Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.
Part 9
»'n Ofcier en 'n ofcier zijn twéé«, ging Gerrit voort. »Je heb er 'an wie je merkt wat ze van je wille, maar d'r zijn d'r óók die maar eische dit en eische dàt, zonder dat je weet waar et goed voor is. As me vrouw ziek is, en de luit' wil me niet late weggaan, dan weet ik dat ie zelf weer knijpt voor de kaptein. Maar assie zegt >vooruit, wees weg<, dan voel ik, dat ie z'n eige der an waagt voor mijn!
»En assie zegt >ga ligge, gauw< dan denk ik >ik ben je hond niet<, maar assie zegt >'n granaat, gauw ligge<, dan doen ik et graag!
»Die daar staat te rooke zet een gezicht of ie zegge wil >wat gaat mijn dat beestespul an<; as ik dat zie, dan krijg ik de pest in.
»As mijn baas tege me zegt >Gerrit maak die planke es zoo en zoo pas<, dan doen ik dat misschien verkeerd, maar assie zegt >dat mot 'n kassie worde<, dan snap ik hem direct! Kijk, an 'n ofcier zie je van buite: dat is me baas... da's glad genoeg, daar zorgt de kleeremaker voor. Maar waar de kleeremaker niet voor ken zorge, dat is dat ik zeg >ik gehoorzaam je graag<, daar mot ie zelf voor zorge.«
[Illustratie]
Gerrit heeft gelijk. Ge weet niet, burger, hoe hoog een personage een officier is in den troep. Wij zien onze meerderen hem naar de oogen zien, en wij bemerken, hoe een kort woord van hem door onzen sergeant tot een wet wordt uitgewerkt, die onze belangen dienen of breken kan en onzen vrijen tijd bekrimpen of verlengen.
Het instituut tucht maakt hem het bevelen gemakkelijk, en opent hem de kansen op bemindheid.
De exploitatie daarvan, wordt aan hem zelf overgelaten, en dat is minstens zoo belangrijk als de meest volledige kennis van den inwendigen dienst.
* * * * *
_De sergeant._
De sergeant staat ons nader. In hem gehoorzamen wij niet den meester, maar den ouderen broer. Hij doet alles met ons mee; de officier ziet of onze ransels goed hangen, de sergeant of ze wel model gepakt zijn.
Met den sergeant wonen de soldaten in één straat, en ze kennen zijn meisje; het gemeenschappelijk ontzag voor den officier verbindt manschappen en onder-officieren. Zij bezigen dezelfde taal en waardeeren denzelfden humor; onder hen zijn de verschillen nuancen geworden en geen contrasten meer.
Daardoor wordt het bevel van den sergeant gecenseerd te zijn een uiting van gezond verstand, en dat van een officier eene openbaring van wijsheid.
Waar het de behartiging van particuliere soldatenbelangen geldt, kan een officier zeer zeker te rade gaan bij onderofficieren; te weten bij onderofficieren, die niet onder één deken liggen met een zeker soort soldaten, die voortdurend verklaren: »dat 't toch maar een rotzoo« is.
* * * * *
_De korporaal._
De korporaal is een kindermeid. Geen gouvernante wel te verstaan, maar een kindermeid, zoo een van zestien jaar, met een paar nuchtere vlechtjes op het achterhoofd. Als hij serieus zijn plicht doet, of gezag laat gelden, wordt hij uitgelachen; en als hij een standje krijgt, in presentie zijner minderen, wordt hij óók uitgelachen.
Een korporaal kan alléén goed doen, wanneer hij vertelt van meerderen, met wie hij uit hoofde van zijn rang in iets nader contact gekomen is dan zulks den soldaat vergund is.
Hij mag vertellen, hoe duur de sigaren zijn, die de kaptein rookt of weggeeft, en ook hoeveel stukken vleesch de kok wederrechtelijk mee naar huis genomen heeft.
De korporaal draagt het uiterlijk kenmerk van een volleerd manschap te zijn.
En die pretentie wordt, onbewust, door de soldaten op hem gewroken.
Een korporaal spreekt over zijne ranggenooten als: korporaal X en korporaal IJ.
Een sergeant over de zijnen als collega P en Q.
Een officier spreekt tegenover minderen niet over andere officieren.
* * * * *
En nu, geduldige lezer, vaarwel.
Ik ga studeeren.
Hiermede is de serie kantteekeningen van een landstormplichtige geëindigd.
Een burger, die soldaat geworden is, mag tegenover burgers van zijne indrukken vertellen.
Maar een soldaat, die officier wordt, kan zich, waar het dienstbelangen treft, nog slechts met een ernstig gebaar tot zijne collega's wenden.
En dat zal dan niet zijn in een burgerlijk blad, maar mondeling of in de Militaire Spectator...
Waar de actie begint, eindigt de beschouwing...
Vaarwel, en dank voor uw aandacht!
MELIS STOKE.
[Illustratie]
NASCHRIFT.
VAN MELIS STOKE, ADSPIRANT-VERLOFSOFFICIER.
En nu, goede lezer, gaat dit verhaal eindigen, zooals ieder zichzelf respecteerend verhaal eindigen moet nl.:
Ze vinden elkaar!
Ja, lezer, we hebben elkaar gekregen, mijn militaire- en mijn civiele-ik. Wij gaan ons vereenigen in één vorm, die van verlofsofficier.
Zeer zeker, het is wel een mariage de raison, maar het zal een ideaal huwelijk zijn ook!
Want wij zijn tesamen gekomen door een gemeenschappelijken drang, wat goeds te doen.
Zooals in ieder huwelijk _de plicht_ een goede toekomst waarborgt, zoo zál de plicht, iets goeds te doen voor den soldaat, ons huwelijk vruchtbaar maken.
In ieder leven komt een oogenblik, dat de behoefte aan _actie_ den levenden mensch zijn beschouwende houding doet opgeven.
Zoo gaat het ook in een militaire loopbaan als de mijne.
En zoo moet het ook zijn in den loopbaan van u allen, landstormplichtigen, die nà mij zullen komen. Het heldere bewustzijn van méér te zijn, dan uwe kameraden, geve u de kracht om éérst door den zuren africhtingstijd heen te komen, en u vervolgens de moeiten te getroosten van een studie voor verlofs-officieren.
Uwe ondervindingen in den troep zullen er toe bijdragen, een officier van u te maken, die zijn mannen begrijpt, die de oorzaak voelt van weerbarstigheid en die de goede gevolgen kent van een rechtvaardige behandeling.
Ik hoop, dat in deze losse dagboekkrabbels iets te vinden is van den Nederlandschen soldaat. Tracht ook gij dat te ontdekken; onder den ruwen bolster zit vaak, voor wie het weet te vinden, een vertrouwend en eerlijk hart.
En al ontbreekt het den verlofs-officier, door zijn korten opleidingstijd, wellicht aan tactische kennis, in menschelijkheid en paedagogie behoeft hij _nimmer_ onder te doen voor zijne beroeps-collega's.
Dat blijve u voor oogen staan!
Het Nederlandsche leger vare er wèl bij.
AMSTERDAM, Maart 1916-'17.
+------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: elkander bestemd zijn, Het kind | | C: elkander bestemd zijn. Het kind | | B: »_de kogel_«, De man naast | | C: »_de kogel_«. De man naast | | B: gretig naar mij uitgestrekt | | C: gretig naar mij uitgestrekt. | | B: _De »moffen«_ | | C: _De »moffen«._ | | B: ..een gaatje met | | C: ...een gaatje met | | B: eehter op één punt mank: het zal u n.l, | | C: echter op één punt mank: het zal u n.l. | | B: zonder daarvoor honorar um | | C: zonder daarvoor honorarium | | B: »Ik ben onschuldig zegt hij | | C: »Ik ben onschuldig«, zegt hij | | B: VI. | | C: V. | | B: _stechts twee of drie hunner | | C: _slechts twee of drie hunner | | B: V. | | C: VI. | | B: op den grond te slapen,.. | | C: op den grond te slapen... | | B: deutscher Wein.. | | C: deutscher Wein... | | B: was van »_de dood_«, _straf_«, | | C: was van »_de dood_«, »_straf_«, | | B: het oog te houde dat | | C: het oog te houden dat | | B: »pa, was de de meester | | C: »pa, was de meester | | B: wasch-lokaal--kijk es wat ik | | C: wasch-lokaal--»kijk es wat ik | | B: in mijn ziele draag. | | C: in mijn ziele draag, | | B: slot-gevecht op zee. | | C: slot-gevecht op zee, | | B: op mijn pen gekauwd, | | C: op mijn pen gekauwd. | | B: en dat zij barmtigheid | | C: en dat zij barmhartigheid | | B: aleenig met zen eige!...« | | C: aleenig met zen eige!...« | | B: belangstelling naarde feestrelazen | | C: belangstelling naar de feestrelazen | | B: .....e Reg.... en weer sprak | | C: .....e Reg....« en weer sprak | | B: maatschappelijke kronkelpasssen woei | | C: maatschappelijke kronkelpassen woei | | B: »Hei-je-veel-geld-meê-gebracht? | | C: »Hei-je-veel-geld-meê-gebracht?« | | B: »Kom _jij_ d'r es uit! deed | | C: »Kom _jij_ d'r es uit!« deed | | B: de bovenaardsche ver-verschijning. | | C: de bovenaardsche verschijning. | | B: óók 'n mensch!' | | C: óók 'n mensch!« | | B: morgenschemering den pomg-zwengel aanvat, | | C: morgenschemering den pomp-zwengel aanvat, | | B: zoete mestgeuren, die ot | | C: zoete mestgeuren, die tot | | B: schettert het appél-signaal. | | C: schettert het appèl-signaal. | | B: enz. Hoera! Hoera! | | C: enz. Hoera! Hoera!« | | B: IX | | C: IX. | | B: en kommedeere.. en 'n hoop | | C: en kommedeere... en 'n hoop | | B: maar assie zegt> vooruit, wees weg< | | C: maar assie zegt >vooruit, wees weg< | | B: maar assie zegt> dat mot | | C: maar assie zegt >dat mot | +------------------------------------------------+