Van Batavia Naar Atjeh Dwars Door Sumatra De Aarde En Haar Volk

Chapter 1

Chapter 13,751 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

VAN BATAVIA NAAR ATJEH

DWARS DOOR SUMATRA.

Naar het Fransch van F. Bernard.

Batavia, 7 April.

Morgen zullen wij uit Batavia vertrekken. Ik heb bijna den geheelen dag in de stad rondgeloopen, want ik wil het beeld van deze plaats diep in mijn geheugen prenten. Later zal ik onder den donkeren europeeschen hemel in den winter 't schitterend vizioen oproepen; dan zal ik de wandeling van vandaag nog eens overdoen en in de gesloten huiskamer, beschut voor den scherpen wind en den ijskouden regen, zal ik het indolente leven van dit schoone land opnieuw genieten.

Ik kom zoo juist na het gewone zware middag-maal uit het hôtel. De straten zijn ledig. De copieuse rijsttafel maakt de Europeanen suf; ieder gaat slapen of rusten in de ruime slaapkamers met een minimum van kleeding. De Maleiers zelf zoeken ook de schaduw en spelen of babbelen, neergehurkt aan den voet der boomen of op de steenen der verlaten galerijen. Een dos-à-dos, het ongemakkelijke, javaansche rijtuigje, voert mij zachtjes aan door de lanen. Hier is het Koningsplein; de groote grasvlakte breidt haar groen tapijt uit tot aan de lijn van mooie boomen vóór en rondom het Museum. De huizen zijn in 't groen verscholen; men ziet maar nauwelijks hier en daar een stukje witten muur of een groot, ingedeukt dak. Zelfs de winkels verbergen bescheiden hun uitstallingen in tuinen aan den weg.

Boven op een begroeiden heuvel ziet men de citadel van prins Frederik met de oude wallen en de steenen bijgebouwen, verscholen weer als een kostbaar sieraad in een étui van groen fluweel. De Tji Liwong slaat er een band omheen van rood oker. Dat riviertje, waarin kokospalmen, zich vooroverbuigend, spiegelen en waar prachtige bamboezuilen naast oprijzen, is zeer ongelijk van stemming. Wanneer de geweldige regens neerstorten op de flanken van den Salak en den Gedeh vullen plotseling de snelvlietende wateren de nauwe bedding. Oudtijds werden bij zoo'n aanval de benedenwijken van de stad met slijkerige golven overstroomd; maar thans is 't grillige riviertje beteugeld en tot rede gebracht; de sluis van pasar Baroe houdt 't niveau op behoorlijke hoogte; kanalen stellen de Tji Liwong bovendien met de Kali Baroe in gemeenschap en met de Krokot, en een wijde doorgang voert het heftig stroomende water rechtstreeks naar de zee.

Al die kanalen, natuurlijke en kunstmatige waterwegen, loopen door de stad. Dat van Rijswijk wordt ingesloten tusschen twee roode muren, en 's avonds gaan de javaansche vrouwen en meisjes er baden. Zij gaan langzaam langs de trappen naar beneden, de sarong, reikend tot onder de armen, bedekt de borst, en als de kabaja eenmaal is afgelegd, komen fijne, ronde schouders te voorschijn en fraaie, gevulde vormen. De Hollanders, die, als de zon onder is, lui langs den weg flaneeren, wijden niet veel aandacht aan het schouwspel, en amusant is het, de tegenstelling op te merken tusschen die wandelaars met hun bleeke gelaatskleur en flegmatieke bewegingen, in hun toegeknoopte europeesche kleêren, en de gebronsde inboorlingen, die, luidruchtig spelend, 't slijkerige water op doen spatten.

Nu, na den middag, is alles verlaten en stil. Boven de sluis breidt de rivier haar klaren, stillen spiegel uit. Het weêr is drukkend en de warmte hinderlijk. De schitterende zon werpt onbewegelijke schaduwen neer; de glinsterende bladeren bewegen zich niet en 't koeltje, dat strakjes naar de verre vulkanen melkwitte nevels voor zich uit zal stuwen, is nog niet opgestoken. Zacht word ik voortgereden, als door een tuin, tot Meester Cornelis. Dat is een voorstad van Batavia aan twee zijden van een weg, omzoomd met de prachtigste boomen. Hier ziet men de laatste uitloopers van de bergen. Verderop en tot aan Buitenzorg rijst de grond gestadig; men ziet geen scherpe kammen, geen vooruitspringende rotsen, geen indrukwekkende kloven, maar afgeronde, zachte vormen en lange hellingen, waar de rijstvelden als op groene terrassen tegen aan liggen.

Dit kalme land heeft nochtans tragische dagen gekend. Hier had in 1811 de beslissende slag plaats, waardoor de Engelschen met één slag het gansche eiland veroverden. De nieuwe stad Weltevreden, pas door Daendels in het leven geroepen, moest worden ontruimd, en men moest zich haasten, om in Meester Cornelis een versterkt kamp op te slaan, dat door zijn gebrekkige, voorloopige inrichting niet hardnekkig kon worden verdedigd.

Nu wij die herinnering hebben opgeroepen, doemt er een heldenhistorie uit het verleden op. Op dit wonderschoone land hebben allerlei veroveraars bij beurten het oog laten vallen.

Eerst waren het de Hindoes in de duistere tijden, door legenden aan de vergetelheid onttrokken.

Hadji Saka, vorst van Astina, komt aan wal op een woest eiland, Noesa Kindang, waar Raksasa's wonen, en fabelachtige zegepralen volgen hem op zijn weg. En plotseling verrijst het rijk Brambanan; prachtige steden komen als uit den grond op, en de "Duizend Tempels" verkondigen de grootheid van de nieuwe goden.

Het rijk valt uiteen bij den dood van den held; elk zijner zonen regeert over een provincie, en weldra zetten bloedige oorlogen tusschen de broeders heel Java in vuur en vlam. Zij duren door verschillende geslachten voort. Eens zocht Tandoeran, koning van Papajaran, door zijn broer verslagen en verjaagd, een schuilplaats in 't onmetelijk woud, dat groeit in de vallei van Kediri; drie trouwe dienaars hebben hem gevolgd; zij zullen voor hem de bittere vruchten van den modjoboom plukken en de vorst, door een orakel plotseling terecht gewezen, sticht op die verlaten plek de nieuwe hoofdstad Modjopahit, d.w.z. bittere boom. Dan volgt de snelle ontwikkeling; van alle zijden komen avonturiers zich scharen onder 't vaandel van den balling, het jonge koninkrijk breidt zich door schitterende triomfen uit, het reikt tot ver over de straten, die Java scheiden van de andere eilanden, tot aan Palembang zelfs en op de Menangkabo, en de vloten van Modjopahit zullen Singapore, de Leeuwenstad, zelfs gaan veroveren.

In de 15de eeuw had het rijk zijn hoogtepunt bereikt; maar de onderworpen volken sluiten zich aaneen tegen den overheerscher. Een sterke band, die van den Islam, sluit de bondgenooten vast aaneen, en het gebouw begint te wankelen, stort in en uit de versnipperde deelen ontstaan een aantal rijken, als het koninkrijk Bantam, het sultanaat Demak, 't beroemde rijk Mataram. Doch daar verschijnt een geduchte vijand ten tooneele, de vloot van Albuquerque heeft Malakka gebombardeerd en Maghelaens is op de Molukken ontscheept. Het verre Europa neemt bezit van de nieuw ontdekte wereld, en paus Alexander verdeelt het land tusschen de Spanjaarden en de Portugeezen. Dag op dag zetten stoutmoedige zeevaarders koers naar de wondereilanden. Op het eind der 16de eeuw sluit admiraal Houtman een verdrag met den koning van Bantam, en weldra verrijst Batavia op de ruïnen van 't in brand gestoken Jakatra. Dadelijk vestigen de nieuwe heeren, de Hollanders, zich er en nemen er blijvend bezit van. Ondanks allerlei aanvallen, oorlogen en opstanden zal Insulinde hun niet weer ontsnappen.

Sporen van dit oude, grootsche verleden bedekken hier en daar den grond; boeddhistische en brahmaïstische tempels zijn nog aanwezig en worden ook nog opgericht, want de Islam heeft de oude goden niet geheel doen vergeten. Te Singosari, te Brambanan en bij den Boroboedoer heb ik vóór verminkte beelden en omgeworpen basreliefs Javanen zien knielen, en beschroomd legden zij er offers neer, die den hemel gunstig moeten stemmen en de aarde vruchtbaar moeten maken. Bij den Tjandi Brambanan hebben Siva en Doerga nog hun vereerders en hun priesters, en niemand zou de hand durven slaan aan de steenen die verweeren, om het werk des tijds tegen te gaan of herstellingen aan te brengen. Ondanks alles zien deze ruïnen er niet somber uit; de zon beschijnt ze en zorgt voor een mooie belichting; de doffe kleur van het gesteente smelt weg bij 't helder licht van den stralenden dag.

De gewone landbouwer hanteert zijn ploeg en verplant zijn rijst tot vlak bij de heilige plaatsen, waar oudtijds pelgrims zich verdrongen of de triomphators kwamen danken. De Tjandi Kalassan spiegelt zich in 't stille water van de natte rijstvelden; de tempel is omslingerd door lianen en klimplanten, die liefkoozend vertrouwelijk zich om de godenbeelden leggen.

De kolossale ruïnen van den Boroboedoer liggen op een heuvel achter een gordijn van boomen, en van het hoogste punt ziet men het mooie dal der Progo zich uitbreiden; de dorpen onder kokospalmen schuilgaand, de groene velden, waar de waterplassen fonkelen als schilden; aan den horizon de mooie, hooge bergen, de zuivere, afgeronde vormen van den Soembing en den Merapi, met bosch bedekt, oprijzend in de zonnige lucht. Al dit land is te zeer levend en vruchtbaar, dan dat het lang de wreede herinnering zou kunnen bewaren aan de vroegere rampen. Als 't menschenwerk te niet gaat, neemt de natuur er bezit van. In het oude paleis van Djokjokarta kost het moeite de vormen en de inrichting van het gebouw te onderkennen tusschen den wirwar van bamboes en van palmen. Hier en daar hangt nog een stuk muur over een esplanade, ziet men een poort, die gapend toegang geeft tot een kronkelende gang, en naakte kinderen spelen en dartelen in de felle zon op de opeengehoopte steenen. Hoe zou men kunnen stilstaan bij vroegere tragische tooneelen te midden van zoo schitterende décors.

Mijn rijtuig heeft mij langzaam weder in de oude stad teruggebracht. Wij rijden langs een kanaal, pas gegraven en in een rechte lijn verloopend, waaraan huisjes staan onder kokospalmen. Nu en dan verdwijnen de huisjes, en er komt een zwijgend bosch, waar uit den met gras bedekten grond veel slanke zuilen opgaan. Het lijkt, of men zeer ver verwijderd is van een moderne stad, maar de rails en de draden van de electrische tram maken spoedig een eind aan die verkeerde gissing. Hier, in deze lage vlakte, kampeerden tot tweemaal toe de legers van Mataram; tweemaal hebben de stoere verdedigers van Batavia hun vijanden zien vluchten, door het moorddadig beleg geheel uitgeput.

De inhalige kooplieden uit vroeger tijden wisten ook door andere middelen hun veroveringen te behouden. Aan den weg ziet men nog een monument van hun barbaarsch recht, namelijk het huis van Pieter Eberfeld. Een gepleisterd doodshoofd, grijnzend en doorboord met een ijzeren staaf, met een opschrift in het Hollandsch en 't Maleisch, roept de verschrikkelijke geschiedenis in de herinnering terug. Een oostenrijksch avonturier had met inlandsche hoofden een complot gesmeed, om de Hollanders te verdrijven; zijn dochter, die een hollandsch officier beminde, maakte het geheim bekend, en de afschuwelijke straf werd voltrokken; Eberfeld werd gespietst en in den muur van zijn eigen huis ingemetseld, welk huis niet mag worden aangeraakt en dat, door de planten geheel en al bedekt, aan den eenzamen weg ligt sedert de stichting van Weltevreden.

Door de gapende, scheef hangende deur kan men den tuin zien, waar in het wild wat boomen groeien en waar de Maleiers uit den omtrek vrij de vruchten komen plukken. Aan één dier boomen werd misschien de dochter van den ongelukkige opgehangen, en ik stel mij voor, hoe het drama daar is afgespeeld, nu 150 jaar geleden onder den brandenden zonneschijn, onverbiddelijk als de menschen van toen. Ik denk aan Eberfeld, die door de geschiedenis als een verrader is gebrandmerkt, en die, zoo het succes zijn daad bekroond had, de gevierde stichter zou geworden zijn van een tweede paradijs; aan die heftige en tragische liefde en het geheim, dat haar ontrukt werd; aan de straf, de onverschillige of wreede rechters, die een plicht volbrachten of hun wraak koelden, terwijl ze de een oogenblik bedreigde schatten beschermden.

Van die onverbiddelijke rechters slapen enkelen hier zeer dichtbij, rondom de oude kerk, onder de grafsteenen en de zware metalen platen, waarop de woorden herinneren aan het gedane werk. Dit is de oude stad. Een menigte grachten loopen erdoor en er omheen. In de Europeesche wijk staan de massieve huizen langs de Kali Besar en aan de overzij is de kampong, de chineesche wijk. De koelies en de kooplieden rusten uit op de stoepen. De zon begint reeds te dalen en de hollandsche kooplieden zijn naar Weltevreden teruggekeerd. Elken avond houdt na vijf uur alle werk op, en het leven van arbeid wordt eerst hervat tegen morgen acht of negen uur.

Hier is, evenals te Singapore en Bangkok, alle handel in 't groot en in 't klein in handen van Chineezen. Zij zijn al sinds de tiende eeuw trouwe bezoekers dezer streken. Toen Batavia pas gebouwd was, vestigden zij er zich in menigte. Zij waren niet altijd zoo vreedzaam gestemd als tegenwoordig. Zij verdroegen niet lijdzaam de vele onrechtvaardigheden en verkozen niet, de grillen en de heftigheden der veroveraars te verdragen.

In 1737 sloten zich een groot aantal Chineezen aaneen en wapenden zich in een naburig dorp, waarna het leger van de opstandelingen de stad aanviel. De rustige Chineezen hadden hun kantoren niet verlaten; toen het bevel daartoe gegeven werd, hadden zij zich in hun huizen opgesloten. Door hun aantal scheen het, dat zij wel gevaarlijk konden worden, en men besloot, zich van hen te ontdoen. De gouverneur-generaal Valckenier gaf, radeloos van angst, bevel tot den moord. Terwijl de opstandelingen, teruggedrongen na den eersten aanval, op den terugtocht waren, voltrok het garnizoen van Batavia, versterkt met ontscheepte matrozen, het vonnis. Er had een ganschen nacht en een geheelen dag een afschuwelijke, laffe slachting plaats. In het hospitaal zelfs werden vijfhonderd zieke Chineezen geworgd. Bijna negen duizend ongelukkigen werden gedood.

In de stad, die in een slachthuis was veranderd, riepen het vergoten bloed en de opeengehoopte lijken wrekende epidemieën in het leven. De oorlog breidde zich uit, bereikte de naburige provincies, en in 't verlaten Batavia stond alle handel stil. Dit wekte, meer misschien dan afschuw van de misdaad, de verontwaardiging van de Oost-Indische Compagnie. Valckenier werd gevangen genomen en veroordeeld; maar het dossier van de zaak en het vonnis, dat de doodstraf verlangde, gingen verloren in 1744 bij de schipbreuk van de Streyer. Valckenier stierf eenige jaren daarna vóór het einde van het proces.

Sedert dien tijd zijn de Chineezen teruggekomen. Op het eiland overtreft hun aantal tegenwoordig het cijfer van 250 000; alleen te Batavia telt men 28 000. Op dit late uur geven zij alleen nog eenige levendigheid aan de oude straten, die mij tot aan de citadel voeren, al sinds jaren ontmanteld. De groote poort staat nog overeind, zorgvuldig wit geverfd met vier zwarte urnen er op, en in de nissen twee beelden van woeste krijgers. In het gras, op de plek der geslechte wallen liggen nog enkele oude kanonnen van gietijzer. Een ervan, van vrij groot kaliber, geniet hier een zekere vereering. Het stuk heeft, naar 't schijnt, wonderbaarlijke eigenschappen; 't geeft den vrouwen, die geen kinderen hebben, kans op nakroost, en maleische dames vervullen er haar godsdienstplichten. Voor 't oogenblik echter heeft het oude kanon rust en is door de geloovigen verlaten.

Hier en daar verrijzen tusschen de boomen groote, stille, gesloten gebouwen, die echter goed zijn onderhouden. Dat zijn de oude kazernes, die nu als winkels in gebruik zijn. En dan, voorbij de citadel, volgt de haven. In die nauwe en vuile kom legden vroeger de schepen aan, die in zoo grooten getale het oostersche Venetië bezochten. Zij gingen door tusschen de beide havenhoofden, die tot in zee voortloopen te midden van moerassen. Daaruit rijzen de bladeren van de palmen, die in 't water groeien, op onder de kanonnen van de batterijen, wier vormen men nog onder 't groen terug kan vinden. Tegenwoordig gaan alle booten naar Tandjong Priok, de nieuwe haven, en hier is alles dood, somber en stil in het flauwe licht van een regenachtigen avond, en ik keer met voldoening terug naar Weltevreden, de levende stad.

Aan boord van de Speelman, 9 April.

Gisteren om vier uur zijn wij uit Tandjong Priok vertrokken. Enkele vrienden, landgenooten, met wie wij hier kennis hebben gemaakt en die wij, hoop ik, in Frankrijk zullen weerzien, hebben ons vergezeld trots de drukkende hitte. Ik heb Java zonder al te veel smart vaarwel gezegd, en ik gevoel volstrekt niet dien weemoed bij het scheiden, dien vele anderen hebben gevoeld. Ik hecht mij aan de menschen, niet aan de dingen. Aan landen, waar ik gewoond heb, maar waar ik geen menschen, die mij dierbaar zijn, achterlaat, gevoel ik mij slechts door zwakke banden gebonden. Het ontroert mij niet, als ik een eenmaal afgelegden weg weer betreed of bekende plaatsen terugzie, en als ik er een nieuwe vreugde vind, komt dat niet uit gevoelsoorzaken. Ik ben geen slaaf van mijn gewoonten; ik heb de ziel van een vagebond. Reizen opent de poort der droomen voor mij, omdat ik het onbekende zal binnengaan.

Die liefde voor verandering en voor iets nieuws verleent aan ieder afscheid een zekeren glans. En daarbij ben ik op Java min of meer teleurgesteld geworden. Ik heb mij het land dikwijls voorgesteld als een geheimzinnig en gevaarlijk oord; en ik vond er integendeel de vriendelijkste, zonnigste landschappen, een vreedzame, onderworpen bevolking, die een kalm, eentonig leven leidt, juist als de veroveraars ook doen.

Toch heeft mijn jongste uitstapje een diepen indruk op mij gemaakt. Er was mij een geestdriftige beschrijving gegeven van de baai van Palaboean Ratoe, en ik heb van enkele vrije dagen gebruik gemaakt, om dat wonder te gaan zien, vóór het vertrek der Speelman.

De spoorweg bracht mij naar Tji Badak, tusschen Buitenzorg en Soekaboemi, en van daar gingen we per rijtuig langs een steenachtigen weg tot aan den oever der zee. Dit is, naar 't schijnt, het nog woeste Java, en de Indische Oceaan bespoelt hier een met bosch bedekte rotsachtige kust. Wij hebben den nacht doorgebracht in de pasangrahan, en zoodra het dag was, begaven we ons op weg om weer te Soekaboemi te komen door Pasawahan en Bodjong Lopang. Wij staken eerst op een primitief vlot een rivier over, de Tji Mandiri, en volgden daarna den linkeroever tot de monding.

De weg loopt daarna door een nauw dal en stijgt dan snel tot meer dan 1000 M. hoogte. Naarmate men hooger komt, krijgt men de geheele baai te zien, en weldra doet zich een prachtige aanblik voor, de mooiste stellig, dien ik op Java heb genoten. Eerst ziet men het dal, dat we pas zijn doorgegaan en de met bosch bedekte hellingen, de dichtbebladerde boomen van zoo verschillende soort, de lianen, die ze verbinden en er zich omheen slingeren; dan lager een gehuchtje tusschen palmen, slanke boomen, die hun pluimen wuiven in den wind en verderop de diepe en blauwe zee. Nauwelijks wordt de oppervlakte door een enkel rimpeltje bewogen, en de zachtgeronde kust vloeit samen met het witte schuim, dat het zand omzoomt; dan treft de lichtgroene tint der rijstvelden, en andere landen, geel reeds en gereed om te worden geoogst, en heuvels weer, gekroond met wouden. Aan hun voet stroomt de rivier, die rood en troebel water voert en zich niet wil vereenigen met het kristalheldere water van de zee, en eindelijk op den achtergrond de blauwe bergen, welker toppen zich aaneensluiten tot den horizon. En dat alles onder een prachtigen hemel, schitterenden zonneschijn en onbewogen, doorschijnende lucht, zonder een spoor van nevel of damp en zonder dat toch 't een of ander hard en onafgerond schijnt. 't Is een kalm en vredig stemmend landschap, een tooneel, dat men zich telkens voor den geest roept en dat eigenlijk niet door een beschrijving is weer te geven.

Het vertrek van Tandjong Priok biedt niet zooveel moois aan. Dikke nevels verbergen den horizon, en een laag wolken verbergt de beide tweelingvulkanen, Salak en Gedeh, waarvan wij eenige maanden geleden op den morgen onzer aankomst de zuivere omtrekken mochten bewonderen. De Speelman is uit de haven vertrokken. Het schip vaart op korten afstand langs een lage kust, waarvoor een rij van eilandjes liggen. Een dicht plantenkleed loopt tot aan zee. Op dezen vruchtbaren grond is er geen brokje slijk en geen hoekje steen, of de plantengroei legt er beslag op. Het is, of Java uit den oceaan is opgestegen in den ouden tijd, geheel met groen en bloeiend leven overtogen.

De residentie, welker kust wij zien, is toch niet een der schoonste van Java; het is integendeel de armste en de minst bevolkte; 't is Bantam, waar de Hollanders zich het eerst vestigden. In de vlakte zijn bijna alle gronden, en wel de allervruchtbaarste, aan Europeanen en Chineezen verkocht, een manier van Daendels en Raffles om de schatkist te vullen. Ofschoon zij op die wijze over directe hulpmiddelen beschikten, hebben ze de taak van hun opvolgers bemoeilijkt, want de toestand, zooals hij nu is, drukt zwaar op de bevolking. Waarom den grond te bewerken, als de opbrengst een vreemden meester moet verrijken? De landbouwer van Bantam kan zich niet daarin schikken. Hij trekt ergens anders heen en zoekt in andere residenties gronden, die nog vrij zijn. Diegenen, die achterblijven, hebben niet het zorgelooze karakter der andere Javanen; zij zijn heftig van aard, en hun godsdienst is strenger. De mohammedaansche dweepzucht, die niet veel op Java voorkomt, wordt hier aangetroffen, en nog pas weinige jaren geleden werd een resident er het slachtoffer van.

Vroeger trachtten de inlandsche hoofden, die zelf arm waren te midden van een uitgeputte bevolking, door allerlei middelen, wettige en onwettige, hun rang op te houden. Toen het stelsel der gedwongen cultures in zwang was, trok de Javaan, die meedoogenloos geplunderd werd door zijn hoofden en door een onverzadelijke regeering, de Soendastraat over en zocht een schuilplaats in de Lampongs; er vormden zich benden, troepen arme wanhopigen, die, naar wraak dorstend, het land verwoestten.

Sedert dertig jaren is intusschen alles anders geworden. In deze ongelukkige residentie heeft een bewonderenswaardig man gediend, en zijn geest, die het goede zocht, waagde zich aan een ongelijken strijd, waarin hij niettemin overwinnaar bleef. Men heeft mij eenige dagen geleden te Rangkas Betoeng het huis laten zien, waarin Multatuli woonde. Douwes Dekker was vijf-en-veertig jaren geleden assistent-resident van Lebak. Hij was een onbevreesd en gevaarlijk ambtenaar, omdat zijn beginselen in strijd kwamen met wat de administratie eischte. Hij meende, dat zijn plichten als ambtenaar en zijn plichten als mensch niet met elkander in tegenspraak konden zijn, en op den dag, dat het onrecht, begaan door den regent van Lebak, hem bekend werd, stelde hij zich er niet mee tevreden, het eenvoudig te berichten aan zijn superieur in de hiërarchie. Hij zou vóór alles recht erlangen, niet om het recht alleen, maar omdat menschen leden en hij hun ellende wilde doen ophouden. Men verzocht hem te zwijgen; de plicht van een ambtenaar was dood eenvoudig; die bestond in 't laten verbouwen van koffie en die zoo goedkoop mogelijk te doen betalen. De inlandsche hoofden waren bij die verheven taak helpers, die men moest ontzien.