Van Batavia Naar Atjeh Dwars Door Sumatra De Aarde En Haar Volk

Chapter 5

Chapter 53,892 wordsPublic domain

De contrôleur van Manindjoe had vooruit bericht gekregen van onze aankomst. De buitengewone vriendelijkheid van zijn ontvangst doet ons al heel spoedig onze minder aangename ervaring vergeten, en daar wij het betreuren, dat we van het mooie landschap door den mist slechts zoo weinig hebben kunnen waarnemen, haalt hij ons over, tot den volgenden dag te blijven. Bij het opgaan der zon zullen wij van een helderen hemel genieten, en dan zullen wij dus het meer in verschillenden tooi kunnen zien. Wij nemen het vriendelijk aanbod aan. Een bediende wordt naar Matoea gezonden, om onze bagage te halen. We brengen den namiddag door in een aangenaam dolce far niente, waarop de lange rit van des morgens ons ook wel eenig recht geeft. Het heeft opgehouden met regenen. Wij doen een klein roeitochtje op het meer. Het diepe, onbewegelijke water opent zijn afgronden onder ons, en het is zoo helder, dat, als men zich over den rand van 't bootje buigt, men diezelfde lichte, niet onaangename duizeling gewaar wordt, die men ervaart bij 't neerzien in de diepte vanaf een groote hoogte.

De avond valt, een heerlijke avond van een uitgezochte stilte; slechts enkele roodachtige strepen kleuren 't effengrijze kleed van den hemel. Het meer slaapt in, en zijn rust wordt door niets gestoord; geen zuchtje wind, geen kreet, en alleen een paar beschroomde lichtjes stralen langs de oevers onder de hooge palmenzuilen.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag hebben wij Manindjoe bijna met een gevoel van leedwezen verlaten. Wat zou men in dit rustig stralend paradijs, deze welriekende, zachte lucht een liefelijk en zoet bestaan kunnen leiden! Geen enkel hoekje van de wijde wereld heeft mij nog ooit zoo sterk het gevoel gegeven van een vredig geluksbestaan en volmaakte rust.

Wij stijgen langzaam en komen weldra buiten de schaduw, door de hooge boomen geworpen. Aan onze voeten breidt zich een bosch van kokospalmen uit, en met een regelmatige beweging wiegelen zich de lange palmboomen. Het is helder weêr; de zon bestraalt de bergen en het meer. Nu ziet men de watermassa in haar volle uitgestrektheid. De zuidelijke oever schijnt woest en eenzaam; de bergen en het bosch sluiten onmiddellijk aan bij het meer, dat hier het diepst is, en waarin vooruitspringende deelen van 't gebergte kapen vormen.

Tegenover ons opent zich een spleet, alsof men met een bijlslag een opening in 't gebergte had geslagen en daar, op die plek, vloeit het overtollige water in watervallen naar beneden. Aan beide zijden van den nauwen doorgang liggen twee eilandjes als wachters. In het Noorden daarentegen breiden zich gouden velden uit langs zachter hellingen tot aan den zoom van het woud. Het meer ligt in de bergen gevat als een saffier in een juweelkistje, waarin verscheiden kostbare steenen. Op de oppervlakte van het water tintelen enkele gouden strepen. Hier en daar wekt de zon een weerschijn op het metalen dak der huizen, die verspreid liggen in 't groen.

De weg loopt soms langs zulke steile hellingen, dat men vlak onder zijn voeten den afgrond ziet, waarin het blauwe water dartelt. De gansche omgeving spiegelt zich in den helderen hemel. Maar op eens beginnen witte nevels te rijzen; er gaan schaduwen over de oppervlakte van het meer, welks wateren een zwarte tint aannemen, 't Is of zij beven onder de vurige liefkoozing der zon. Als wij boven op den top van den berg zijn aangekomen, stralen in 't schitterend licht nog de heldere kleuren van de rijstvelden, terwijl in het Zuiden alles ligt gedompeld in een geheimzinnigen nevel, contrast van zeldzame, indrukwekkende schoonheid.

Wij schenken nog een laatsten blik aan dit onvergelijkelijk heerlijk beeld; dan blaast een gure wind over de randen van den krater, en wij spoeden ons terug naar Matoea en naar Fort-de-Kock. Het onweêr dreigt, en op den steilen weg, die opgaat boven de Si Anoq, zetten wij onze paarden aan, om de stortbui nog te ontgaan.

Bij onze aankomst te Fort-de-Kock vinden wij in het hôtel een inlandsch hoofd, den laras van Soengai Poear, die op verzoek van een onzer vrienden de taak op zich heeft genomen, ons uitstapje naar den Merapi voor te bereiden en gidsen en dragers te huren.

Den volgenden dag zijn wij tegen den middag naar Soengai Poear vertrokken en hebben daar een déjeûner gebruikt. De laras zet ons een uitstekenden maaltijd voor, waarbij wij wel speciaal melding mogen maken van de geurige gerechten, bereid van gedroogd hertenvleesch en op de aangenaamste wijze gekruid.

Een mijner medereizigers is te Fort-de-Kock gebleven. Hij heeft een wonde aan den voet gekregen, en daar die nogal ernstig lijkt, heeft hij zichzelven rust opgelegd. Dus zijn we maar met ons tweeën, en wij ondernemen de bestijging om drie uur in den namiddag. Wij zijn op 1100 M. hoogte, en wij moeten den nacht doorbrengen in een hut op een hoogte van ongeveer 2000 M. De weg is eerst vrij goed; maar weldra hebben wij het eind ervan bereikt, en nu gaat het verder over een wreedaardig moeilijk, steenachtig pad, dat al steiler wordt, naarmate wij hooger komen. Om half zes hebben we eindelijk het doel bereikt en gevoelen ons doodmoe. De nevel heeft zich verspreid, en wij zien onder ons lange gelijkmatige, kale hellingen en dan, nog lager, koffie-aanplantingen rondom Soengai Poear en in de verte Fort-de-Kock.

De koude nacht gaat rustig voorbij. Vóór het dag is, ben ik op en begeef mij weer op weg. In langen tijd is er niemand door deze jungle getrokken, vol varens, en verraderlijke slingerplanten, vol ook van grassen, die snijdend scherp, en van struiken, die zwaar gedoornd zijn. Hier en daar is het voetpad geheel verdwenen, en de gidsen gaan het terugzoeken; sluipen, plat op hun buik liggend, onder de struiken door en maken met hun kapmessen een smallen doorgang. Verraderlijke kuilen gapen onverwacht, en telkens zinkt de voet in 't ledige weg, waarna men een buiteling maakt in het natte gras. Het is nog geen dag, en er schitteren nog enkele sterren. Als wij omkijken, zien we achter ons boven de vlakte witte wolken hangen.

Eindelijk, na anderhalf uur, verlaten wij het bosch en de struiken. Er ligt niets anders vóór ons dan de 200 M. hooge helling, waarlangs de puimsteen en de zwarte lavastroomen zijn gevloeid, die nu onder onze voeten in beweging komen. De bestijging gaat toch nog al snel, en wij zijn gekomen op een plateau, weer door een wal omgeven. Een tweede hoogte verrijst iets verder, en als men die over is, ziet men in een ondiepe kom, in het midden waarvan de opening is van den krater.

Het is een zwarte put met een middellijn van 200 à 300 M., en waaruit zonder geraas dikke dampen opstijgen. Ik loop er omheen. Naar het Zuiden is de kraterrand wat hooger en dunner, en een scherpe punt steekt boven de gapende diepte uit. Men komt daar langs een smalle trap, in het gesteente uitgehouwen, zoo smal, dat men zijn handen te hulp roept bij het stijgen, en vóór ik boven ben, houd ik even op. Aan weerszijden gaapt de afgrond; zwavelige dampen doen iemand bijna stikken. De enkele treden, die nog moeten worden afgelegd, zijn pas breed genoeg, dat ik er mijn voet kan plaatsen, en de vochtige kleverige grond biedt in 't geheel geen stevigheid. Ik ga weer eenige meters naar omlaag en rust uit op een smal plateautje, van waar ik een heerlijk panorama kan overzien.

Al spoedig breekt de dag aan. Een bleek schijnsel neemt bezit van den hemel. Een windzuchtje voert de laatste wolkjes weg; de vlakte richt zich op uit de schaduw, en 't is of zij bij 't lichter worden tot ons nadert. Dit is 't ontwaken. Verwarde geluiden worden al duidelijker en duidelijker, en de wind, die uit zee komt, voert de klanken van de diepe dalen tot ons. De hooge top, het hoogst gelegen punt van den Merapi, verbergt naar het Oosten dat deel van den horizon, waar de zon rood schittert. Het lijkt, of een smalle purperen band licht wordt, en op den top van den Singgalang tegenover ons teekenen de boomen zich tegen de lucht af.

Het licht neemt toe, het blonde licht; het neemt bezit van de dalen, terwijl beneden ons nog groote, zwarte schaduwen de bosschen vullen. In de verte zien we de zee haar kalme golven voortrollen, en al duidelijker worden de lichttintelingen, die erover spelen. Wij zien de bochten van het strand; en de schitterend witte lijn van zand wordt duidelijk zichtbaar vóór de donkere massa's groen. De bergen rijzen met hun groenen last van bosschen naar den hemel op.

De Anei-kloven openen zich, en de rivier trekt er een schitterende streep van schuim doorheen. De huizen van Padang-Pandjang liggen wit te midden van bloemperken. Het Singkarameer vertoont zich in het Zuiden, en de hoogten aan den rechteroever worden bestraald door de heldere zon, terwijl die aan den linkeroever in de schaduw blijven met hun scherpe kammen. De vlakte van Fort-de-Kock, bezaaid met dorpen, ligt uitgespreid vóór ons, met haar rijstvelden en haar kloven met hun witte wanden. Het stilstaand water op het land weerkaatst het licht als een metalen spiegel en beekjes schitteren met vluchtige heldere lichtjes. Een krans van bergen doet zich voor, de Tandikat, de Singgalang, waarop dunne, teêre boomen rondom een kleinen vijver staan; zoo lijkt de grillig omrande schelp, die het Manindjoemeer omvat houdt. Dan volgen de Ophirberg en de kalkbergen en wonderlijk gevormde rotsen van Pajacombo, en in het Zuiden in de verte de glorierijke Indrapoera, de reus van het eiland, die de groote vallei van Korintji beheerscht.

Aan mijn voeten daalt de donkere helling met violette tinten duizelingwekkend snel tot de eerste boomen van het woud. Er raken blokken los; zij rollen, springen voort en verdwijnen onder 't schaduwrijke boschgewelf. Aan den anderen kant opent zich de schrikwekkende muil van het monster; hij braakt geluidloos witte dampen uit, en de wanden van den krater zijn gestreept met gele lijnen van een zwavelkleur. Deze berg is heilig en wordt hoog vereerd. Hier, zegt de legende, verborgen zich de eerste menschen, toen ze vluchtten voor de wateren, waarmee de zondvloed de aarde overdekte. De woede van den Merapi heeft iets profetisch en iets goddelijks in zich. Als het "roode vuur" (Merah api = rood vuur) op den top van den berg ontstoken is, als de stroomen lava vloeien en de dorpen met de aanplantingen verwoesten, dan worden andere ongelukken, nog veel zwaarder rampen, voorbereid. In den tijd van den Padri-oorlog waren de uitbarstingen voor de Maleiers zekere voorteekenen van een nederlaag.

Er is nauwelijks een uur verloopen, nog maar zeven uur, en in den zonneschijn merkt men al, hoe het dagelijksch onweêr dreigt. Een nog onmerkbare nevel doet de omtrekken vervloeien en verzacht de tinten; een ongrijpbare damp breidt zich over het landschap uit. Plotseling ontstaan er dichte wolkenbrokken, alsof ze zoo op eenmaal, met één slag, geboren worden, geheel en al afgerond als reuzenblokken wit marmer. Zij breiden zich uit en stooten tegen elkaâr, om zich tot een geheel te vereenigen. De machtige adem van het woud roept hen in het leven.

Zoo ver het oog reikt, vloeien de wolkengolven, witter dan de onbevlekte sneeuw, en met den windstoot komen donkerder golven opzetten en vloeien op hun beurt met andere samen. Te midden van deze schitterende zee steken de toppen der bergen als eilanden omhoog; de aarde daar beneden is verdwenen, en de zon schittert nog voor ons alleen.

Dit schouwspel is niet nieuw voor mij. Ik herinner mij het uitstapje naar den Bromo en de witte nevels, uit den reuzenbeker van den Dasar opstijgend, evenals den krater, waarover ik mij heen gebogen heb en waaruit ik het doodsgerochel van het monster tot mij heb hooren opstijgen.

Maar wij moeten weg, ons in den nevel dompelen. Het dalen gaat nog moeilijker dan het stijgen. Op den gladden grond, bedekt met natte bladeren, kunnen de knieën bijna niet voort van inspanning. Wij komen, met slijk overdekt, in de schuilhut aan, waar mijn reismakker rustig op mij zit te wachten, en wij vervolgen den tocht naar beneden met onzekere schreden; soms vlug, door ons eigen gewicht getrokken, om eindelijk te Soengar Boeloe den trein te vinden, die ons naar Fort-de-Kock terugvoert.

Siak, 10 Mei.

Wij hebben Fort-de-Kock den 26sten April verlaten en zijn naar Pajacombo gegaan, over Padang-Pandjang en Fort Van der Capellen, dus in 't Zuiden om den Merapi heen trekkend. Onze tocht is zonder incidenten afgeloopen en liep langs uitstekende wegen, waarover onze karretjes rolden zonder eenigszins te stooten, hoewel de snelheid buitengewoon groot was. Koffietuinen breiden zich uit op de hellingen der bergen; rijstvelden en dorpen liggen, zoo ver het oog reikt, over de vlakte verspreid, en altijd hebben we tot Pajacombo hetzelfde eentonige, maar altijd schoone landschap voor oogen.

Wij hadden uit Pajacombo den eersten Mei moeten vertrekken, maar hebben er nog één dag langer moeten blijven. De reis, die wij willen doen, is, naar men zegt, nog al lastig en wij hebben niet zonder moeite ten slotte machtiging gekregen, om haar te ondernemen. Wij moeten door streken trekken, die nog niet geheel onderworpen zijn. De staatjes aan de oostkust zijn nog bijna alle onafhankelijk, en de Hollanders willen hun niet met geweld een gezag opdringen, waarvan ze niet gediend zijn. Zij beweren echter, dat men hun zoo duidelijk de voordeelen van het europeesch bestuur zal doen begrijpen, dat alle stammen één voor één uit vrije verkiezing zullen vragen, om ervan te mogen genieten.

Dit laatste nu gebeurt werkelijk dikwijls. Op dit oogenblik heeft zoo juist de radjah van Goenoeng Sahilan zijn onderwerping aangeboden aan den adsistent-resident van Bengkalis. De Nederlandsche regeering heeft die nog niet aangenomen. In alle dingen vermijdt zij overhaasting, die zou kunnen uitloopen op een langen, moeilijken oorlog in streken, die ongezond en dun bevolkt zijn. De aanbieding van den radjah schijnt onvoldoende; men wil buitendien nog de toestemming van het volk. Binnen enkele dagen zal de adsistent-resident van Bengkalis een bezoek gaan brengen aan den stam der Goenoeng Sahilan; hij zal dan de dorpshoofden bezoeken, zal hun ware bedoelingen trachten te leeren kennen en zal geen besluit nemen dan na rijpe overweging. Het zijn weer nieuwe kinderen, die men gaat aannemen, geen vijanden, die men onderwerpt.

De methode van zachtheid is echter niet altijd voldoende. Er zijn oproerige stammen, die soms op hollandsch grondgebied invallen doen. Zulk een feit heeft nog voor eenige maanden plaats gehad. De inwoners der Lima Kota hebben het huis van een Europeaan overrompeld, een prospector, en hebben den eigenaar vermoord. Men heeft toen een expeditie moeten ondernemen, te eerder wijl het slachtoffer een Engelschman was, en de bestraffing der schuldigen kon worden geëischt. Een sterke kolonne, uit Siak vertrokken, heeft de Lima Kota in de vorige maand November afgeloopen en legde een post aan te Bengkinang aan de Kampar.

Van de bovenlanden leiden vele natuurlijke wegen naar de oostkust. Van 't Zuiden te beginnen, heeft men eerst het dal der Batang Hari, welke rivier zich met de Korintji vereenigt, om de Djambi te vormen; dan de Indragiri, waarvan de Ombilien, die uit het Singkarameer komt, de voornaamste arm is; vervolgens de Kampar en dan ten slotte de beide Taboengs, de Taboeng Kanan en de Taboeng Keri, die zich vereenigen en de rivier, de Siak, vormen.

Wij konden noch het dal der Djambi, noch dat der Indragiri nemen, want men had ons op ons verzoek een formeele weigering doen toekomen. Het Kampardal werd als te gevaarlijk beschouwd, en te Batavia had men gemeend, ons geen machtiging te mogen verleenen voor een reis door een gebied, waarvan de pacificatie nog slechts weinige weken oud was. Bij gevolg hadden wij moeten besluiten, rechtstreeks naar de Taboeg Keri te gaan bij Batoe Gadjah en dan daarna naar Siak te reizen. Maar de adsistent-resident van Pajacombo gaf ons omtrent de toestanden in de Lima Kota zulke geruststellende berichten, dat wij besloten, nog eens weer ons reisplan te veranderen.

Pajacombo ligt aan de Sinamar, een zijtak van de Ombilien. De weg, dien wij zullen volgen, moet ons te Kota Baroe brengen, 45 K.M. ten noorden van Pajacombo en aan de oevers van de Soengai Mahé, zijtak van de Kampar. Van daar moeten wij in een prauw de Soengai Mahé, af varen en daarna ook de Kampar tot Bengkinang en Teratak Boeloe, dan over land naar Pakan Baroe gaan aan de Siakrivier en die laatste volgen tot Bengkalis.

Om dien tocht ongehinderd te kunnen volbrengen, hebben wij natuurlijk de inlandsche hoofden moeten verwittigen van onze komst, en tevens daarvan kennis geven aan den commandant van den post Bengkinang. Door een ongelukkig toeval, zooals er zich trouwens nog al eens voordoet, was de telegraaflijn, die Pajacombo met Bengkinang verbindt, gebroken en daardoor waren wij genoodzaakt, ons vertrek één dag te verschuiven.

Pajacombo is een zeer groot dorp, gelegen midden in een vrij uitgestrekte vlakte, waar kokospalmen groeien en waar rijstvelden zijn aangelegd. Hoewel de hoogte nauwelijks 500 M. bedraagt, is het klimaat er verrukkelijk. Rondom verheffen zich hooge bergen, en op de hellingen van den 2240 M. hoogen Sago heeft men te midden der koffietuinen een pasangrahan gebouwd, waar de inwoners van het plaatsje, als het noodig is, een koelere-luchtkuur kunnen doormaken. Zoo'n door de zorg van de regeering gestichte en door haar onderhouden pasangrahan is, wat in de engelsche koloniën het dak bungalow of het resthouse is.

De Europeanen zijn er niet zeer talrijk. Buiten den adsistent-resident heeft men er den luitenant-commandant van 't kleine garnizoen, een dokter en een veearts. De regeering heeft dichtbij de plaats een stoeterij laten aanleggen, een zeer eenvoudige inrichting, waar men geen dure gebouwen heeft gesticht zooals in andere landen. Alles heeft te zamen f 3000 gekost, maar de gebouwen zijn dan ook van hout en met riet gedekt. Er zijn twee-en-twintig hengsten van verschillend ras, sandelhouts van 't eiland Soemba, de grootste en de beroemdste, dan makassars en bataks, gekozen uit de beste dieren, en toch is hun gemiddelde prijs niet meer dan f 300. De hengsten zijn verspreid in de aan Pajacombo grenzende districten, en de plaatsen zijn zóó gekozen, dat de inspectie gemakkelijk in een paar dagen kan afloopen. De eigenaars der merriën ontvangen een premie, als de jonge veulens mooi en goed verzorgd zijn.

Er is slechts één Europeaan, een veearts, aan de stoeterij verbonden. De geheele inrichting en het personeel, dat erbij is aangesteld, kosten den staat niet meer dan f 800 per maand. De inrichting heeft uitstekende resultaten opgeleverd; zij bestaat nog slechts twee jaar en reeds zijn er rondom Pajacombo 270 uitstekende veulens geboren. 't Is waar, de Maleiers uit deze streken hebben altijd aan veeteelt gedaan, en hier is men niet op het dwaze denkbeeld gekomen, om een stoeterij te organiseeren in het land, waar noch weiden, noch paarden zijn, 't geen tegen alle gezond verstand in, wel eens geprobeerd is in andere, niet-hollandsche koloniën.

De markt te Pajacombo is een der drukste uit de geheele Padangsche Bovenlanden; wij kochten er wat proviand voor onderweg. Men ziet er een dichte menigte menschen, die veel leven brengt in de stad en veel vroolijkheid. Pajacombo is dan ook de meest gezochte post van heel Sumatra. Het klimaat had ik al te voren hooren roemen, evenals de schoonheid en beminnelijkheid der vrouwen.

Den 2den Mei om zes uur 's morgens, zijn we van Pajacombo vertrokken. In het Noorden wordt de vlakte afgesloten door een wal, die 1500 M. hoog is en dien wij moeten over trekken, om het bekken van de Kampar te bereiken. Verscheiden dalen dringen in het bergland door en voeren naar den top der bergen. Wij hebben eergisteren een tocht gedaan naar de Harran-kloven, een zeer nauwen doorgang tusschen hemelhooge bergwanden, waar schuimende watervallen zich langs nederstorten. Wij gaan vandaag door het dal der Ajer Poetih.

In rijtuigen worden we eerst naar Loeboek Bengkoeang gebracht, 12 palen van Pajacombo verwijderd (een paal is 1500 M.); daar stijgen we te paard en beginnen het steile pad te beklimmen, dat langs de zijden van het dal slingert. De grond bestaat uit ruwe conglomeraten en steile hoogten rijzen boven de rivier omhoog. Een menigte watervalletjes vallen dartelend neer in den helderen zonneschijn, en hun geraas, dat door de rotsen wordt weerkaatst, vult heel het dal. Hier en daar is een lichte hangende brug over de Ajer Poetih geslagen.

Een vrij dicht plantenkleed bedekt de hellingen, van de oppervlakte van het stroompje af tot op den top der hoogten. Wij komen langzaam vooruit op het pad, dat door de regens veel geleden heeft, en nu door ploegen Maleiers hersteld wordt. Na een uur komen we aan den top van den berg. Wij zien neer in de laagte, waar de rivier haar water uit ontvangt, een ronde kom, waardoor de Ayer Poetih grillig slingerend voortglijdt. Daar heb ik de dwaasheid, mijn paard op den slechten weg te laten galoppeeren! Het glijdt uit en valt op den houten vloer van een bruggetje. Mijn been komt onder het dier, mijn hoed rolt ver weg in de diepte van de kloof, en ik sta op met ernstige kneuzingen en een lange snede over den arm en het been.

Wij houden ons eenige oogenblikken op in een hut aan den kant van den weg. Het heet hier Oeloe Ayer. Wij zijn op een hoogte van 950 M. De pas, dien wij over moeten trekken, is op niet meer dan eenige honderden meters afstands, en wij zullen vlug dalen naar Kota Baroe op 20 K.M. van hier; we zijn daar slechts 66 M. boven het oppervlak der zee dus midden in den oven. Van af de pashoogte zien wij eerst vóór ons lijnen van achtereenvolgende heuvelreeksen, die langzamerhand lager worden, dan in de verte een zee van gebladerte, een oceaan van groen, donkergroen, dat in breede golven zich uitbreidt verder en verder tot aan den horizon.

Dit is het reuzenwoud, dat de vlakte bedekt en waar wij door zullen trekken. Van de helling der bergen te beginnen, gaat het voort tot op 250 K.M. afstands van hier, tot de oevers, die aan de straat van Malakka grenzen. Wij blijven eenige oogenblikken boven. Dit woeste, donkere landschap maakt diepen indruk op ons. Nergens is eenig spoor te ontdekken van de aanwezigheid of van de werkzaamheid der menschen. Geen stukje ontgonnen land, geen nog zoo klein rookkolommetje. Dicht opeengedrongen staan de boomen, die den ongebruikten, onontgonnen bodem bedekken en zonder twijfel zullen in hun schaduw gevaarlijke en dreigende dieren huizen. De dorst naar avonturen; de begeerte en 't verlangen naar nieuwe ervaringen; de drang naar het onbekende, zooals ieder dien in zich voelt; herinneringen van vroegere lectuur; de droomen, in de kindsheid gedroomd, alles wordt in ons wakker en dreigt ons te doen stikken. In de voorbijgegane eeuwen heeft dit trotsche woud domein veroverd, en niemand heeft het nog een voetbreed gronds betwist.

Geen weg voert door het woud, dan enkel de diepten, die de rivieren zich er hebben uitgeslepen; de zon, de moerassen en de koortsen zijn de schutsengelen van het woud. Zijn uur heeft nog niet geslagen, 't uur, waarop de menschen er met bijl en hakmes zullen binnendringen of met brandende toortsen. Ik zie in mijn verbeelding een nauwe, donkere, lage gang van groen, waarin de booten in de schaduw wegglijden. Morgen zal zoo'n boot ons meevoeren. Zoo droom ik, en mijn verbeelding maakt den droom aangrijpend en steeds indrukwekkender, misschien om de werkelijkheid te bederven.