Van Batavia naar Atjeh, dwars door Sumatra De Aarde en haar Volken, 1904

Part 3

Chapter 34,021 wordsPublic domain

Aan al die dingen denk ik vóór de wallen van 't fort Marlborough, waar nederlandsche soldaten mij wantrouwig aanzien. Op het strand zijn chineesche koelies bezig, waren te lossen. De zee is laag; de sloepen zitten op eenigen afstand van den wal vast, en de arbeiders, tot het middel in het water, nemen bij het werk een gedwongen bad. Maleiers zien, in gehurkte houding, onverschillig naar de gele heeren, die het zich druk maken en voorzichtig de zware kisten sjouwen. Zij zijn vrije mannen, en zoo'n slavenbestaan schijnt hun verachtelijk. Op den oever dringt een dichte menigte samen. Een jonge, te Padang wonende Chinees heeft zich van hier een vrouw gehaald, en de bruiloftstoet doet hun uitgeleide. De vrouwen dragen een kleeding, half chineesch en half maleisch, met een overvloed van groote sieraden, en de mannen pronken in alpacajasjes en vilthoeden. Uiterst voorzichtig neemt het paartje plaats in onze sloep en parasols en zakdoeken worden ten afscheid gewuifd. De jonge vrouw, met haar gepoederd gezichtje, lange fijne wimpers en geverfde lippen, neemt met een gedwongen glimlachje de goede wenschen in ontvangst.

Tot Padang gaat de Speelman vrij dicht langs de kust. Prachtige bergen rijzen kloek omhoog, en hoe dichter wij bij Padang komen, des te smaller wordt het strand, waar boschjes groen de dorpen aanwijzen. De hooge Barisanketen is als een wal, die uit zee zich verheft. Zij zendt naar het strand steile uitloopers, roode rotsen, met groen bekleed en plotseling afdalend in de golven. Hier en daar treedt de berg achteruit en laat een blauwe, bochtige baai vrij, en men ziet het estuarium met de zandige landtong en de stille lagune; reeksen palmen wuiven in den wind, en de soepele bladeren glinsteren in de zon. Mooi wisselen de tinten in het landschap van het blauw der zee tot dat des hemels.

Eerst komen bamboeboschjes en kokospalmen, dan groote boomen met hun donker loof en de groote brokken geheimzinnige schaduw; het gordijn, door 't bosch gevormd, waarachter een zware violette tint zich uitbreidt. Het land lijkt wonderschoon, en de ongeloofelijke groeikracht der natuur trekt den Europeaan bijzonder sterk. De natuur, die ons zulke tooneelen te zien geeft, oefent een onweerstaanbare bekoring uit. Ik kan mij voorstellen, dat in zulk een land 't bestaan van dichter of van wijsgeer in een voortdurenden toestand van contemplatie kan verloopen; dat pantheïsme ten grondslag ligt aan al de godsdiensten en dat men dan als 't eind van alles en als hoogste belooning gaat beschouwen de oplossing in het niet.

Wij zijn niet ontscheept te Padang, maar in Emmahaven, in een ronde baai die wijd naar 't Zuiden open is en naar het Westen door een uitlooper van het gebergte wordt beschut. Op de plaats, waar nu de lange kaden liggen, zag men weinige jaren geleden niets dan een moeras met wortelboomen en pandanuspalmen. Lichte, gele en witte vlekken ziet men op de hellingen; dat zijn de steengroeven, en noordwaarts laat een opening den spoorweg door. Een hoog gebouw van ijzer steekt met scherpe lijnen tegen de lucht af en strekt tot boven de zee een langen arm uit, alsof die bij een reuzenbalans behoorde. Daar gaan de treinen over, getrokken door kleine locomotieven, en door lange kokers van plaatijzer worden dan de schepen er beneden gevuld met steenkool te midden van een dicht, zwart stof.

Enkele minuten sporens hebben ons in Padang gebracht. Is dit een stad? Zeker, en nog wel de belangrijkste van Sumatra, maar hoe verschillend is zij van wat wij gewoon zijn. Evenals Batavia is het een park vol lange lanen. De huizen zijn van hout, staan op palen en worden met riet gedekt. Maar ze zijn geriefelijk en niet al te warm. De lucht blaast er vrij doorheen onder het hooge dak; de zon, door een bladerdak teruggehouden, schijnt niet al te fel op den met dicht gras begroeiden grond. Aan zee ziet men de bloemperken van een engelschen tuin.

De niet zeer diepe rivier van Padang loopt langs de chineesche wijk; de lichte bootjes kunnen er varen, terwijl de wind de bruine zeilen bolt. Zij leggen aan en brengen vruchten, hout en visch. Zij wagen zich op zee ook langs de gevaarlijke kust, terwijl de zwaarbeladen schuiten stroomaf worden geboomd in het riviertje. Een kleine heuvel aan de kust is de Apenberg, waar aan den mond van de rivier veel schepen dansen op de golven.

Den 16den April vertrokken wij naar het binnenland, de Padangsche Bovenlanden. Twee wegen leiden erheen, één recht naar 't Oosten over den Soebangpas en naar 't Singkarameer, en een andere, die eerst langs de kust gaat, dan het dal der Anei volgt en uitkomt te Padang-Pandjang. De spoorweg volgt die tweede route en wij gingen dien op de heenreis.

De trein gaat eerst 40 K.M. lang door een vlak land, waar groote rivieren stroomen, de zee is dichtbij, en men kan haar zien door openingen van het dichte gordijn van boomen. Weldra naderen wij de bergen en rijden langs hooge rotsen van donkere kleur. De dorpen liggen alle dicht aan de rivier, en de vlakke uitgestrektheid der onder water gezette rijstvelden weerkaatst de ronde bergtoppen en het woud, dat zij dragen. Evenals op den dag van onze aankomst worden we verrukt door de weelderigheid van den plantengroei. Er is een eindelooze verscheidenheid van vormen en kleuren.

De slanke, bewegelijke stam en de elegante pluim van den kokospalm wisselen af met sagopalmen, arengpalmen, en het fijne, lichte kantwerk van de bamboeboschjes. Tusschen de groote, satijnzachte bananenbladeren ziet men honderden onbekende boomen met lichte of donkere, doffe en glanzende, groote en kleine bladeren. Daar hecht het bosch zich aan de hellingen met rechte en bochtige stammen, kolossen met uitgespreide bladeren en reuzenwortels, geplant in de weerspannige rots, als wonderlijke krabben grijpend, en lianen, als slingers afhangend en alles omstrikkend.

Aan den voet der rotsen in 't moeras staan waterplanten en in 't bosch overheerschen de varens en mossen, tegen takken en stammen hun bleeke tinten spreidend, terwijl orchideeën leven op de hen voedende schorslaag. Tallooze parasieten ziet men er; iedere plant heeft haar eigen woekerplanten, van welke ieder weer de voedster is van een andere.

Zoo'n dichte plantengroei bezet geheel Sumatra en vormt om 't eiland als een gordel van leven. Daarin snijden de rivieren diepe groeven, 't Verraderlijke water ondermijnt de rotsen, want elke druppel werkt aan die taak, en op den tijd der hevige regens, storten er groote watervallen neer van de hooge plateaux in wolken van schuim, omhoog en weer omhoog springend; zilveren linten hangen langs de hellingen en in de spleten en kloven, verdwijnen hier en komen daar weer te voorschijn. De berg stort bij stukjes en beetjes in; brokken van bosschen hangen scheef op de hellingen, en reuzenboomen vallen om met donderend geweld, terwijl het water vroolijk zich voortspoedt met de overblijfselen, ze opneemt en weer liggen laat, om ze daarna weer op te nemen. En te midden der ruïnen van een bosch gaan de verborgen zaden opnieuw ontkiemen, op den bij uitstek vruchtbaren grond ontstaat een nieuwe boschvegetatie, en 't woud zal alle sporen van de afschuiving bedekken, zooals de rivier weer in het dieper wordend bed zal vloeien tusschen muren van groen.

Zoo heeft zich ook de Anei een weg gebaand, en de spoorweg maakt van zijn dal gebruik. Men komt even voorbij Kajoetanam in de Kloof. De tandradspoorweg knarst tegen de hoogte op, en de locomotief rookt en blaast met luid geraas. Zij bevindt zich achter aan den trein, dien zij vooruit duwt, en van 't balkon van den wagen zien we den kronkelenden weg vóór ons. De lenige rivier slingert en kronkelt van den eenen kant naar den anderen door het smalle dal. Het heldere, schitterende water liefkoost vele steenen en vloeit met zangerige muziek al voort, tot het plotseling bij eenig beletsel, dat in den weg komt, hoog opbruist en zich onderdoor een uitweg baant. Watervallen storten van de rotsen, dertig of veertig meter boven ons hoofd, en de wind zendt ons het fijn verdeelde water als stof toe. De spoorweg gaat eenige malen over den stroom, dan ziet men onder den trein het witte schuim, en bij elke nieuwe bocht verandert het prachtige landschap. Het eerste station binnen de Kloof bestaat uit twee of drie huisjes tusschen palmen en bananen. Een andere halte staat tusschen steile wanden ingesloten als in een put, en men vraagt zich af, hoe men erbinnen is gekomen en hoe men er weer uit zal raken. Dan komen bruggen en een kleine tunnel en altijd het bruisen van den stroom en de wirwar van boomen, die zich buigen over 't water. De zon werpt op de natte bladeren glansen als van metaal en doet de schuimwolken fonkelen.

Hier en daar zijn de sporen te zien der woede van de Anei. Instortingen en resten van bruggen, door den stroom meegesleept en andere bewijzen, dat de stroom 't geduld werk van de menschen in één slag vernielde. Een jaar na de inwijding van de lijn waren de nadeelen, door een plotselinge overstrooming teweeggebracht, zoo ernstig, dat de herstellingen een som van f 600 000 eischten. Ik heb te Padang photografieën gezien, genomen op den morgen na de ramp. Zij zouden elken europeeschen ingenieur van schrik ontzet doen staan. De weg is meegesleurd over honderden meters lengte; de berg is onder de lijn weggegleden tot in de bedding der rivier. Rails en dwarsliggers hangen scheef of overdekken nog leêge ruimten en afgronden, stations in puin en afgebroken bruggen, zoo ziet het er uit. Men is heel spoedig aan het werk der herstelling begonnen, en al is men den stroom niet gansch en al meester geworden, men heeft in zekere mate zich toch weten te beveiligen tegen zijn kuren.

Het rijden door de Kloof gaat langzaam. Van Kajoetanam tot Padang-Pandjang is de afstand slechts 15 K.M.; maar de weg gaat omhoog en stijgt zelfs 640 meter op dat korte traject. Het wordt al gauw koeler, en op open plekken in het bosch zien we dorpen. Wij rijden over de Anei een laatste maal over een hooge brug met bogen; de hellingen worden minder steil; plantages liggen aan de lijn en wij zijn te Padang-Pandjang.

Dat is een stadje, op een smallen bergkam, die juist de waterscheiding is tusschen de beide hellingen van Sumatra. In vogelvlucht zijn we niet meer dan 30 K.M. van de kust en nog op den rand van het plateau. Eigenlijk is die naam plateau of hoogvlakte hier niet juist. De Bovenlanden hebben een onregelmatige oppervlakte, sterk golvend en doorsneden door diepe dalen, waarnaast zich hooge toppen verheffen. Drie mooie bergen heeft men boven Padang-Pandjang, den Tandekat en den Singgalang in het Westen, den Merapi in het Noordoosten. Het klimaat zou hier op dit plekje volmaakt zijn, als het niet zoo verbazend veel regende. De morgens zijn zeer mooi; maar van negen uur af komen nevels op en vereenigen zich alle in de Anei-kloof. Zij kruipen tegen de helling der bergen op en onttrekken langzamerhand alles aan het oog, ook de zee, die men nog even te voren in de verte zag glinsteren. De massa wordt zwaarder, en weldra rust een zware deken op het land, die tegen den middag zich in stroomen van regen oplost. Het duurt niet zoo heel lang; maar de zon vertoont zich niet weer, en in het grijze licht biedt de landstreek met haar afgeronde vormen en 't eentonig groen der weiden en der bosschen een vervelend en eenvormig schouwspel aan. Ik zou bijna vergeten, dat ik mij op Sumatra bevind, als ik niet vóór mij te midden van palmen en bamboes de maleische huizen zag met hun zoo karakteristieke daken.

Die huizen staan op hooge palen; ze zijn gemaakt van hout en bamboes en aan elke punt zijn de randen opgewipt, zooals de voor- en achtersteven van een schip. Ze zijn gekroond met een gebogen dak, dat twee hooge, scherpe punten naar den hemel richt als reuzenhorens. In den voorgevel zijn vensters zonder luiken en vóór de deur is een klein afdak, op licht houtwerk rustend. De muren zijn wit of rood gekalkt en dragen zwarte teekeningen en ruwe ornamenten, versieringen van stukken glas of koper. Aan elke zijde van het hoofdgebouw staan lagere bijgebouwen, symmetrisch tegenover elkander en alle op dezelfde wijze gebouwd, terwijl het lagere dak onder het hoogere wegschuilt als de eene schub onder de andere. In de buurt staan ook nog de rijstschuren, dat zijn kleine vierkante gebouwtjes op palen en met een dak als dat der huizen.

Van Padang-Pandjang af ziet men overal die aardige huizen met hun torens. Wij hebben er ons slechts eenige uren opgehouden en vertrokken weer na het déjeûner. De weg blijft voortdurend stijgen. Zij rijst tot 1154 M., om den pas over te gaan, die den Singgalang en den Merapi scheidt. Rechts van ons daalt de bodem snel, en in de diepte strekt zich het meer van Singkara uit, door nevels omsloten.

Van Kota Baroe af dalen wij weer naar Fort de Kock, dat wij tegen vijf uur bereiken. Het regent en wij kunnen niet anders dan een schuilplaats zoeken in het hôtel. Men is er niet naar wensch gelogeerd. Ook waren nu de prettigste kamers bezet en wij werden ondergebracht in een bijgebouw, dat vergiftigd was door ratten. Den heelen nacht maakten de beesten een helsch spektakel. Wolken muggen gonsden in dit paradijs, dat een ver van liefelijken indruk op mij maakte.

Den volgenden morgen al vroeg zetten wij onzen tocht voort naar Pajacombo. Wij gingen voorloopig maar eens op verkenning uit en wilden later hierheen terugkeeren, om meer in 't bijzonder de détails te bestudeeren van de vragen, die ons interesseeren. Wij gaan eerst over een plateau, dat zich naar het Oosten uitstrekt in zachte hellingen. Het land is bewonderenswaardig goed bebouwd, en de rijstvelden strekken zich uit tot op de zijden van den Merapi. Daarachter verrijst de Singgalang; van boven is de berg met bosch bedekt; maar aan den voet en tot halverhoogte volgen dorpen en plantages elkaâr op. Op een deel van het traject volgde de spoor den gewonen weg; de rails en de tandraderen liepen langs een der zijden, en wij passeerden heele rijen inlanders met ossenkarretjes, op weg naar de markt.

Daarna daalden we in een rechte lijn, 7 K.M. lang, een geleidelijke helling, zonder twijfel in overoude tijden ontstaan bij een geweldige lava-uitstorting. Links en rechts hebben steile kalkbergen en zandsteenrotsen den nu vastgelegden stroom beteugeld. Zwarte brokken steen lagen overal verspreid. Aan den voet dier helling zagen we een smallen doorgang tusschen twee rotsen, en deze brachten ons in de vlakte van Pajacombo.

Wij gingen naar die plaats, om er den assistent-resident te spreken en met zijn hulp een programma samen te stellen voor onze reis. Toen ons bezoek was afgeloopen, hebben wij dadelijk weer den trein genomen en zijn naar Padang-Pandjang teruggekeerd. Op die plaats splitst zich de spoorweg, en een tak gaat naar Solok en van daar naar de kolenmijnen van Sawah-Loento. Die waren het hoofddoel van ons eerste uitstapje. De trein daalt langzaam langs een zeer steile helling; aan de stations wachten kolentreinen, die op hun beurt op den weg worden gebracht en met moeite door zware locomotieven worden gesleept.

Beneden lag het mooie dal der Soempoer, vol dorpen en rijstvelden. Links van ons liep het terrein geregeld omhoog, doorsneden met diepe kloven, en tot zoo ver het oog reikt zien we koffie, aangeplant rondom de woningen. De regen, de hardnekkige regen, is weer begonnen; de wolken kruipen tegen den Merapi op en een dichte sluier overdekt de rijstvelden, omhult en verbergt den top der bergen. Nu rijden wij langs het meer van Singkara. De groote watermassa ligt daar onbewegelijk in een somber en eentonig licht. De regen houdt op; maar de mist wischt alle omtrekken uit, en 't landschap, dat onder een helderen zonneschijn er opgewekt en vroolijk moet uitzien, schijnt ingeslapen, somber en doodsch als een noordelijk landschap in den nevel.

De hoogten rondom het meer laten tusschen hun voet en het meer slechts een smalle ruimte over; krachtige waterstroomen hebben de rotswanden uitgehouwen, en een eindelooze menigte kloven vertakken zich in allerlei richtingen. Wat door het water van de bergen meegevoerd is, hoopt zich op tot reuzenkegels van puin, kegels, die 50 of 60 M. hoog worden en zich langzaam verplaatsen. Bij iedere regenbui komt er een stroom van zand en steenen neer tot op den spoorweg en bedekt dien soms geheel. Een lage brug is over de Ombilienrivier gelegd bij den uitgang van het meer. Het prachtige water is onvergelijkelijk helder, blauw als saffieren en volkomen rein. Zwarte rotsen verheffen zich en bij hun aanraking gaan de golven hoog; de gansche oppervlakte van het meer plooit zich en krijgt metaalglansen met veranderlijken weerschijn. Aan het uiteinde van het meer komen we in een dal met vlakken bodem en gaan dan, ongemerkt weer stijgend, naar Solok.

Oudtijds strekte het meer zich uit tot daar. Het had zijn afvloeiing over de terreinplooi, die even boven het stadje merkbaar is, en het water stroomde weg door de Lassi, voordat nog eenige schok of 't geregelde werk der erosie later de bres had gemaakt of langzaam die had uitgehold, waar nu de Ombilienrivier zich voordoet. Tegenwoordig is de Lassi niet meer dan een helder beekje, kronkelend in een bochtig dal, waar afgeronde heuvels aan de kanten staan, met aanplantingen bezet; die er een gestreept aanzien aan geven.

Dorpen liggen aan de oevers te midden van weelderigen plantengroei, en rijstvelden vormen er reuzentrappen tegen de bergen op. Hoog boven steken kalkbergen 't hoofd omhoog, bedekt met struikgewas. Aan alle kanten springen watervallen, hier en daar zich vereenigend tot kleine meertjes, om dan weer voort te stroomen in een smalle bedding en vervolgens met donderend geraas naar beneden te storten.

Wij hebben te Solok gelogeerd en zijn in den vroegen morgen weer vertrokken. Enkele kilometers ver dalen we langs de Lassi, maar dan gaat de weg weer omhoog, een nauwe kloof opent zich, wordt nauwer, en een tunnel, 800 à 900 M. lang, is door den berg gegraven. Zoo komen wij in het dal van Sawah Loento.

De steenkoollagen breiden zich over een zeer groote oppervlakte uit, en het dal van de Ombilienrivier loopt er in zijn geheele lengte door. Alleen het zuidelijk gedeelte wordt geëxploiteerd. De kool ligt een honderdtal meters boven de bedding der Loento in drie evenwijdige lagen, waarvan de laagste 6 à 8 M. dik is. Er wordt gewerkt in galerijen, en de steenkool, uit de mijn gehaald, wordt eerst op een Decauvillespoor gebracht in wagentjes, door buffels getrokken, tot op een afstand van ongeveer 1500 M., naar de loods, om te worden geschift. Daarna gaat zij rechtstreeks in de waggons, waarin het vervoer naar Emmahaven plaats heeft.

Wij stijgen met moeite langs het smalle, naar de mijn voerende pad. Boven bedekken plassen zwart slijk den grond, en de buffels, die de wagentjes trekken, plassen er met genoegen in rond. Zij staan bij onzen aanblik stil, verschrikt en dom uit hun oogen starend. Hun kop is gebogen en spoedig hervatten zij den langzamen gang, terwijl de breede pooten, zwaar op den grond gezet, het slijkerige water doen opspatten.

Wij hebben een tochtje door de mijn gedaan tusschen de schitterend zwarte wanden. Het was in de gangen verstikkend heet ondanks de ventilatoren, en wij waren blij; toen we het daglicht terugzagen. De mijnwerkers, meest Chineezen en Maleiers, werken stil voort. De meeste Maleiers zijn dwangarbeiders, en het zware werk, waaraan ze niet gewend zijn, valt hun zwaar. Zij verlangen naar de zon en de wijde velden. De andere, de Chineezen, in stukwerk betaald, doen hun best bij den lucratieven arbeid. De loodsen, waar de werklieden wonen, liggen op den linkeroever van de Loento. De dwangarbeiders werken onder toezicht van opzichters, die zelf ook tot de veroordeelden behooren, maar wier overwicht door allen wordt erkend. Daarbij zijn de arme drommels van werklui niet moeilijk te leiden; de ballingschap, waartoe ze zijn veroordeeld, dooft hun energie, en de koorts, die in dit weinig bebouwde dal veel voorkomt, sloopt hun krachten ondanks de zorg voor de hygiëne, en slechts een enkele maal heeft er eens een vechtpartij plaats, die meestal met een misdaad eindigt.

Groote drukte heerscht er op de terreinen der maatschappij. Ofschoon de kool van vrij slechte hoedanigheid is, vermeerderen de productie en de verkoop met elken dag. Tegenwoordig bereikt de hoeveelheid, die gewonnen wordt, per maand 18 000 ton en bijna 3000 mijnwerkers vinden werk in de mijnen. Die laatste behooren aan den staat, en deze exploiteert tevens den spoorweg, terwijl een ingenieur belast is met het toezicht op de werkzaamheden en op de werken in de Emmahaven. Wij zijn te Sawah Loento 156 K.M. van de haven verwijderd; in vogelvlucht bedraagt de afstand echter niet meer dan 58 K.M. Ook had men eerst gedacht, Solok rechtstreeks met Padang te verbinden door den Soebangpas; maar men heeft er de voorkeur aan gegeven, langs Padang-Padjang te gaan, om zoodoende tegelijk de streek van Fort de Kock en Pajacombo te helpen. Na ons bezoek aan de mijn, zijn wij naar Solok teruggegaan, om er te logeeren.

Solok is geen stad, maar een groot dorp; het land eromheen is nog weinig bebouwd, en de beschaving heeft er nog niet haar taak verricht, zooals op Java. De wilde dieren zijn er nog niet verdwenen; wij zagen in de societeit een jongen tijger, die twee dagen te voren gevangen was. Hij is achter in den tuin in een zware kooi geplaatst, en zoodra hij ons ziet, werpt hij zich met een enkelen sprong naar voren tegen de tralies en ontvangt ons dus op zijn gewone vriendelijke manier. De honger en de opium hebben hem nog niet veranderd in den grooten, kalmen lobbes, dien men weldra in den een of anderen europeeschen dierentuin zal bewonderen. Hij is lenig, en zenuwachtig rekt hij zijn spieren; de oogen vlammen en de lip wordt opgetrokken, terwijl een dof gebrul uit den open muil komt, en de neusgaten trillen van begeerte bij den reuk van het levend menschenvleesch, dat de klauwen zouden willen verscheuren.

Wij hebben acht dagen in de Padangsche Bovenlanden doorgebracht en zijn nu gereed om te vertrekken. Na ons eerste uitstapje zijn wij te Padang slechts één dag gebleven. Het is er niet vroolijk, ten minste niet voor vreemdelingen. De beide hôtels, het Atjeh- en 't Oranjehôtel, zijn ellendige hokken, waar alle comfort ontbreekt en de keuken armzalig is.

Wij waren afgestapt in het Atjehhôtel. Een groot vierkant gebouw op hooge palen staat midden op een met boomen beplant plein. Een reuzenveranda, met wat tafels en schommelstoelen neemt het vóórgedeelte in. De eetzaal is aan de andere zijde en een gang leidt erheen, waar de kamers op uitkomen. Aan een der zijden van het plein staat een langgerekt gebouw met smalle kamertjes; daar logeeren wij. De wanden en de beschotten zijn van hout en dus dringt de warmte overal door, terwijl men de stemmen van het eene eind tot het andere kan hooren. De ratten wandelen er rond en schijnen verlekkerd op het leder van mijn laarzen en het linnen onzer kleeding. Den geheelen dag is het hôtel doodstil en als ingedut. Alleen tegen vijf uur komt er eenige beweging. Ieder stapt in nonchalant costuum langzaam de steile trappen af en begeeft zich naar de badkamers. Het is een belachelijke optocht. De mannen dragen een korte, witte jas en een wijde broek van javaansche stof met groote, zwarte teekeningen op bruinen of blauwen grond. De vrouwen zijn gedrapeerd in veelkleurige sarongs, die in oprechtheid de vormen weergeven en laten zich door hun echtvriend naar de badkamer geleiden. Hij draagt den handdoek voor haar en ziet met welgevallen op haar neer.

Maar zulke tooneeltjes waren niet voldoende om ons te Padang terug te houden, en wij voltooiden haastig onze toebereidselen voor het vertrek. Wij hebben besloten, hier niet terug te komen. Wij willen naar Deli en Atjeh gaan; doch wij zouden niet anders kunnen nemen dan de boot van 10 Mei, en dus geven we er de voorkeur aan, onze reis recht naar het Oosten te vervolgen en zoo te Bengkalis uit te komen aan de oostkust van Sumatra.