Van Batavia naar Atjeh, dwars door Sumatra De Aarde en haar Volken, 1904

Part 2

Chapter 23,807 wordsPublic domain

Als de regent van Lebak al iets op zijn kerfstok had, dat beteekende weinig; hij bewees diensten, en dat was waarborg genoeg van moraliteit. Douwes Dekker hield vol, werd verplaatst, viel in ongenade, moest zijn ontslag vragen en ging heen. Gedurende vele jaren heeft hij in Nederland ellende en honger gekend, en erger, het sarcasme en het beleedigende medelijden. Multatuli, "ik heb veel geleden", dat is wel de rechte naam voor een apostel. Niets heeft hem ontmoedigd. Onvermoeid heeft hij geroepen; hij heeft het stelsel van roof en onderdrukking blootgelegd, en zijn adem heeft het trotsch gebouw van onrechtvaardigheid ter neer geworpen. Hij had alle menschelijke machten tegen zich, de ijdelheid der staatslieden, de hebzucht der handelaars, de hatelijke inertie van de administratieve machine, de lafheid van de eerlijke menschen, maar hij heeft gezegevierd. In geheel Nederland heeft iedereen medelijden gekregen met den ongelukkigen en zoo lang reeds onderdrukten inlander. Niemand wilde meer iets weten van een kolonisatiesysteem, waarbij de rijkdommen betaald werden met de tranen der Javanen. Ik heb het voltooide werk aanschouwd. Wat tegenwoordig de hollandsche bestuurswijze kenmerkt en haar een edelmoedig karakter verleent, is de aanhoudende zorg voor den inboorling, den kleinen man, die zoowel tegen anderen als tegen zichzelven beschermd moet worden.

Aan dien onbuigbaren man moet ik telkens denken. Hij zag vóór zich de beide wegen, den eenen rustig, kalm en zachtkens dalend naar de lage landen, den anderen steil en moeilijk naar de hoogten van het leven, en hij heeft den tweeden gekozen. Als hij geleden heeft, hij heeft toch ook bovenmenschelijke blijdschap gesmaakt; hij heeft zijn ideaal verwezenlijkt gezien. Over dat voorbeeld moet ik nadenken, een tooverdrank, waarvan ik kracht en beteekenis begin te begrijpen.

Het is nacht geworden, en de boot glijdt voort in de dikke duisternis. Enkele passagiers luisteren naar de schreeuwerige tonen van een grammophoon. Op het dek hurken inlanders. Onder hen is ook een troep reizende muzikanten; zij gaan naar Padang en zijn de houders van den schat der oude melodieën en der legendarische gedichten. Op ons verzoek gaan ze spelen. Het orkest, de gamelang, bestaat uit instrumenten van allerlei vorm en allerlei soort. Een ervan, een reeks van gongs, op muzikale tonen gezet, geeft aardige muziek, nu en dan afgebroken door het heftige en brutale geroffel der trommen van vel of hout. Meisjes zijn aan het dansen. Zij hebben een costuum van doorschijnende stof aangetrokken met gouden pailletten en dragen een uitgebreid kapsel, waaronder ze als gebukt gaan, met een diadeem, van achteren als een helm opstaand.

Ook hebben ze een masker voor, blauw, rood of zwart, met spitsen neus en gebogen wenkbrauwen, welks trekken eenvoudige gevoelens, vreugde of smart te kennen geven. Zij dansen, en de muzikanten zingen; onbekende woorden vliegen heen en weer, de stemmen rijzen en dalen bij beurten. De danseressen wiegen zich rechts en links, met de voeten dicht bijeen of gekruist; met uitgespreide armen bewegen zij het hoofd, buigen het lichaam, verroeren handen en vingers in zonderlinge, stijve gebaren en dan leggen ze van tijd tot tijd een paar passen af met theatrale groote stappen en uitdagend opgeheven hoofd.

Wat verbeeldt dit alles? wat zeggen ze? De stemmen worden zachter, sterven weg. Dezelfde zuivere, melancholieke toon keert geregeld terug en wordt door een slag op een metalen gong voortgebracht. Het lied, dat er wordt gezongen, het tooneel, dat ze opvoeren, 't zij kwijnend of hartstochtelijk, ieder van ons mag het uitleggen naar zijn eigen fantazie. De koddige schaduwen, die daar zich bewegen in 't onzekere licht van eenige lantaarns, schijnen zich op te lossen in niets; het lijken spoken, getuigend van een verdwenen verleden, van doode koninkrijken en voorbijgegane liefde, van heldendaden en nutteloos vergoten bloed. Zij wekken in ons atavistische herinneringen, duistere gedachten, onduidelijke wenschen en terwijl de danseressen buigen en ons groeten, terwijl de duisternis al dieper wordt en de muziek zwijgt, word ik nog gewiegd door den droom, dien het dansen en zingen opriep.

Aan boord van de Speelman, 10 April.

De Speelman haast zich niet. Gisteren zouden wij te Telok Betong hebben moeten aankomen om zes uur in den morgen; averij aan de machine deed ons de vaart vertragen, en we zijn pas om tien uur op de reede aangekomen. Wij hebben geen tijd, aan wal te gaan en moeten ons tevreden stellen met uit de verte de kust te beschouwen. Wij liggen achter in een driehoekige baai, in 't Zuiden afgesloten door een rij eilandjes. De met bosch bedekte bergen dalen rechtstreeks neer in zee; hooge toppen van 1000 à 1200 M. schijnen den ingang van de haven te bewaken. In het Zuiden kan men door de opening, die wij juist zijn doorgegaan ten westen van het eiland Sebesi, een alleenstaanden kegel zien van grijze kleur, dat is de Krakatau.

Deze rustige berg, boven stille wateren oprijzend, heeft zeventien jaren geleden een der vreeselijkste catastrophen veroorzaakt. Sinds 1680 had de vulkaan niet gewerkt. De zeelieden, die uit Europa kwamen, begroetten altijd reeds van verre den eenzamen berg; hij kondigde hun 't einde aan der reis. In Maart 1883 is plotseling het monster wakker geworden. De inboorlingen uit het land in de buurt zagen met verbazing den vederbos van rook, die wuifde door de lucht. Zij waren aan zoo'n schouwspel wel gewend, en het boezemde hun geen schrik meer in.

Van de eene naar de andere zijde over Java en Sumatra strekken zich twee rijen van vulkanen uit; elk van die heeft zijn eigen legende, zijn lange perioden van rust en zijn uitbarstingen van woede. De woede van den Krakatau leek niet zoo erg verschrikkelijk. Er lagen op zijn hellingen geen dorpen en geen aanplantingen, en de beschermende zee isoleerde dezen vulkaan. Maar met iederen nieuwen dag namen de verschijnselen in hevigheid toe. In de maand Augustus wierp de berg dikke wolken asch uit; lavastroomen vloeiden over den kraterrand; het eeuwenoude bosch op de hellingen begon te branden als een reuzentoorts. Een planter, die toen op Java woonde in de Preanger Regentschappen, vertelde mij van den schrik en den angst, die gedurende enkele dagen allen vervulden.

Men had in de richting van Batavia een dichte wolk zien opkomen, die langzamerhand grooter werd en al het land overdekte. Het leek, of zij niet door den wind werd voortgedreven. De zware rookkolommen stapelden zich op, en het werd donker, donkere nacht met een fijne, ongrijpbare asch, die onophoudelijk neerdaalde. De menschen hadden zich, bevend van angst, in hun huizen opgesloten.

In die duisternis, die volle vijftig uren duurde, hoorde men ontzettende ontploffingen. Te Singapore meende men, dat de vulkaan van de Karimon Java-eilanden werkte; te Saigon geloofde ieder, dat in de Golf van Siam de eskaders elkaâr een donderend gevecht aandeden. Op de kusten van Java en Sumatra wachtten de doodelijke verschrikte bewoners op de ontknooping. Hoe zou het gevaar zich ten slotte voordoen? Stortte de grond onder hen in en zouden nieuwe kraters worden gevormd? Niemand durfde vluchten in de duisternis; de opgehoopte asch lag hier en daar als een bed van een meter hoogte; de onzichtbare vulkaan ging maar voort met donderen; woedend sloeg daarna de regen neer. Het gevaar leek nog dreigender in het binnenland dan hier aan het strand, waar de vastgemaakte booten nog op het uiterst oogenblik redding mogelijk zouden maken--en toch, juist uit zee is de ramp opgestegen. Plotseling stortte de krater van den Krakatau in; reuzengolven stoven op en kwamen dreigend op de kust aan. In den trechter, door de baai van Telok Betong gevormd, kwam een dertig meter hooge muur van water breken op de kust. Tot aan den voet der bergen veegde de vloedgolf dorpen weg en tuinen; zij nam schepen op en smeet ze neer op het land, en als het water zich had teruggetrokken, liet het in de verwoeste streek duizenden dooden achter. De vulkaan was van vorm en van plaats veranderd; waar vroeger zijn hoogste top verrees, gaapte nu een afgrond in de zee van 300 M. diepte, en nieuwe eilanden waren ontstaan tusschen de ruïnen van den berg.

Wij zijn slechts weinige uren te Telok Betong gebleven en gingen van daar naar Engano. Zonder ons te haasten, voeren we door tusschen de eilanden, die de baai afsluiten; het waren pyramiden van groen en van den top tot den voet spiegelt al dat gebladerte zich in de zee. Toen daarna de laatste kaap was omgezeild, volgden wij verder op korten afstand de kust. De zee is hier om dezen tijd van het jaar zoo stil als in een meer. Links wijken de laatste toppen van Java in den grijzen nevel. En vreemd, eerst op dat oogenblik speet het mij, dat de zoo snel volbrachte reis was afgeloopen. Dat land, dat ik zoozeer had gewenscht te zien en dat ik zeker nooit weer zal aanschouwen, mijn verbeelding begon het nu te vervormen tot iets wonderschoons. Misschien heb ik de vriendelijkste of treffendste punten niet gezien, mogelijk ook had ik er langer moeten blijven en er moeten leven op een andere manier. Java fluistert haar geheimen en geeft haar zoete bekoring slechts voor diegenen, die er trouw aan zijn en zich geheel willen geven.

Het wordt avond; de grijze lucht en de zee smelten samen; enkele zachtrood gekleurde wolken drijven door de lucht; andere komen op aan den horizon. Ieder ondervindt den invloed van dit heerlijke uur. Geluidloos klieft het schip de golven, en een parelmoeren schuim volgt het op zijn weg.

In zulk een lauwe atmosfeer en 't uniforme licht beginnen droomen zich weer van den geest meester te maken. De straat daarginder is de Soendastraat en zij roept duizend machtige beelden op. In deze zee, waar zooveel groote schepen in de jaren van de eerste ontdekkingsreizen zijn vergaan, moet men wel denken aan de heldhaftige expedities, door avonturiers van vroeger op 't getouw gezet. Mooie verzen over de conquistadores spelen door mijn brein. Hier was het land van goud en specerijen, het land, dat geurig en welriekend was als geen; de wondereilanden, die hun schatten slechts voor de stoutmoedigen beschikbaar hadden. Naar deze stranden zetten koers die heldenkapiteins, wier uren van triomf ik tracht mij voor den geest te roepen. Hier, op den nu zoo rustigen bodem, stapten zij aan wal bij 't bulderen der verouderde kanonnen, en bij 't verlaten van hun schepen zagen zij de volken vluchten. Koningen bogen zich voor deze toovenaars, die onverschrokkenen, gekomen uit het Westen, uit die verre streken, waar de zon des avonds schuilgaat.

Het komt mij voor, dat in dien tijd de natuur met nog veel machtiger bekoring op de helden moet hebben gewerkt. Zij zagen er niets leelijks en niets kleins, en toen de verovering voltooid was en de buit was meegevoerd, toen togen de avonturiers op nieuwe tochten uit, op wankele schepen over onbekende zeeën, weer op de zoek naar nieuwe stranden, waar hen nieuwe zegepralen wachtten.

Ik weet wel, dat de meeste dezer helden niet meer waren dan bandieten, ruw en wreed, dat niet van poëzie hun ziel vervuld was, noch hun hart van medegevoel. De menschelijke inhaligheid kwam toen met zeer naïeve felheid aan den dag; recht, menschelijkheid en al die groote woorden, die ons aangenaam in de ooren klinken, vielen in de stilte neer en wekten in 't geheel geen echo's. De wereld behoorde aan de christenvolken; de grond met zijn rijkdommen en met de ongeloovigen, die er woonden. Er bestond geen zedelijke band; de veroveraar bezat de macht, en hij was in 't bezit der waarheid.

Ieder wenschte voor zich een aandeel aan 't onmetelijke gebied, waarvan men bij elken stap, dien men deed, de grenzen zag terugwijken. Bij deze jacht naar winst, waarop de volken van Europa elkander de aarde betwistten, hield ieder zijn deel angstvallig vast door alle mogelijke middelen. De wegen, leidend naar de nieuwe landen, waar de zware galjoenen zich langs bewogen, moesten een geheim blijven. De ruwe kaarten, waar de schippers, zoo goed en zoo kwaad als het ging, hun gang op afteekenden, waren nationaal eigendom, en 't was verraad, ze aan vreemdelingen af te staan of bekend te maken.

Met zweep en brandmerk en verbanning werden de schuldigen of de onvoorzichtigen gestraft. Die blanke menschen, die de volken van het Oosten elken dag zagen aankomen in hun landen en die de zonen schenen van een zelfde ras, leverden elkander op alle zeeën de verwoedste gevechten, en voor hun schreden zonken koninkrijken in het niet en oude beschavingen vielen tot stof ineen.

Maar in onze herinnering blijven wij niet toeven bij de begane wreedheden. Hoe komt het toch, dat die ruwe klanten uit de historie voor ons oprijzen, omstraald door een helder licht? Dat is, omdat elk van ons hun iets van zijn eigen ziel geeft. Wij wenschen te gelooven, dat zij door een ideaal werden geleid. Als wij, bewoonden zij sombere landen, waar 't banale leven niet genoeg was voor hun ziel. Zij stikten in de enge gevangenis, waarin het lot hen had geplaatst, waar vooroordeelen en allerlei belangen hen vasthielden; zij scheurden zich los, gingen heen, verder en altijd verder, om nieuwe landen te zoeken en krachtiger, vuriger zonnen. Ze hadden hun ketenen verbroken, en de verworven vrijheid steeg hun naar het hoofd. Wie onzer zou zoo'n schoonen droom niet willen leven?

Aan boord van de Speelman, 10 April.

Hedenmorgen zijn wij tegen tien uur te Engano aangekomen. Wij hebben in een kalme baai het anker uitgeworpen, waar drie eilandjes ons tegen de hooge zeeën beschutten. Een kring van brekers, waar de zee geweldig bruist en schuimt, omringt ons in een nauwen cirkel, en slechts met moeite kunnen we nog de doorvaart herkennen, die ons den toegang heeft verleend.

Pas hadden we het anker uitgeworpen, of van elk eiland staken booten van wal, met roeiers bemand. De inboorlingen, die erin waren gezeten, moedigden elkander aan met schelle kreten. Ze zijn halfnaakt en vertoonen ons stevige lichamen met sterke spieren. De gelaatstrekken zijn energiek en woest; de diepliggende oogen fonkelen onder zware wenkbrauwen, die het smalle voorhoofd begrenzen; de jukbeenderen steken vooruit, en de benedenkaak is zwaar en vierkant. Een lap stof houdt het haar in bedwang en omgeeft het voorhoofd als een hoofddoek, en aan den achterkant vallen krullen neer in den nek.

Dit zijn mooie, forsche kerels, die men zou willen zien, getatoeëerd voor den oorlog en met lans of knots gewapend. Ze zijn aan boord gekomen, op een manier, die denken doet aan de vermeestering van een gemakkelijke prooi. Met zulke lenige bewegingen moeten indertijd, als Cook en La Pérouse een nieuw eiland ontdekten, de inboorlingen vol nieuwsgierigheid hun schepen hebben bestormd. Deze wilden hebben intusschen in 't minst geen booze bedoelingen; zij komen eenvoudig maar copra tegen rijst inwisselen. Zij brengen ook vruchten mee, visschen die er vreemd uitzien, vol stekels, en prachtige schelpen, met parelmoer belegd. Achterop elke schuit staat een Chinees, de onvermijdelijke tusschenpersoon in deze streken, en leidt de bewegingen van het vaartuig.

Vroeger waren de Eugano-eilanden sterk bevolkt. Vijftig jaar geleden woonden de inboorlingen er nog vreedzaam en van de wereld afgezonderd. Ze leefden van jacht en vischvangst, kenden nog niet de bewerking van het ijzer en wisten niets van het bestaan van tabak en alcohol. Als er een schip vóór hun dorpen verscheen, gedroegen zij zich gastvrij en vriendelijk. Maar de menschen van Sumatra minachtten hen als wilden, en ze zijn dan ook sedert dien tijd in beschaving vooruitgegaan. Ze kunnen flink drinken en zijn jaloersche echtgenooten geworden. Een jonge contrôleur, die een tournée er heeft gedaan, vertelt mij, dat hij van geen vrouw het aangezicht te zien heeft gekregen. Toch zijn de meisjes van Engano mooi en flink gebouwd.

De veldwinnende beschaving heeft nog andere gevolgen gehad. De bevolking vermindert onrustbarend in aantal. Ziekten hebben zoo erge verwoestingen aangericht, dat er niet veel meer dan 600 inwoners zijn. Welke kwaal decimeert hier de menschen, die er toch zoo sterk en flink uitzien? Niemand kan het mij zeggen. De inboorlingen meenen, dat booze geesten hen met hun haat vervolgen. Zij hebben het groote eiland verlaten en hebben een schuilplaats gezocht op de kleinere, minder ongezonde eilanden. Dat zijn manden van groen, even slechts zich verheffend boven het doorschijnend heldere water. Eerst ziet men een dun zandlijntje, dat als goud schittert, dan een hoopje struiken, afgeronde groepen en daarachter de dicht bijeen staande stammen en de groene vederbossen van de kokospalmen. Ik zie nergens andere boomen, en onder palmen staan ook de huizen aan het strand.

Links van ons breidt het grootste eiland zich uit, geheel met bosch bedekt. Hier en daar op het strand wijzen boschjes kokospalmen nog de plek der vroegere dorpen aan. Als ik zulke streken zie, zoo mooi en zoo woest, krijg ik lust, mij naar land te laten roeien, aan wal te gaan op die smalle zandige kust, die een gordel vormt om het woud heen en mij op goed geluk diep in het bosch te wagen. Ik weet wel, dat ik er moerassen zal vinden en planten met scherpe dorens en verraderlijke lianen, die u tegenhouden en u de voeten binden, en weerzinwekkende insecten, en toch wordt het een lastige kwelling, dat men aan zulk een wensch niet kan voldoen. Zou 't zijn, doordat ik ben geboren in een dor en door de zon verschroeid land? Ik weet het niet; maar ik heb een hartstochtelijke vereering voor het woud. Die zware mantel die den grond verbergt, die massa's donker gebladerte, de smalle, donkere paden lokken mij aan door hun geheimzinnigheid. Ook heb ik vroeger reeds een tijd lang in het bosch geleefd, een vrij en ongebonden leven, en ik heb daarvan, geloof ik, iets ziekelijks behouden, dat mij van tijd tot tijd er altijd naar zal doen terugverlangen.

Wij hebben Eugano zooeven verlaten en zetten koers naar Benkoelen, welks hooge kust wij weldra langzaam uit de wateren zien oprijzen.

Padang, 20 April.

Wij zijn te Padang al sedert den 12den. We hebben reeds een eerste uitstapje gedaan en zijn gisteren hier teruggekomen, om de voorbereiding voor een tweede te houden, een langer en bezwaarlijker tocht.

Van Eugano tot Padang had de reis een zeer alledaagsch verloop. Het was een kalme vaart over een slapende zee met eenige uren oponthoud te Benkoelen. Dat is een klein, zeer stil stadje, waar een weg begint dwars door Sumatra bij Palembang uitkomend. De huizen der chineesche wijk staan tot dicht aan zee, en de dikke palen, die de balkons en de veranda's dragen, worden door het water bespoeld. Daarachter zijn het residentiehuis en de woningen der Europeanen door groote tuinen omgeven, aan beide zijden van de stille straten.

Boven het strand verrijst een oude citadel en enkele ouderwetsche kanonnen kijken melancholiek in zee. Het is 't fort Marlborough, reeds meer dan een eeuw geleden gebouwd door de Engelschen. Zij waren er in 1796 in getrokken en hielden zich er lang staande. De verdragen van 1814 hadden hen verplicht, aan Nederland Java en wat er bij behoorde, terug te geven. Men wist toen in Europa nog niet, welk een kostbaren schat sir Stamford Raffles voor zijn land veroverd had. Evenals Clive had hij gedroomd, het rijk uit te breiden en als Clive was hij in de functie van eenvoudig ambtenaartje begonnen op de kantoren der Indische Compagnie en als Clive had hij met zijn genie de hooge ambtenaren voor zijn idee gewonnen. In 1807 droeg lord Minto, gouverneur-generaal van Britsch-Indië, hem op, zich in verbinding te stellen met de maleische vorsten op Sumatra en Java. In 1811, op het oogenblik dat admiraal Stapford op Malakka een expeditie naar Batavia voorbereidde, onderhandelde Raffles met den sultan van Palembang, de radja's van Bali en Lombok en den regent van Madoera. De nederlaag van 't fransch-hollandsche leger werd kort daarna gevolgd door de onderwerping aan Engeland van alle inlandsche vorsten.

Benoemd tot luitenant-gouverneur van Java, begon Raffles het land te organiseeren. Hij ging langs nieuwe wegen met een energie en een ijver, die verwonderlijk waren, en zette het werk voort, dat door Daendels was begonnen. Den 24sten Mei 1814 werd hij als door een bliksemslag getroffen; de val van het keizerrijk in Frankrijk gaf aan Nederland zijn onafhankelijkheid terug, en Engeland gaf aan het nieuwe koninkrijk alle koloniën weer, die het op 1 Januari 1803 in bezit had gehad, behalve Kaap de Goede Hoop en Demerary. De terugkeer van Napoleon van Elba deed op onverwachte wijze Raffles' moed herleven. Hij richtte tot de engelsche Indische Compagnie een vurige smeekbede, trachtte aan te toonen, welke rijkdommen men uit den heerlijken bodem van Insulinde halen kon; maar 't was te vergeefs. Hij moest buigen en met een bloedend hart het door hem voor zijn vaderland gewonnen terrein opgeven.

Toch deed Raffles nog geen afstand van zijn droom. Benkoelen en Padang waren bezet geweest van 1796 af, en Raffles weigerde die terug te geven. Het gansche zuidelijke deel van Sumatra was nog niet in handen van de Nederlanders of behoorde hun ten minste slechts in naam. Nauwelijks op 40 K.M. afstands van Benkoelen begon het dal der Moesi. Van Kepahang tot aan de Bankastraat strekte zich een prachtig net van waterwegen uit, dat bevaarbaar was en rechtstreeks door het koninkrijk Palembang de tallooze booten met specerijen, tambangangs en bidars met acht roeiers, en pantolans met dertig roeiers kon vervoeren. Reeds in 1811 was de radja van Palembang tegen de Hollanders opgestaan; drie jaren lang had ook Engeland zonder vrucht gestreden tegen het rebellenhoofd Mahmoed Badder Eddin. Nu zouden de rollen omgekeerd worden, Raffles zou, als hij te Benkoelen gevestigd was, in 't geheim de opstandelingen kunnen steunen. De Hollanders zouden een oorlog moede worden, die maar niet wilde eindigen. Misschien zou men tot een overeenkomst besluiten, waarbij Engeland een vergoeding krijgen kon voor het verlies van Java.

Het had niet veel gescheeld, of het plan van Raffles zou geslaagd zijn. In Juni 1819 viel Badder Eddin Palembang aan, en het garnizoen ontkwam slechts aan een uitmoording, door zich overhaast in te schepen. Twee expedities werden uitgerust van Batavia uit, maar leden een nederlaag tegen de versterkingen, op 't eiland Gambora opgericht. De oproerlingen zonden tegen de hollandsche vloot veel rakit api uit, vlotten, beladen met ontvlambare stoffen, en de oorlogsschepen stieten op de versperringen, in de rivier aangebracht. Om Palembang te hernemen, moest men een vloot van 118 schepen uitrusten en vierhonderd vuurmonden op de kust richten. Ondanks de onderwerping van Badder Eddin brak de opstand weldra weder uit; maar in 1824 werd een nieuw verdrag tusschen Engeland en Nederland gesloten. Het laatste land herkreeg Benkoelen en Padang en deed afstand van Malakka en van zijn laatste bezittingen in Voor-Indië. Voor de tweede maal vielen de plannen van Raffles in duigen; de onbuigbare man scheen bestemd, om wreed door het lot te worden behandeld. Toch is niet alles weg van wat hij heeft willen in het leven roepen; in de maand Februari 1819 had Raffles op een eilandje, dat bij het sultanaat Johore behoorde, de engelsche vlag geplant op de moskee van Singapore.