Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.
Part 8
De aankomst van het bakkersknechtje, met zijn kist vol »tompoeze« geeft ons een inniger sensatie, dan het kanon bij de Invalides het den Parijzenaar ooit zal doen, en de aankomst van de veldpost, die ons een enkel briefje brengt, is een heerlijker moment in onzen dag, dan een vette morgencourier bij uw ontbijtbord het in den uwe is.
[Illustratie]
Let gij ooit op de sierlijke meeuwen, die in de gracht, juist tegenover uw hoogen stoep, zoo dartel en sierlijk stoeien?
Neen! gij jaagt ze op, wanneer ge 's morgens haastig een parapluie opsteekt, en uw keukenmeid werpt ze hoogstens een handvol oud brood toe.
Wij niet alzoo!...
Wij hebben óók meeuwen, en we hebben ze lief!
Zorgvuldig zoeken wij de oneetbare stukken pens, eelt, huid en darm uit onze soep te zamen, en leggen ze op een hoopje vóór ons op tafel.
Vervolgens treedt Bertus naar buiten, en werpt ze onder het even ruraal als goedig geroep van: »Meeuwéééé, Meeuwéééé!« den lieven dieren voor.
Wij kennen ze allen, en noemen ze bij namen als: »Vetpens« en »Hinkepoot« en »Darremediefie«.
Zoo zijn wij, buitenmenschen.
En gij lezer, ge mist véél. Ge kent niet de zoete mestgeuren, die tot ons overwaaien, en kunt u nauwelijks voorstellen, hoe men een ei uit een kippenhok wegneemt.
En evenmin kent ge het heerlijke van de groote stad, wanneer ge die sporadisch bezoekt.
Ons hart springt van vreugde op, wanneer wij een enkele maal in Amsterdam den trein ontstijgen; wij zijn dan vol jolijt, vanaf den eersten borrel in een grootsteedsch koffiehuis, tot het moment, dat we ons haastig weer naar het station spoeden, door de duistere straten, waar een dwalende vrouw ons vòl ingehouden haat tusschen de tanden door toe-sist: »Dag ssschàt!«
* * * * *
_Dansen._
Lezer, ik ben dóódmoe... bijna te moe om nog verder te schrijven. Ik ben niet moe door den dienst, maar door hetgeen bij de officieren onzer zeemacht wordt verstaan onder: »representatieve verplichtingen«. Ik heb namelijk gedanst.
Zooals de officieren van H. M.'s zoo-en-zoo, die te Paramaribo ligt, verplicht zijn de dames dier stad ten dans te voeren, zoo heb ik mij verplicht gevoeld de dames van het gehucht Kleilust te doen profiteeren van mijne kundigheden op het gebied van: Polka, hossen, kruispolka, schotsche-drie en nog eenige gezelschappelijke dansen.
Het gevolg is, dat ik met een paar blauwe schenen en een ingedrukten borstkas kwartierziek te bed lig, terwijl naast mij mijn tuniek ligt, die als doorzeefd is van zwarte brandgaten, die niet door kogels, zooals ge wellicht zoudt denken, maar veeleer door de sigaren mijner onachtzame mededanseurs veroorzaakt zijn.
Voor het bal had ik mij zoo netjes mogelijk gekleed, en eenigszins van modder ontdaan; dit deed mij gunstig afsteken bij de andere heeren.
Toen ik binnentrad in de danszaal, was het bal reeds begonnen, hetgeen merkbaar was aan veel gedreun, dikke tabaks- en stofwolken, geschreeuw, gerinkel van glazen, en, nu en dan hoorbaar, ook pianospel.
Aangezien ik niemand kende, en er geen dames ontvingen, baande ik mij een weg tusschen de menigte door, en ging op een jongmensch af, dat, met zijn arm om de schouders eener jonge dame geslagen, een sigaar zat te rooken.
Ik wilde, via hem, met de jongedame kennis maken, en trachtte mij voor te stellen, maar hij raadde en voorkwam mijn wensch door haar, met den uitroep: »Pak maar mee, verdorie!« in mijne armen te duwen.
Aanstonds klampte ze mij, plichtsgetrouw, in een danshouding vast, en, vóór ik het wist, waren we in den stoet, en dansten, òm een houten tafel heen, een z.g. Spaanschen wals.
Een wals was het echter niet, en ook het Spaansche element kòn ik, behoudens dan misschien in het gewèldig gestamp, waarmede de dansers telkens vóór- en achterwaarts sprongen, bezwaarlijk vaststellen.
[Illustratie]
Om iets tegen mijn danseuse te zeggen, maakte ik de opmerking: »dat het fijn ging!«
Ze knikte van ja, en ik bemerkte, dat ze transpireerde.
Toen zeide ik dat het vol was, en weer lachte ze, knikte van ja, en bleef transpireeren.
Daarna zeide ik achtereenvolgens, dat het warm was, dat ze zeker verkeering had, dat haar kapsel modern was, en dat ik vreesde dat het zou gaan dooien, en voortdurend bleef ze lachen, ja-knikken en transpireeren.
Toen de dans uit was, bracht ik haar naar den jongeman terug, die aanstonds zijn arm weer om haar hals legde.
Dien avond danste ik met vele lachende, ja-knikkende en transpireerende boerinnen. Ten slotte werd ik wild en duizelig, rookte onder het dansen 3-cents sigaren, trapte en kreeg blauwe schenen, en dronk veel bier en brandewijn.
Ook nam ik deel aan het algemeen vuistgevecht, dat het geanimeerd einde van het bal was, en wist zelfs in belangrijke mate bij te dragen tot het vernielen van tafels, lampen, stoelen, en ook van het buffet.
Het was werkelijk een aardig bal, mijn eerste van dezen winter. En het is zoo prettig, geen digestie-visite te hoeven maken.
_Eten._
Neen, neen ge weet niet, en kunt nimmer vermoeden, _hoe wij eten_.
Ik weet zeker, dat gij het niet _eten_ zoudt noemen, maar veeleer voederen.
Van het ontbijt behoef ik u niet veel te zeggen; eenige uren vóór dat men u komt zeggen, dat uw morgenbad gereed is, klinkt vlak naast mijn slapend hoofd een luide slag. Elken morgen wéér schrik ik van dien slag, die intusschen van zeer goedaardige soort is, en slechts verwekt wordt door een loodzwaar en keihard broodje, dat op mijn bed geworpen wordt. Dit broodje vormt, bespoeld met lauwe thee uit een emmer, mijn ontbijt.
Van meer belang is echter het noenmaal.
Een kwartier vóór de voedering zal plaats hebben, worden wij onrustig, wij dringen tezamen in ons hok, maken doffe geluiden, stampvoeten en twisten, zooals ge dat ongetwijfeld kent van de beren en leeuwen in de een of andere diergaarde.
De een slijpt zijn mes aan zijn schoenzool, een ander veegt zijn bord nog eens af met een onderbroek, die hij tot dat doel stiekem van het bed eens buurmans neemt, en allen maken wij vast onze halskragen en bovenste jasknoopen los.
Zoodra de emmer met voedsel wordt binnengedragen, dringen wij, met het bord in de eene hand, en met de andere de lepel boven het hoofd zwaaiend, naar voren. De borden verraden in hun afmetingen en diepte de vraatzucht hunner bezitters; de meeste borden zijn diep en rond, maar sommige ook langwerpig en breed. Dat is het bord van Karel, die uit louter gulzigheid groote hoeveelheden voedsel wil hebben, die hij niet voor de helft verwerken kan.
Maar het zijn niet in de eerste plaats boonen of doormekaar die ons dringen geldt, neen, wij dringen om het gróótste stuk vleesch machtig te worden.
Het grootste stuk vleesch... dat is het dagelijksch strijdpunt, de bron van vele smeulende twisten en veeten, en de oorzaak van menigen oorveeg.
Eens heb ik, per ongeluk, het grootste stuk vleesch gekregen.
Nimmer zal ik dien dag vergeten.
Er was haat en woede in het gesmak der etende monden om mij heen, die kleinere stukken vleesch genoten.
Men sprak van: »zeker thuis nooit vleesch«, en, dagen daarna, volgden mij nog sombere blikken.
Wanneer het voedsel verzwolgen is, ligt de tafel vol versmade resten, en, na 'tgeen nog op onze borden is, in de pannedeksel teruggeschoven te hebben, leggen wij ons hijgend en blazend op onze bedden, en maken nòg een knoop los.
[Illustratie]
Karel echter, blijft nog om de pan zweven.
Hij krabt de gestolde jus van de randen en vult daar een kommetje mee. Dat blijft bij zijn bed staan, en morgen smeert hij het op zijn boterham.
Klaas eet een stuk droog brood: »tegen et opbreke van et vet.«
En ik... ach, ik stamel dommelend voor mij heen de eenige troostreden, die mij tot formule geworden is: »ik ben buiten... heerlijk buiten.«
Ik tracht een boek te lezen, maar het is te donker onder het schemerig gewelf; ik kan niet schrijven, want de tafel ligt vol schoensmeer en etensresten.
Daarenboven gaan wij over een uur weer exerceeren, in de modder. Maar ik ben buiten... o, dierbare formule, verlaat mij niet.
Wanneer men zich in de stad heeft opgevoed tot een fatsoenlijk neurasthenisch jongmensch, dan komt in dit landelijk leven van frissche lucht en luiheid de gezondheid u besluipen als een gevaarlijke en afzichtelijke ziekte.
Mijn wangen worden rood en dik... ik ben heerlijk buiten...
VII.
Kleilust, Maart 1917.
_De Beestmensch._
Nimmer zal hij de roep verliezen van _een beestmensch_ te zijn. En toch is hij geen bloederig man. Hij is schuchter en lang en slungelig; het puntje van zijn neus is doorgaans rood van koude, en als hij een blauwen plek heeft, smeert hij dien zesmaal per dag in met zalven en heilzame kruiden, die zijne moeder hem toezendt. Maar hij is uiterst zenuwachtig, en daardoor doet hij wel eens dingen van zóó bloederigen en afschuwelijken aard, dat wij, die toch niet voor een klein geruchtje vervaard zijn, vol afgrijzen het gelaat afwenden.
Voor 't eerst uitte zich zijn fatale aanleg bij een onlangs gehouden velddienstoefening.
Een vijandelijke afdeeling kwam zich overgeven aan de wacht, die hij commandeeren moest. Nu gaat het commando in den regel iemand, die slechts gewend is te gehoorzamen, niet goed af.
Zoo was het dan ook meer ongewoonte dan buitengewone vrees, die zijn stem deed overslaan, toen hij riep: »wapens neerleggen, handen opheffen«.
De vijanden legden hunne wapens op den weg, en staken hunne handen in de hoogte; twee dier handen waren met helderwitte wol bekleed, en behoorden aan een wapenbroeder, die op deze wijze, zijn simpele uniform ten spijt, bewijzen wil, welke een »beslist-prima heer« hij in de burger-maatschappij wel is.
Mijn vriend aarzelde. Hij wist niet, wat hij met de nu onschadelijke vijanden doen moest. Deze bleven met omhooggestrekte armen staan. Om de lippen van den beslist-prima-heer-met-witte-handschoenen, speelde een wereldsche glimlach, die eene oneindigheid van misprijzen uitdrukte.
De toestand hield nog aan; het wachten werd pijnlijk.
»Kom, wat doe je nu?« riep de ongeduldige officier.
Hulpeloos keek de zenuwachtige overwinnaar van links naar rechts.
Toen kuchte hij, en, zich vermannende, riep hij radeloos tot de zijnen:
»Salvo-vuur... Aan... vúúrr...!!«
Een storm van verontwaardiging loeide door onze overigens zoo gedisciplineerde gelederen.
De ontwapende vijand was gefusilleerd...
Toen klonk voor 't eerst de naam: »_Beestmensch_«. En nu is er niemand meer, die nog durft twijfelen aan de bloederigheid-van-ziel van mijn krijgsmakker wiens naam ik u blijf verzwijgen.
* * * * *
_Jeugd!..._
Gij allen, die het geloof verloren hebt in lieve, kinderlijke zaken; die de leegten, waaruit uwe jonge onnoozelheid gevlucht is, gevuld hebt met wijsheid en overleg, gij allen, hoort mij aan.
Want ik was als gij, en ook ik waande mij een wijs man... totdat ik soldaat werd.
Vanaf dien dag heb ik weer het geloof gekregen in het begrip _jeugd_.
Het gaat ons met de jeugd, als met de kniebroeken onzer schooljaren. Er komt een dag, dat wij ze vèr van ons werpen, om onze spillebeenen te omkleeden met »jongeheeren-kleeding«. De meesten onzer kiezen daartoe stemmig donkerblauw, om daarná terug te keeren tot licht-zinnig, ruig goed. Zóó werpen wij ook allen gelijktijdig onze jeugd van ons af, om mannen te gaan schijnen.... aanvankelijk ernstige mannen en later jolige...
En, wanneer wij niet het geluk hebben soldaat te worden, blijft het proces in die richting verloopen.
Voorwaar, de opperbevelhebber heeft een goede daad verricht, door ons allemaal weer kniebroeken aan te trekken.
Dat symboliseert onze toestand:
Wij zijn, àllen tesamen, met één slag weer jeugdig geworden.
Geen onzer had het alléén aangedurfd, maar de algemeene beweging heeft ons den moed geschonken, onze jeugd weer op te vatten.
En nu geloof ik niet meer in oud-worden...
Oud-worden is een sloopingsproces, dat wij onbewust aan ons zelf voltrekken,... indien wij allen in den dienst vergrijsden, zouden wij den moed hebben als kinderen voort te leven, en dan zouden wij als kinderen sterven.
Dan zouden alleen onze superieuren, die voor ons moeten denken, oud worden.
Ik zie ze voortdurend om mij heen, die vreemde groote kinderen. Daar is een groot slungelig kind, van bij-de-dertig. Vroeger was hij een bleeke, bloedarme horlogemakersonderbediende, met een grafstem en blauwe kringen om zijn oogen. Nu is hij een kwajongen, die slechts in schaal verschilt van zijn jeugdiger aardgenooten.
Daar is een ingenieur, die vroeger zijn werklieden van-achter een breed bureau her- en derwaarts dirigeerde.
Nu werpt hij onder de les met propjes papier en 's avonds met broodkorsten.
Daar is de jong-verdorven groote-stads-zwerver, die onder gewone omstandigheden misschien al achter slot en grendel gezeten zou hebben... nu is zijn grootste zonde, dat hij een langen neus maakt achter den rug van zijn sergeant....
En daar ben ik zelve, vroeger een nerveus heertje, en nu, o, liefelijk wonder, een luidruchtige plattelander.
O, ge kunt u nauwelijks zoo dartel eene samenleving voorstellen als de onze.
Het is, of ieders individueele ontwikkeling tijdelijk stop gezet is... Wie onderweg was een òn-maatschappelijke boef te worden, en wie zich op een zuiver geestelijk leven voorbereidde, wie reeds in innerlijk en geest beloofde een slovend ambtenaartje dan wel een knoestige werkman te zijn... zij allen zijn tijdelijk in hunne ontwikkeling blijven stilstaan, als uurwerken in een horlogemakers-étalage.
Alleen verraadt een enkele maal het slagwerk hun persoonlijken aard.
Ook ik voel mijn uurwerk afloopen; met wanhopige inspanning tracht ik nog, zoolang mogelijk, mijn veer gespannen en mijne wijzers gaande te houden.
Maar ik luister met angst naar mijn eenzaam tikken temidden der reeds dof zwijgende soortgenooten. Alle uurwerken zijn flink ingevet en tegen roesten gevrijwaard; zoo blijven zij hagelnieuw en jeugdig... zij slijten niet, maar zij dienen tot niets.
Zij zijn jong en krachtig, en gereed hun roeping te volgen... maar zij staan stil....
Voorzeker, er zijn klokkenopwinders genoeg, er is zelfs een centraal lichaam ter ontspanning en ontwikkeling van stilstaande uurwerken.
Maar er zijn er zoo weinig, en ach, de tijd is nog verre, dat alle uurwerken electrisch zullen zijn, en gedreven door één centrale krachtbron.
Er zijn er, die beweren, dat het daarvoor oorlog moet zijn, en dat de Vaderlandsliefde de centrale bron voor al ons bewegen zal zijn. Maar nu...?
Zoo velen missen die energie _in zichzelf!..._
VIII.
Kleilust, einde Maart 1917.
_Waar ik woon._
Ruggelings lig ik uitgestrekt op mijn stroozak. Ik kijk en denk en rook. Mijn boek ligt gesloten naast mij. Het is te donker om te lezen; mijne oogen doen mij pijn. Ik rook, denk en kijk, zooals ik dat geleerd heb in de laatste maanden: bijna onbewust. De gedachten, die mijne onbewuste oogen projecteeren in mijn rustig brein vermaken mij, zooals een bioscope-voorstelling dat doen zou. De beelden zijn niet van sensationeelen aard, maar er is een wonderlijk spel van verrassende en boeiende détails; het zijn héél kleine, fijn genuanceerde détails, waarvan ik geniet als een botanicus die aan de dorre heide-gewassen onder zijn microscope bloemen en levensteekenen in overvloed herkent.
[Illustratie]
Ik staar om mij heen, op mijne slapende kameraden. En ik vind bloemen en levensteekenen in overvloed op hunne oogenschijnlijk dierlijk-dom-snurkende gelaten.
Ik zie lijden en verlangen om hunne in den slaap half geopende monden; ik hoor verlangen en streven in hunne onbeheerscht-natuurlijke ademhaling: en hunne vuile soldatenhanden, die slap rusten op de groezelige dekens, zijn vol verrassende karaktertrekken.
Het is één uur na den middag; ergens ver weg, op een weiland buiten het fort, kraait een haan.
Langs de kleine vensters gaat een schaduw, en voetstappen schuiven zwaar door het grint; dan klinkt een jolige stem, en een deur slaat dicht. Het is weer stil.
De kameraden snurken.
Over een half uur zal een schetterend trompet-signaal ze tot het leven terugroepen, of liever tot den dienst, de actie.
Want ik geloof dat ze nu, in hun slaap, levend zijn. Ik geloof niet, dat die luidruchtige grappenmakerij van straks hun leven is, ik geloof niet dat hun getier en buitenmatig gemor kenmerken van hun werkelijk wezen zijn.
Ik geloof, dat zij slechts in den slaap, in den volkomen rust, in hun onbewustheid, hunne primaire en simpele instincten tot uiting kunnen brengen.
Nu zijn zij eerlijk; de lippen van den schreeuwer tegenover mij zijn nu ontspannen; hij snurkt, en op zijn bruut gelaat is een trek van krachtig willen; zijn hand ligt tot een vuist gebald op zijn dekens.
Het pretentieuse mannetje naast hem schijnt nu verzakt te zijn tot een onbelangrijk hoopje zwakheid. Zijn lippen zijn half geopend en rood en dik; er zijn slappe groeven langs zijn neus, die op geen smart, maar hoogstens op een lichamelijk onbehagen duiden.
De slappe hand op zijn deken is knokig, en de vingertoppen dragen de sporen van veel knagens' en kluivens'. Mijn blik waart rond, en ik zie er nog velen, die àllen slapen, en àllen in hun slaap iets verraden van smart of strijd of huiselijk leed... of van absoluut niets.
Plotseling vind ik ze àllen belangrijk.
Van de slapers gaan mijne oogen naar hun schamele, en grootendeels uniforme have, die op een plank, boven het hoofdeinde der bedden, als uitgestald ligt.
Boven den slappeling staat een jam-potje, en een kopje met vet, dat hij den vorigen dag uit het eten gespaard heeft; er liggen glacé-handschoenen en een viezige veldflesch en een bestoft stuk wittebrood.
Er zijn er, die gekleurde prentbriefkaarten en snuisterijtjes op hun plank hebben, en anderen die een gebarsten scheerspiegel exposeeren....
Al die willige doode dingen harmonieeren met de onbewuste openhartigheid hunner snorkende bezitters.
Aan de zoldering hangen, als hammen aan een lange rij, de ransels; de zware zakken hangen daar al maandenlang leeg en slap, en wij hebben ze al dien tijd niet gedragen.
Het invallend namiddag-licht werpt lange slagschaduwen van de slappe ranselzakken uit langs de gewitte zoldering; de schaduwen hebben vreemde vormen. En mijne onbewuste oogen tooveren plotseling een verrassend beeld op mijn rustig-blank brein.
Het is me opeens, alsof al die slapende kerels hunne zorgen voor een tijdlang afgehangen hebben. Ze hangen daar aan de zoldering, die zorgen, op een lange rij, naast elkander.
En het invallend namiddaglicht mengt de vreemd gevormde slagschaduwen tesamen en dooréén... tot een grauwe wolk, die langs de zoldering vervaagt tot een verre hoek van het vertrek...
* * * * *
Daar schettert het appèl-signaal.
Bijna gelijktijdig verroeren zich de rustende lichamen op de kribben.
De deur wordt met een slag opengeworpen, en het is opeens veel lichter onder het gewelf.
»Verdorie d'r uit,« schreeuwt de schreeuwer en hij schudt het slappelingetje naast hem door elkaar.
»Jawèl, jawèl, hou je poote maar thuis,« zegt het slappelingetje slaperig.
»D'r uit, Stoke, suffe mafkop!« roept de schreeuwer mij toe.
»Hou je groote smoel,« geef ik kribbig terug.
Ik ben weer ruw. Ik heb mijn liefderijke gevoelens weer verloren. Maar ik kàn er niets aan doen... Ze spreken zoo luide en onbezonnen...
... Ach, waren ze maar blijven slapen. Ze waren zoo sympathiek, en zoo eerlijk... _in hun slaap_.
* * * * *
_Jubileum-dag._
In alle stilte heb ik, goede lezer, vandaag den dag herdacht, die nu juist een jaar achter mij ligt, en waarop ik mij voor het eerst soldaat mocht noemen.
Ik behoef u niet te zeggen, dat ik dit feit zonder eenig feest- of uiterlijk vertoon geconstateerd heb. Maar het wàs een jubileum.
En bij een jubileum behooren een feestredenaar en een toespraak.
Om nu mijn jubileum bescheidelijk, en in zoo beperkt mogelijken kring te vieren, besloot ik mijn eigen feest-redenaar te zijn.
's Morgens, in bed, sprak ik mij zelf binnensmonds ongeveer als volgt toe:
»Melis Stoke! Jubilaris. Het is vandaag de dag... enz. enz. In het afgeloopen jaar waart ge soldaat, daarmee is alles gezegd. Het Vaderland heeft, om eerlijk te zijn, niets aan uw diensten gehad. Daarin moet verandering komen! Ge moet uwe contemplatieve houding in het legerverband opgeven! Ge moet actief worden! Ge moet het Vaderland nuttig zijn.
Melis Stoke, laat ik kort en duidelijk zijn.
Dit nieuwe jaar moge u zien als officier! Al is er bij de landstorm geen wettelijke--dan is er toch een _moreele kaderplicht_.
Aan toeschouwers hebben wij niets: wij moeten kerels hebben die wat _doen_!
Ik heb gezegd! Lang zal hij leven... enz. Hoera! Hoera!«
Ik was zelf zóó geschrokken van dit, als buiten mij om geboren besluit, dat ik dit _Hoera!_ hardop geroepen had.
»Hij oefent de stormaanval!« riep Kees hoonend. Toen ben ik op een tafel gaan staan, en heb mijnen kameraden mijn besluit medegedeeld.
Nu zijn ze boos op me.
»Wat een vènt,« roepen ze. »Eerst doet ie mee, en nou wil ie zoo'n kouwe luitenant worde!«
»Mannen, besloot ik ernstig, op het slagveld spreken we elkaar nader. Tot dàn. Ik ga mij er toe bekwamen, uw aanvoerder te mogen zijn!«
»Zà-je-me-niet-stràffe?« hoont Karel...
* * * * *
[Illustratie]
IX.
Kleilust, Einde Maart '17.
Dit is, lezer, mijn slotzang... Voor den laatsten maal heb ik boven deze regelen den titel neergeschreven, onder welken ik u het lief en leed heb uitgezongen van een simpele soldatenziel.
Ge kent mijn besluit reeds; ik ga officier worden.
Na een jaar--de jubileumsdag ligt vlak achter mij--na een jaar van gehoorzaamheid, ga ik mij op mijn beurt onder hèn voegen, die op dit ijdel ondermaansche met een schijn van gezag en een zeer reëele verantwoordelijkheid bekleed zijn. Ik heb begrepen, dat ieder de taak te vervullen heeft, waartoe het lot hem beschikt heeft.
Maar ik heb méér begrepen... ik heb iets begrepen van wat er in een ruwen soldaat omgaat; zoo'n soldaat is moeilijker te doorgronden dan een sphynx... want een sphynx zwijgt, en een soldaat is geneigd het tegendeel te zeggen van wat hij gevoelt.
Misschien zal die tak van wetenschap in den verlofsofficier Stoke de lacune aanvullen die in zijn krijgswetenschap zal blijven bestaan. Want om de hoogere krijgsschool te bezoeken heb ik tijd, noch gelegenheid.
Ik ben er mij zeer wèl van bewust, dat mijn dagboek niet anders geweest is, dan eene losse aaneenschakeling van notities; het geeft dan ook evenmin de »psyche« van den Nederlandschen soldaat, als het foto'tje op uw buitenlandschen pas die geeft van uw persoon.
Maar er zit wat van hem in, en zijne grove trekken zijn te herkennen. Er blijft mij nu nog één ding over, en dat is u te zeggen, wàt een officier is, wàt ik zijn zal, in de oogen van hen, die tot op dezen dag mijne kameraden zijn.
* * * * *
_De officieren._
Het was op een warmen zomer-namiddag; ik was nog niet lang in dienst.
Uit een venster van de kazerne gebogen, overzag ik het zonnige exercitie-terrein, waar recruten eener jongere lichting hunne eerste lessen genoten.
Naast mij leunde Gerrit tegen de vensterbank, en verlustigde zich in hetzelfde schouwspel.
De commando's klonken tot ons over op de lauwe lucht.
Aan de overzijde van het water schoof bel-tinkelend een tram voorbij.
[Illustratie]
Plotseling werd ons beider blik getrokken tot een lichtend punt; het was de zon, die even schel reflexeerde in een officiers-sabel.
De officier stond op eene kleine verhevenheid, en overzag vandaar het terrein; hij rookte een cigarette, en heel zijn houding drukte rust, doch tegelijkertijd latente macht uit. Hij scheen er zich niet van bewust, dat Gerrit en ik en wellicht nog vele anderen, naar hem keken.
»Fijn leventje toch, zoo'n luit',« zeide Gerrit naast me.
»Maar niks doen, en kommedeere... en 'n hoop cente in de maand...!«
»Daarvoor moet hij voor jou denken!« waagde ik.