Van Batavia Naar Atjeh Dwars Door Sumatra De Aarde En Haar Volk

Chapter 7

Chapter 73,776 wordsPublic domain

Wij hebben bij den controleur de vriendelijkste ontvangst gevonden, en na de dagen van onze bezwaarlijke reis zijn de beleefdheden en attenties der lieve, jonge vrouw des huizes een verkwikking en doen ons de rust, die wij zoo noodig hebben, nog te meer waardeeren. Wij moeten hier drie dagen blijven en zijn letterlijk gevangenen; er is geen andere weg dan de rivier en wij moeten op de eerstvolgende boot wachten, die ons naar Bengkalis en naar Singapore zal brengen.

Onze drie dagen worden gebruikt voor het in orde brengen van onze reisnotities. We gaan 's avonds naar den schouwburg van den sultan. Een troep, uit Penang gekomen, speelt perzische stukken, waarin peri's strijden om de liefde van een vorst. De woorden worden in 't Maleisch gezegd; maar de muziek is voor een groot deel ontleend aan het zigeuner-répertoire, en het is verrassend, hier, in dit achterafhoekje van Sumatra, te luisteren naar walsen, welke wij den vorigen zomer maar al te dikwijls hoorden in de cafés op den boulevard en in de tenten van het Bois de Boulogne.

Het orkest, bestaande uit één piano en twee violen, wordt gedirigeerd door een Pers, gekleed in witte broek en lange jas, karikatuurachtige persoonlijkheid van zeer bijzondere magerheid. Hoewel wij nu nog maar vijf maanden in Indië hebben vertoefd, kunnen wij gemakkelijk de ontwikkeling der intrige volgen; zoo gemakkelijk leert men het Maleisch. Het publiek is mild met zijn toejuichingen voor de min of meer onkiesche grappen van den eersten acteur. Dicht in onze buurt lacht de radja van Tambang, bij wien wij gisteren gelogeerd hebben, dat hem de tranen over de wangen vloeien, en neemt op den grooten stoel, waarop hij gehurkt zit, houdingen aan van een oestiti. De vorst van Goenong Sahilan, een nog zeer jonge man met een ziekelijk uiterlijk, kijkt met een begeerigen blik naar de blijken van een weelde, die hij ook spoedig zal leeren kennen, als zijn onderdanen de bewondering deelen, die hij gevoelt voor de administratie der Hollanders.

Morgen vroeg verlaten wij Siak; de boot, die ons zal meenemen, is zoo juist gepasseerd, stroomopvarend naar Pekan Baroe. 't Is een chineesche stoomboot, de Pekang, akelig vuil. Wij zullen het er niet te best hebben; maar wij moeten wel besluiten, er toch maar gebruik van te maken, om niet nog weer vier dagen hier te blijven wachten.

Penang, 2 Juni.

Nu loopt onze reis op het eind. Wij zijn gisteren te Penang aangekomen uit Olehleh, en wij zullen naar Singapore terugkeeren, om daar op de paketboot te gaan, die ons naar Frankrijk moet terugbrengen.

Den 11den Mei zijn we uit Siak vertrokken, om tien uur 's morgens en we zijn allereerst naar Bengkalis gegaan. De rivier biedt tot aan haar monding denzelfden aanblik aan als boven Siak. Het woud blijft overal de oevers volgen in doodsche, sombere rust, en 't bruine water golft en trilt bij het voorbijvaren van onze boot tot aan het zwaar gebladerte, dat zich spiegelt in het water, waar het door bespoeld wordt.

Wij bespeuren intusschen hier en daar enkele vrij uitgestrekte ontgonnen gebieden; het zijn nieuw aangelegde aanplantingen van sagoboomen. Booten liggen aan de oevers gemeerd en langs lichte ladders worden ze bestegen. Kinderen schreeuwen en vermaken zich aan den waterkant, zonder zich om de kaaimannen te bekommeren, of zitten in hun primitief costuum op 't eind van de planken bruggen ons verwonderd aan te kijken.

Wij hebben ons twee uren te Bengkalis opgehouden; de stad is gebouwd op de westkust van het eilandje en kijkt dus in de richting van het groote eiland. De chineesche wijk is nog al uitgestrekt, en enkele fraaie huizen toonen aan, dat de handel er nog belangrijk is. Het eiland ligt geheel in een wieg van groen. In het binnenland heeft men enkele aanplantingen van gutta-perchaboomen, en rondom de woningen staan langs den weg, dien wij volgen, reusachtige sagopalmen. Die zijn een kenmerk voor het eiland, en nergens hebben wij die palmen zulke afmetingen zien aannemen.

Onze overtocht over de straat van Malakka is hoogst onaangenaam geweest. Wij hebben er een hevige bui gehad. Onze boot, die ingericht is voor 't varen op rivieren, meet slechts 90 ton, en den geheelen nacht wordt zij hevig geslingerd door de golven; zij helt onder den aanval van den wind onrustbarend over en richt zich met moeite weer op, zoodat men elk oogenblik bang moet zijn voor een kanteling. Er zijn geen hutten, en wij brengen den nacht op het dek door, terwijl beneden de Chineezen en Maleiers, opeengehoopt in de drie rijen boven elkaâr gelegen kooien, den ellendigen strijd tegen zeeziekte voeren.

Wij nemen te Singapore de boot, die de oostkust van Sumatra bedient, en den 18den Mei om vijf uur 's morgens leggen we aan te Belawan, in de baai van Deli.

De staten Serdang, Langkat en Deli hebben zich in de laatste dertig jaar buitengewoon snel ontwikkeld en hebben dien bloei alleen aan de tabakscultuur te danken. De plantages beslaan tegenwoordig meer dan 300 000 hectaren. Degenen, die het initiatief hebben genomen voor deze cultuur, waren Franschen, de gebroeders Guigné, zooals ook aan den overkant van de straat van Malakka Franschen in den staat Perak de eerste tinmijnen hebben ontdekt en geëxploiteerd. Het voorbeeld, door onze landgenooten gegeven, heeft bij ons geen navolgers gevonden; maar het heeft voor de Nederlanders als voorbeeld wonderen gedaan. Bijna alle ondernemingen behooren aan maatschappijen, die te Amsterdam gevestigd zijn, en waarvan één, de Delimaatschappij, reusachtige winsten heeft gemaakt. Het woud bedekte vroeger de geheele streek; het beslaat nog heel wat ruimte in de buurt der zee, waar de bodem te laag is, om in cultuur te worden gebracht. De aanlegplaatsen en entrepôts van Belawan zijn gebouwd aan den rechteroever van een breede rivier, welker oevers onder een dichten plantengroei verdwijnen.

Achter de magazijnen staat het station van den spoorweg. Wij nemen den trein van negen uur en zijn om tien uur te Medan, hoofdstad van den staat Deli en zetel van de regeering van 't Gouvernement van Sumatra's Oostkust.

De stad gelijkt op alle andere, die wij reeds op Java en Sumatra hebben gezien. De huizen, bijna alle van hout, staan op ongeveer twee meter hooge massieve en gemetselde palen; de straten zijn breed, met mooie boomen beplant, en, wat iets bijzonders is in Indië, hebben electrisch licht. Maar zoo al de aanblik van buiten af dezelfde is als in die steden van luiheid en ledigheid, het voorkomen van de bewoners en de wijze van leven zijn totaal verschillend.

In het hôtel, dat het meest in trek is bij kolonisten en reizigers van allerlei nationaliteiten, heeft men engelsche gewoonten aangenomen. Geen "rijsttafel", geen lange siësta's na den middag; de Europeanen zijn altijd bezig, verteerd van ijver; de energieke gezichten zijn verbrand van de zon, de koortsig haastige bewegingen wijzen op een leven vol ambitie. Hier niets van de zachte traagheid, de vreedzame kalmte der kleurlingen van Batavia. Op enkele terreinen ziet men tennis spelen, en groote velden vereenigen des avonds bij lamplicht de jongelui, die zich in 't voetbalspel oefenen. In de straten ontmoet men inboorlingen uit aller heeren landen, Maleiers, Javanen, Chineezen, Tamilen, Bengalen, allen druk bezig, lasten dragend of zware wagens geleidend.

Het stelsel, waarnaar men hier te werk gaat bij het exploiteeren en kolonizeeren van provincies, die armoedig en verlaten waren, is niet hetzelfde als dat, waarvan ik op Java de uitwerking heb kunnen gadeslaan. Op Java maakten de dichtheid der bevolking en de snelle toeneming bijzondere maatregelen noodig. Na de treurige periode der gedwongen cultures hebben de Hollanders onder den edelmoedigen invloed van de liberale partij vóór alle dingen den inboorlingen zijn eigendom willen waarborgen en zijn bestaan willen verzekeren, door ook voor toekomstige geslachten grond beschikbaar te houden, waar de nieuwe dorpen later kunnen worden gebouwd. De rijstcultuur is op Java, als in het uiterste Oosten overal, de hoofdcultuur, en men heeft die niet willen bemoeilijken, noch tusschen den grond, die het kostbaar graangewas voortbrengt, en den inboorling, die oogst en eet, een parasietisch tusschenpersoon plaatsen.

Het systeem der vrije concessies, in onze koloniën zoo algemeen verspreid, bestaat nergens in Nederlandsch-Indië. De Europeanen kunnen alleen gronden in huur krijgen, en die gronden worden alleen verstrekt in erfpacht voor ten hoogste 75 jaren. Er zijn buitendien nog op Java belangrijke restricties in het stelsel aan te wijzen; zoo bijvoorbeeld, dat alle landen in de vlakte en alle, die zich uitstrekken langs de zachte hellingen der bergen, alle, die onder water gezet kunnen worden, in één woord alle, waarop rijst kan worden verbouwd, voor Javanen beschikbaar blijven en nooit door een Europeaan bezet kunnen worden. De kolonist kan alleen een concessie krijgen voor de hooggelegen landen, de met bosch begroeide bergen en kloven, de districten, waar de maagdelijke bodem geschikt is voor de ontwikkeling van speciale gewassen, als de koffie-, de thee- en de kinaplant.

Toch zijn er culturen, die enkel in het laagland kunnen worden ondernomen, en die de Javaan alleen niet in staat zou zijn, op rationeele wijze te bebouwen, die van suikerriet bij voorbeeld en van tabak en indigo. De Hollanders hebben dit probleem op zeer vindingrijke en besliste wijze opgelost, zonder van hun beginselen iets te laten varen en zonder de belangen der inlanders te schaden, noch afbreuk te doen aan die der Europeanen. De kolonisten sluiten overeenkomsten met de javaansche eigenaars, die beloven om gedurende één of meer seizoenen suikerriet of tabak te verbouwen onder toezicht van den industriëel, die het geoogste product in zijn fabriek verwerkt. Gewoonlijk ontvangt de Javaan een vaste som, die de huur voor zijn gronden voorstelt en verkoopt zijn oogst aan den hollandschen planter tegen een vastgesteld tarief, dat bij contract geregeld wordt. Het is dan een soort van commanditaire vennootschap, en het stelsel biedt het voordeel, dat het tegelijk den inboorling iets leert en hem behoedt voor verarming.

In die omstandigheden heeft de Europeaan, zooals men ziet, zich niet te bekommeren om de ontginning van den maagdelijken grond, noch om de indienstneming van arbeiders. Het is echter niet overal op Java aldus. Bij de boschexploitatie bij voorbeeld, moet men arbeiders in daghuur nemen, en in streken, waar een dichte bevolking woont, kan daar nooit moeilijkheid mee komen, op voorwaarde dat de werklieden goed worden behandeld en behoorlijk worden betaald. Ik heb bij Blora groote djatibosschen gezien, die teakhout leveren, waar de koelies allen Chineezen waren, die zonder moeite te Semarang waren te krijgen.

Op Deli zouden de planters veel ernstiger bezwaren ontmoeten, en zij hebben die kunnen overwinnen door hun bewonderenswaardige volharding, een associatiegeest, dien men bij ons ver moet zoeken, en door de macht van het geld. De bodem was er van den voet der bergen tot de zee bedekt met moerassige bosschen; hij is bijna overal drooggelegd en in cultuur gebracht. Reusachtige concessies zijn uitgegeven; de sultans van Deli, Langkat en Serdang, hebben de gronden verhuurd tegen een eerste storting van 4 à 5 dollars de bouw en een jaarlijksche pacht van 1 dollar. De regeering bemoeide zich met niets dan met het innen der belasting en de rechtsspraak en liet verder alles over aan het particulier initiatief. Dat laatste heeft er alles in het leven geroepen, wegen, bruggen, aanlegplaatsen en de nog niet voltooide haven van Belawan, den spoorwegen de stad zelve, die gebouwd is op moerassige terreinen, nu ontgonnen en drooggelegd.

De maleische bevolking, die er dun gezaaid was en daarenboven lui was van aard, weigerde te werken. Er is niet aan gedacht, haar daartoe te noodzaken, zooals in zooveel andere koloniën gebeurt; niemand heeft de invoering van een vermomde slavernij voorgesteld; geen heeft de roeping gevoeld, als moralist op te treden en den inboorling te verbeteren, door hem te zetten aan een werk, waarvan de Europeaan de vruchten zou hebben geplukt; omdat er geen arbeiders waren, heeft men ze ingevoerd. De planters hebben zich vereenigd, riepen een bureau van emigratie in het leven en huren nu de koelies in Swatow en in Canton. Vroeger sloten zij daar contracten door tusschenkomst van europeesche agenten, die in genoemde havensteden woonden; nu zenden zij zelf naar China mandoers, vroegere chineesche bedienden, die zich op beter voorwaarden met de recruteering belasten.

De koelies worden bij hun aankomst ingeschreven op de hoofdplaats; hun signalement wordt genoteerd, en de administratie verschaft hun een pas. Eerst worden zij voorloopig gehuisvest in loodsen en later over de plantages verdeeld. Zij teekenen een contract voor den tijd van drie jaren in het bijzijn van den resident of controleur en den chineeschen kapitein. Zij hebben bij 't vertrek uit China enkele dollars handgeld ontvangen; de planters geven hun nog 15 of 20 gulden en reiken kleederen en gereedschap uit. De werver ontvangt van zijn kant een premie van 12 à 15 dollars per koelie. Neemt men daarbij de kosten van vervoer in aanmerking, dan komt elke chineesche arbeider aldus op 75 dollars. Men sluit zonder moeite zulke contracten af, en de meeste arbeiders blijven op Sumatra en hernieuwen hun verbintenis. Er zijn in dit vrije land geen heeren en slaven, er zijn patroons en arbeiders.

De secretaris-generaal van de Delimaatschappij, de heer de C., heeft ons alle inlichtingen gegeven, die wij hem hebben gevraagd en heeft ons rondgeleid met onuitputtelijke welwillendheid. Wij hebben de magazijnen met hem bezocht en 't hospitaal en ook het huis voor de koelies die aan ongeneeslijke ziekten lijden, en daarna hebben wij een wandeling over een tabaksplantage gemaakt.

Het goed heette Helvetia. Het ligt op den oever der Delirivier en beslaat een oppervlakte van 6000 bouws, dus van 6000 maal 7091 M2. Aan het hoofd staat een administrateur, die zes europeesche ambtenaren onder zich gesteld ziet. Het terrein is in tien perceelen verdeeld, en jaarlijks wordt één dier perceelen in cultuur gebracht; de andere worden aan hun lot overgelaten en worden weer gebruikt, als ze aan de beurt zijn. Op enkele stukken wordt djati geplant, die na vijf of zes jaar mooie boompjes levert voor den bouw der droogschuren. Een weg doorsnijdt de plantage en loopt door alle perceelen. Elk daarvan is in secties verdeeld, die onder het toezicht van de Europeanen staan.

Men begint eerst met het bosch te kappen één jaar te voren; dan bewerkt men den grond met den stoomploeg en keert de kluiten tweemaal met de spade. Het zoo voorbereide terrein wordt door diepe geulen verdeeld, voor den afvoer van het water en voor een splitsing in stukken van ongeveer 1 bouw. Elk deel wordt aan een Chinees toegewezen, die het zaad ontvangt, het laat uitzaaien, toezicht houdt op de kweekbedden, op het uitplanten en de verzorging, om na zeventig dagen te laten oogsten, blad voor blad, en de administrateur koopt de opbrengst tegen tarieven, die in het arbeidscontract zijn opgenomen.

De huizen der opzichters en die der koelies worden elke twee jaren afgebroken en elders weer opgebouwd. Zij liggen altijd op de grens van twee perceelen, die na elkander in bewerking moeten worden genomen. De loodsen of droogschuren zijn vervaardigd van hout en bamboe en zijn met riet gedekt. Men gebruikt bij het bouwen gewoonlijk òf Bataks òf inboorlingen van Borneo uit de buurt van Banjermasin. Javanen moeten in 't bijzonder voor het draineeringswerk zorgen; Klings of Klingaleezen, dat zijn Tamilen van de kust van Malabar, rijden de wagens en verzorgen de trekossen, die in Siam of Birma worden gekocht.

Na den oogst worden alle koelies saâmgeroepen naar het midden der plantage, waar zich het groote gebouw bevindt, van hout en steen opgetrokken en wel 150 M. lang en met plaatijzeren dak, waar de tabak behandeld wordt. De koelieverblijven zijn afzonderlijke gebouwen, waar de menschen naar ras en godsdienst bijeengevoegd zijn. De Chineezen wonen in ruime barakken in groepen van dertig à vijf-en-dertig, onder toezicht van een mandoer, geboortig uit dezelfde provincie, die 1/30 of 1/35 van hun totaal salaris ontvangt. Elke Chinees beschikt over ongeveer 8 vierkante meters en kan zich daar zelf van licht materiaal, als hout en bamboe, dat te zijner beschikking wordt gesteld, een afgesloten ruimte timmeren. Achter de woningen liggen de keukens, de putten en de badvijvers, tenzij de rivier onmiddellijk in de buurt is. De hoofdopzichter der Chineezen woont bij hen in een eigen paviljoen en ontvangt 1/30 van alle salarissen. Er zijn op de plantage enkele pagoden, één of meer, naar het aantal Chineezen, en de administratie zorgt ervoor, die uitstekend te onderhouden.

De plantage, die wij bezoeken, geeft werk aan ongeveer 550 Chineezen, 200 Javanen, 30 Klingaleezen; de grond brengt gemiddeld 12 pikols tabak per bouw, dat is ongeveer 1000 K.G. per hectare, en de prijs daalt nooit onder 100 gulden per pikol of 1.75 franc per pond.

Wij hebben eenige dagen doorgebracht in de omstreken van Medan, en we hebben verschillende; plantages bezocht, die in ongelijke omstandigheden verkeerden, maar welker algemeene organisatie bijna overal dezelfde is. Een dier ondernemingen, nog van jongen datum, ligt te Koeala Bingei. De dit jaar beplante secties zijn pas op het bosch veroverd. Overal zien wij verkoolde stammen; er zijn ook veel boomen geveld en de Chineezen zijn ijverig in de weer, er de wortels van op te ruimen en de resten te verbranden. Aan den overkant van den weg, waarlangs mijn gastheer mij per automobiel een ritje laat maken, is nog het maagdelijk woud onaangetast. De leemhoudende grond staat onder water; het is een moeras, waar de rivier in tijden van hoogen waterstand zich in ontlast; maar reeds zijn er afvoerkanalen gegraven. Het afvloeiende water is zwart of rood en sterk tanninehoudend. Langzamerhand zal, als de regens den grond hebben uitgewasschen, het water helderder worden. Weldra zal dan het drooggelegde moeras geschikt zijn als bouwgrond; het dichte woud zal verdwijnen, en nieuwe velden zullen op de overblijfselen zich uitbreiden.

Te Koeala Besilan, waarheen wij ons vervolgens hebben begeven, is de administrateur, de heer Cosnac, een Franschman; hij ontvangt ons met open armen. Twee andere landgenooten van ons wonen in de buurt, en wij brengen in hun gezelschap twee prettige dagen door. Ze zijn vol werklust en energie. Zij rekenen alleen op eigen kracht en vragen niets van het bestuur, en mijn eenige ergernis is, dat dergelijke kolonisten op deze wijze aan onze eigen bezittingen ontrouw worden.

Dit geheele gedeelte van Sumatra geeft ons aldus een merkwaardig voorbeeld van een woest en zoo goed als verlaten oord, door menschelijke werkzaamheid binnen het vierde van een eeuw veranderd in een grooten tuin, zonder een van die heftigheden of misbruiken, die op koloniale ondernemingen vaak een zwarte vlek werpen. Wij zullen in de aangrenzende provincies een geheel tegenovergestelden toestand vinden, een oorlog, die nu al 27 jaren met onverbiddelijke strengheid gevoerd wordt tegen het rijk van Atjeh.

Reeds herhaalde malen zijn wij bij vorige reizen langs deze gevaarlijke kust gevaren; dezen keer zullen wij in het land binnendringen. Wij hebben vergunning gevraagd, om te Segli aan wal te gaan op de oostkust en over land Kota Radja en Olehleh te bereiken. Een klein adviesjacht haalt ons 26 Mei af en zet ons den volgenden morgen om tien uur aan wal bij den post te Segli.

Het koninkrijk Atjeh heeft oudtijds 't Oosten met zijn glorie vervuld. In de 17de eeuw verjoeg sultan Ibrahim, veroveraar van Pasei en van Pedir, de Portugeezen uit Sumatra en bracht den krijg over naar hun bezittingen op Malakka. In de tijdruimte van veertig jaar bombardeerden de atjehsche vloten vijfmaal de stad Malakka. In 1739 namen zij in de haven zeven portugeesche schepen, en de sultan zond als een bespotting de matrozen en de soldaten van de bemanning terug met afgesneden neuzen en ooren. Engeland en Frankrijk zonden toen gezantschappen naar Iskender Moeda, den nieuwen Alexander. Admiraal de Beaulieu heeft de pracht van het paleis, waar hij ontvangen werd, beschreven en de reusachtige citadel, welker omtrek meer dan een halve mijl groot was. Ook troffen hem de fabelachtige schatten van den sultan, de danseressen, behangen met edelgesteenten, de geweldige artillerie en cavalerie, de tweehonderd strijdolifanten en de driehonderd goudsmeden, die onafgebroken bezig waren, onschatbare gesteenten voor den vorst te ciseleeren. In het midden van die eeuw waren de atjehsche zeelieden de stoutmoedigste zeeroovers, die ooit de zeeën onveilig hebben gemaakt. Lang weifelden de Hollanders eer zij een oorlog begonnen, waarvan zij zich de moeilijkheden en bezwaren niet ontveinsden. Herhaaldelijk zonden zij naar Kota Radja gezantschappen, die door den sultan met beleedigende hoogheid werden ontvangen. Jaar op jaar werden handelsvaartuigen aangevallen en uitgeplunderd. In 1873 moest men den weg van vrede en overreding verlaten; de oorlog werd den 26sten Maart verklaard.

De eerste expeditie was niet gelukkig. De Nederlandsche troepen bestonden slechts uit vier bataljons en één batterij. Zij landden op 6 April te Kota Tjermin ten noorden van Olehleh, nauwelijks 3 1/2 KM. van Kota Radja verwijderd. Het terrein, door smalle, moerassige wegen doorsneden, lag vol dorpen, die beschermd werden door hooge heiningen van toegespitst bamboe. Den 10den stieten de Hollanders na een reeks bloedige gevechten op de versterkingen rondom de groote moskee en maakten zich er van meester. Toen ze genoodzaakt werden die te ontruimen, kwamen ze den 12den terug en drongen er opnieuw binnen, maar de hoofdbevelhebber, generaal Köhler, werd gedood, en den 17den April namen de Hollanders den terugtocht aan en scheepten zich weer in, nadat ze te vergeefs beproefd hadden, den omtrek van den Kraton, de citadel, te verkennen.

Den 7den December daaraanvolgende ging een geheele divisie, van 7000 man ongeveer, aan land op het Atjehsche kustgebied, niet ver van de monding der Atjehrivier. Er waren 45 dagen noodig voor de verovering van het terrein, dat zich tot den kraton uitstrekte. Men trok als blinden voort over den met hindernissen overdekten grond, met hoog gras of suikerrietvelden begroeid. Den 26sten December ontstaat er een verwoed gevecht. Het middelpunt der stelling, waartegen de Hollanders hardnekkig vochten, was een hooge verschansing, waarvan men den top flauw tusschen het struikgewas kon onderscheiden. Het bleek echter, dat de rivier er den voet van bespoelde en de sterkte scheidde van de aanvallers, op wie een vernietigend vuur werd gericht.

Tot op den laatsten dag was men niet zeker van de juiste ligging der versterking. De verkenningen, die werden gedaan, leidden er slechts toe, dat de uitgezonden manschappen in het dichtste kreupelhout plotseling besprongen werden door wilden met kris en klewang. Als woeste dwepers sloegen ze op de soldaten, en lagen ze geveld ter aarde, dan nog waren hun laatste stuiptrekkingen van bedreigingen vergezeld.

Generaal van Swieten had getracht, onderhandelingen met den sultan aan te knoopen. Een Javaan, Mas Soemo Wikidjo, offerde zich op, door zich met het overbrengen van een brief te belasten. Afschuwelijk gemarteld, werd hij begraven, vóór hij nog geheel dood was; met bovenmenschelijke inspanning werkte hij zich los uit zijn graf en sleepte zich naar de hollandsche linie, waar hij, bij de voorhoede aangekomen, den geest gaf.