerk van de wereld is.
Bij een uitgaaf van vijftig millioenen roepijen voor een betrekkelijk klein bouwwerk mag men dan ook wel iets bijzonders verlangen; maar ik was, ondanks alle afbeeldingen, die ik ervan had gezien, toch nog ten hoogste verrast door de wonderschoone harmonie van dezen koepel, door de natuurlijke samenstemming der voornaam eenvoudige vormen met de kostbaarheid van het gebruikte materiaal en de smaakvolle behandeling der onderdeelen.
Bij dat alles voegt zich nog de indrukwekkende omgeving van den graftempel. Nadat men de prachtige buitenste poort van den aanleg is doorgegaan, staat men in de schaduw van dichtbebladerde boomen. Recht vóór u opent zich een breede weg, een laan van cypressen, waarop men in het midden als een tegenstelling met de donkere omlijsting, heldere waterkommen en bonte bloemperken ziet.
Aan 't eind van deze allee staat, met schitterenden glans afstekend tegen de blauwe lucht, een prachtig marmeren gebouw, met een breed gewelfde middelpoort, waarboven een heerlijk gevormde koepel, geflankeerd door vier slanke minarets. Deze eerste aanblik is de mooiste en wint zelfs niet bij 't naderkomen, als men de schoonheid van het marmer eerst recht goed ziet en de kunstvaardigheid, bij de opengewerkte deelen en de reliëfs aan den dag gelegd, waar edelgesteenten niet aan zijn gespaard.
Binnenin staan de sarcophagen van het in liefde verbonden paar. De wachthebbende priesters hadden, toen zij mij zagen, schijnbaar niets anders te doen, dan mijn ernstige stemming door hun gegil en geschreeuw te bederven en van mij een bakschish te vragen, nu ze mij de mooie echo van den koepel hadden laten hooren. Dezen keer bestond de backschish echter in een flinken schop!
Op den terugweg beklom ik de oude citadel van keizer Akbar, die nu door kranige, engelsch-indische troepen bezet was. De moskeeën en paleizen hierboven zouden stellig op een andere plek hoogst indrukwekkend zijn; maar in Agra heeft men er nauwelijks oog voor. Mooi was het uitzicht, van het terras met den ouden marmeren troon van den heerscher, op de stad en de vlakte, waardoor de Dzjoemna kronkelt; maar ook hier werd de blik met magische kracht maar altijd weer naar den Tadsj getrokken, die ver beneden in de diepte lag en door de stralen van de avondzon verguld werd.
Toen ik in mijn hôtel terugkwam, vond ik mijn kamer in een bazar veranderd. Een half dozijn waardige tulbanddragers begroetten mij met diepe salams en begonnen allen tegelijk hun waren, die zij op den grond hadden uitgespreid, aan te prijzen. Daar kwam een donker vermoeden in mij op, dat ik in den namiddag bij mijn inkoopen in de stad, trots mijn afdingen, flink bedrogen was geworden, dat de mare van mijn goedgeloovigheid zich had verbreid, en dat nu dit brutale troepje was gekomen, om ook een voordeeltje uit den dommen Sahib te halen. Dat ergerde mij gruwelijk, en vol wraakgedachten klapte ik mijn bedienden en liet met grimmig pleizier kooplieden en waren alles samen naar buiten gooien. Voor de deuren en vensters zette ik wachten uit, om te beletten, dat er weer indringers verschenen.
Spoedig daarna zat ik met mijn engelsche vrienden bij het deftige dîner; het waaien van de punkah boven de tafels maakte het gekleede toilet dragelijk, en de bediening liep zonder geruisch vlug van stapel, want ieder had zijn eigen boy of bediende achter zijn stoel staan, om de spijzen aan te nemen van degenen, die ze aandroegen, eveneens Mohammedanen. Hindoes zouden door de aanraking van europeesche spijzen onrein worden, en men gebruikt hen daarom niet voor deze diensten. De Hindoes zijn uitstekende huisbedienden; maar bij alles, wat de maaltijden betreft, houden zij zich streng afgezonderd. Het gaat zoo ver, dat reeds de schaduw van een Europeaan hun de spijzen oneetbaar maken kan.
Toen ik bij het tafelgesprek mijn fakir op het kruisbed te pas bracht, werden mij nog vele dergelijke voorbeelden verteld. Zoo hoorde ik van boetedoeningen, waarbij iemand zoo lang de vuist gebald hield, tot de nagels door de hand waren gegroeid, en van andere menschen, die naar gelofte den arm hoog opgeheven hielden, tot het schoudergewricht in dien stand stijf vergroeid was, en daarna werden de histories al griezeliger en romantischer.
Laat op den avond deed een dame 't voorstel, in den maneschijn den Tadsj een nachtelijk bezoek te brengen, en dadelijk waren allen daartoe bereid. Fakkeldragers reden vóór de rijtuigen, en weldra stond ik weer voor den tooverachtig schoonen koepel, die in 't zilveren licht der maan een nog veel dieperen indruk maakte dan bij dag, want thans verzonk de geheele omgeving in het niet bij den glans van het marmer. Men hoorde alleen het ruischen van den voorbijvlietenden stroom en 't sjirpen van de krekels.
Een lange spoorreis moest voorafgaan aan mijn reis naar Kaschmir. Ik droomde nog van den als zilver glanzenden Indus, dien ik den vorigen avond op de lange brug vóór Attah gepasseerd was, toen het gelijkmatige ruischen van den stroom in mijn ooren plaats maakte voor de leelijke klanken van het gebroken Engelsch, waarmee mijn indische bediende mij tot bewustzijn trachtte te brengen, dat wij spoedig te Ihelam, het eindpunt van de spoorreis, zouden zijn.
Toen het hem eindelijk gelukt was en ik mijn ontbijt had ontvangen, deed hij zijn best, de groote rieten horren te doen draaien, die, beneden telkens in waterbakken duikend, bevestigd waren aan de buitenzijde der waggonvensters en aangename koelte verspreidden bij de verdamping van het water in de reeds nu brandend heete zonnestralen.
Ik slurpte dorstig mijn thee, gemakkelijk steunend op de kussens, die mijn bediende 's avonds te voren zorgzaam had opgestapeld, en verwonderde mij over het nette en opgeruimde uitzien van den in 't wit gekleeden "jongen", die, met vijftig collega's samen in één waggon geperst, voor een tiende deel van 't reisgeld van zijn heer den nachtelijken spoorrit had gedaan.
Europeanen hebben in de eerste klasse in den zomer steeds een halven waggon voor zich alleen; maar men heeft die ruimte hier ook wel noodig, waar men zoo verwend wordt en zooveel bagage moet meesleepen, om steeds des avonds trots de hitte te kunnen verschijnen in europeesche gezelschapskleeding.
In Ihelam liet ik alle lastige koffers en pakken achter onder bewaring van mijn boys en maakte mij gereed om, vrij van alle banden, naar Kaschmir te reizen. Toen ik aan het station het voornemen te kennen gaf, den weg naar Kaschmir, voor zoo ver hij berijdbaar was, per rijtuig af te leggen, verscheen er even daarna een engelsche officier en deed zeer vriendelijk het aanbod, mij een tweewielig wagentje, een tonga, zooals hier veel gebruikt wordt, te verschaffen. Hij ried mij aan, eerst nog de groote werken aan de rivier te bezichtigen, waar veel olifanten aan meewerkten. Natuurlijk volgde ik dien raad op en was verbaasd, de gedresseerde olifanten, die ik vroeger alleen in het circus had bewonderd, hier zoo uitstekend voor practische doeleinden in functie te zien.
Op den nek van de reusachtige dieren zaten de geleiders, bewerkten aanhoudend het voorhoofd van hun beest met een stok met ijzeren punt, schopten heftig met de beenen en spraken hun daarbij goedig toe op de manier, waarop de russische iwostnik praat tot zijn rijtuigpaard. De goedmoedige kolossen gehoorzaamden hun kleinen pijniger met de grootste stiptheid, droegen met hun snuit zware boomstammen en op hun tanden groote bundels andere dingen heen en weer en stapten daarbij met onverstoorde zekerheid over de smalle, glibberige paden langs den steilen rivieroever.
Eenige olifanten waren met hun werk al klaar en namen een bad in de rivier, waarbij hun kornaks hen ijverig borstelden, en behagelijk spoten de dieren met opgeheven snuiten zich dikke waterstralen over den rug, om het reinigingsproces te vergemakkelijken. Tevreden wandelden zij daarop naar het bosch, om er hun maal van gras en bladeren tot zich te nemen, dat buiten een zekere hoeveelheid rijst al 't voedsel is, dat ze gebruiken.
De leider van het bouwwerk prees de verrichtingen der olifanten zeer en beweerde, dat één zoo'n dier hem meer waard was dan vijftig inlandsche arbeiders en veel minder kostte, daarbij nooit stal of wegliep, en geen der andere ondeugden bezat van de menschelijke arbeiders in Indië.
Al die mooie eigenschappen en de dankbaarheid en gewilligheid tegenover hun oppassers, niettegenstaande hun verstand en het bewustzijn hunner kracht, daarbij het sterke herinneringsvermogen voor krenking en beleedigingen, die zij vaak na langen tijd nog beantwoorden, wijst op de hooge plaats, door deze dieren ingenomen in de wereld der viervoeters.
Hoe werkzaam het gemoedsleven der olifanten is, trots hun dikhuidigheid, ziet men hieraan, dat zij tot de weinige dieren behooren die kunnen weenen. Nooit vergeet ik den vreemden aanblik, toen een olifant, wiens poot gekwetst was door een neervallend blok, met opgetrokken poot bleef staan, terwijl dikke tranen langs zijn wangen vloeiden.
Intusschen was er een wagentje voor mij besteld, en spoedig vlogen we in gestrekten draf de stad uit. Buiten kwam ons een troep zwaar beladen kameelen tegen; maar daarna werd de streek eenzaam en stil, de bebouwde velden verdwenen, maakten plaats voor groene heide, en de heuvels aan den kant van den weg groeiden aan tot bergen. Na een paar uren snel te hebben gereden, bereikten wij een bergstadje, in welks dak-bungalow ik uitstapte, daar de rijweg er ten einde was. De dak-bungalows zijn eenvoudige logementen, die door de regeering op vele punten in Indië ten gerieve der Europeanen zijn opgericht en die men tegen betaling van een roepij mag gebruiken. De indische bewaker werd gehaald, om mij het huis open te sluiten, dat een aantal primitief ingerichte slaapkamers, een salon met kook- en eetgerei en een aantal oude couranten bevatte.
Over de bereiding van een maaltijd kon ik mij met hem onderhouden; maar verder reikte zijn Engelsch niet. Tevergeefs beproefde ik hem duidelijk te maken, dat ik een rijpaard noodig had en een gids naar Kaschmir, en het duurde lang, eer in de plaats een taalkenner gevonden werd, die mijn begeerten begreep. Engelschen waren er hier niet, wèl bedelaars, die in massa kwamen, om van zoo'n zeldzamen europeeschen gast iets te ontvangen.
Mijn belangstelling werd intusschen alleen gaande gemaakt door een bepaald origineelen fakir, die ter zelfkastijding zich en den vliegen het genoegen had gedaan, zijn gansche lichaam met suiker te besmeren, zoodat hij door de massa der op hem te gast gaande dieren nu en dan een neger geleek, om dan op eens, bij een haastige beweging, weer in zijn suikerpakje te schitteren.
Natuurlijk gelukt het hem niet, mij geld ter verdere vliegenvoedering af te troggelen. Ik keerde mijn welwillendheid liever naar eenige slangenbezweerders, door wie ik mij een particuliere voorstelling liet geven. Bij 't geluid van het fluitachtig instrument van den bezweerder kwam er beweging in den zak, die vóór hem lag, en er sloop een slangetje uit, dat zich oprichtte en weldra op de maat der muziek het kopje draaide en wendde. Volkomen onverklaarbaar leek mij een kunststuk, dat de man ten slotte ten beste gaf, maar dat geen aanspraak op originaliteit kan maken, daar de bijbelsche Mozes reeds iets dergelijks heeft vertoond.
De Hindoe greep namelijk de slang bij den staart, zwaaide haar in de lucht in een kring vond, zoodat zij lang uitgerekt leek en had plotseling in plaats van een slang een even langen stok in de hand. Daarbij was hij zoo goed als naakt, kon onder zijn kleederen zeker niets verbergen en stond bij al zijn kunststukken dicht vóór mij, zonder dat ik de manier, waarop hij te werk ging, kon herkennen.
Na de voorstelling kwam er al gauw een gids met de gewenschte paarden, zoodat ik nog vroeg in den namiddag kon vertrekken. De weg liep langs den oever van de Ihelamrivier, die van Srinagar komt, de hoofdstad van Kaschmir; maar reeds spoedig moesten wij in het rivierbed zelf over alleronaangenaamste steenen of diep in 't water verder rijden. Uren lang ging het zoo tusschen steile oevers, en het werd mij nu wel duidelijk, dat deze weg alleen bij lagen waterstand te begaan is, zooals mij was gezegd. Eindelijk was er weer een weg langs den oever, en toen ging het steil bergop op kalen rotsigen grond.
Het uitzicht werd steeds mooier en meer omvattend. Als ik achterom keek, zag ik de onbegrensde vlakte vóór mij met steden en dorpen in de verte; naast mij werd het rivierdal steeds breeder en was bedekt met groene velden en vriendelijke aanplantingen. Beneden in de diepte bij den stroom zag ik een brandstapel rooken, waarop een Hindoe verbrand werd, die niet het geluk had gehad, vóór zijn dood nog de Ganges te bereiken. Door mijn verrekijker zag ik de familieleden gehurkt zitten om den brandenden houtstapel en de vlammen aanwakkeren, om later de verkoolde resten in de Ihelam te werpen, bij gebrek aan de golven van de heilige rivieren Ganges en Dzjoemna.
Over verschillende bergketenen, op moeilijke, ja vaak bedenkelijke wegen, waar elke tred kleine steenlawinen naar beneden storten deed, bereikte ik tegen den avond den kam van een hooger gebergte, dat de grens vormt van het onafhankelijk Kaschmir. Die grens zelve werd boven door een middeleeuwsche vesting aangeduid. De geweldige poort en de massieve muren waren bezig te vervallen en werden in 't geheel niet meer bewaakt. Ongehinderd reed ik de donkere poort binnen en was eenige oogenblikken later in Kaschmir.
De eerste blik in het land was veelbelovend. De weg daalde af in een wijd, groen, eenzaam dal, en achter de hoogten aan den overkant verrezen, door de stralen van de avondzon verlicht, de reuzen van den Himalaya omhoog.
Toen wij naar het dal reden, ontmoetten wij eenige kinderen, die koperen vaatwerk op het hoofd droegen en met hun mooie huidskleur en de bijzonder edele gelaatstrekken zelf geleken op heerlijke bronzen figuurtjes. Ook in het dorp, dat wij spoedig daarna bereikten, viel mij de schoonheid van de kinderen, vooral der knapen, op. In dit dorp evenwel en in het volgend was geen dak-bungalow, en ik moest het grootste gedeelte van den lichten maannacht blijven doorrijden, vóór ik het eerstvolgend stadje bereikte. Het was een verrukkelijke rit, in de verfrisschende koelte na de hitte van den dag, in de diepe nachtelijke stilte door de eenzame, flauw verlichte bergnatuur te rijden.