Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.

Part 5

Chapter 53,618 wordsPublic domain

Op zekeren dag hadden Amsterdamsche menschenvrienden een soirée voor ons gearrangeerd in een der schouwburgen, en, op hoog bevel, hadden Hannes en ik, en alle anderen, na de middagsnert onze handen gewasschen en het voornaamste gedeelte van ons gezicht, teneinde »knap« in de comedie te komen.

Vier aan vier, in een schier eindelooze stoet, trokken wij de vreugde tegemoet. Hannes en ik liepen naast elkander, en deelden niet in de algemeene opgewektheid.

Met zijne ietwat loenzende oogen keek hij eerst naar den sergeant, en vervolgens fluisterde hij mij toe:

»Nou ik me eige tòch gewasse heef, ken ik toch beter met Merie gaan, vanavond.«

»Hé je geen senie in de kemedie?« informeerde ik.

Hij keek minachtend en vreeselijk blasé op me neer:

»Wat doe ik met al die flauwe onzin! Ik ken toch beter een bakkie koffie hale bij Merie?«

Reeds eerder had hij mij toevertrouwd, dat hij gaarne lange avonden zwijgend doorbracht met Merie en koffie.

Toen maakten wij samen uit, dat »de kemedie« »géén werk« was, en dat wij zouden probeeren te ontvluchten.

Aanvankelijk namen wij vol enthousiasme onze schellinkiesplaatsen in, en brachten, als echte théater-habitué's een minuut of tien ongegeneerd zingend, spuwend en schreeuwend door. Wij gaven, zooals Hannes terecht opmerkte: »geen sjoege.«

Toen het scherm opging, riepen wij allebei »ssssst«, en kropen toen op handen en voeten onder de banken door naar de nooduitgang.

In de gang ontmoetten wij een soort schildwacht, die ons aanhield.

»Hé, hé, wat was dat?«

Hannes, vol tegenwoordigheid van geest, verklaarde, »datte-me-naar de koffiezaal moste, omdatte-me dorst krege van 't klappe.«

In de »koffie-zaal« was natuurlijk niemand, en de juffrouw in het buffet keek ons wantrouwig aan.

Maar we knikten haar vriendelijk toe, en zeiden dat het »zoo warrem wier binne«; Hannes was zoo beleefd mogelijk, spuwde slechts driemaal op den grond van de foyer, en ging toen naar het raam, om te kijken, of de brandladder bereikbaar was.

Na vijf minuten kwam hij me roepen, en, terwijl hij snel de rest van mijn glas bier opdronk, fluisterde hij, »feruit, ze kijk net niet.«

Met kloppend hart kropen wij op handen en voeten het buffet langs, de foyer uit, en de wandelgangen door.

Ieder oogenblik vreesden wij een suppoost of ouvreuse te zullen ontmoeten; bij de tweede trap gleed Hannes uit, viel tegen mij aan, en sleepte mij mede in zijn val; met een doffen bons vielen wij in het portaal doch bleven muisstil liggen. Mijn been was pijnlijk geschaafd, en op Hannes' zooeven nog gewasschen aangezicht waren vieze zwarte streepen.

Ik weet niet meer, hoe wij er in geslaagd zijn een zijdeurtje te bereiken, dat niet bewaakt werd, maar, een oogenblik later, stonden wij in de frissche buitenlucht.

»Nou« zeide Hannes, wien ik nu blijkbaar overbodig was--»ajuus--ik ga na Merie!«

Hij trok, bij het wegloopen, wat pijnlijk met zijn voet...

* * * * *

Indien, voor dit misdrijf, de lange arm der gerechtigheid ons niet meer achterhalen zal, dan, Hannes, blijft ons slechts over onze excuses te maken voor de groote ondankbaarheid, die wij dien avond getoond hebben.

Maar wat doe je al niet voor een bakkie koffie bij Merie...?

X.

_De militaire groet._

Een collega--»_Een Nederlandsch soldaat_«--betitelde hij zich, geloof ik,--heeft gastvrijheid gevonden voor een ingezonden stuk van zijn hand, in de meeste dagbladen onzer goede stad.

Boven zijn artikel schreef hij: »_de militaire groet_«. In zooverre gevoel ik mij dus niet onschuldig aan plagiaat. Wat mijn confrère betoogt, komt in hoofdzaak hierop neer,

--dat hij zijn plichtmatiglijk gebrachten groet wel eens genegeerd ziet, of slordiglijk beantwoord,

--dat zulks in hem en anderen de lust tot salueeren aanmerkelijk heeft doen bekoelen,

en dat hij dit--in het belang der krijgstucht--een leelijk teeken acht.

Behalve het hartstochtelijk ge-_Generaal_!! waardoor zich zijn in vocatief-vorm gewrochte pennevrucht kenmerkt, heb ik een ander bezwaar tegen zijn pathetisch betoog. Ik zoude namelijk mijnen wapenbroeder willen toeroepen, met een commando-stem, die feitelijk mijnen bescheiden rang kwalijk past:

»_Gij, snuiter, kent niet de poëzie van den militairen groet_«.

Want ontegenzeggelijk zijn er poëzie, fijne levenskunst en innige beschaving toe noodig om den militairen groet in zijn diepste wezen te kunnen genieten.

* * * * *

Op dit oogenblik waar--ik heb zulks nagecijferd--_in ons land per secunde gemiddeld 72532 militaire handen tegen militaire hoofdbedekkingen tikken_, lijkt mij deze zaak van genoegzaam algemeen belang, om er eene nadere bespreking aan te wijden.

Ik zal dit doen op ego-centrisch-militaristische wijze, en begin aanstonds te verklaren, dat ik gaarne salueer; de militaire groet is mij van een plicht tot een genoegen geworden, van genoegen tot wellust en van wellust tot hartstocht.

In café's en restaurants spring ik, bij het naken van welken meerdere ook, als door een veer gedreven in kaarsrechte houding, niet lettende op vaatwerk, dat in scherven van mijn schokkend tafeltje valt of op buurlieden met wie ik in onzachte beroering geraak.

Bij den scheerder spring ik--het vlijmscherp mes verachtende--omhoog.

Op straat breng ik mijn groet met zóódanigen nadruk, dat de meest hooggeplaatste superieuren snel pijp of sigaar uit den mond nemen en de arm hunner echtgenoote loslaten bij mijne nadering, teneinde mijn groet op dezelfde wijze te kunnen beantwoorden als ik hem breng.

Ik stoor er mij niet aan of zij al rustiglijk hun soep of drank genieten in koffie- of eethuizen... ik plaats mij kaarsrecht, met aanéénkleppende hakken rècht voor hun tafeltje en volhard in deze houding, totdat zij gelieven mijne nietige aanwezigheid te aanvaarden en te approuveeren door eene lichte neiging met het hoofd.

Ik groet meerderen in voorbijsuizende trams en huurautomobielen, weer anderen met een pakje in iedere hand--die alsdan het hoofd in mijne richting moeten draaien, mij daarbij aanziend--meerderen op vélocipèdes, paarden en motorrijwielen... kortom, ik gedraag mij met innig wèlbehagen naar de bestaande voorschriften.

Aan den anderen kant onderga ik met zeker filosofisch genot de bejegeningen, welke mijn confrère heeft willen onderwerpen aan de algemeene belangstelling.

Wanneer ik mijn reglementaire eerbetoon bracht, is het herhaaldelijk voorgekomen, dat zulks beantwoord wierd met een goedmoedig: »_besjoer_«.[F]

[F] _besjoer_ = _Nederlandsche volksuitdrukking, vermoedelijk afkomstig van den Franschen groet: bonjour_ (= _goeden dag_) [Woordenboek.]

»_Besjoer_« schijnt--ondanks de hieronder aangegeven afleiding--eene uitdrukking te zijn, die in zekere kringen zoo goed als morgen-, namiddag- als avondgroet geldt. Geen enkel militair reglement bevat overigens de uitdrukking _besjoer_ als equivalent aan den groet.

Een andere merkwaardigheid, die ik niet onopgemerkt mag laten in dit verband, is deze, dat het meerderen vrij staat om, als teeken van opperste goedertierenheid, een gebaar te maken, dat zooveel zeggen moet als: »houd je gemak maar--ik ben niet gediend van dit eerbetoon«.

Als toelichtend voorbeeld moge hier gelden mijne ontmoeting van dezen middag; ik zat--goedig--ergens, in een soort societeit, te lezen, toen opeens de gapende deuropening de gestalte omlijstte van eenen ongeschoren superieur met slecht geknipt hoofdhaar. Aanstonds ontrukte ik mijn geest aan de lectuur, concentreerde deze op het reglement van krijgstucht, en maakte aanstalten, om, verrijzende uit mijne liederlijk gemakzuchtige houding, die aan te nemen van eenen jongen eik...

Hoe groot waren echter de schrik, en tevens het weldadig gevoel van dankbaarheid in mij, toen deze meerdere, met een handgebaar als dat, waarmede de Romeinsche Keizers het leven schonken aan onderliggende gladiatoren, mij beval hem _niet te groeten_.

Ik heb niet de eer, dezen menschlievenden superieur van nabij te kennen, en--hij duide het mij niet euvel--maar ik gevoel vrees voor eene mogelijke kennismaking. Want wat moet men doen--in 's hemelsnaam wàt--wanneer iemand uit vriendelijkheid je groet weigert?

Het duizelt in mijn--helaas--àl te gezelschappelijk--brein. En, méér dan ooit, wil ik mij vanaf dezen namiddag militair gevoelen.

En nòg ben ik niet uitgepraat over den groet! Er rest mij een zeer actueel, een _in lagere militaire kringen_ (van korporaals en nòg hoogeren weet ik natuurlijk niets af) op het oogenblik druk-bediscussieerd vraagstuk, dat ik mijn lezers met nadruk voorleg.

Het luidt als volgt:

_Wat of wien geldt de militaire groet? de distinctieven van een rang, òf den drager dezer distinctieven?_

Ik persoonlijk acht mij niet competent het antwoord op dezen vraag te geven; ik zeide u reeds, dat ik een slaaf ben van den militairen-groet-hartstocht, en, gij weet het allen: in hartstocht ontstoken menschen hebben geen rijp oordeel.

Ikzelve groet wáár en hoe ik slechts distinctieven zie: op mouwen, op kragen, op overjassen...

Onlangs heeft men er mij in de kazerne zelfs op betrapt, dat ik--en ik schaam mij bijna zulks in het publiek te bekennen--dat ik op mijnen weg naar de cantine salueerde voor de goud-bestreepte overjas van onzen sergeant, die aan een lijntje (de overjas, niet de sergeant) te drogen hing...

* * * * *

_Feestgeschenken._

Bij al het goede, dat de dienst mij gegeven heeft is ook dit: ik zie nu klaar en helder voor mij, wat de groote fout is in onze maatschappelijke samenleving. Een fout, die bankroeten en veeten en brouilles en mal-entendu's bij dozijnen in de wereld brengt, die huwelijken verstoort en voorgenomen huwelijken doet afspringen...

Ik meen _de verderfelijke spilzucht_, die in ons allen is.

Wanneer onze ouders jarig zijn, of als wij het Sinterklaasfeest vieren, dragen wij de meest prijzige zaken in huis; naar begrafenissen zenden wij péperdure kransen en bloemstukken, en wij rusten niet, wanneer de geschenkentafel van een bruidspaar zonder een zilveren jardinière of 250 oestervorkjes onzerzijds blijven moet...

Wij putten door onze beurzen onze harten ledig, en onze zielen vullen zich met nijd en venijn, waar slechts liefde en toewijding behoorden te bestaan.

Dit alles wilde ik zeggen, alvorens u het treffend voorbeeld van waarlijk finantieel overleg te toonen, dat ik dezer dagen mocht medemaken.

Een mijner collega's dan huwde, althans was van plan in het huwelijk te treden.

Nu, als goede vrienden offer je dan met genoegen je dubbeltje of je drie stuivers, teneinde een passend feestgeschenk te kunnen helpen bekostigen.

Er zijn wel altijd booze tongen, die beweren, dat: »hij trouwt voor de ondersteuning!« of »dattet een moetje is«, maar, waarlijk goed gezinde kemeraden, zooals ik niet aarzel mij er een te noemen, hechten geen geloof aan dezen taal, en getroosten zich het ongerief van tien of vijftien centen, teneinde dien dag tot een onvergetelijke te doen zijn.

Aldus geschiedde, en, hoewel niet zonder vechten en kleerscheuren, kwam een bedrag van f 9.22-1/2, zegge negen gulden en twee en twintig en een halve cent bijeen. Nu denkt ge alweer aan de zilveren jardinière, of de 250 oestervorkjes...

Neen, lezer, dat hebt ge nu eens lekker mis! Geen stomme jardinière, en geen doodgewone oestervorkjes, doch:

a. _een pendule voor schoorsteenmantel_, b. _een dito zijstuk_, c. _een dito dito_. d. _een (ietwat gehavend) borstbeeld van Boerhaave op voetstuk_. e. _twee schilderijen_. f. _een doosje met opschrift: »Souvenir du Caire«_.

(dit laatste luxe voorwerp voorzien van een niet onkunstig uitgevoerde voorstelling van het Casino met omgeving.)

»Nou«,--zeide Marinus, die de aankoop had gedaan, met kwalijk verholen fierheid--»nou zèg, dat is nogges een kedo, waarvan ze op derlui kop zullen gaan staan fan de lol, wàtte?«

Wat dan ook--naar men zegt--plaats heeft gehad.

* * * * *

N.B. Nadere berichten melden, dat het huwelijk niet doorgegaan is, ja, dat de huwelijksplannen gefingeerd waren.

Dit zal u het feit verklaarbaar maken, dat de geschenken momenteel vertoeven in den gemeentelijken Lombard.

XI.

_Beroeps-risico._

Het was maar een héél kort, bescheiden berichtje, dat dezer dagen in de Vaderlandsche pers gecirculeerd heeft, doch het was er een dat mij, en velen met mij, vervuld heeft met innige dankbaarheid jegens onzen goedertieren superieuren. In het kort kwam het hier op neer, dat het legerbestuur een commissie afgevaardigd heeft naar een tentoonstelling te Düsseldorf waar--naar men mij vertelt--allerlei nuttigs en merkwaardigs te zien zal zijn op het gebied van kunstarmen, kunstbeenen, glazen oogen, houten neuzen en diergelijken. Het gemoed schiet mij vol bij de gedachte aan deze voorzorgen, genomen in een tijd, dat gelukkig ieder Nederlandsch soldaat nog in het bezit is van een volledig stel lichaamsdeelen en organen. Vooral de pers der centralen is sterk in het verspreiden van berichten en foto's betreffende handige verminkten; zelfs in de cinematograaf ziet men wedloopen van éénbeenigen, en handenarbeid, verricht door éénarmigen. Het komt mij voor, dat minder opgeblazen en reclame-achtige arbeid in deze richting méér sympathie verdienen zou.

Aan den anderen kant is de risico, aan ons beroep verbonden, een al te weinig onder het oog geziene factor. Dit komt door de duizenderlei voorzorgen, waarmede de soldaat in vredestijd zich omringd ziet, als daar zijn: watjes in de ooren bij schietoefeningen, overjassen aan bij regenweer en gedwongen bedlegerigheid bij verkoudheden. Hoeveel mannen zijn er, die ongaarne in een boom klimmen, of in een molenwiek, om te observeeren?

Een ken ik er, die nu reeds maandenlang iederen morgen het hospitaal bezoekt, om daar een soort neusgat-verwijdings-kuur te ondergaan, waaraan in het »burgerleven« de gedachte niet bij hem zou zijn opgekomen.

Een marsch bij regenweer wordt afgelast, terwijl een jachtpartij onder dezelfde omstandigheden ongetwijfeld door zou gaan.

Hoe kortzichtig zijn wij soldaten, die in onzen binnenzak het boekje met roode-kruis bepalingen dragen, om onze hals het identiteitsplaatje en in het tuniekzakje de verbandpakjes....

En nu kunt ge me duizendmaal een onkieschen cynicus noemen, of een smakeloozen beer, maar ik zeg het tòch! Ik zou het willen toeroepen aan de boerenkinkels, die in uniform 's avonds tierend langs den weg zwaaien, en aan de onverschillige pummels, die slapen in het gras: dat ze soldaten zijn, en dat er iets ernstigs bestaat, dat beroeps-risico heet.

Hebben wij het zelf niet één dag gevoeld, dien eersten mobilisatiedag, toen, ieder naar zijn aard, ingetogen of luidruchtig-zenuwachtig, zijns weegs ging, en zich _soldaat_ gevoelde?

[Illustratie]

* * * * *

_Het vakblad._

Gij allen, die uitgesloten zijt van ons groot organiek verband, gij hebt ook uwe vakbladen. Wij hebben het ònze, in de _Soldaten courant_, die, òndanks Kleerekooper, door gaat met het publiceeren van berichten uit het _Handelsblad_ en verzen uit de cantine.

Ons vakblad heeft dit gemeen met andere vakbladen, dat wij het pas lezen, wanneer er broodjes in verpakt geweest zijn. 's Morgens, wanneer wij naar ons werk gaan, op de hei, of in de schietloodsen, dan schaffen wij ons voor 1 cent het vakblad aan, en wikkelen daarin eenige consumptie.

Pas wanneer deze genoten is, gaan wij de met margarine bevlekte drukregelen lezen.

»Daarom«--zegt Kees--»moste ze die zwarte plaatjes d'r uit late--dat geeft maar vuile inkt-rommel an je brood.«

Intusschen wordt de poëzie, die zeer door dit blad wordt aangemoedigd, om niet te zeggen veredeld, in ruimen kring gewaardeerd. Afscheidszangen aan korporaals zijn schering en inslag, zooals:

Korporaal Verbeek gaat ons verlaten hij deelde lief en leed met ons een jaar en was zeer goed voor zijn soldaten, het ga' hem goed, roept onze vriendenschaar. De jongens van de escouade wenschen hem voorspoed op al zijn paden.

Dezer dagen heeft de Commissie tot het verkrijgen van een goeden tekst op de muziek van de defileermarsch »_Turf in je ransel_« voor de zware taak gestaan een keuze te moeten doen uit eenige honderden inzendingen. Zij is geslaagd in de keuze, en heeft bovendien consolatie- en tweede prijzen gegeven. Waarom was »_Turf in je ransel_« niet goed? Wanneer het zoo door gaat, komt er weer een commissie voor »_Op de hei daar zal ik je dondere_« of »_Sergeant ze gooie met steene_,« en een voor »_de tentcommandant is dronke_.«

* * * * *

_Alweer de militaire groet._

Goede lezer, het schaamrood overvloeit mijne kaken, nu ik u een bekentenis moet gaan doen: men heeft mij bestraft, bestraft wegens het niet groeten van een meerdere in rang.

Ik wil mij niet verontschuldigen... ik heb gezondigd en geboet... ik ben nu quitte met de gerechtigheid.

Het was een afschuwelijk moment, en bij de herinnering aan het geval, en aan tante Alida, die er bij tegenwoordig was, krijg ik weer congestieve gewaarwordingen van ontzetting.

Tante Alida had het middagmaal ten onzent genoten, en, tegen half tien, maakte ik mij op haar tot hare nabijgelegen woning te geleiden. Onderweg werden wij door een onverwachten regenbui overvallen, en ik haastte mij, tante's regenscherm in staat van actie te brengen. Op hetzelfde moment, dat het haakje over de pal knipte, klonk een luid, bevelend geschreeuw achter ons. Tante, die geenerlei relaties met schreeuwende lieden op straat pleegt te onderhouden, maakte geen aanstalten, om den voortbrenger van het geroep te zien, en ik zelve, die evenmin aangetrokken word door straatrumoer of relletjes, stapte beminnelijk koutend naast haar voort.

Totdat--op eens--(bij de herinnering word ik aschgrauw in 't aangezicht), een niet al te zindelijke hand mijn overjas van achteren beroerde. Denkend aan mogelijke zakken-rollerijen, wendde ik mij energiek om... doch wankelde.

Daar stond een meerdere, een sergeant, houdend in de linkerhand een soort slagersboekje, in de rechter een afgekloven potloodstompje, en zijn mond sprak toornig: »Wie bin je?«

Ik haastte mij te informeeren naar de bron zijner belangstelling, maar reeds had tante Alida, hoewel sidderend, mij, en ook haarzelve, den schrikkelijke bekend gemaakt, wellicht in de hoop hem daarmede milder te stemmen.

[Illustratie]

Toen tante echter bemerkte, dat onze belager verzuimde hare beleefdheid te beantwoorden, door zich aan haar en mij voor te stellen, werd zij toornig.

»Melis«, zeide zij, »laat ons voortgaan. Ik houd er niet van, op straat lastig gevallen te worden door... mannen«.

»Ik ook niet, tante«, deed ik deemoedig.

Inmiddels had zich een dichte haag van nieuwsgierigen, den regen ten spijt, om ons verzameld.

Met groote letters schreef de schrikkelijke in het boek: »Stoke, landstormplichtige, ...e Compie, .....e Reg....« en weer sprak zijn mond: »Je heb je meerdere niet gegroet«.

Toen, alle moed waarover ik beschik verzamelend, zeide ik, dat ik hem niet gezien had, en verzweeg daarbij ridderlijk, dat Tante Alida's regenscherm de schuld aan alles droeg.

Daarop, vreezende, dat tante's reputatie onder dit relletje te lijden zou hebben, drong ik haar en mij door de inmiddels aanzwellende menschen-zee, en wij verdwenen in een steeg...

Tante Alida's reputatie was gered... ten koste van de mijne... want nu vermeldt mijn conduite-staat een straf van vier dagen kwartierarrest, wegens het niet groeten van een meerdere op den openbaren weg...

Zal tante ooit weten, welke de Groote Daad geweest is van mijn militairen loopbaan...?

Primus in orbe deos fecit timor...

[Illustratie]

TWEEDE GEDEELTE.

TUSSCHENWOORD.

VAN DEN BURGER, DIE MELIS-STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE, GEWORDEN IS.

Hier moet ik, geduldige lezer, mijn militaire-zelf ter zijde springen, en wel als burger.

De zaak is, dat hijzelve zich schamen zou, de bekentenis te doen die ik, als civilist, zonder mij of hem te blameeren, te boek kan stellen.

De landstormplichtige heeft zich, nadat hij acht-en-een-halve maand (den verplichten oefentijd) »onder de wapenen heeft doorgebracht,« eenigen tijd in het burger-leven teruggetrokken.

Men achtte hem voorloopig voldoende bekwaamd in het wapenbedrijf, en hij toog huiswaarts.

Onderweg, van de kazerne naar zijne woning, kwam hij reeds vagelijk en uitsluitend innerlijk met mij, zijn burgerlijk-zelf, in aanraking.

Ik was verbaasd over de verandering, die in hem had plaatsgegrepen.

Er was een zekere goedmoedigheid in de plaats getreden van de ietwat koele reserve, die hem voorheen kenmerkte. Hij sprak luid en lachte gul; hij keek met zekere ironie naar de reeksen fleschjes en doosjes op zijn toilet-tafel, en ergerde zich niet, toen hij zijn hond slapend aantrof op zijn hoofdkussen.

»Dat zijn allemaal kleinigheden,« verklaarde hij, »de hoofdzaak is, dat je gezond bent.«

Nog nooit had ik hem zulk een gemeenplaats hooren bezigen; hij scheen dat te voelen, en legde zijn hand op mijn hart, terwijl hij me ernstig toevoegde:

»Mijn waarde, het is een kenmerkend verschil, tusschen de beschaafde en onbeschaafde klassen, dat deze gemeenplaatsen als zoodanig voelen en begrijpen, terwijl gene langs allerlei vreemde omwegen tot die simpele waarheden moeten terugkeeren! Waarom dan niet direct de gemeenplaats in al haar consequenties aangenomen?«

Hiertegen wist ik niets in te brengen.

Vervolgens ontkleedde zich mijn militaire-ik, stapte in een ongeparfumeerd bad, en schoor zich daarna; ik merkte op dat hij niet, zooals vroeger, na het scheren zijn gezicht insmeerde met vinaigre en drie verschillende evenzeer geurige zalfjes.

Na een korte aarzeling schoot hij een mij toebehoorende zéphir pijama aan, en ging te bed.

Den morgen daarna, toen ik ontwaakte, wist ik, dat mijn militaire-zelf in mijn burger-ik was opgelost.

In langen tijd had ik mij niet zoo wèl gevoeld.

Om zeven uur stond ik op, en om halftien was ik, in een eenvoudig pak, en zonder button-hole of lichte slob-kousen onderweg naar mijne bezigheden.

Dat leven duurde een maand.

* * * * *

Na een maand stond ik weer laat op, droeg weer een button-hole en lichte slobkousen.

Na drie maanden herinnerde ik mij nauwelijks nog de sociale gevoelens van mijn militaire-ik.

Ik zweeg halsstarrig, wanneer iemand achter-op-de-tram mij toesprak, of als mijn kapper zei, dat het mooi weer was.

Eens, toen ik Gerrit ontmoette, groette ik hem met meer welwillendheid dan gevoelens van vriendschap. Kogelfleschjes, Quatta-reepen en Cats-boonen waren nog slechts vergeefelijke jeugdfouten in mijne oogen, en Zondags in het Concertgebouw herinnerde ik mij nauwelijks de aangename uren, die mijn militaire-ik daar eenmaal met zijne kameraden gesleten had.

Zelfs ondervond ik niet meer het genoegen van de vroegere meerderen van mijn dubbel-ik te kunnen negeeren. Ik zàg ze niet meer...

Het lag àchter mij als een droom; ik leefde weer in koele maatschappelijkheid, zooals de reiziger, die de luchtige hoogten van een Alpenpas bereikt heeft, en niet meer achter zich ziet naar het warme Italiaansche land...

De koele wind der maatschappelijke kronkelpassen woei mij om de ooren, en in dien wind stak ik mijn gecultiveerde civiele neus...

Toen kwam de slag...

De slag was een groot officieel papier, dat mij andermaal tot den werkelijken dienst opriep.

Toen ik den brief gelezen had, stond ik tegenover mijn lang vergeten militaire-zelf, zooals een eerbiedwaardig rechter zich gevoelt, wanneer plotseling een vergeten schuldeischer uit zijn studententijd zijn deftig studeervertrek binnentreedt...

Ik kènde zijn gelaatstrekken nauwelijks meer, maar de herinnering bracht mij op dat oogenblik honderd realiteiten in de gedachte, die als onverbiddelijk harde hamers mijn net-gekapte hoofd troffen.

En, vreemd, maar ik haatte mijn militaire-ik. Ik haatte mijn dubbel-ik, zooals men een afgedragen, vuil kleedingstuk haat, dat men vindt bij het opruimen van zijn garderobe.

Ik snoof de geur op die uit den brief kwam, en het was me, alsof het de reuk van aardappelenwater, en soep en dwijlen en zeepsop was...

Dien nacht sliep ik niet.