Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.
Part 6
Mijn militaire-ik sarde mij, zooals een opdringerige, onsmakelijke kennis iemand hinderen kan. Hij drong zich aan mij op, en strekte zijn viese, zwarte handen naar mij uit; hij fluisterde mij dingen in het oor over »marschen« en »wachtkloppen« en »kribben« en »aardappelen en uien«... en ik háátte hem.
Den volgenden morgen kwam zijn oppasser, om het geweer van zolder te halen en te poetsen.
Hij hield mij voor hem, en zeide vriendelijk goeden morgen; hij wist niet, hoe mijn burger-ik hem verfoeide en verachtte.
Hij wist niet, dat daar iemand ànders voor hem stond, een trotsche en pretentieuse burger, en hij heeft niet begrepen, waarom ik hem op dat oogenblik niet, zooals vroeger, hartelijk de hand drukte....
Ditmaal wisselden wij geen verstandige brieven, mijn militaire- en mijn burger-ik.
Wij accepteerden elkanders hinderlijk gezelschap, zooals doodsvijanden, die toevallig in dezelfde spoorwegcoupé moeten reizen.
Nog drie dagen gingen wij grimmig zwijgend naast elkander voort...
Toen gaven wij elkander, noodgedwongen, de hand; maar mijn militaire-ik bleek, misschien wel door de macht der onverzettelijke omstandigheden, de sterkste.
Op zekeren dag greep hij me bij den strot, en wierp mij verre van zich.
Nog zag ik, hoe hij haastig wegsnelde, om zijn soldaten-pak weer aan te trekken....
Toen wierp hij zijn ransel om, nam zijn geweer, en stopte zijn zakboek in den zak van zijn overjas. En hij ging met driftige, maar vastberaden stappen weg....
VERVOLG VAN HET DAGBOEK VAN MELIS-STOKE.
NIEUWE REEKS.
_Januari 1917._
I.
_Het vertrek naar het »Winterkurort«._
En hiermede, goedmoedige en geduldige lezer, vangt een nieuwe reeks veldzakboekbladen aan.
Dit feit hebt gij te wijten en ik te danken aan de beschikking omtrent mij en mijne kornuiten door »_hoogerhand_« genomen; de beschikking, die ons eene in het burgerleven voor »bescheiden beurzen« nauwelijks denkbare luxe in het uitzicht stelt, nl. die van een _Winterkurort_.
Een besluit, dat ons tot den werkelijken dienst terugroept.
Ach, hoe weingen onder u beschikken over den tijd en de middelen om u een winterbuitenverblijf te veroorloven... wanneer ik dit bedenk, wensch ik bijna, dat gij in mijn plaats (derde klas vrij vervoer) naar _Klei-lust_ gaan kondet.
[Illustratie]
Om militaire redenen noem ik mijn bestemmingsplaats _Klei-lust_, hoewel ik, naar hetgeen men mij er van vertelt, even zoo goed de geografische schuilnamen: _Modder-_, _Stank-_, _Vee-_, _Slik-_ of _Boerenkool-lust_ zoude hebben kunnen bezigen.
Intusschen behaagt het mij, deze brieven met _Klei-lust_ te onderschrijven, welke naam trouwens reeds boven mijn schrijfpapier en op mijne visitekaartjes is gedrukt.
Vooralsnog ben ik echter te Amsterdam, en bereid mij voor op de reis; ik bereid mij voor met ongeveer dezelfde vreugde als die, waarmede gij in vredestijd uw sweaters en pelsjasjes en mutsen te zamen zoekt om een Kerstvacantie in Grindelwald of Sint Moritz te gaan doorbrengen.
_Mijn_ sneeuw, lezer, zal modder, _mijn_ hôtel een fort, en _mijn_ Grindelwald _Klei-lust_ zijn.
[Illustratie]
Ik zoek dan ook niet zoozeer zaken bijeen, die mij van koude en sneeuw zullen kunnen vrijwaren, dan wel uitrustingstukken waarmede ik mij althans eenigszins zal kunnen wapenen tegen onaangename zaken, als daar zijn: spattend slik, springend ongedierte, een middelmatige keuken en een lakenloos nachtleger.
Zoo ziet ge, dat mijn bagage er een van andere soort zal zijn dan de uwe, wanneer ge naar uw wintersport gaat. Ik--ook niet dom--combineer de Cresta-run met het Modderbad, drink heilzame wateren, eet bruin brood, en wandel bij muziek (militaire)... en dit alles onder den rook van Amsterdam, met vrij vervoer, en met eene bezoldiging van twintig cent per dag!
Haha, lezer! Ik zie afgunst in uwe oogen! Gij zult den heelen winter in Amsterdam zijn om u te laten plukken op liefdadigheids-bazars, om eetverplichtingen na te komen, en digestie-visites te maken....
En ik ga den heelen winter naar buiten.
Dit bedenkende, ga ik met dubbelen ijver voort met het pakken van mijn dressing-case.... of liever ransel; ik stapel pakjes zeep en blikken corned-beef op doozen insecten-poeder, en van tijd tot tijd werpt een vriendelijke hand een worst of een zijde spek tusschen de tot inpakken gereed liggende laarzen en lijfgoederen.
»Zult ge,« vraagt tante Adolphine, »vriendelijk tegen uwe meerderen zijn? Wie houdt nu zulk een fort schoon, waar zoovele jongelui bijeen zijn? Is er een portier, die uwe brieven en boodschappen aanneemt?«
Ik verzeker haar, dat mijne meerderen zich niet over hondschheid mijnerzijds te beklagen zullen hebben, dat een tiental schoonmaaksters en huisknechten mij en »de andere jongelui« keurig zullen verzorgen, en dat een rijk gegalonneerde portier steeds bij de fortbrug gereed staat om, natuurlijk tegen eene kleine belooning, brieven, boodschappen en handkoffers aan te nemen.
[Illustratie]
Tante Adolphine is gerust gesteld, en zij biedt mij haar auto aan, om daarin naar het fort te rijden.
Indien het eenigszins mogelijk is, zal ik dat aanbod aanvaarden.
Wanneer?
Lezer, wanneer dit schrijven onder uwe oogen komt, zal ik er reeds zijn.
Het afscheid heeft plaats op hetzelfde oogenblik dat ik deze regelen schrijf.
En, wanneer zij u, tot strengen lettervorm gevoegd, onder de oogen komen, dan zult gij niet weten, dat op deze plaats van het manuscript een dikke, zware traan gevallen is.
Dat is het geheim van den zetter en mij, nietwaar zetter?[G]
[G] Noot van den zetter: »Jawèl! Wees gerust!«
En, indien gij er toch achter mocht komen, dan wil ik hieraan toevoegen, dat het geen traan van zelfbeklag of weeklijkheid was, verre van dien.
Het was een gelegenheidstraan!
Zooeen van de soort, waarvan tante Adolphine er 10 à 11 storten zal op het oogenblik, dat ik, geheel toegerust, in haar auto zal wegrijden.
Een afscheidstraan van Amsterdam, zooals iedere handelsreiziger er 365 per jaar schreit.
Want Amsterdam en hare behagelijke kazerne is mij zoo lief geraakt; men zegt wel eens, dat het hôtelleven iemand onhuiselijk maakt.
Mijne ervaring is geheel tegengesteld aan dat begrip.
[Illustratie]
O! ik weet zeker, dat ik mij direct thuis en behagelijk zal gevoelen in Klei-lust... ik zal er een tuintje aanleggen, om tegen het volgend voorjaar elken morgen radijsjes aan het ontbijt, en 's avonds geregeld asperges aan het diner te hebben....
Ik ga een kip houden, en snoeken visschen....
En den geheelen winter exerceeren....
Lezer, ik beloof u geregeld te zullen schrijven over mijn wintersport.
Daar is tante Adolphine's chauffeur.... hij moet vragen of mijnheer zijn ski's en schaatsen mee wil nemen, en dat mijnheer zijn overschoenen niet vergeten moet.... Ik zal hem uitsturen om _nòg een doos insectenpoeier_ te halen, en _een pakje B. Z. K. pruimtabak_....
II.
_De Aankomst._
J'y suis... en ik zal er moeten blijven ook. Terstond na mijn aankomst, haastte ik mij, tante Adolphine van mijn voorloopig behouden-zijn op de hoogte te brengen, in ongeveer de volgende bewoordingen:
Klei-lust--Jan. 17.
_Hooggeschatte Tante._
Uw auto heeft mij snel, helaas àl te snel, naar mijn Winterkurort gebracht. Om u maar direct de waarheid te zeggen: ik ben nog nooit in eenig hôtel zoo vreemd ontvangen. Het was, alsof ik allesbehalve welkom was, en een brutale indringer. Nu weet niemand zoo goed als gij, hoe weinig deze tocht met mijn persoonlijk initiatief uitstaande heeft, en hoezeer het voornemen er toe beïnfluenceerd werd door Hoogerhand. Desondanks gedroeg men zich jegens mij, zooals ik dat wel eens ondervonden had in hôtels, in de haute saison, wanneer ik weinig bagage had, of mijn komst niet telegrafisch vooruit gemeld had.
[Illustratie]
Het vreemde is, dat in dit geval een telegram mij vooruit gegaan was, dat ik bagage had (een kist van de kleur en afmetingen eener gemiddelde salon-pianino-met-pianola-aanbouw) en dat het seizoen het goede niet is... de wintersport is uit, en de sneeuw is versmolten tot kwalijk riekende, vette teel-aarde. En tòch, tante, ontving men mij als een indringer.
Licht blozend om het pijnlijke dier situatie, volgde ik een chasseur-à-pied naar het rez-de-chaussée-vertrek, dat ik met een twintigtal andere logeergasten deel.
Het was er duister, want het eenige venster was zoo groot als een »Palthe-doos,« en bovendien ten halve gesloten.
Intusschen bleek mij aanstonds, dat mijne twintig adsp. kamermakkers zich reeds zoozeer geassimileerd hadden aan deze nooddruftige toestanden, dat zij blijkbaar kans gezien hadden, met hun twintigen mijn aankomst door deze halve palthe doos te bespieden.
Tenminste, zij riepen, doelende op uw fraaie limousine, als in koor »heijeveelgeldmeegebracht?«
Ik begreep dien kreet niet aanstonds, maar, instede van hem zoo phonetisch-juist mogelijk te herhalen, vraagde ik: »pardon?«
[Illustratie]
Weer riepen zij, nu duidelijker accentueerend:
»Hei-je-veel-geld-meê-gebracht?«
Der waarheid getrouw haastte ik mij te antwoorden:
»Twee-gulde-vijf-en-zestig-cente, een zilverbon en twee pietjes.« Op dat oogenblik bedacht ik, dat de Amerikaansche tol-beambten dezelfde, oppervlakkig ietwat onbescheiden lijkende, vraag aan vreemdelingen plegen te stellen.
Reeds tastte ik naar mijn beursje, om mijne bewering waar te maken, toen een der vriendelijkste heeren zich ten halve van zijn bed verhief, en riep: »Wat mot je!«
Iet of wat stotterend zeide ik, met een lichte buiging: »Mijn naam is Stoke.«
Hij lachte honend, alsof ik gezegd had: »mijn tante heet Adolphine,« en gaf toen van zijn geringe belangstelling blijk, met de woorden:
»Kamme niks verdomme, wat mòt je?«
Toen zocht ik eenige oogenblikken naar een populaire uitdrukking, teneinde hem van repliek te kunnen dienen, en vond er inderdaad eene, die ik met een gelaat, stralend van zelfvoldoening, uitsprak:
»Had je me maar!«
Hoewel dit antwoord evenmin voor snedig als voor buitengemeen passend kon doorgaan, bracht het mij eenige sympathie van de zijde mijner makkers, en reeds stonden wij op het punt gezamenlijk een lied aan te heffen, toen de verbroederingsdroom wreedelijk verstoord werd door een superieur, die mij naar een ander vertrek voerde, dit hebbende twéé palthe-doozen en een nis aan de achterzijde, en dat bestemd bleek voor mij en een twintigtal andere krijgsknechten.
[Illustratie]
Ik zal u niet vermoeien, tante, met de geschiedenis der nieuwe kennismaking, of met de omschrijving der geuren, waarmede de atmosfeer dezer bij uitstek kleine ruimte bezwangerd werd, en die opstegen uit een walmende pot met _haren_ (= zuurkool) en uit eenige andere wierookvaten en vaatwerken.
Te middernacht lag ik te bed; de geuren waren als lauwe walmen om mij heen; wanneer ik het hoofd méér dan twee centimeters van het stroo-kussen ophief, bezeerde ik het aan de ijzeren matras van mijn bovenbuurman. Op de boot en in den trein is een bovenbuur in de cabin lastig, op een fort is hij onuitstaanbaar. Wanneer hij even woelt, kraakt de roestige kribbe verdacht, en een wolk van stof en stroohalmen daalt op den argeloozen beneden-man. Het werd één uur.
Men walmde, kraakte, nieste, snorkte en riekte.
Het was, alsof het bovenbed langzaam dalen ging, om mij te verpletteren; ik was koortsig en benauwd. De stroohalmen kietelden mij... en men bleef walmen en snorken. Toen, tante, draaide ik mij om... en ziet, de natuur kwam mij troosten.
Door een der geopende palthe-doozen ontwaarde ik een vaag landschap: wat wazige boom-silhouetten tegen een bewolkten nachthemel, waardoor het maanlicht vreemde schaduwen en lichtvlekken deed drijven. Nu en dan liet een wolk een stukje donkeren nachthemel vrij, met een troostend sterretje erin: ik moest denken aan de taart mijner kinderverjaardagen, waarvan _een-stuk-met-een-kersje_ hèt ideaal was...
De nachthemel zag er zoo frisch uit... maar zoo vèr. Maar hij gaf mij de illussie van _buiten_-te-zijn. »_Ik ben buiten_« herhaalde ik een paar malen bij mijzelven:
_Ik woon nu heerlijk buiten..._
En met die troostende gedachte, sliep ik, walm en nies en snork ten spijt, rustig en berustend in...
* * * * *
_Aardappel-practijk._
Lezer hebt ge wel eens een _aardappel_ gezien? Neen, ik meen nu geen pommes-frites, of pommes-paille; ik bedoel zelfs niet de pommes-de-terre-en-robe-de-chambre, die ge als natuurgerecht met rustieke fierheid op uw tafel doet brengen; dit zijn altemaal degeneraties van _het begrip aardappel_.
Ik meen een _aardappel_, geen gekookte of gebakken luxe-aardappel, en geen verwijfd-reine aardappel, zooals die in een kelderkist ligt, maar een doodgewone aardappel.
Ziet, daar staat ge nu!
Een aardappel, luister nu, is in den natuurlijken staat een _bonk klei_; wanneer ge met een vlijmscherp pennemes de omgevende humuslaag voorzichtig verwijdert, stoot ge op de aardvrucht zelve; deze heeft de grootte van een gemiddelde rose oliebol!
Van zulke aardappelen, lezer, maak ik er iederen morgen vijf of zes, al naar men mij daarvoor één of anderhalf uur den tijd geeft, voor de consumptie gereed.
Des morgens drijft men mij en mijne kameraden naar een houten loods, die tot opslagplaats van landbouw- en oorlogsmateriaal dient, te oordeelen naar eenige spaden, eggen en --------[H], die daar opgeslagen staan.
[H] Door den censor geschrapt.
In deze loods dan, werden wij te hoop gedreven, en zullen wij in den vervolge iederen morgen te hoop gedreven worden, om aardappelen te jassen.
Jassen is een kunst.
Men _schilt_ een appel, _pelt_ een sinaasappel, doch _jast_ een aardappel.
Ook ik jaste.
Daartoe deed ik, zooals mijne kameraden deden; nam plaats op een lage tabouret, scherpte het overigens reeds vlijmscherp pennemes aan den schoenzool... en... jaste.
[Illustratie]
Ik jaste voorzichtig, en slaagde er in, in anderhalf uur tijds vijf aardappelen, te weten: 2 groote, één middelsoort, en 2 kleinere, in blanke vruchten te doen verkeeren.
Aanvankelijk ondervond ik eenigen tegenslag; uit de eerste aardappel, die ik kerfde, kwam iets te voorschijn: het was een zesvoetig insect, dat zich bliksemsnel verwijderde in de richting van mijn jassende hand.
Ik slaakte een gil, en liet de vrucht vallen; deze spatte uiteen op een stuk veldgeschut, dat daar toevallig stond, en danig bevuild geraakte.
»Kààk uit!« snauwde zekere _Uiltjesbroekersma_, een Fries, die naast mij jaste: »ik zal je het fort naar je hoofd gooie!« Aangezien het fort te Kleilust groot en zwaar is, verbeet ik mijn woede, en greep een nieuwe aardappel.
Ditmaal was het een werkelijk buitengemeen groot exemplaar, omgeven door een dikken humuslaag. Na deze voorzichtig verwijderd te hebben, sneed ik, zuinigheidshalve, in dunne vliesjes de schil weg, want ik herinnerde mij, dat een aardappel vlàk ónder de schil het voedzaamst is. Er bleef, na een half uur jassens, een groote blanke vrucht over; maar deze staarde mij uit zoovele lodderige oogen droevig aan, dat ik besloot de enucleatie toe te gaan passen, m.a.w. al deze oogen uit hunne kassen te verwijderen. Na een ander half uur opereerens, staarde ik op een vreemd gevormde vrucht, vol diepe en ledige, netjes schoongekrabde oogkassen.
[Illustratie]
Maar, het mocht dan drie kwartieren arbeids vertegenwoordigen, het was een prima consumptie-aardappel; wel niet om van te watertanden (er waren duidelijk zichtbare afdrukken op van mijn vettig-zwarte vingers, dit kwam door het stuk geschut, dat ik getracht had te reinigen), maar dan toch een prima aardappel.
»Nou?« zei ik fier tot den naast mij zittenden man, die _Uiltjesbroekersma_ heette, en een Fries was,--»nou? Had je me maar?« Ik lachte populair.
Maar hij haalde minachtend de schouders, en smaalde: »Snij em es door!«
Ik sneed de consumptie-aardappel door.
Deze bleek van binnen verrot.
Alle arbeid was tevergeefs geweest...
Zoo zult ge het slechts kunnen waardeeren, dat ik nog de wilskracht bezat, kort achtereen, één middelsoort- en twee kleine aardappelen te jassen.
Ook mijne vrienden namen nieuwe aardappelen ter hand, en, onder het werk zongen wij ... de _Internationale_.
»Hou je bekke!« riep de sergeant.
Toen hieven wij, schoon verschrikt, het altijd zoo aardige lied aan van:
»_Weet je al van kóóóóssie_«
en daarna het onschuldige:
»»_Bai-Bai demoer_«, »_Me zuster zit voor de piáááno!_«
dat feitelijk beduidt:
»_Bébé d'amour_«.
Dit vertelde mij mijn buurman, zekere _Uiltjesbroekersma_, geboortig uit Friesland.
III.
Kleilust, Jan. 1917.
_Reizen en Passen._
Goede burgers! Ge hebt allen gesidderd bij het vernemen der formaliteiten, waaraan ieder, die zich naar het buitenland wil begeven, zich heeft te onderwerpen. Achter op lijn 2 hebt ge tegen uw medereiziger gezegd: »dat dat voorloopig nog wel zoo blijven zal, ook nà den oorlog.« En daarna hebt ge gezamenlijk, tot schrik en verbazing van den conducteur en den trammenden slagersknecht, anecdoten opgehaald van arrestaties aan de Russische grenzen, en over beroepspassenvervalschers in Griekenland en Siberië....
[Illustratie]
Onwetende burgers! Ge kent niet het verschrikkelijke van een _binnen_landsche reis. Ge weet niet, aan welke gevaren en bezoekingen een reizende soldaat in uniform, zelfs een in burgerkleeren, bloot staat tusschen Utrecht en Amsterdam of aan de stations te Rotterdam en te 's-Gravenhage.
Overal staat men gereed om zijne passen te visiteeren en zijn legitimatie te eischen, aan ieder loket weigert men hem een kaartje, wanneer hij niet bewijzen kan, dat hij er een koopen màg.
Zoo zijn de loerende kameraden en meerderen, op Vaderlandschen bodem hem vaak noodlottiger, dan Russische grens-ambtenaren het een reizenden jood of nihilist, Grieksche contra-spionnen het een voortvluchtigen spion zijn...
Let eens op, wanneer ge aan een groot station door de contrôle snelt, om nog een taxi te vinden, buiten; let eens op, en bemerk de daar posteerende militairen, die tusschen den stroom der burgers op uniformen loeren! Zie dan, hoe gretig zij elken soldaat om pas en legitimatie vragen, en, wanneer ge er een kwartiertje voor over hebt zult ge bemerken, dat er daar in dat tijdsverloop méér worden gevat en teruggezonden, dan zulks aan de Russische grenzen in een half jaar geschiedt.
[Illustratie]
Rijd eens langs de wegen, die het verdedigde platteland met de stad verbinden; ge zult daarlangs des avonds heele optochten van fietsende soldaten zien. Zij mògen weg van hun forten, maar, zelfs voor hun eigen kosten, mogen ze niet per trein reizen. Die menschen hebben er dagelijks eenige uren fietsens voor over, om hun gezin even te bezoeken.
Dit alles, goede burgers, heeft een doel.
Dat doel is, dat gij voldoende steenkolen zult overhouden, om uwe kachels te stoken, om electrisch licht te hebben, om te trammen, en om--zij het dan ook slechts tot middernacht,--in verlichte koffiehuizen te kunnen zitten.
Alles heeft zijn prijs.
Ge kunt reizen, zooveel ge wilt, en zònder passen-ellende. Wij, soldaten, kunnen van tijd tot tijd reizen, en dan nog slechts op vertoon van een pas.
Zoo sparen de spoorwegmaatschappijen kolen.
Alles heeft zijn prijs.
Immers, wanneer het verlangen naar huis eens een dag héél sterk in ons is, dan pompen wij onzen achterband op, en fietsen een uur of wat, en, indien wij wèl een gezin, maar geen rijwiel kunnen houden, nu, dan slikken wij ons verlangen maar in, en houden het oog gevestigd op het maandelijksch verlof.
Want er is kolen-nood.
Ja, ja: _pourvu qu'ils tiennent, les civils!!_
* * * * *
_De film van Leger en Vloot._
Wanneer ik een winkel had, zeide _Gerrit_, en ik bang was voor mijn concurrenten, dan zou ik het volgende doen: Ik huurde een groot huis, met veel étalage-kasten. In die étalage-kasten zette ik àllen voorraad dien ik had. De winkel zelf bleef ledig; alleen moesten er een paar vroolijk uitziende winkeljuffrouwen rondloopen. Ik zelf hing een zware horlogeketting op mijn buikje, en antwoordde iedereen, die iets anders wenschte, dan in de uitstalling lag: »het is uitverkocht maar reeds na-besteld!«
Zoo'n winkel is de Leger- en Vlootfilm. Het is een étalage, en binnen loopen soldaten met vroolijke gezichten.
»Ik wist niet, dat we zooveel paardenvolk hadden«, zei een juffrouw naast me, toen ze _de_ cavalerie-brigade voorgesteld zag als _eenige regimenten cavalerie_.
Toen de torpedobooten voorbij-joegen, maakte ze geluiden van ontzag: op het juiste oogenblik verduisterde het beeld, om een nieuw te doen verschijnen.
De duikboot herinnerde aan _de_ zakdoek van het verarmde adellijke geslacht.
_De_ munitie-fabriek werd als _een_ munitie-fabriek met zwierige nonchalance aangekondigd.
De afdeeling luchtvaart was een sport-evenement, het anti-aircraftgeschut een surprise, en de 12-cm.-lang-batterij een min of meer geslaagde aardigheid.
Maar wat goed was, dat waren _wij_. Wij tirailleerden in de duinen, dat het zoo-maar niets leek, wij zwommen en turnden en fietsten, zooals wij inderdaad allen doen. Wij marcheerden in dubbele-marsch-colonne over de hei, alsof er geen gaten en struiken waren, en men juichte ons toe, toen wij, over hekken en sloten jagend, een spoorwegdijk bezetten.
Opeens herkende ik Ari, die naar het veldleger vertrokken is. Hij stond op een pontonbrug, schuin achter een divisie-commandant, en ik zag hem zoo vlak in zijn gezicht, dat ik moeite had niet luidkeels uit, te roepen:
[Illustratie]
»Hoi, kameraad! Amodjô!«
Ari keek zoo glunder, alsof hij mij erkende, maar de divisie-commandant stond er bij, dus hij kon niets doen.
Plotseling maakte Ari een dwaas gebaar, met zijn hand aan zijn veldmuts.
Hemel--dacht ik bij mezelf--als die divisie-commandant eens omkeek!
Ari greinsde, trotsch op zijn moed.
De divisie-commandant had niets gezien, »gaf geen sjoege« zooals Ari en ik dat noemen, en rookte rustig een sigaar.
Ari was gered! Branie was het tòch geweest.
Toen ik er later nog eens over nadacht, kwam op eens een akelig gevoel in mij op: als die divisie-commandant eens naar de bioscope ging... en hij herkende Ari, die toch bij het veldleger is...
Maar intusschen kwam er een verblijdend en geruststellend krantenbericht, dat luidde:
H. M. de Koningin heeft de Leger- en Vlootfilm gezien, en er Hare Tevredenheid over Uitgesproken. H. M. werd gevolgd door...
Toen kwamen er vele hooge heeren, waaronder ook de divisie-commandant.
Maar de Koningin is Tevreden: dus Zij neemt het Ari niet kwalijk. Nou, dan kan die divisie-commandant óók niks zeggen!
Ik zal Ari een briefje schrijven.
Toch een branie, die Ari!
* * * * *
_Bazar voor Leger en Vloot._
Er is een tentoonstelling van de huisvlijtproducten, die wij in onze ledige uren maakten.
Aardig denkbeeld! Wie er iets voor maakte, kreeg eenigen tijd vrij van dienst.
U snapt, dat we allemaal aan 't werk gingen.
Keesje maakte een Zeppelin van leege groentenblikken; hij sneed zich 14 maal in de vingers, en het ding is bij 't vervoer uit elkaar gevallen.
Daan wilde van zes afgekeurde helmen een berglandschap maken; maar, aangezien hij nooit een berglandschap gezien had, hield het kunstwerk, toen het gereed was, het midden tusschen een kudde dromedarissen en een Bedouïnen-dorp.
Hein was heel geheimzinnig bezig, in een schuurtje; elken dag kreeg hij een standje op 't appèl, omdat hij telkens verscheen met roode verf op z'n uniform, en stijfsel in z'n haren.
Eindelijk kwam hij op een dag trotsch de cantine binnenloopen.
Hij zwoegde onder een torenhoog toestel, dat knalrood geverfd was. Toen hij het op tafel zette, viel er een stuk af; met een luiden bons viel het op den planken-vloer.
Iedereen keek er naar. Hein wischte zich 't voorhoofd af, en raapte het stuk op.
»De Westertoren?« vroeg er een.
»Naatje van de Dam?« informeerde Daan.
Hein haalde minachtend de schouders op.
Iedereen raadde. Achtereenvolgens ging het voorwerp door voor: »een bloosend maissie«, »een kenon met bloed 'r an«, »Hein assie rooie kool gegéte het«, »de duvel«, en »Troelstra«.
Het werd een kruisvuur van aanmerkingen op het voorwerp, en opmerkingen aan 't adres van Hein.