Van Brussel naar Karema: Geschiedenis eener Belgische Kolonie in Midden-Afrika

Part 3

Chapter 33,673 wordsPublic domain

Het oproer der pagazis te Mvomero had dus aan de eerste expeditie niet alleen eene nogal aanzienlijke som gelds gekost, maar ook een verlies van tijd van twee maanden en half. Dit was gelukkiglijk niets in vergelijking met de levendige onrust, in België ontstaan ten gevolge van een valsch gerucht, door de dagbladen verspreid, en volgens hetwelk de Belgische expeditie, aangevallen door een inlandschen stam, overmand en uitgeroeid was geworden.

Het doortrekken van Oegogo gebeurde langzaam, ter oorzake van de zich immer vernieuwende geschillen over den hongo; dit vroeg zes weken, maar bood geen enkel merkwaardig voorval aan.

Bij Kironda, niet ver van het dorp Simbo, voegde zich de expeditie bij eene karavaan, welke M. Broyon naar de Engelsche missionarissen van Oejiji geleidde, en die zich gereedmaakte om de Mgonda-Mkali over te steken.

Hier komt de pijnlijke episode van den dood van M. Penrose, Engelsch ingenieur verbonden aan de London Missionary Society. Die ramp is nog niet heelemaal opgehelderd, en ik wil er een oogenblik bij stilblijven. Ik deel, volgens het verslag van den heer dokter Dutrieux, den gang der gebeurtenissen beknopt mede.

Benden plunderaars, bijna allen behoorende aan Nyoengoe, machtig opperhoofd van het zuiden van Oenymaoeëi, waarbij zich roegas-roegas (struikroovers) gevoegd hadden, legerden in de vlakte ten westen van Oegogo en schenen van plan, den weg te versperren aan de karavanen, die zich naar Tabora begaven. Zij hadden reeds, schijnt het, die van den abt Debaize aangevallen, den Franschen onderzoekingsreiziger, die eenigen tijd te voren daar voorbij was getrokken.

Daar daagde de karavaan op, geleid door M. Penrose, en welke die van luitenant Wautier eenige dagen voorafging. Tegengehouden door de gewapende benden op de boorden van het kleine meer Tchaïa, was zij verplicht te strijden. Hare dragers liepen weg, al hare koopwaren bleven in de handen der aanvallers en de ongelukkige Penrose werd in 't gevecht gedood.

De toestand onzer reizigers was dus bedenkelijk. Gelukkiglijk verwittigd door de inboorlingen, de vluchtelingen en het geweervuur, dat zij in de verte gehoord hadden, omtrent hetgeen juist gebeurd was op den weg zelf, dien zij volgden, namen de heeren Wautier, Dutrieux, Broyon en een Engelsche missionaris, M. Dodsghun, die dezen laatste vergezelde, in tijds hunne maatregelen om elke botsing te vermijden met de mannen van Nyoengoe, door hunne zegepraal ongetwijfeld verhit.

Zelfs met de zekerheid der overwinning, was 't nog beter terug te wijken dan eene moordende worsteling aan te gaan met arme wilden, dikwijls onbewust van hunne daden. Vergoten bloed roept bloed; gramschap, haat en wraak zijn verschrikkelijke vijanden voor wie beschaven wil. Hij alleen begrijpt zijne rol--zijne groote en edele rol--die zichzelven zegt, dat het leven van den laatste der zwarten zoo heilig is als dat van den eerste der blanken; dat het door geduld, het voorbeeld, zachtheid, goede middelen, en niet door geweld en dwang is, dat men meester zal worden over die onterfde, wantrouwe en vreesachtige volksstammen.

De vier Europeanen sloegen raad, en op voorstel van M. Broyon werd er beslist, dat de karavaan Hittoera zou bereiken langs een grooten omweg naar het noorden, dwars door Oetatoeroe. De tirikesa werd bevolen, en de expeditie, de baan van 't westen verlatend, wendde zich recht naar 't noorden, door een dicht woud. Een plasregen maakte haren marsch moeilijk tot aan het dorp Hekoengoe.

Daar wachtte haar een wreed ongeluk.

In dien kringmarsch rond het meer Tchaïa kwam de dood voor den derden keer de expeditie der Vereeniging bezoeken. Den 7den December werd luitenant Wautier door eenen afgang aangetast, die weldra in roodeloop ontaardde. Het was de derde maal sedert zijn verblijf in Afrika, dat de dappere officier door deze ziekte gekweld werd; telkens was zij geweken voor eene geneeskundige behandeling van eenige dagen. Ongelukkiglijk meende de kranke, zich dezen keer te kunnen ontslaan van het onderhouden van den strengen leefregel, door den aard der kwaal opgelegd. Ondanks eene zekere beterschap gedurende eenen dag of twee, nam de verzwakking weldra de overhand, en in den morgen van den 19den gaf Wautier den geest, onder het stamelen van zijn laatste woord.

Dokter Dutrieux verwierf van het opperhoofd van Hekoengoe den afstand van een terrein, waarover zich het lommer van eenen baobab uitstrekt. De kuil werd gedolven aan den voet van den reuzenboom en de begrafenis had plaats in tegenwoordigheid van heel de expeditie. Een tas steenen werd boven het graf opgehoopt; een kruis en de naamcijfers van den overledene werden in den boom gegrift, en de sultan beloofde, het monument, opgericht tot aandenken van onzen ongelukkigen landgenoot, te doen eerbiedigen, en er de plaats van aan te wijzen aan de reizigers, die hier zouden voorbijkomen.

Wautier is de eerste Belgische reiziger, gestorven in 't hart van 't geheimzinnig werelddeel. Nog voor eenige jaren is Itatoeroe, waar hij rust, overgeleverd aan de vergetelheid, maar in eene niet ver verwijderde toekomst zal de beschaving er haar licht doen doordringen. Een weldoende straal zal dan tot in Hekoengoe schijnen, op den wilden baobab, aan wiens voet de soldaat-reiziger begraven ligt. De groote zaak, waarvoor hij grootmoedig zijn leven heeft ten beste gegeven, zal hem godvruchtig een gedenkteeken oprichten, zijner waardig, en beter dan heden zal men de vrucht en de grootheid van het offer beseffen.

Den 29sten December bereikte de heer Dutrieux Hittoera met zijne 350 man, wier verbintenis voor 't meerendeel bij dit dorp eindigde. Hij wachtte er op nieuws van kapitein Cambier, die, van zijne aankomst verwittigd, niet aarzelde hem tegen te gaan, en de ontmoeting der twee reizigers, sedert bijna vijf maanden gescheiden, greep plaats den zesden Januari 1879 in het dorp Oeyoeï, gelegen nabij Tabora, een weinig ten noorden.

X

TABORA

Die eerste en moeilijke reis had, in haar geheel, aanzienlijk veel tijd gevraagd (meer dan zes maanden), onvermijdelijk gevolg van 't deserteeren der dragers te Mvomero. Bovendien had zij het leven gekost aan een der reizigers, en dus met een graf te meer afgeteekend dezen weg naar Tanganika, waar reeds rusten de jonge Franschman Maizan; Moffat en Dillon, de gezellen van Cameron; de ingenieur Penrose, evenals Farquhar en Shaw, de twee blanke knechts van Stanley op zoek naar Livingstone.

Maar de toestand, een oogenblik wanhopig, was gelukkiglijk gered geworden, dank aan de krachtdadigheid van den aanvoerder der expeditie. Wat den voorraad in koopwaren betrof, die was voldoende voor nog meer dan een jaar.

Oenyanyembe, waar de reizigers zich bevonden, is eene groote en rijke provincie, die eenigszins eene afhankelijkheid van 't sultanaat van Zanzibar vormt. De gouverneur wordt er door benoemd. De hoofdstad is Tabora, de plaats, waar allen, die van Zanzibar naar Tanganika of Victoria-Nyanza gaan, zich van voorraad komen voorzien. De vestiging der Arabische kooplieden in deze streek dagteekent slechts van 1852. Tabora is tegenwoordig de belangrijkste van al de standplaatsen, welke de handelaars van Zanzibar in 't hart van Afrika bezitten.

Toen Stanley er in 1870 doortrok, bevatte de kolonie meer dan duizend woningen en telde reeds ongeveer 5000 zielen. Sedert een jaar heeft de internationale Vereeniging er een stapelhuis van koopwaren, bestuurd door den heer Becker.

Onze landgenoot zal weldra het gezelschap krijgen van eenen Franschman, M. Sergère, die lang Zanzibar bewoond heeft en zich gereedmaakt om in Tabora een handelskantoor op te richten.

In Oenyanyembe zijn de dorpen talrijk en de ontginning is er aanzienlijk; de grond, met zorg bewerkt, brengt in overvloed rijst, sorgho, maïs, manioc en zoete wortelknol voort; de Araben telen er koren en ajuin; zij hebben er ook de meeste fruitboomen van de kust ingevoerd. Men treft er eveneens den katoenboom aan.

Dank bovendien aan den vooruitgang der ontginning en bewerking, en aan de verwijdering der wilde dieren, heeft de tetzavlieg Oenyanyembe verlaten, en de kudden ossen en schapen zijn er nu talrijk.

Van 't begin van Januari 1879 tot het begin van Mei verbleef kapitein Cambier te Tabora, verplicht als hij was, het regenseizoen te laten voorbijgaan, alvorens zijnen tocht voort te zetten. De mazika maakt zoo goed als onbruikbaar de moerassige streken, welke zich langs het westen uitstrekken en gedraineerd worden door ontelbare rivieren, alsdan overstroomd, afvloeiende naar het meer Tanganika.

Toen de regens begonnen op te houden, op 't einde van April, dacht de reiziger er aan, nieuwe dragers in dienst te nemen, om het materiëel zijner standplaats tot aan het meer te laten vervoeren, en dan op te breken.

Hij vertrok alleen: dokter Dutrieux had het besluit genomen, den dienst der Afrikaansche Vereeniging te verlaten en naar Europa terug te keeren.

Van de zes reizigers, die aan den tocht hadden deelgenomen, bleef er dus éen op zijnen post: drij waren onderweg gevallen als slachtoffers hunner toewijding; twee hadden zich uit de onderneming teruggetrokken om verschillende redenen.

Eene zware taak rustte op den reiziger, voortaan overgelaten aan zijne eigene krachten. Hij ging bewijzen, dat zijne voorzichtigheid, wilskracht en moed tegen haar waren opgewassen.

XI

LAATSTE BAANGEDEELTE

Kapitein Cambier verliet Tabora den 7den Mei, met omtrent 175 man, nagenoeg den weg volgende, dien Stanley in 1871 had genomen tijdens zijne reis op zoek naar Livingstone.

De reiziger had uit Brussel inlichtingen ontvangen, welke hem als bijzonder gunstig voor de vestiging eener Europeesche standplaats het kleine dorp Karema aanwezen, gelegen op den oostelijken oever van het meer, ten zuiden van Oejiji.

Hij sloeg dus den weg van 't zuiden in, langs Simba, minder kostelijk dan degene van 't westen langs Kaoeëlee, waar de hongo's buitensporig zijn.

Het verslag des reizigers, hetwelk de bijzonderheden meedeelt over zijnen langen en moeilijken marsch tot aan Tanganika, is niet anders dan eene lange aaneenschakeling van geschillen, veroorzaakt door den kwaden wil, de grillen en het wegloopen der dragers. De neger is bepaald de slechtste der lastdieren, en het is meer dan tijd om aan zijne vervanging te denken en hem enkel voor de ontginningen te gebruiken.

Simba, waar de reiziger den 17den Juli aankwam, is een groot dorp van de Oesavira, met 2 a 3000 zielen. Cambier werd er door den sultan vriendelijk ontvangen en ontmoette er een zekeren Matumala, opperhoofd eener bende van 300 olifantenjagers.

Matumala, die vroeger moeilijkheden met Makiaka, sultan van Karema, gehad had, was gedurende drie maanden tegen hem in strijd geweest, had hem overwonnen en gedood en hem tot opvolger Kangoa gegeven, verbannen lid der «oude regeerende familie».

Wijl Matumala, zooals men ziet, de ware vorst van Karema was, verzekerde Cambier zich van zijne vriendschap door eenige geschenken, en, sterk door deze bescherming, stelde hij zich op weg naar het meer. Het weinig voorzichtig achtende, zich naar Karema te begeven met al zijne koopwaren, en de kosten zijner karavaan willende verminderen, ontsloeg Cambier onmiddellijk een gedeelte zijner dragers. Hij was ook gelukkig, zich verlost te gevoelen van de verschrikkelijke nachtmerrie, die men het bevel over eenen troep pagazis heet.

Na te Simba het grootste deel zijner bagage achtergelaten te hebben, en enkel door tachtig man vergezeld, brak Cambier den 29sten Juli op, om de ligging te gaan verkennen zijner toekomstige standplaats.

Den 12den Augustus kwam hij aan den eindpaal zijner lange en moeilijke reis. Aan zijne voeten, boven de honderdvijftig hutten van 't dorp Karema, strekte zich de onmetelijke waterplas van Tanganika uit, zoover het oog reikte.

Cambier werd goed ontvangen door Kangoa, den ellendigen kleinen souverein van tweehonderd inwoners, aan wien men den grootschen titel van sultan van Karema verleent. Hij mocht zich gelukkig achten, van hem den afstand te verwerven van een terrein van bij de duizend hectaren, hetwelk hij uitkoos langs den zoom van 't meer; hij sloot eene overeenkomst met Kangoa voor het optimmeren van eenige loodsen, bestemd voor de koopwaren, die achter waren gebleven, en na een verblijf van zes dagen, keerde hij naar Simba terug.

Op 15 September kwam hij voor goed te Karema terug met het overschot van zijn materieel, en reeds den 17den legde hij de eerste grondslagen van de wetenschappelijke en gastvrije standplaats, welke het zijne zending was te stichten.

XII

DE EERSTE ONDERZOEKERS VAN HET TANGANIKAMEER

Wanneer, na de heuglijke zeetochten van Diëgo Cam, Bartholomeus Diaz, Vasco de Gama, Cabral, enz. de Portugeezen zich in de XVIe eeuw op eenige punten van het Afrikaansche kustland vestigden, te Sofala, te Mozambika, te Mombas, te Loando, drongen min of meer bepaalde inlichtingen allengs in hunne kantoren door over het inwendige van de Terra incognita.

Die inlichtingen waren te danken, eensdeels aan de inboorlingen, wonende langsheen de zee, anderszijds aan de Arabische kooplieden, gevestigd op de oostkust en die, ter wille van hunnen handel, hier en daar nogal ver in 't binnenland doorgedrongen waren.

Iedereen beseft, hoeveel dwalingen zulke aanduidingen noodwendig moesten doen ontstaan, aangebracht door onwetende menschen, dikwijls slecht gegeven, dikwijler nog slecht begrepen, en vervolgens van mond tot mond gaande, om eindelijk in Europa ter kennis van geschiedschrijvers en aardrijkskundigen te komen.

Nochtans, uit alles te zamen trad de waarheid aan 't licht, hoewel door een dikken mist, in dezen zin, dat de algemeene waterbeschrijving van 't nieuwe land vermoed werd. Men begreep dadelijk, dat de zuidelijke helft van Afrika niet, gelijk het grootste gedeelte der noordelijke helft van dit werelddeel, eene aaneenschakeling van min of meer uitgestrekte zandwoestijnen was, maar eene moerasachtige streek, geheel doorzaaid met meren, zoo groot als zeeën, doorgroefd met talrijke rivieren, en van 't éen eind naar 't ander doorsneden van machtige stroomen, zooals de Nijl, de Congo en de Zambezia.

De enkele pogingen tot verkenning, langsheen de kusten gedaan door missionarissen, soldaten, handelaars of goudzoekers, zonder iets bijzonder nieuw aan te brengen, bevestigden evenwel de reeds verkregen inlichtingen, doch niet zonder den wonderbaren kant dezer ontdekkingen naar den geest des tijds te overdrijven.

Aldus werden de kleine bergen Lupata herschapen in Ruggegraat der Wereld, de snelle stroomingen der zeestreek in reusachtige watervallen, het goudkwarts, door eenige rivieren gekruid, in schatrijke goud- en zilvermijnen, de ellendige negerhutten in volkrijke en prachtige steden, hunne opperhoofden in machtige monarken, en de grondgebieden dezer, in reusachtige rijken, zooals Monemoeëgi en het befaamd Monomotapa.

Van dit tijdstip dagteekenen al die verzinsels en fabels, welke zoolang bedekt en onder eene schoonschijnende uitstalling van valsche wetenschap verpletterd hebben de gegevens van algemeene aardrijkskunde, verzameld door de eerste onderzoekers.

Hoemeer men de zaak bestudeert, hoe stelliger de overtuiging wordt, dat tot in de XIXe eeuw toe het geen enkelen onderzoekingsreiziger gelukt is, door te dringen tot in 't binnenste van dit geheimzinnig gedeelte van 't vasteland, door de aardrijkskundige Conferencie van Brussel aangeduid onder de benaming van centraal Afrika.

In 1855 lieten de oude dwalingen eene laatste maal van zich hooren: de Engelsche missionarissen, verblijvende te Mombas, ten noorden van Zanzibar, verkondigden opnieuw, eenige wijzigingen daargelaten, de leer, sedert 1551 door den beroemden Portugeeschen geschiedschrijver de Barros voorgestaan, en volgens welke zich tot eene enkele en onmetelijke binnenzee vereenigden de verschillige meren, waarvan de verslagen der negers en Arabische handelaars het bestaan onbepaald hadden opgegeven.

Maar het plechtig uur der ontdekking ging slaan; de natuurwonderen, die, in weerwil van eenen strijd van drie eeuwen, zoomin door het zwaard des overwinnaars als door het kruis van den missionaris hadden kunnen ontsluierd worden, zou de moderne wetenschap thans veropenbaren.

Drie Engelschen, de eerwaarde Livingstone langs den eenen kant, en de kapiteins Burton en Speke langs den anderen, laten bijbel en degen varen en rukken op, enkel gewapend met den reisstok van den voetganger en den sextant van den waarnemer. Zij marscheeren altijd door, recht vóor hen uit, met woorden van vrede in den mond en den olijftak in de hand; in naam der wetenschap en der menschheid gaan zij het onbekende en de barbaarschheid te lijf... en dadelijk is de sluier vaneengescheurd. Eere aan hen, die bij de eersten waren om zulke edele verovering te beginnen en den weg te banen voor die rei van kloekmoedige mannen, welke sedert vijf en twintig jaar Afrika met hunne daden vervullen!

Het is den 13den Februari 1858, dat Burton en Speke het meer Tanganika ontdekten, te Oejiji, op den noordoostelijken oever.

Negen jaar later bereikte Livingstone den zuidelijken boord en onderzocht de streken, gelegen ten westen, tot aan Loealaba (Congo), waarvan hij den majesteitvollen loop in het hart van Afrika het eerst begroette.

Het is tijdens dezen tocht, en terwijl de befaamde Engelsche reiziger, uitgeput en ziek, zonder hulpmiddelen, en verlaten door een groot gedeelte zijner dienaars, op het punt was, vergeten te sterven in 't dorp Oejiji, dat eensklaps aan zijne zijde verscheen, als een Deus ex machina, de onverschrokken Stanley.

Deze treffende ontmoeting zal eene der schoonste bladzijden blijven in de geschiedenis van het Tanganikameer. Zij greep plaats den 10den November 1871. Hoor Stanley zelf.

«--Ontplooit de vaandels en laadt de geweren.

--Eh! Oeallah! eh! Oellah boeana! antwoorden vurige stemmen.

--Eén, twee, drie!...

Bij de vijftig geweren knallen. Hun gedonder, gelijk aan dat van 't kanon, blijft in 't dorp niet zonder uitwerksel.

--Kirangozi, hoog omhoog de banier van den blanken man. Laat in de achterhoede het vaandel van Zanzibar waaien. Sluit de rangen en zet de losbrandingen voort tot vóór het huis van den ouden moesoengoe. Gij hebt mij dikwijls gezegd, dat gij den visch van Tanganika begont te rieken; heden krijg ik er zelf de lucht van. Visch, bier en eene lange rust wachten u. Voorwaarts!

Wij hadden geene tweehonderd meters afgelegd, of de menigte snelde ons te gemoet...

Middelerwijl hield de karavaan stil, de kirangozi aan 't hoofd, zijne banier dragende zoo hoog mogelijk.

--Ik zie den doctor, mijnheer, zegde mij Selim; wat is hij oud!

Wat had ik niet gegeven voor een klein hoekje woestijn, waar ik mij ongemerkt aan de eene of andere dwaasheid had kunnen overleveren: in mijne eigen hand bijten, eene buiteling maken, de zweep over de boomen leggen, kortom, den vrijen loop gunnen aan de vreugde, die mij verstikte! Mijn hart klopte om te breken; maar ik liet mijne aandoening op mijn gelaat niet doorstralen, uit vrees, de waardigheid van mijn ras te benadeelen.

Op eens koos ik de partij, welke mij de beste toescheen. Ik dreef de menigte uiteen en richtte mij, tusschen eene dubbele haag nieuwsgierigen, naar den halven kring Araben, waar de man met grijzen baard vóor stond.

Terwijl ik langzaam voortschreed, bespeurde ik zijne bleekheid en zijn afgemat uiterlijk. Hij droeg eene grijze broek, een rood vest en eene blauwe pet met dofgeworden gouden boordsel. Ik zou naar hem toe hebben willen loopen, maar in tegenwoordigheid van die menigte was ik laf. Ik had hem willen omhelzen, maar hij was Engelschman, en ik wist niet, hoe ik onthaald zou worden.

Ik handelde dus naar de ingeving mijner blooheid en valschen hoogmoed, naderde met vasten tred en zegde onder het afnemen van mijnen hoed:

--Doctor Livingstone, naar ik vermoed?

--Ja, antwoordde hij, zijne pet oplichtend, met een innemend glimlachje.

Meteen waren onze hoofden gedekt en lagen onze handen in elkander.

--Ik dank God, hervatte ik, wijl hij mij vergund heeft, u te ontmoeten.

--Ik ben gelukkig, zegde hij, hier te wezen om u te ontvangen.

Ik keerde mij vervolgens naar de Araben, die mij hunne yambo's toestuurden en mij door den doctor elk bij zijnen naam werden voorgesteld. Daarop, de omstaanders vergetend, zoowel als degenen, die mijne gevaren hadden gedeeld, volgde ik Livingstone.»

Twee jaar later greep een niet minder treffend tooneel plaats te Tabora, tusschen Oejiji en Zanzibar, waar de reddingskaravaan, uit Engeland naar Livingstone gezonden, en bestuurd door den bevelhebber Cameron, het stoffelijk overblijfsel aantrof van hem, die zonder twijfel de grootste der Afrikareizigers blijven zal.

Het is, dunkt mij, eene der edelste bladzijden uit de geschiedenis der menschheid, die, welke de herinnering bevat van den heuglijken tocht der trouwe dienaars van den «goeden moesoengo», eerbiedig voortdragend door de Afrikaansche wildernissen het gebalsemde lijk van hunnen hooggeachten meester.

Men heeft van het zwarte ras dikwijls kwaadgesproken. De lastige reis van meer dan vierhonderd mijlen, uitgevoerd ten koste van ontelbare vermoeienissen en ontberingen, zonder van duizend hinderpalen te gewagen, door die handvol eenvoudige en brave menschen, verloren zonder gids in 't hart van het vasteland, om in eene veilige plaats en beschut tegen alle onteering de asch van den blanke neder te leggen, die hun opperhoofd geweest was, welnu! die heldenreis is eene aandoenlijke protestatie van dit lang stiefmoederlijk behandeld ras. Zij bewijst eens te meer, dat er op aarde geen hoekje is, waar de mensch niet vatbaar wordt bevonden voor de edelste gevoelens, en bekwaam voor de schoonste daden.

De bevelhebber Cameron, zijnen tocht voortzettend, kwam op zijne beurt aan de oevers van het Tanganika. Hij doorkruiste er per boot het zuidelijk gedeelte van, verkende zijnen omtrek en ontdekte op zijnen westelijken zoom zijne waterleiding, dit is te zeggen het natuurlijk kanaal, langswaar het afvloeit, de rivier Loekoega, welke tegenwoordig een geweldige vloed is en de onmetelijke kom van het meer bepaald verbindt met die van den Congo, en, bij gevolg, met den Atlantischen oceaan.

Na den Engelschman Cameron zag het Tanganika Stanley terug, die er de omreis van voltooide, en eindelijk werd het de beurt van eenen Belg om zich op zijne oevers te komen nederzetten. Zooals wij gezien hebben, landde kapitein Cambier met de eerste expeditie der Afrikaansche Vereeniging den 12den Augustus 1879 bij het dorp Karema aan.

XIII

HET MEER EN ZIJNE BOORDEN

Het Tanganikameer is een onmetelijke waterplas, bijna in 't midden van het Afrikaansch vasteland gelegen, in vorm bijna gelijk aan dien der Adriatische zee.

Het heeft eene lengte van 609 kilometers, hetgeen, op eenige mijlen na, den afstand van Brussel tot Lyon voorstelt, en zijne oppervlakte bedraagt weinig minder dan die van België.

Eene ontzaglijke menigte afvloeiingen brengen er hun water heen: meer dan honderd vijf en twintig rivieren, zonder de beken te rekenen. Tijdens het regenseizoen veranderen al die waterloopen, groote en kleine, op eenige minuten in onstuimige vloeden. De overmaat van 't meer vloeit dan weg langs de Loekoega.

Die ontelbare afvloeiingen voeren ook naar het Tanganika eene overgroote hoeveelheid vlottende eilandjes, bestaande uit planten, en dikwijls struiken en zelfs boomen dragend. Hun aanblik is zeer eigenaardig; soms ziet men er meer dan vijftig op den effen plas van 't meer, waar zij uit de verte op schepen zonder zeil gelijken.

De diepte van 't meer is op sommige punten buitengewoon: het peillood is wel eens neergedaald tot vier en vijfhonderd meters, zonder den bodem te raken.