Van Brussel naar Karema: Geschiedenis eener Belgische Kolonie in Midden-Afrika

Part 2

Chapter 23,714 wordsPublic domain

De groote hinderpaal tegen de snelheid der reizen in dat gedeelte van Afrika spruit voort uit den aard van 't vervoer en de afwezigheid van muntspeciën. In plaats van een vijffrankstuk of eenen dollar, hebt gij vier meters stof noodig (een doti); een kralen halssnoer in stede van eenen stuiver; eenen rol latoendraad bij wijze van goudstuk; en om die lastige munt te vervoeren hebt gij noch rijtuig, noch kemel, noch paard, noch os. De tetza, de giftige vlieg van centraal Afrika, verspert den weg naar 't binnenland voor al de trekdieren, en de kwestie van het temmen van den inlandschen olifant staat nog niet verder dan de voorbereidende studie. Blijft de neger. Het aanwerven eener bende van drie tot vierhonderd dragers is dus de laatste taak, welke de onderzoekingsreiziger te vervullen heeft, vooraleer zich in 't binnenland te wagen. Het is verreweg de lastigste en ondankbaarste.

De eerste man, die gehuurd moet worden, is de kirangosi; het is een invloedrijk inboorling, gelast met het besturen van de marschen, en bestemd om de man van vertrouwen van den aanvoerder te worden. Deze zal hem moeten weten te paaien met kleine geschenken, tusschen vier oogen met hem den te volgen weg vaststellen, zoowel als den afstand voor elken dag, enz., en eindelijk, hem gedurig en tegen iedereen beschermen. In éen woord, gij moet trachten, den kirangosi altoos langs uwen kant te hebben in uwe geschillen met de dragers. Deze zullen u dan volgen gelijk schapen van Panurge.

De heeren Cambier, Wautier en Dutrieux kwamen dus te Sadani aan om er hunne karavaan van pagazis in te richten en er degene te ontvangen, welke M. Broyon--een Zwitsersch belastingpachter, door Cambier nabij Kiora ontmoet--beloofd had, naar de expeditie te sturen. Maar de dragers naar Bagamayo gegaan zijnde en dit dorp niet willende verlaten voor Sadani, waren de drie reizigers wel gedwongen, zich met heel hunnen trein naar Bagamayo te begeven.

Het aanwerven der pagazis vraagt een zoodanig geduld, dat het voor een nieuwen reiziger nutteloos is er aan te peinzen, dit zelf te verrichten. Hij zal zich dus moeten wenden, ofwel tot eenen Indiaan van de streek, wiens specialiteit het is, ofwel tot het opperhoofd van het geleide, die, tegen een te bedingen prijs, hem de noodige manschappen zal leveren. Men moet zorgen, deze te nemen tusschen de Oeanyamoeëzis, welke de boodschappers zijn van dit gedeelte van 't vasteland. En bovendien moet men de echte uitkiezen, zachtaardig en gedwee, en geene Oeachetas bij voorbeeld, wier woelig karakter en boosaardigheid de expeditie weldra zou leeren ondervinden.

De luitenant Wautier bracht alleen de werving ten einde. De heeren Cambier en Dutrieux, beiden door de koorts aangetast, waren verplicht geweest de gastvrijheid te aanvaarden, hun op de hartelijkste wijze aangeboden door de Fransche missionarissen, te Bagamayo gevestigd.

Den 26sten Juni was de karavaan, dank aan een contract, gesloten met den Indiaan Sewa, bepaald gevormd. Zij bestond uit 327 dragers, hetgeen met de 80 zanzibaritische soldaten en knechts eene macht van 407 man uitmaakte, die onmiddellijk gevoerd werden naar eene kleine plaats, Chamba Gonera genaamd, waar het gemakkelijker valt de tucht te handhaven, dan te Bagamayo zelf.

VI

HET VERTREK EN HET DESERTEEREN DER DRAGERS

Op 28 Juni 1878, te 6 uren 45 minuten 's morgens, verliet de eerste expeditie der Internationale Vereeniging het kamp van Chamba Gonera, onder het bevel van luitenant Wautier; de trompet werd geblazen en het blauwe vaandel met gouden ster ontrold vóor het hoofd der kolom. De heeren Cambier en Dutrieux konden slechts eenige dagen nadien Bagamayo verlaten en voegden zich, met de achterblijvers, den 11den Juli bij de expeditie, welke haar kamp had opgeslagen tusschen de twee bergen Pongoué.

Al de reizigers vermelden de streek, gelegen aan den voet der kegels Pongoué, als een prachtig land, eene soort van park met bekoorlijke valleien en zachthellende hoogten, bekleed met een heerlijken wasdom.

Geplaatst op vijf dagreizen van de kust, op eene reeds verheven hoogte (313 meters boven den zeespiegel), op den rechteroever van den Voeami, welke tot daar bevaarbaar is, zou de bergvlakte van den Pongoué niet geschikt wezen tot het vestigen eener Europeesche standplaats? Dit moet de toekomst ons leeren.

De karavaan, onder het bevel van luitenant Cambier, hervatte haren tocht door de hoogten, welke de vallei van den Kingani scheiden van degene van den Voeami. Zij had den laatsten reisweg van Stanley gevolgd van aan de kust tot aan Rosaka, en, te beginnen van dit dorp, toog zij meer naar het noorden dan alle vorige expeditiën. Dit is, schijnt het, de beste baan om van Bagamayo naar Mpoeapoea te gaan: zij ontwijkt de moerasachtige vlakten der Makata.

Weldra zette men over den Voeami nabij het dorp Kingoué. Hij heeft te dier plaatse veertig meters breedte en de overtocht der karavaan vergde acht uren en half tijd.

De bergen van Ngoeroe en Oesagara vormen de eenige keten van belang, welke men langs den weg naar Tanganika ontmoet. Zij zijn in drie evenwijdige kammen verdeeld, die uitgestrekte lengtedalen van elkander scheiden. Meer dan elk ander is Oesagara het land der bloemen, en zijne vele vruchten hebben eenen eigenaardig zuren smaak, aangenaam en gezond te gelijker tijd.

Het is na vijf en twintig dagen gaans en in de nabijheid van het kleine dorp Mvomero, dat de tegenspoed met de dragers begon en deze in menigte wegliepen. Geene enkele Afrikaansche expeditie is vrij van deze plaag, maar die der Internationale Vereeniging had er meer van te lijden dan alle andere.

Een verschil van gevoelen tusschen den aanvoerder der expeditie en den kirangosi over den te volgen weg was de bron der oneenigheid. De kapitein wilde de baan door de vlakte nemen, gemakkelijker en aangenamer, terwijl de gids degene der bergen verlangde te volgen, die, korter zijnde, verkozen werd door de pagazis, welke voor heel de reis gehuurd waren en er dus alle belang bij hadden, snel te gaan.

Na een eerste geschil, gelukkiglijk geslecht, verwekte de eigenzinnigheid van den kirangosi een nieuwen twist, die weldra ontaardde in opstand en deserteering. Opgestookt door hun opperhoofd, begonnen de pagazis de pakken te verscheuren, welke de stoffen tot betaling bevatten, en weg te vluchten onder het aanheffen van een wild geschreeuw.

De heeren Cambier en Wautier, geholpen door eenige Zanzibariten, poogden te vergeefs door overtuigende woorden de vluchtelingen te weerhouden. Zij zorgden vooral, alle bloedvergieten te vermijden tusschen den troep muitende dragers en de getrouwe soldaten.

Bij den aanvang des strijds zou eene daad van brutaal gezag de tuchtelooze bende wellicht in bedwang gehouden hebben. Maar de zending, toevertrouwd aan de reizigers der internationale Vereeniging, veroorloofde deze niet, gebruik te maken van hunne wapens, tenzij wanneer hun leven zich wezenlijk in gevaar zou bevinden.

Het geval van Mvomero is den tocht van Cambier van den beginne af komen dwarsboomen, maar heeft de Vereeniging getoond, dat het hoofd harer eerste expeditie diep doordrongen was van de grootheid zijner zending. Zijn gedrag is onberispelijk geweest en heeft de goedkeuring verworven van het uitvoerend comiteit.

Gedurende heel dien noodlottigen dag (23 Juli) zetten de reizigers de vluchtelingen na en vingen onderhandelingen aan met eenige hunner; zij bekwamen hoegenaamd geenen uitslag. De nacht brak aan en kwam de vlucht van eenige muitelingen nog begunstigen.

's Anderendaags morgens kon de expeditie den droevigen toestand waarnemen, waarin het wegloopen van bijna al hare mannen haar gebracht had: meer dan driehonderd dragers hadden den opstand van den gids benuttigd om te deserteeren, een twintigtal vrachten weefsels meenemende.

Er viel geen tijd te verliezen om den in gevaar gebrachten toestand te herstellen. Hier ook nog toonde Cambier, door de snelheid zijner besluiten, op de hoogte zijner taak te zijn.

Er werd beslist, dat men ter plaats zooveel dragers mogelijk huren zou; dat een deel der bagage voorloopig te Mvomero zou blijven onder de hoede eeniger verkleefde mannen, terwijl een magazijn dadelijk zou ingericht worden in de Engelsche missie te Mpoeapoea, op negen uren gaans van Mvomero; dat de hoofdmacht der karavaan, onder de bevelen der heeren Wautier en Dutrieux, er de nieuwe dragers zou afwachten, die onmiddellijk aan de kust waren gevraagd; eindelijk, dat de aanvoerder der expeditie, met eene lichte karavaan, vooruit zou rukken tot aan Oerambo, vanwaar, indien het noodig was, hij dragers zou afzenden naar zijne kameraden.

Deze schikkingen werden uitgevoerd zonder nieuwe verwikkelingen en den 8sten Augustus kwamen de reizigers te Mpoeapoea aan.

VII

BIJ DE ROOVERS WAGOGO

Mpoeapoea is eene plaats gelegen op de westelijke grens van Oesagara, op eene helling in vorm van terras, op halverhoogte der heuvels. Topografisch gesproken, is 't het belangrijkste punt tusschen Bagamayo en Tabora. Al de wegen, voerende naar den Oegova, komen er samenloopen en al de karavanen, vertrekkende van de kust of er zich heen begevend, doen het dorp aan. De streek is gezond, beschut als zij is door de bergen tegen den noordoostenwind. De inboorlingen leggen er zich vooral op de veeteelt toe.

Het vlek Mpoeapoea is gewis geroepen tot eene groote toekomst, vooral als handelstatie. Sedert het begin van het jaar 1879 is het de zetel eener missie van de Church missionary Society, waarvan de drie leden, de heeren Least, Bopplestone en Baxter, eene merkwaardige werkzaamheid, volharding en practisch verstand aan den dag leggen. Zij hebben er voorloopige lokalen ingericht, huizen en magazijnen, gebouwd met eene soort van beton en gedekt met zeer dikke rieten daken. Op het oogenblik, dat de karavaan voorbijtoog, begonnen zij met den bouw van een steenen huis. In het naburige bosch is eene zagerij ingericht. Katoen, koffie en cacao groeien er zeer goed, zoowel als verscheidene Europeesche fruitboomen.

De Belgische reizigers werden hartelijk ontvangen door de leden der missie en rustten er eenige dagen uit.

Zooals het vastgesteld was geworden, werden de balen in het dorp nedergelegd, waar ook een klein kamp werd opgeslagen voor de zieken. De heeren Wautier en Dutrieux liepen ieder op beurt over en weder tusschen Mpoeapoea en Mvomero, en kapitein Cambier begaf zich op weg den 12den Augustus, naar Oerambo, met een en tachtig man.

Mpoeapoea is in 't westen van den Oegago gescheiden door eene woestijn, door Burton, Cameron en Stanley geheeten de Marenga-Mkali (bitter water) en door Cambier aangeduid met den naam van Porry van Tchoenioe (Porry wil zeggen: woestijn zonder water, en Tchoenioe is de naam van een klein dorp).

Het is eene verzengde heide, waarvan de doortocht pijnlijk is voor al de karavanen. Het is eene vlakke streek, hier kaal, daar bedekt met dichte en stekelige struiken, waar het pad midden doorslingert; het water is er zeldzaam, bitter en salpeterachtig.

De karavanen maken er tirikeza. Men noemt tirikeza den versnelden marsch over verlaten en waterlooze vlakten. In de taal der kust is koutirikeza de onbepaalde wijs van een onovergankelijk werkwoord, waarvan de zin is: marscheeren na den middag; de Araben hebben er een naamwoord van gemaakt, en dit drukt voor de luie pagazis de zwaarste beproeving uit, welke men hun kan opleggen.

De tirikeza wordt derwijze geschikt, dat de karavaan, in den namiddag opbrekend van eene plaats, waar water is, den marsch voortzettend lang na het vallen van den avond en zoo vroeg verder trekkende mogelijk, niet langer dan twintig uren zij zonder drinken te vinden, in stede van dertig, gelijk het zou gebeuren, indien men 's morgens vertrok.

De Marenga-Mkali kan beschouwd worden als het begin van de hooge middenvlakte. Cambier gebruikte achttien uren versnelden marsch om ze over te steken, elk pagazi droeg zijn rantsoen levensmiddelen en zijnen voorraad water.

's Anderdaags trad de karavaan in Oegogo.

Oegogo heeft eene droevige vermaardheid verworven door de plagerijen van allen aard, welke zijne talrijke sultans, dwingelanden op kleinen voet, de karavanen, die het land doorreizen, doen ondergaan. Van aan de kust tot hier stellen de opperhoofden zich tevreden met kleine geschenken, die de reiziger hun wel wil aanbieden in ruiling voor de levensmiddelen, welke zij hem leveren. In Oegogo is het geene gift meer, die zij ontvangen, maar eene schatting, welke zij eischen. De doortochtrechten of hongos zijn er verpletterend, en de lange twisten, welke hunne vaststelling doet ontstaan, verslinden schromelijk veel tijd en vragen een geduld, dat alle beschrijving te boven gaat.

Ziehier hoe gewoonlijk de verhandeling van het hongo gebeurt. In het dorp aankomende, moet men vóor alles beginnen, met eenige gebruikelijke geschenken te zenden aan den sultan, zijne vrouw en zijnen opzichter. Dat de reiziger zich wel wachte, er te veel of te schoone te geven, want dan zullen zijne rijkdommen hoog aangeslagen worden, en men zal hem naar evenredigheid belasten.

De gezanten zullen terugkeeren en hem de eischen van het opperhoofd doen kennen, eischen, welke immer de juiste maat zullen overschrijden: vandaar woordenwisselingen, geschillen, twisten. Het is dikwijls maar na twee of drij dagen van omslachtig gekijf, dat de zaak beklonken wordt, en de reiziger zijnen weg kan voortzetten, verlicht met eenige pakken stof en eenige kleederen. Al de hel geverfde stoffen van Cambier verdwenen bij dien doortocht van Oegogo, welke aan zijne kleine karavaan meer dan vijftienhonderd frank kostte.

De Wagogo's vormen eene machtige natie, befaamd wegens hare dapperheid in den oorlog. Wat hunne andere hoedanigsheden betreft, die zijn geenszins beminnelijk: het zijn schreeuwers, vechters, dieven; zij zijn niet te betrouwen bij het koopen en beoefenen volstrekt geene Schotsche gastvrijheid; alles bij hen moet betaald worden, zelfs het water. Voeg daarbij eene luidruchtige en onbescheiden nieuwsgierigheid en men zal een denkbeeld hebben van de beminnelijkheid der Wagogo's. Ook landen de karavanen bij hen nooit aan dan met een zekeren schrik, en de aanvoerders der pagazis en askaris bevelen hunne mannen op voorhand de grootste voorzichtigheid aan.

Ziehier, volgens Burton, de schilderachtige aanspraak van den kapitein zijner askaris: «Maneno! Maneno! (Luistert, luistert) o Blanken, hoor mij aan! en gij, kinderen van den Saïd, gij, zonen van Ramji, gij, sombere afstammelingers der duisternissen, let op mijne woorden. De reis geraakt aan Oegogo. Opgepast, opgepast! (Hevige gebaren.) Gij kent de mannen niet, die er wonen. Zij zijn gevloekt, driemaal gevloekt! (De redenaar stampt op den grond met den voet.) Spreekt niet met die heidenen van 't binnenland, treedt niet in hunne hutten; drijft geenen handel met hen; toont hun geene stoffen, noch armbanden, noch glasparelen. (Aangroeiend rumoer.) Eet niet, drinkt niet met hen; liefkoost hunne vrouwen niet. (Dolzinnig geschreeuw). Kirangozi, gij, die hen leidt, houd uwe zonen tegen! Veroorloof niet, dat zij in de dorpen omzwerven, dat zij zout koopen buiten het kamp, levensmiddelen rooven, zich bedrinken in bier of zich nederzetten bij de putten!»

Het laatste dorp van Oegogo is Mgondoeko. Daar voorzien de pagazis zich van mondbehoeften voor tien dagen en bereiden zich om de bittere onaangenaamheden van den Mgonda-Mkali (Brandende vlakte) te trotseeren.

Die naam werd haar gegeven vóor veertig, vijftig jaar, door de karavanen, welke twaalf groote marschen en verscheidene tirikezas gebruikten om haar te overschrijden. In 1859 kondigde Burton aan, dat de slechte faam, welke zij toen genoot, weldra slechts in de herinnering meer zou bestaan, want elken dag deden fakkel en bijl hare grootte inkrimpen en verminderden de bezwaren van haren overtocht. In 1871 trokken de pagazis van Stanley de Mgonda-Mkali door al zingende en kreten van vreugde slakend, op deze vlakte, welke hunne voorgangers gevloekt hadden. Zij vonden er den overvloed, en hun aanvoerder kon schrijven, dat deze provincie in vruchtbaarheid niets toegaf aan de valleien der kuststreek. Daarvoor was het voldoende geweest, dat een vreedzaam en arbeidlievend ras zich vestigde in deze verzengde velden.

Op zijne beurt heeft Cameron in 1872 gezegd, dat, alhoewel er nog eenige lastige gedeelten zijn, de verandering volledig is, en dat de brandende woestijn, eertijds door de karavanen gevreesd, zonder schrik wordt aangevat en zonder veel moeite doorschreden.

Welke aanmoediging in die feiten voor hen, die volharden! Geen ondankbare grond en een vroege oogst. Eere dus aan de werkers, aan hen, welke blijdschap verwekken, waar droefheid heerschte, den overvloed in de plaats van den hongersnood, en die, de aarde genezende van hare kwalen--de woestijn is eene melaatschheid--hare krachten in evenwicht brengen en rustige dagen voorbereiden, gunstige jaargetijden en zekere oogsten.

Ongelukkiglijk heeft de oorlog, door Mirambo, den vermaarden negerkoning van Oenyamoeësi, gedurende vijf jaar tegen de Araben gevoerd, in de Mgonda-Mkali de dorheid en verlatenheid teruggebracht, en, in stede van de rijkdommen, waar Stanley en Cameron van spreken, ontmoette Cambier niet anders meer dan puinhoopen.

De overtocht van de Mgonda-Mkali vroeg hem twaalf dagen (van 16 tot 28 September), binnen welken tijd de expeditie van den morgen tot den avond doorstapte, soms een gedeelte van den nacht zelfs, wanneer de maan den weg verlichtte.

VIII

MIRAMBO, DE ZWARTE BONAPART

Den 18den September kwam de expeditie te Ouyoui, eerste stad toehoorende aan Mirambo. Hare aankomst werd er begroet door luide vreugdekreten vanwege de inwoners.

Cambier ontving er het bezoek der vrouwen, welke beurtelings dansen kwamen uitvoeren vóor zijne deur en den lof bezingen van den vreemdeling. Dit gebruik is algemeen in al de dorpen van Oenyamoeësi, en het is de gewoonte, te dezer gelegenheid eene uitdeeling van parels te doen.

Den 23sten liet Cambier, volgens de regels der plaatselijke beschaving, twee zijner mannen Mirambo van zijne aankomst verwittigen, en den tweeden volgenden dag, toen hij omtrent den middag de verblijfplaats van den Moeami (titel des sultans) naderde, zag hij Mirambo op een honderdtal passen van zijn tembe (woning) hem te gemoet komen.

De sultan van Oenyamoeësi is een man van ongeveer vijftig jaar, rijzig van gestalte, niet diklijvig, met een schrander uiterlijk. Hij laat niet gemakkelijk zijne indrukken waarnemen en vestigt nooit zijnen blik op zijnen medespreker.

Het kan niet geloochend worden, dat zijn verstand de middelmaat van dat der negers overtreft. Hij bezit vooral eene zeldzame hoedanigheid, die hem eene onbetwistbare meerderheid geeft over zijne onderdanen en mededingers: het is van eene beslissing te kunnen nemen en vervolgens met snelheid te handelen, vaak zelfs buiten wete van hen, die hij voor de uitvoering zijner plannen gebruikt. Die vlugheid van besluit verzekert hem in zijne oorlogen tegen zijne buren het voordeel van zich altoos op het onverwachts te vertoonen.

Uit vrees hem elk oogenblik aan het hoofd zijner benden te zien aanrukken, verkiezen de sultans der ommelanden de erkenning zijner opperheerschappij en betalen hem schatting. Het is aldus, dat hij zich sedert lang den bijnaam heeft kunnen toeëigenen van «Mirambo», welke beteekent: «degene, vóor wiens voeten men geschenken nederlegt.»

Eenvoudig inlandsch opperhoofdje van het district van den Oehioea, heeft hij zich aldus door zijnen moed en zijne woelige krachtdadigheid eenen naam verworven, even bekend als die van Mtesa, den machtigen koning van Oeganda, eenen naam, dagelijks uitgesproken van Nyangoué tot Zanzibar, en die tot onderwerp dient voor de zangen der inlandsche barden.

Mirambo en Cambier, elkander naderend, wisselden eenen salam (goedendag) en een handdruk; daarna begaven zij zich naar de hut, welke het zwarte opperhoofd voor zijn blanken gast had doen gereedmaken. De Moeami deed den reiziger ondervragen door een Arabischen tolk over het doel zijner reis, luisterde aandachtig naar zijne antwoorden en wilde weten, of hij van dezelfde nationaliteit was als de Engelschen. Hij stond hem al de dragers toe, welke hij verlangde, maar vroeg vooreerst de uitwisseling van bloed.

Dit is eene plechtigheid, welke hoog aangeschreven staat in centraal Afrika. Zij greep plaats den volgenden dag in de woning van den sultan.

Een der soldaten van Moeami maakte eene lichte insnede in de borst van den kapitein, terwijl een der Zanzibariten van dezen dezelfde bewerking deed bij Mirambo.

De enkele druppels bloed werden opgevangen op twee versche bladeren en onder een weinig boter gekneed. «Indien het eenen uwer gebeurt, zegde daarop een der helpers, te kort te komen aan de heilige broederlijkheid, dan zal hij verscheurd worden door leeuwen, vergiftigd door de slang, zijn voedsel zal bitter zijn, zijne vrienden zullen hem verlaten, zijn geweer zal stukspringen in zijne hand; kortom, alwat slecht is zal hem vervolgen totterdood!»

Waarna de twee opperhoofden elkander wederzijds de gewijde bladeren boven het hoofd verscheurden. Zij waren broeders en elke daad van vijandschap tusschen hen moest noodlottig voor gevolg hebben den dood van den meineedige. Zóó wil het volksgeloof dit.

Stanley, die insgelijks de broeder van Mirambo is, is teruggekomen op het eerste oordeel, hetwelk hij over hem had uitgebracht. De sultan, dien hij in 1871 bevochten had als bondgenoot der Araben van Tabora, nam hem bepaald voor zich in in 1875, toen hij hem ontmoette in Oerambo.

«Hij heeft, zegt hij, elk denkbeeld omgeworpen, dat ik had opgevat over den gevreesden man, dien ik brandmerkte als bandiet». Wat er van zij, heden nog weet men niet zeker, of Mirambo een te wenschen bondgenoot is of een te vreezen tegenstrever. In alle geval, de nabuurschap der Europeesche standplaatsen kan niet anders dan een heilzamen invloed uitoefenen op den machtigen potentaat van Oenyamoeësi.

De tegenwoordige hoofdstad van den Moeami ligt ten noordwesten van Tabora. Het is een groot vierkant van tweehonderd meters zijde, met dikke muren omgeven, waarlangs een honderdtal hutten geschaard zijn, bewoond door de voornamen. Die stad werd door haren stichter «Thierra-Magazy» geheeten. De Engelsche missionarissen, die er zich pas nedergezet hebben, noemen haar ook in hunne brieven «koei-koeroe», wat «hoofdstad» beteekent.

Zij telt eene bevolking van eenige duizenden inwoners, verspreid over verscheidene groote dorpen, gelegen in de omstreken. Het leger, dat het groot opperhoofd er in oorlogstijd kan bijeenbrengen, bereikt ongeveer 3000 man, naar men zegt. Al de sultans van Oenyamoeësi leveren hem een contingent, en degenen, die niet willen of niet kunnen deelnemen aan den veldtocht, zenden hem, bij zijnen terugkeer, eene schatting in ivoor of slaven.

Cambier bracht drie maanden in de hoofdstad van Mirambo door met dragers te huren en de hoofdmacht der expeditie af te wachten. Koorts en roodeloop, die hem gespaard hadden onder de reis, tastten hem herhaaldelijk aan tijdens zijn verblijf te Thierra-Magazy. Niettemin schokte geene enkele dezer ongesteldheden ernstig zijne gezondheid, en de genezing volgde immer snel en volledig.

Terwijl de aanvoerder van de expeditie bij Mirambo uitrust, keeren wij op onze stappen terug, naar Mpoeapoea, waar wij de heeren Dutrieux en Wautier met de bagage en het materiëel gelaten hebben.

IX

DE DOOD VAN WAUTIER

Dank aan de krachtdadigheid van M. Greffulbe, agent van het huis Roux, de Fraissinet en Cie te Zanzibar, dank ook aan de vriendelijke tusschenkomst van den E. V. Stefanus, opperste van het Fransche huis van Bagamayo, hadden nieuwe dragers, in voldoende getal, de karavaan versterkt te Mpoeapoea, en den 15den October begaf deze zich weder op marsch, onder het bevel van den luitenant Wautier.