Van Batavia Naar Atjeh Dwars Door Sumatra De Aarde En Haar Volk
Chapter 6
Wij dalen eindelijk door korte valleien naar een terrein van leisteen, waar het pad afschuwelijk glad is. Het land is verlaten. In de diepten en op de bergtoppen groeit het woud met volle kracht. Maar ter halver hoogte ziet men hier en daar een voetpad; vuren of woudbranden, ontstoken door de inboorlingen, hebben er niets overgelaten dan struiken en hoog gras. Onze achterste dragers steken in 't voorbijgaan die jungle in brand. De roode vlam loopt langs de hellingen; de dikke rook stijgt in groote kringen op, het bamboes knapt, als of het ontploft, en onze Maleiers leggen eene kinderlijke vreugde aan den dag, als zij de verraderlijke doornstruiken zien verdwijnen, waarin des avonds zich de tijger verschuilt, om van daar uit zijn prooi te beloeren.
Tallooze apen van verschillende soorten bevolken de kleinste boschjes, en hun geschreeuw gaat ons voor en vergezelt ons. Wij komen te Kota Alam, een onder palmen verscholen dorpje aan een mooie rivier, die met ondiepe bedding over steenen dartelt. Wij zijn bijna juist onder den evenaar. Het dal wordt afgesloten door bergen, die de zonnestralen terugkaatsen. Wij rusten in de hitte dan ook eenige oogenblikken in een hut en drinken met graagte het heldere, frissche, suikerhoudende water van de kokosnoten.
Weer volgt er, als wij het gehucht hebben verlaten, een pas. De Soengai Alam heeft zich in den zachten zandsteen een diep dal uitgegraven. Reuzenblokken, keurig afgeslepen naar regelmatige vormen, brengen afwisseling in de loodrechte lijnen der rotsen; de zwarte schaduwen, die zij werpen, lijken op zware, kolossale architraven. Gapende spleten geven toegang tot galerijen in het gebergte. Een groep van titanische bouwwerken is hier onder een schitterende zon geheel met een groen kleed behangen. Bij 't verlaten van het dal komen we op een golvende hoogvlakte, met struikgewas bedekt, en een vrij goede weg over een rooden, harden bodem brengt ons te Kota Baroe.
Kota Baroe ligt aan de Soengai Mahé. Een controleur had er zijn standplaats vóór de expeditie der Lima Kota, en zijn huis, dat zeer geriefelijk is ingericht, staat 5 à 600 M. van de rivier verwijderd op de eerste heuvels aan den rand der jungle, buiten het bereik der overstroomingen. De tijger zwerft 's avonds in den omtrek rond, en zoodra de zon achter de bergen ondergaat, hoort men in de verte de rauwe kreten van het jagende roofdier.
Wij vertrekken den volgenden dag in booten. Het opbreken vordert langzaam. Het zal moeilijk gaan, ergens wezens aan te treffen, die slapper en trager en langzamer zijn dan de Maleiers uit deze streken. Zij schijnen de indolentie van de Oosterlingen te voegen bij het phlegma van de Hollanders, en men vindt in deze landen buiten kijf de nonchalantste kleurlingen en de luiste inboorlingen. Wij zijn reeds op bij het aanbreken van den dag; maar het is acht uur eer wij kunnen vertrekken en de bijeengebrachte bagage eindelijk in de booten is gebracht.
De rivier is een zestigtal meters breed en stuwt in diepe bedding een snelvlietenden stroom voort tusschen verlatene, met bosch begroeide oevers. Van tijd tot tijd doet een plotselinge vernauwing of een rotsmassa in den stroom een versnelling ontstaan. Het kookt en bruist daar, en de stuurman heeft moeite de boot door den nauwen doorgang te voeren; de voorsteven plonst in het schuim, nevels stijgen op, en onze roeiers zetten de beweging der riemen voort in een stille kom, waar 't kalme water vreedzaam sluimert tusschen de rotsen.
Wij dalen vlug door het woud; de laatste boomen buigen hun takken naar de rivier, waarin hun wortels zich baden. Men ziet niet anders dan dit eerste gordijn, niets dan lianen, die zich om elkander heen strengelen, en de rijzige stammen, die loodrecht oprijzen. Troepen apen springen vroolijk van tak op tak en zien ons komen; maar dan, door een plotselingen schrik overmand, springen ze weg en vluchten in het dichtste kreupelhout. Het is mooi weêr en in de groene galerij, waar wij door varen, verfrischt ons een aangename koelte. De blauwe lucht straalt over de boomen op den top der rotsen, en groote, roode arenden vliegen op met breeden vleugelslag, beschrijven cirkels in de lucht en blijven boven onze hoofden zweven.
Tegen half één komen wij te Moeara Mahé bij de samenvloeiing van de Soengai Mahé met de Kampar. Er wordt ons verteld, dat wij dienzelfden avond te Bengkinang zullen kunnen zijn, om daar te logeeren, maar de schatting van de afstanden is zeer uiteenloopend en verschilt van een enkelen tot een drievoudigen afstand. Er zijn er, die beweren, dat wij er in drie uren kunnen zijn, en anderen zeggen, dat we tien uren noodig hebben. In die omstandigheden is het verstandiger, tot morgen te wachten. Bovendien is onze bagage nog niet aangekomen; wij hebben niet gegeten, en die ceremonie mag toch niet worden overgeslagen.
Op den oever der rivier staat een ellendige hut, omringd door een hooge bamboe-palissade. Er zijn een rieten dak, een houten vloer en wanden van boomschors. Binnen rusten een paar ruwe bedden van gezaagde planken op schragen, een dikke laag stof bedekt de muren en den vloer, en er kruipen verschillende insecten rond, die wij eerst moeten verwijderen. Ieder doet mee aan die jacht, en wij gaan op een klopjacht tegen een monsterachtigen duizendpoot, waarvan het lijk, toen wij de maat namen, 22 c.M. lang is.
Ik beproef, 's avonds op de echte jacht te gaan, hoewel de kneuzingen van mijn val van gisteren nog zeer pijnlijk zijn. Achter het huis gaat de weg langs, die naar Batoe Bersoerat leidt en verder naar Batoe Gadjah aan de Taboeng Keri; dien volgde ik eenige kilometers ver. Dicht jungle bedekt de streek, en ik kan nergens een pad vinden en geen enkel spoor, dat er binnen leidt. Ik weet niet, of het wild schaarsch is of dat het er zich overvloedig ophoudt; mijn gidsen beweren, dat er herten zijn en wilde zwijnen in grooten getale. Ik tref het dan al heel ongelukkig, of brengen ze mij niet op de plaatsen, die het best geschikt zijn voor de jacht? Ik hoor noch zie iets. Een diepe stilte zweeft over het woud, en ik kom druipend van zweet thuis, zonder één schot gelost te hebben.
Het vertrek den volgenden morgen gaat wat vlugger dan den eersten dag. Wij steken de Kampar over, om dadelijk aan den overkant onzen weg te vervolgen. Er is bij de samenvloeiing zelve een stroomversnelling of liever een waterval, waar de roeiers niet door willen gaan, zonder dat ze eerst de lading aan wal hebben gebracht. Dus moeten we onze pakken en kisten transporteeren tot beneden aan de watervallen. Wij vinden er een alleraardigst bootje met een dek en met een lichte zonnetent aan de achterzijde. De controleur van Bengkinang heeft het ons toegezonden. De andere booten, met kracht geroeid, schieten als pijlen tusschen de rotsen door, waar het woedende water schuimt en opspringt; ze scharen zich daarna langs den wal en wij zetten den tocht voort. Het is hetzelfde landschap als gisteren; dezelfde opeenvolging van vernauwingen en verwijdingen. Spoedig wordt echter het geheele dal breeder; de stroom krijgt een rustiger karakter; maar er verrijst weer een lijn van heuvels vóór ons, en daarna nog een, en de rivier, die er zich een weg doorheen baant, rijst en schuimt en slaat met kracht tegen de rotsen.
Dit zijn de laatste golven van den oceaan van bergen, die hier dichtbij zijn einde vindt, daar waar de aanvang is der oneindige vlakte. Wij krijgen te Poeloe Gedang andere roeiers. Er was daar bij het dorp een post, die er gevestigd werd ten tijde van de expeditie tegen de Lima Kota, en dien men opgegeven heeft na de stichting van Bengkinang. Er is niets van over dan enkele ellendige hutten en aan den oever der rivier een koepeltje, waar de commandant waarschijnlijk des avonds een hypothetisch koeltje ging opvangen. Dichtbij Poeloe Gedang woonde de Europeaan, dien de menschen uit Lima Kota verleden jaar hebben vermoord. Hij was prospector en werd uitgezonden, om te onderzoeken of er goudmijnen waren. Hij gedroeg zich, naar het schijnt, wreedaardig en leidde een losbandig leven, hetgeen de Hollanders eenvoudig hieraan toeschrijven, dat hij een Engelschman was. In zijn woning werd hij 's nachts overvallen en met bijlslagen letterlijk doodgehakt.
Boven Poeloe Gedang volgen wij nog één of twee kilometers ver den voet der heuvels en komen dan op de vlakte uit. Ik wacht noch voortdurend op het echte oerwoud, dat woeste, majestueuse, dat mijn voorkeur heeft; maar ik vind langs de oevers slechts kleine, grazige hoogten en de grens van het bosch wijkt aan beide zijden ver terug, zoodat men maar nauwelijks hier en daar de toppen van de boomen kan onderscheiden. Wij overschrijden de grenzen van de Lima Kota, en bereiken het eerste dorp.
De Lima Kota zijn een samenvoeging van vijf districten, Koeok, Salo, Bengkinang, Air Tiris en Roembio. Het grootste van die districten, dat van Bengkinang, wordt bewoond door ongeveer 4 à 5000 inwoners. In ieder gehucht zijn de huizen geplaatst langs de rivier en liggen verspreid over een smalle strook gronds, die met kokospalmen beplant is. Daarachter verbouwen de Maleiers rijst op hun niet al te goed verzorgde rijstvelden, en verderop strekt zicht eindeloos ver het bosch uit. Er zijn in ieder dorp een zeker aantal datoes of edelen, die maar over betrekkelijk weinig invloed beschikken, en als er niet voortdurend strijd was tusschen de naburige kota's, zouden de menschen hier in een staat van zorgelooze anarchie kunnen leven.
Te Salo ontmoeten we den controleur en den kapitein van de troepen te Bengkinang, die ons te gemoet zijn gereisd, en om één uur komen we bij den post aan. Op den oever staan, op een rij, het huis van den controleur, dan dat van den dokter, den kapitein, den luitenant. Alle woningen, op palen gebouwd, twee meter ongeveer boven den grond, zijn vrij geriefelijk ingericht, maar de soldaten zijn in zeer treurige hutjes ondergebracht. De inlandsche soldaten wonen in maleische hutten, en daar er onder hen getrouwden zijn, heeft men voor hen onder de woningen op den grond kleine verblijven ingericht, afschuwelijk laag en nauw, waar zij toch met genoegen schijnen te huizen; maar die verscheiden dieren hardnekkig zouden weigeren te betrekken. Het is echter slechts een voorloopige maatregel, en men gaat er weldra verbetering in brengen.
Bijna alle officieren zijn getrouwd, en ondanks de eenzaamheid van dezen post en den primitieven toestand van het land, hebben hun vrouwen hen vol heldenmoed gevolgd. Het leven is er niet vroolijk, dat is waar; maar ieder aanvaardt het zonder zich te beklagen, en daar men er goede, moreele toestanden heeft, is de gezondheidstoestand ook voldoende.
Onze komst is nog al een gewichtige gebeurtenis. Men heeft ons huisvesting aangeboden, zoo goed en zoo kwaad als het ging in een klein vertrekje, en te recht heeft men ons geen geriefelijker, prettiger kamers afgestaan, want wij zijn slechts doortrekkende reizigers, terwijl de anderen hier blijvend zijn. Onze beide bedden, geplakt tegen den wand van boomschors, vullen onze geheele ruimte, en de zon, die door breede spleten binnenschijnt, maakt er een gloeienden oven van, waar wij bij de siësta op de matten liggen met brandend hoofd en kloppende aderen, door ons oververhitte bloed.
Des avonds brak er gelukkig een onweêr los van ongehoorde hevigheid; de wolken, door den stormwind voortgedreven, barstten en goten een waren zondvloed uit. De door de bui verlaagde temperatuur staat ons dan toe, zonder al te groote vermoeidheid deel te nemen aan den copieusen maaltijd, ons door het garnizoen van Bengkinang aangeboden.
Den volgenden en den daarop volgenden dag gaan wij verder de Kampar af. De rivier beschrijft veel bochten door een vlakke streek van hopelooze eentonigheid. Yan tijd tot tijd beschut een boschje van palmen op den oever eenige verspreide hutten, en dan volgt het bosch, niet dicht hier, maar nogal schraal en afgebroken door moerassige vlakten, waar buffelkudden grazen. Het traagvloeiende water loopt om zandbanken heen, waar krokodillen lange sporen hebben achtergelaten; maar te vergeefs tracht ik die leelijke dieren te zien te krijgen en te schieten. Toen de roeiers vroegen, of ze een weinig rust mochten nemen, legden wij aan bij een dorp. De Maleiers zien ons nieuwsgierig aan, maar leggen in het minst geen vijandelijke stemming aan den dag.
Het is ons intusschen niet mogelijk, levensmiddelen te koopen. Wij hadden gehoopt kippen en eieren te krijgen; maar wij moeten ons tevreden stellen met rijst en ingemaakte dingen. Onze bedienden maken een afschuwelijk smakend maal gereed, waarvan rijst en kokosolie hoofdbestanddeelen zijn en dat wij toch maar inzwelgen, gekruid met een massa specerijen. Zoo geeft iedere maaltijd aanleiding tot hevigen dorst, dien wij niet durven lesschen met het slijkerige water der rivier.
Wij hebben den nacht van den 5den Mei gesleten in de woning van den radja van Tambang. Dat hooge personnage is afwezig; hij is sinds eenige dagen op reis naar Siak; maar te oordeelen naar het paleis, dat hij bewoont, is hij niet een van die pompeuze opperhoofden, waarmee de verhalen uit het Oosten opgesmukt zijn. Zijn huis is in niets verschillend van die zijner onderdanen. Het is een nauwe en vuile hut. Onze vier legersteden, want de controleur van Bengkinang is met ons gegaan, staan in het eenige vertrek, dat er geheel door wordt ingenomen, zoodat wij om beurten naar bed moeten gaan en opstaan. Vóór het huis staat de baleh-baleh, een lange bank, waar, op de dagen van den Grooten Raad, de datoes van Tambang voor hun beraadslagingen samenkomen. Op den oever staan op een plank, tegen een kokospalm gespijkerd, in 't Maleisch de naam en de titel van dit oord te lezen.
Den 6den Mei, om één uur in den namiddag, zijn we te Teratak Batoe gekomen. Van dat dorp gaan alle booten uit, die de Lima Kota en de Goenong Sahilan van levensmiddelen moeten voorzien. Het binnenvaren van de Kampar is zeer moeilijk voor de jonken, komend uit Singapore. De rivier ligt vol zandbanken, die bewegelijk zijn en zich snel verplaatsen en bij vloed is het er een zeer gevaarlijk vaarwater. Zelden waagt een boot het, de bank over te varen. Alle handel gaat langs de rivier de Siak, die beter bevaarbaar is en wel tot aan de samenvloeiing van de beide Taboengs.
Gewoonlijk worden de goederen ontscheept te Pekan Baroe en daarna op den rug van koelies naar Teratak Batoe gebracht. Wij zullen morgen denzelfden weg in tegenovergestelde richting volgen. Het is een vrij druk dorp en wij kunnen er zonder bezwaar ons van dragers voorzien. Den 7den nemen wij bij het aanbreken van den dag afscheid van den controleur van Bengkinang, die weer naar zijn post terugkeert en wij maken ons tot het vertrek gereed. De etappe is niet bijzonder lang, slechts 20 KM., maar wij willen graag ter plaatse zijn vóór het te warm is. Wij doen ons best, de koelies bijeen te krijgen. Ze komen één voor één aanzetten, zonder zich te haasten, en ieder kiest zijn pak. Er komen daar eindelooze twistgesprekken uit voort, en niet eerder dan acht uur zijn ze er mee gereed.
Eindelijk zien wij den laatsten man verdwijnen, die op zijn hoofd al pruttelend het zwaarste van onze valiezen draagt, hem door de anderen overgelaten. Wij gaan op onze beurt uit Teratak Batoe. Om wat tijd te winnen, gaan we eerst per boot op weg. Wij volgen in zeer kleine bootjes een arroyo, dat is een soort van smal kanaaltje, dat zich in het onder water staande woud verliest. Zoo varen wij vijf kilometer ver door een berceau van boomen en slingerplanten. De doorgang is nauwelijks drie of vier meter breed. Knoestige stammen reiken over het water, en wij buigen de hoofden en de ruggen, om ons niet te stooten.
De roeiers bewegen kalmpjes de pagaaien naar rechts en links; het oog dringt door onder een donker gewelf, waarin dicht opeenstaande zuilen van allerlei afmeting en allerlei vorm uit den grond oprijzen, waar een vaal, rottend plantenkleed gespreid ligt. Een volkomen stilte heerscht in het woud. Men hoort noch het lied van een vogel, noch 't geluid van een insect. De boot glijdt zonder moeite over het zwarte water. Bijwijlen verlicht een plotselinge helderheid de veelkleurige kleedingstukken van de roeiers der eerste boot, en de bedding der arroyo, met groen mos bedekt, verspreidt glanzen als van fluweel. Dan op eens zijn we weer in de schaduw. Dezelfde fantastische omgeving volgt ons een heelen tijd en 't is, of we in een tooverwereld zijn, waar alle echte leven ontbreekt. Het komt ons voor, dat het dorp, dat we nog zoo kort geleden hebben verlaten, nu van ons gescheiden is door een onmetelijk wijde vlakte. Dit is een wereld buiten ons; domein der plant, en de menschen, eenzaam en alleen in deze groene wereld, komen zwijgend onder den indruk der souvereiniteit van het woud.
Nu gaan wij in den brandenden zonneschijn verder. Het harde gras breekt bros af onder onze schreden en slaat ons nu en dan in het gezicht. Aan beide kanten hebben herhaalde branden den grond bedekt met zwarte resten van boomen. De vlammen hebben hun verwoestingen niet zeer ver uitgestrekt. Zij hebben hun eind gevonden aan den voet van den groenen muur in de laagte, daar, waar de sappen door de takken dringen en van de groene twijgen in lange slingers de lianen afhangen. Het voetpad, dat zachte golvingen vertoont, stijgt over een heuvel en loopt dan verder 't woud in. Omgevallen boomstammen liggen op den weg, half ondergedompeld in het dikke, vuile slib. Men loopt hier angstig en aarzelend en zoekt van boom tot boom naar vaste steunsels voor den voet. Het is zwaar werk, zulk een tocht in de overweldigende hitte. Geen enkel zuchtje beweegt de bladeren en een warme wolk hangt boven den grond.
Inboorlingen komen ons tegen, moeilijk loopend met zware lasten op het hoofd. Wij nemen wat rust bij een hut aan den rand van het bosch, onder hooge palmen. Onze gidsen brengen ons kokosnoten. Met een enkelen slag van hun mes slaan zij er een stuk van de groene schil af, ontblooten het hout en in het inwendige doet zich het doorschijnende vocht nog helderder voor, doordat het witte ivoor van 't vruchtvleesch zich er in spiegelt, en wij drinken met lange teugen den heerlijken, frisschen drank.
Wij vertrekken; bij een bocht van het pad zien we tusschen 't hooge gras een troep reizigers haastig op ons afkomen. Een van hen draagt den witten helmhoed van de Europeanen, 't Is de controleur van Siak, die ons tegemoet komt. Wij zijn dichtbij het doel, en van een kleine hoogte overzien we de rijstvelden rondom Pekan Baroe. Het dorp is niet anders dan een straat, die loodrecht op de rivier staat. De palen, die de laatste huizen schragen, staan met hun voeten in het natte slijk, dat bij hoog water overstroomd is; de straat zelve is met een houten vloer bedekt, die tot de aanlegplaats door loopt.
Pekan Baroe is een belangrijke marktplaats. Er wordt een vrij levendige handel gedreven in boschproducten, en die handel is bijna geheel in handen der Chineezen. Men vindt die menschen overal, in alle huizen, sommigen rustig hun lange pijp rookend, anderen druk, bewegelijk en met duizend kleinigheden bezig. Enkelen van hen zijn aan de rivier bezig, met hun hielen ballen guttah percha te kneden; ze houden zich met beide handen vast aan touwen, bevestigd aan de zoldering van een loodsje en balanceeren op lachwekkende, gehaaste manier.
Een stoomsloep brengt ons naar Siak. De vloed komt op, en wij varen langzaam tegen den stroom. De rivier biedt een treffende tegenstelling aan met de Kampar; zij heeft niet de grillige bochten en zandbanken en de gele leemen wanden van de bedding, aanhoudend ondermijnd door den stroom. Neen, de rivier, de Siak, vloeit recht naar zee; het zeer diepe water is sterk bruin gekleurd door de tannine van de vele wortels, die erin ondergedompeld zijn. Bosch bedekt de oevers en daalt tot het water af, waar het zich even in waagt, en een lijn van rietstengels en pandanen is vooruitgeschoven, half onder water staande. De onvruchtbare en gele grond is nergens te zien; er is geen rots, geen eiland te bespeuren; de rivier opent door het bosch een statigen weg.
De boomen spiegelen zich in het kalme water met verrassende duidelijkheid. Het geheele landschap vertoont slechts drie kleuren, 't roodachtig bruin van 't water, het donkergroen van 't woud, het diepe blauw van de lucht. Het is zeer helder weder. De zon gaat snel onder; de maan komt op; een streep van vlammend licht loopt over de rivier, waar wij een spoor doorsnijden, dat met vreemde lichtsprankels flikkert. In den maneschijn dreef de rivier zilveren golfjes voort; er hangt een lichte nevel, die de boomen teeder omhult, terwijl die laatste even huiveren onder het lauwe koeltje, dat uit zee komt. Tegen elf uur worden in de verte enkele lichten zichtbaar, roode punten op de hoogte van het water. Wij gaan in een wit, eentonig licht verder, dat rustig de stad, de rivier en het slapende woud beschijnt.
De sultan van Siak was oudtijds een machtig souverein. Twee eeuwen geleden strekte zijn gezag zich uit over Asahan, Langkat en Deli. De afstammeling van die doorluchtige vorsten heeft ons onder een soort van loods de graven van zijn voorouders laten zien, van wie één, Achmed de Groote, zelfs het machtige koninkrijk Atjeh onderworpen heeft. Hij bestuurt tegenwoordig niet anders dan de armoedige, bijna verlaten streek, die besproeid wordt door de beide Taboengs.
Hij woont in een paleis, dat in moorschen stijl is gebouwd en op eenigen afstand der rivier in een tuin staat. De meubels, door de eene of andere duitsche firma geleverd, zijn van een formidabel slechten smaak; in den grooten salon ziet men kristallen fauteuils met kussens van rood fluweel, en alles weerkaatst het felle licht, dat binnenstroomt door breede vensters, waar zware gordijnen naast hangen. Portretten van den sultan hangen aan de muren; hij is in europeesche costumes voorgesteld. Op deftige ontvangdagen draagt hij de uniform van generaal met zeer veel goudborduursel. Hij is eenige jaren geleden naar Europa gegaan en heeft zijn portret laten maken in elke hoofdstad, die hij met een bezoek vereerde.
Aan Parijs heeft hij een ontroerende herinnering behouden. Hij vertelt mij van de wandelingen en rijtoeren, die hij er gedaan heeft en van de mooie vrouwen, die hij er heeft ontmoet, en zonder twijfel zijn de vrouwelijke bekenden, die hij er heeft gekregen, door zijn raadgevers in groote naïveteit gekozen, want hij beklaagt zich erover, dat hij ze niet altijd belangeloos heeft bevonden. Ik vraag den sultan, of hij niet binnen kort weer een reis naar 't Westen gaat ondernemen, maar hij zucht eens en legt mij uit, in hoe slechten staat zijn financiën zijn, die hij vergelijkt met de verbazend hooge inkomsten zijner neven, de vorsten van Langkat en Deli. Hij hoopt, dat eens een paar op avonturen uitgaande kolonisten uit den ondankbaren grond, dien hij bezit, heerlijke plantages zullen tooveren of ongehoord rijke mijnen, en op dien dag zullen zijn opgestapelde schatten hem vergunnen het leven te leiden, dat hij wenscht. Hij begunstigt dan ook uit al zijn macht de ondernemingen en de proeven der nederlandsche regeering.
Siak viert op dit oogenblik feest. De sultan huwt twee zijner nichtjes uit, en talrijke bezoekers zijn gekomen uit alle kleine staten, die verspreid zijn langs de kusten van Malakka en Sumatra. De stad is gebouwd op den linkeroever der rivier; het is een groot dorp, welks bewoners enkel leven van de boschproducten en de mildheid van den vorst. De controleur en de luitenant die bevel voert over het kleine garnizoen, zijn gevestigd op den rechteroever, en de rivier stuwt haar golven tegen de smalle reeks van woningen.