Van Batavia naar Atjeh, dwars door Sumatra De Aarde en haar Volken, 1904

Part 4

Chapter 43,806 wordsPublic domain

Wij zijn den 21 sten April uit Padang vertrokken en kwamen op den middag te Fort de Kock. Dat is de hoofdstad van de Bovenlanden, en het grootste gedeelte van de troepen is er in garnizoen. De stad is midden in een kom gebouwd, een laagte, eertijds door een meer gevuld; in 't Westen, Zuiden en Noorden sluiten hooge bergen den horizon af. Naar het Oosten daarentegen scheidt een lichte golving in het terrein het bekken van de Masang van dat der Sinamar en der vlakte van Pajacombo.

De vruchtbare grond bestaat uit betrekkelijk jongen, zachten zandsteen, waar de beken diepe gleuven in uithollen, en vooral naar het Noorden ziet men overal groote kloven met steile wanden. In 't begin van de vorige eeuw bedekten nog dichte wouden de bergen en de zijden van de dalen, en dit land was meer dan eenig ander gunstig gelegen voor den wreeden guerilla-oorlog met zijn hinderlagen en zijn verraad, die hier zoo langen tijd heeft gewoed.

De bewoners der Bovenlanden zijn Maleiers. In verren legendarischen tijd kwamen zij over de straat van Malakka, voeren de rivieren op en stichtten over het geheele eiland een oneindige menigte koninkrijkjes, die door de moeilijkheden van het terrein en de bezwaren van 't verkeer ieder op zichzelf bleven staan. Hier heerschten langen tijd de vorsten van Menangkabau. Hun bestuur was nooit dat van een geweldenaar en de oude staatsinrichting is nog niet verdwenen. De inboorlingen vormen verschillende stammen, ieder met zijn eigen hoofd, wien een raad ter zijde staat. De stammen sluiten zich aaneen tot een gemeenschap, en die kleine confederaties worden aangeduid met het aantal der dorpen, die ertoe behooren. Zoo heeft men de 50 Kota's, de 12 Kota's, de 5 Kota's. Die kleine staten worden bestuurd òf door een radjah òf door een Raad, waarin de invloedrijke hoofden der verschillende stammen zitting hebben. Elke stam beheert nauwgezet zijn eigen rijkdommen en tracht die te behouden. Deze Maleiers leven onder het stelsel van het matriarchaat, en geen man mag een vrouw nemen van buiten het gebied zijner Kota; de kinderen behooren aan de moeder en moeten hare goederen erven. Als een man zijn dorp verlaat, behooren zijn bezittingen aan de kinderen zijner zuster.

De Islam is de eenige godsdienst; maar de Maleiers zijn geen dwepers. De godsdienstoorlogen hebben intusschen 't land niet gespaard. In 1803 gaven drie uit Mekka teruggekeerde hadji's voor, dat zij op Sumatra de heilige leer in haar oorspronkelijke zuiverheid moesten herstellen. Spoedig verzamelden zij om zich de geloovigen, die zij door woorden en beloften voor zich wisten te winnen. Zij droegen witte kleederen, zooals vroeger de portugeesche zendelingen van Malakka droegen, en het volk gaf hun den naam van Padri's of Orang poetih, d.i. witte menschen. Binnen weinige jaren hadden ze een leger van aanhangers gevormd, en een hunner hoofden begon als Mohammed met het zwaard het geloof uit te breiden. De vorsten van Menangkabau werden vermoord; Bondjol werd de heilige stad, en de zegevierende Padri's waren meester van de geheele Bovenlanden. In 1820 kwamen eenige maleische hoofden te Padang de bescherming der nederlandsche troepen tegen de Padri's vragen, en toen begon een bloedige strijd, die bijna dertig jaren heeft geduurd.

Gedurende die periode bepaalden zich de vijandelijkheden tot een vrij beperkt gebied rondom Padang-Pandjang, Fort van der Capellen, Fort de Kock, Bondjol en Rau. 't Zou moeilijk zijn, de geschiedenis van dien tijd te boek te stellen. Er viel niet een leger te overwinnen, maar een geheel volk; soldaten kwamen als uit den grond op. De dorpen waren vestingen met hooge verschansingen en ondoordringbare heiningen van doornstruiken en toegespitste bamboeversperringen. Tusschen de verschillende dorpen vond men dikwijls lange reeksen van afsluitingen; op bepaalde afstanden waren palissadeeringen aangebracht en scherpe randjoes staken overal uit den grond op.

Diepe kuilen lagen veelal vóór zulke versperringen en deden zich plotseling voor in verschillende hoeken van het gevechtsterrein. Achter heiningen scholen de Padri's en richtten van daar door lange bamboekokers hun geweren op de vijanden. Het gansche vernuftige verdedigingssysteem, dat de zeeroovers uit Indo-China tegen ons, Franschen, hebben gebruikt, was misschien een erfdeel van hun annamitische voorouders, dat dezen ontleend hadden aan de maleische overweldigers uit de achtste eeuw.

De tallooze episoden uit den Padri-oorlog gelijken zeer veel op elkander, 't Zijn altijd vermoeiende marschen en verkenningstochten, een plotselinge aanval uit een hinderlaag, bestormingen van stellingen, die met de artillerie van dien tijd niet te nemen waren en die men in een bloedig gevecht van man tegen man moest vermeesteren. De overwonnen vijand vluchtte, verscheen weer en bleek onvermoeibaar. Dan weer volgde een periode van rust, die op vrede scheen te zullen uitloopen, en de Maleiers keerden tot hun rijstvelden terug.

Intusschen deden geheimzinnige woorden en spreuken de ronde; er werden verraderlijke plannen gemaakt, en opnieuw weerklonk de oproep tot den oorlog. In een oogwenk stond alles weer in vuur en vlam.

Op het eind van 1832 scheen alles afgeloopen. De in het dal van Bondjol gevestigde posten en die bij Rau schenen voldoende te zijn om de verdragen te doen eerbiedigen, zooals ze met de maleische vorsten gesloten waren. Eenige maanden gaan voorbij, en plotseling verspreidt zich het gerucht, dat eenige soldaten, die uit Bondjol waren vertrokken, verdwenen waren.

De gouverneur der Bovenlanden begeeft zich naar Pisang, 20 K.M. ten noorden van Fort-de-Kock, om een onderzoek in te stellen. Bij zijn nadering nemen de bewoners de vlucht. In den nacht zien de soldaten aan alle zijden op de hoogten vuren ontsteken; het zijn signalen, die van 't eene punt naar het andere worden overgebracht. Des morgens ging een vreeselijke tijding rond; de post van Bondjol en die van Loeboe Sikaping zijn verwoest en de beide garnizoenen vermoord. Rondom de kleine colonne rijzen plotseling ontelbare vijanden op, en de kolonel moest stap voor stap van Pisang tot Agam een gedenkwaardigen terugtocht doen uitvoeren, waarbij van de 110 man 71 op het terrein bleven.

De kommandant van het fort Amerongen, kapitein Engelbert, naar Priaman geroepen, had zonder argwaan zich op weg begeven. In de dorpen vroeg hij levensmiddelen en dragers. De onbewegelijke gezichten van de bewoners gaven in 't geheel geen vijandige gezindheid te kennen. In één dorp weigerden echter de notabelen koelies te leveren; zij gaven Engelbert den raad, naar Loeboe Sikapin te gaan, waar hij ze zeker wel zou kunnen krijgen. Hij haast zich erheen; de post ligt in puin, en de grond is overdekt met verminkte lijken. Engelbert verliest den moed niet. Hij wijkt in de bergen, en acht dagen lang dwaalt hij er met weinige soldaten door de bosschen rond. Dicht bij een dorp wordt hij opgemerkt door een vrouw, die de Padri's waarschuwt. Een wolk van vijanden gaat op de Europeanenjacht; een woeste bende omringt hem en één voor één vallen verscheiden inlanders. Als door een wonder werd Engelbert niet gewond; de Padri's deinzen terug, stom van verbazing, hem onkwetsbaar achtend. Zonder dichtbij te durven komen, werpen zij hem uit de verte met steenen en assegaaien, en toen hij eindelijk gewond ineenzinkt, treedt een der hoofden naar voren en doodt hem.

Binnen enkele dagen had de opstand zich over de geheele Bovenlanden uitgebreid; er verliepen meer dan tien jaren, vóór hij voor goed gedempt was. Rondom Fort-de-Kock en in het geheele district van Agam ontmoet men bij elke schrede herinneringen aan vroeger bedreven heldendaden. Bij Padang-Pandjang roept u een monument den heldendood te binnen van de verdedigers van Goengoer Malintang. Het garnizoen van dien post bestond uit een vijftigtal soldaten onder bevel van luitenant Banzer. Het was in het begin van 1833, toen op een morgen bij het aanbreken van den dag een menigte Padri's, die zich in den nacht verzameld hadden, den post vermeesterden, vóór zelfs nog hunne nadering bemerkt was. Ondanks de verwarring bij zulk een onverwachten overval, was de kleine colonne zoo gelukkig, binnen de vesting zich te verschansen. Alle andere bouwwerken werden in brand gestoken, en de vlammen beletten de Maleiers onmiddellijk tot den aanval over te gaan en dus een beslissing uit te lokken.

Maar de Hollanders waren er slecht aan toe; zij hadden patronen, doch geen levensmiddelen en geen water. Een inlandsch soldaat wilde zich opofferen, door een telegram naar Fort-de-Kock te brengen. Nauwelijks buiten de verschansing, werd hij ontdekt door de opstandelingen; men herkende eenige dagen later zijn verminkt lijk.

Vier dagen lang hield de bezetting tegen alle aanvallen stand. Op den avond van den vijfden dag besloot de commandant, den post op te geven en zich een doortocht te banen. Er waren slechts 33 man meer over, bijna allen gewond, hongerig en, wat den toestand zeer verergerde, vier-en-veertig vrouwen en kinderen waren met de verdedigers van den post opgesloten. Toen de avond gekomen was, verlieten allen hun schuilplaats en waagden zich in de duisternis. Twee dagen later nam een sterke colonne, die hun te hulp gezonden was, de overlevenden in haar armen op, één officier, zeven of acht man en eenige kinderen; de overigen waren in handen gevallen van de Padri's of waren door tijgers verscheurd. Drie gewonden, te ernstig gekwetst, om hun kameraden te volgen, waren op den post gebleven. Zij heetten Schelling, Marten en Sosmito. Op het oogenblik, toen de zegevierende opstandelingen de vesting binnen gingen, staken de drie helden den brand in het kruit en werden met hun vijanden begraven onder de ruïnen van het fort.

Sedert lang is er een eind gekomen aan dien ruwen oorlog. De Hollanders hebben den overwonnenen geen te zware voorwaarden gesteld. De Maleiers hebben hun instellingen behouden, alsook hun hoofden en hun grond. Ze zijn vrije mannen; dat verkondigen zij luide, en zij spreken Javaansch, maar met minachting in hun stem. De verdragen leggen hun geen andere verplichting op, dan het onderhoud der wegen en het planten van koffie. Zij onderwerpen zich daar gracelijk aan en weten er partij van te trekken.

Het zijn bekwame landbouwers en slimme kooplieden, zóó zelfs, dat de Chineezen niet wagen, met hen in concurrentie te treden. Op marktdagen ziet men lange rijen inboorlingen zich langs de wegen voortspoeden. De mannen hebben een fiere, opgerichte houding en zij slaan den blik niet neer; er spreekt in 't minst geen nederigheid uit hun wezen, als zij een Europeaan ontmoeten. Enkelen hebben een vogelkooitje in de hand met een doek erover, waaraan zijden eikels hangen. Daarin hebben ze hun kati-tiran, den gelukaanbrengenden vogel van de grootte eener duif, den beschermgeest, in bijna elke woning te vinden. Hij doet de ondernemingen slagen, behoedt de gezinnen voor ziekten en den oogst voor droogte. Zijn deugdelijkheid duurt intusschen niet eeuwig. Na vier jaren verliest hij al zijn macht, en vóór dien fatalen termijn geeft zijn meester hem den dood en beweent hem. Het stoffelijk overschot wordt gebalsemd en in het dak van de woning vastgemaakt boven den huiselijken haard dien hij beschermde, en men haast zich op den volgenden passerdag een anderen goeden genius te koopen.

Die marktdagen zijn altijd in maleische landen dagen van drukte. Er komt dan een woelige, dichte menigte samen. De karren, met buffels of ossen bespannen, blijven op den weg of aan de rivier staan. Onder de groote, veelkleurige parasols zijn schitterende vruchten uitgestald, dan aardewerk, katoenen stoffen, koek en sieraden. Die reuzenvrucht, welker leelijke geur onder de boomen blijft hangen, is de doerian; onder de ruwe, geheel met puntige stekels bezette schil ligt het witte, roomige vruchtvleesch; er behoort moed toe, om ervan te proeven. Een allerdwaaste gril schijnt het van de natuur, dat uitgezocht lekkere, sappige vruchtvleesch te hebben voorzien van dien verschrikkelijken geur. Stoutmoedige lekkerbekken vinden al bij de eerste poging om te proeven, voldoende belooning; ik heb het zoo ver niet kunnen brengen.

Daarnaast liggen manggostans. In den bruinrooden schotel ligt iets, wat op een stuk sneeuw lijkt, en in den mond smelt en vervliegt het fijne, ijskoude goedje, om er een eigenaardigen, geurigen smaak achter te laten. En dan zijn er de zware trossen bananen, de pompelmoezen met de breede sneden, waaruit roze zaden te voorschijn komen, de gebroken kokosnoten, waarin het parelmoer van den inhoud blinkt en de vuurroode spaansche pepers, als stukken glanzig koraal. Onder een boom kijken gehurkte mannen naar kati-tirans, welker groote macht door den koopman luide wordt geprezen. Vrouwen verkoopen vreemde dranken en stukken kleverige waar, die zwart of rood gekleurd is; zij schenken koffie van afgetrokken koffiebladeren, die aan bamboe zijn geregen en waarvan de stukken overal op den grond verspreid liggen. Pakjes lichtbruine tabak, in banaan- of pisangbladeren gewikkeld, worden verkocht en kinderen knippen smalle, dunne reepjes, waarin de rookers hun sigaretten rollen. Op de wegen krioelt het van Maleiers, en velen ziet men met groote apen aan een touw, die gehoorzaam in de hooge kokospalmen klimmen, om de rijpe noten te plukken.

Langzaam bewegen zich de vrouwen door de volte. Zij dragen de lange kabaai en den sarong, met goudgalon afgezet. Op het hoofd hebben ze een grooten tulband of hoofddoek, die opzij breed uitslaat als twee vleugels; de beide einden hangen van achteren neer; een sjerp is op den rechterschouder vastgemaakt en om de borst geslagen, en allen dragen lasten op het opgeheven hoofd. Ze loopen vlug langs de buitenwegen, met hun zware sieraden om de armen en op de borst, dunne, maar talrijke gouden ringen, diademen, oorringen in den vorm van schijven, colliers van bonte kralen, opengewerkte ceintuurs en mooie, vlakke gouden sieraden. Sumatra is het land der kundige goudsmeden, waar Victor Hugo de lamp van Zim Zizim liet versieren. Bij Fort-de-Kock, op de eerste hellingen van den Singgalang, ciseleeren de bewoners van het dorp Kota Gedang geduldig allerlei sieraden; zij maken ook wondermooie stoffen, waarop met filigraanwerk borduursels zijn aangebracht, en hun subtiele kunst vervult de aardige meisjes van dit mooie land met bewondering en begeerte naar 't bezit.

Fort-de-Kock ligt op 930 M. hoogte en heeft een zeer aangename temperatuur. Toch is de gezondheidstoestand er ver van volmaakt; koortsaanvallen komen veelvuldig voor. De nederlandsche dokters schrijven die toe aan de tallooze muskieten, die rondvliegen boven de plassen der rijstvelden, rondom de stad een reusachtig, kunstmatig moeras vormend. Uit dat oogpunt is Padang-Pandjang, ofschoon veel lager gelegen, veel meer begunstigd. De steilte van de hellingen bevordert er den afloop van het water, en dank zij den overvloedigen en geregeld vallenden regen heeft men er geen groote afwisseling van temperatuur. Ondanks de muggen hebben echter de Europeanen van Fort-de-Kock de gebruinde tint en den veerkrachtigen gang, die op een krachtige gezondheid wijzen.

Het zijn meest menschen met verlof, en er gaan en komen ook veel officieren uit Atjeh. Er is een nog al talrijk garnizoen, en de troepen hebben het er geriefelijk en eenvoudig, met het comfort en de zorg voor een doelmatige leefwijze, die ik reeds op Java heb waargenomen. De kazernen zijn kleine, lage gebouwen, die niets gemeen hebben met de reuzentabernakels, door ons met groote kosten in Saïgon, Hanoï, Dakar en Saint-Louis opgericht. Men is in onze koloniën nog onder den invloed van oude ideeën, die vroeger bij tropische hygiëne den toon aangaven. Men meende toen, dat de moeraskoorts te wijten was aan kiemen, die uit den grond kwamen, en dat men dus de benedenverdiepingen altijd moest bestemmen voor winkels, magazijnen of kantoren, om op de bovenverdiepingen te slapen en te wonen. Tegenwoordig is men het er over eens, dat het overbrengen van de moeraskoortskiemen plaats heeft door een soort van mug, en dat het er weinig toe doet, of men één of vijf meter boven den grond slaapt; men kan in beide gevallen malaria krijgen. Die waarheid schijnt door hollandsche dokters en ingenieurs reeds lang te zijn geraden. Men kan zoowel op Java als op Sumatra de huizen met meer dan één verdieping tellen, en, wat merkwaardig is, juist in de oude wijken van het oude Batavia, die als zeer ongezond te boek staan, en in de thans verlaten straatjes van Samarang en van Soerabaya vindt men nog hooge huizen.

Hier vindt ieder, dat er niets zoo afkeurenswaardig is als zich op te hoopen in de nauwe ruimte van een gemetseld gebouw. Ieder wil vóór alle dingen een eigen huis hebben met lucht en ruimte en een tuin, waarin men kan gaan wandelen, zonder dertig trappen af te gaan en lastige medehuurders te ontmoeten.

De grond kost hier haast niets, en er is geen reden, om alles in de hoogte te bouwen, zooals in de europeesche steden. In Nederlandsch-Indië beslaan de kazernen altijd een groote oppervlakte; zij liggen niet binnen in de steden, zooals te Saïgon of te Hanoï, maar buiten. De zeer talrijke gebouwen zijn gewoonlijk opgericht langs een zacht hellend terrein, dat goed gedraineerd is en doorsneden wordt door diepe geulen van cement, waar steeds overvloedig water door vloeit. Er zijn groote bloemperken, boomgroepen en overvloed van frissche lucht, en achter ieder paviljoen heeft men een voldoend aantal badkamertjes. Die hokjes, waar bij ons zoo weinig werk van wordt gemaakt, worden hier en in de engelsche koloniën als zaken van groote beteekenis beschouwd. Er is geen huis of huisje, hoe klein ook, of het heeft het kamertje, met witgekalkte muren, waar men een gemetselden bak met helder water vindt en een emmertje of schep, om zich een overvloedige douche te geven.

Buiten de kazernen heeft men de societeit of liever de societeiten, die van de onderofficieren en die der soldaten. De officieren zelf gaan naar de Club, de Harmonie, waar ook de civiele ambtenaren der plaats lid van zijn; maar de soldaten hebben ook hun eigen kring. Ze hebben hun lees- en speelzalen en restauraties; hun velden voor balspel en lawntennis en ze hebben nog veel meer, dat onzen soldaten wordt onthouden, en waaruit het zich misschien laat verklaren, dat de gezondheidstoestand in Nederlandsch-Indië beter is dan in Indo-China, en dat de europeesche soldaten er gaarne zes jaar blijven, terwijl in Cochinchina men onze troepen maar met moeite tot een tweejarig verblijf kan dwingen.

's Avonds komt men overal knappe militairen tegen in bruine uniformen, met een aardig javaansch meisje aan de hand of om het middel gevat, zij met een schitterenden, bonten hoofddoek en pronkend met haar lichtgekleurde parasol. In de kazerne gaan de vrouwen vrij uit en in naar hunne "mannen", en er is een aparte keuken voor haar, waar ieder van haar eigenhandig den maaltijd voor haar heer en meester bereidt. De slaapruimten zijn in tweeën gescheiden, die voor de vrijgezellen en die voor de gezinnen. De officieren, die mij rondleidden, prezen hoog die vrijheid, die zij aan hun soldaten toestonden en die zij onmisbaar achtten, om het heimwee te keeren en al die andere treurige dingen, en ik geloof dat zij gelijk hebben.

Niet dat ik juist zulk een systeem zou wenschen toegepast te zien in onze koloniën. Men moet rekening houden met karakter en temperament. De Hollanders stellen zich hier tevreden met een zeer rustig en eentonig leven. Ik heb te Magelang een groot aantal officieren ontmoet, die er nooit aan hadden gedacht, op eenige kilometers afstands de ruïnen van Boroboedoer te gaan bekijken. Ook te Fort-de-Kock, te Batavia en elders gaat men weinig uit. Toch zijn de omstreken prachtig. Wij zijn er op gesteld geweest, het Manindjoemeer en den krater van den Merapi te bezoeken.

We vertrokken te paard, den 22sten April in de vroegte. Bij 't verlaten der stad daalden wij eerst af in een diepe kloof, waardoor een zijtak van de Masang vloeit, de Si Anoq. De rivier kronkelt in de diepte van een 2 à 300 M. breed dal, door witte wanden omsloten, die loodrecht 100 M. hoog oprijzen. Dit dal heet het Karbouwengat. Wij waden door den stroom naar de overzij en volgen den oever tot de samenvloeiing met een ander riviertje, dat op dezelfde manier wordt overgestoken. In den morgennevel maken die lichtgekleurde rotsen met hun scherpe kammen en als gebeeldhouwde vormen een diepen indruk. Elk waterstraaltje heeft in den zachten zandsteen een diepe gleuf gegroefd, waar allerlei planten in groeien. Hier en daar staan afzonderlijke blokken, met boomen gekroond.

Boven van het plateau overzien we de grillige kloof, een nauwe, bochtige engte, zooals er hier zoovele zijn. Zij vormen voorgebergten en eilandjes met groene hoogvlakten, waar buffels loopen te grazen. Wij dalen weldra af in het dal der Masang. Bamboes en struikgewas wijst nog de plek aan, waar vroeger zware versterkingen aangebracht waren, nu door de vele regens met den grond gelijk gemaakt.

Er is bij het dorp Matoea een pasangrahan, waar we onze bagage achterlaten, en waar wij zullen logeeren. De inlandsche mantri of opzichter wachtte er ons; hij heeft versche paarden voor ons gehuurd en na eenige minuten rust zetten we den tocht voort. Het land is bekoorlijk. Rechts en links van den weg stijgt de grond geleidelijk, en er doen zich afgeronde heuvels voor, op hun top met bosch bedekt. Beneden liggen kampongs met huizenrijen langs de rijstvelden, en overal zien we lichte daken met opgewipte randen, die zoo aanstonds schijnen te zullen wegvliegen. Achter den onregelmatigen bergkam, die den horizon dicht bij ons afsluit, stijgen dampen op en verspreiden zich naar alle kanten. Wij gaan steeds hooger; 't is of het doel voor ons terugwijkt, en plotseling zinkt dan de grond als onder onze voeten weg, we zien het Manindjoemeer.

De cirkel, waarin rustig het meer ligt, is een oude krater van reusachtige afmetingen. Het meer zelf is 16 KM. lang en 8 KM. breed. De wal er omheen, door het water afgebrokkeld, rijst 11 à 1200 M. hoog boven de oevers van het meer. De bres, waar de weg doorheen gaat en waarlangs wij zullen dalen, is een der laagste punten en toch baadt het dorp Manindjoe in het heldere water zijn laatste huizen 700 M. boven ons. De hellingen zijn aan den kant van het meer verbazend steil, met diepe kloven er in, en de weg slingert zich om bergen heen, waar op verschillende hoogten rijstvelden gelegen zijn, met tuinen er omheen.

Ongelukkig is de lucht donker en dreigend. Over het meer ligt een dikke nevelsluier. Men ziet in 't Zuiden slechts een zwarten muur, oprijzend boven nog zwarter water, waar vaalwitte dampen over slieren. Nu en dan verlichten bliksemstralen de wanden van de kloof, en men stelt zich het schrikwekkend tooneel voor, dat deze omgeving zou vertoonen, wanneer eens gloeiende lavastroomen er hun dreigende golven door mochten storten. Naar het Noorden verlicht een bleeke lichtstraal gouden rijstvelden, palmbosschen, daken van wit plaatijzer en het woud, dat al dichter wordt en zich tot in onze nabijheid voortzet. Wij dalen snel langs zeer steile, afkortende paden, waar trots den glibberigen grond de paarden snel voortgaan; ze zijn behendig en vlug als geiten. Er is geen wind; men ziet nauwelijks enkele rimpeltjes op de oppervlakte van het water, waarboven rook hangt; dan plotseling beginnen enkele druppels te vallen. Wij zijn in het bosch in een smalle kloof, waar de bladeren ons in 't voorbijgaan in het aangezicht slaan. Op eens stort de zware regen neer, een diluviaansche stortvloed, en wij komen druipend van het water te Manindjoe aan.