Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.
Part 4
* * * * *
_Cullinaire genietingen._
Het was in een der Amsterdamsche eethuizen, dat ik mijnen vriend en wapenbroeder Jan eene ernstige berisping moest toedienen. Ik betrapte hem er namelijk op, dat hij,--na zijn thee tot de laatste droppel gedronken, en, voor zoover het de resteerende bladen in het kannetje betrof, gepruimd te hebben--dat hij moeite deed, om aan het buffet het vaatwerk, als kopje, schoteltje en kannetje aan de verschrikte bedienden te verkwanselen. Men begreep hem niet, totdat een der bedienden, die zelve soldaat geweest was, tusschenbeide kwam. De quaestie is, dat in onze Kantine de dranken in gebarsten koppen verstrekt worden, die men tegen terugbetaling van vijf centen weder inlevert.
* * * * *
Nimmer zoude ik den ziener geloofd hebben die mij--een jaar geleden--voorspeld mocht hebben, dat ik eenmaal verzot zou geraken op »kogelfleschjes«.
Reeds van mijn jeugd af heb ik een grondigen afkeer gevoeld voor deze ploertige producten onzer vaderlandsche industrie. Of het de rammelende glazen bal was, die mij ontstemde dan wel het vuil-groene glas of de arrogante kleur van het scherp-mousseerend vocht, ik weet het niet. Slechts bierfleschjes vond ik bijna erger, omdat zij groen zijn als de groene zeep, en er in hun _ziel_ een gedécideerd vàlsch schijnsel is.
Nù ben ik dol op kogelfleschjes; mijne antipathie tegen bierfleschjes kan ik nog steeds niet overwinnen.
En èrger: ik savoureer ijswafelen, nougatblokken, Cats-bonen en verfrisschende-sport-pastilles; ik zet de gulzig plooiende lippen aan de tuit van melkfleschjes-met-contrôle-papiertje, ik... maar ach, waarom u »het-water-naar-de-mond« te jagen met de opsomming mijner vraat- en drankzuchtige genietingen.
Leeft gelukkig met uwe beschimmelde kazen, uwe zéér droge champagnes, en verduisterde caviars... wij, minderen, hebben de wàre cullinaire behoeften gestild, wij sparen kwatta-soldaatjes en zilverpapier als herinneringstropheeën aan onze gastronomische uitspattingen.
* * * * *
_»Geheime«-zaken._
Nu ik dit sensationeel bovenschrift geplaatst heb, ben ik wel genoodzaakt verder te gaan--maar mijn hand beeft, en ik gevoel mij onzeker, want ik ga u--ja, in ernst, lezer--ik ga u een zaak verklappen, die ik onder de meest nadrukkelijke geheimhouding ervaren heb.
Sterker nog: men heeft mij, op straffe van hechtenis, gelast, dit geheim aan niemand, zelfs niet aan nieuwsgierige officieren, te verklappen... en toch, en toch kàn ik niet anders... ik moet het u zeggen.
Ik heb den korporaal, die mij inlichtte, gewaarschuwd, ik hèb hem gezegd, en herhaald, dat ik op de jours van mijne moeder, met hare vriendinnen, honderd-uit fluister, dat ik nieuwsgierig ben, walgelijk nieuwsgierig! dat ik aan sleutelgaten loer en luister, dat ik in café's menschen de woorden uit de mond staar... en dat ik alles, àlles wat ik op deze wijze verneem, óververtel en nàpraat: van A aan B over C, van C over A aan B, van B aan C over A...
Hij lette er niet op... en ik ga u het geheim, dat mij toevertrouwd werd, verklappen.
* * * * *
Ik moest dan een wacht betrekken, van één uur tot drie uur in den nacht. Het regende fijntjes en onzichtbaar door het stikduister. Wij togen--de korporaal van de aflossing en ik--naar de plek, die ik de eer zou genieten te mogen verdedigen.
Het was de »_wacht bij de privaten_«. Neen, burger, lach niet! Militaire privaten staan in hoogen, zij het ook kwalijken reuk, voor zoover zij voor méérderen bestemd zijn. Ik plaatste mij naast den man, dien ik zou aflossen, en speurde aanstonds, door een lichte bezwangering der atmosfeer, dat de privaten, hoewel zij door het duister aan mijn oog onttrokken waren, niet vèr konden zijn.
»Presenteer geweer«, klonk sonoor des korporaals stem door den nacht.
En toen wij, in het stikdonker, en onder een fijn motregentje, naast elkander dit eerbewijs--voor niemand zichtbaar--uitvoerden, klonk het bevel »consignes overgeven«.[E]
[E] Mijn vriend Hannes spreekt van »_consumpties-overgeven_«.
Consignes, lezer, zijn zéér geheim, en worden fluisterend overgegeven. Géén meerdere, al ware het mijn allerhoogste chef Snijders zelve, heeft het recht, mij naar mijne consignes te vragen.
Dat ik ze hier _uit eigen beweging_ vertel, is echter een andere quaestie, en van te voren verklaar ik, dat ik nòch door de uitgevers, nòch van de zijde der redactie eenige pressie te dien opzichte heb ondervonden.
[Illustratie]
De man bracht zijn mond bij mijn oor; duidelijk speurde ik zijn adem en tabaksgeur, en, boven het stormgeloei uit, vernam ik zijn fluisterende stem, terwijl hij mij eenige scherpe patronen overgaf:
»_Zorg datte d'r fen deuze private geen gebruik gemaakt wordt door soldate beneide de rang fen onderofsier_«...
Pàts... het staat er... het schaamrood stijgt mij naar de wangen...
Tot mijne verontschuldiging nog slechts dit: gedurende mijne wachturen, van één tot drie uur 's nachts, heeft géén mindere getracht, zich wederrechtelijk tot een der hokjes toegang te verschaffen.
VIII.
_Welkom, Collega's!_
In het groote nationale hôtel, dat onze kazerne is, zijn eenige honderden nieuwe gasten aangekomen.
Maar geen belletje heeft getinkeld bij hun binnentreden, en geen portiers of liftboy's zijn hen tegemoet gesneld. Hoogstens heeft een overmoedig milicien-recruutje hen, van uit het gelid, »hádjememáár« toegeroepen, voor welke daad van gastvrijheid hij zich eenige dagen kwartier-arrest toebedeeld zag.
Bij het aanzien dier stoet van benepen loerende burgers, kwam mij weer helder mijn eigen aankomst in de gedachten, in dit ietwat wrak gebouw, dat mij sindsdien zoo dierbaar geworden is...
Ik herinner mij als gisteren, hoe men ons, vredige particulieren, een kring deed formeeren, hoe vervolgens een rossige en sproetige sergeant-majoor ons de krijgsartikelen voorlas, met luider stemme sprekend, telkens wanneer quaestie was van »_de dood_«, »_straf_«, »_dood door de kogel_«...
Velen onzer vermeenden nimmer te voren in grooter doodsgevaar verkeerd te hebben, dan dit oogenblik, en staarden vol ontzetting naar den sproetigen sergeant-majoor, die op één dreun voortging met het lezen der verschrikkelijkheden, die ons bedreigden, terwijl de toorn-aderen in zijn voorhoofd zwollen, alsof hij aanstonds uitvoering zou gaan geven aan het geprojecteerde bloedbad.
Ik weet niet, collega's dien ik het welkom toeroep, in hoeverre de sp. S. M. ook u verschrikt heeft, maar het komt mij voor, dat--waar het meerendeel uwer gehuwd is--onder u een oogenblik het schrikbeeld geheerscht moet hebben van tallooze weduwen, en bloedjes van vaderlooze kinderen...
Vreest echter niet.
Indien ge ervoor zorgt, 's morgens tijdig wakker te zijn, uwe schoenen gepoetst te hebben, en geen appèls te verzuimen, dan verwed ik er wat onder, dat er onder u slechts weinigen zullen vallen als slachtoffer van de krijgstucht.
_Uwe manieren._
Denkt nu niet, dat ik u houd voor barbaren, of onbehoorlijke lieden, wanneer ik u wenken geef betreffende uw gedrag en optreden. Integendeel. Doch hoe hoofsch en beminnelijk uw optreden tot nu toe geweest moge zijn,... ik ben er van overtuigd, dat gij beginnen zult u als een ònwellevend soldaat te gedragen.
Waag het niet ànders op uw meerderen toe te komen, dan als wildet gij hen van de been loopen.
Sta dan met één ruk stil, en vraag beleefdelijk of ge hen iets vragen moogt.
In de meeste gevallen zal men u toestemmend antwoorden, en gij aarzelt dan ook niet met te vragen, of ge hen een vraag moogt stellen. Indien uw meerdere ook hierop gunstig beschikt, stelt ge kort en zakelijk uw vraag. Ten slotte zult ge u wel wachten, uw dankbaarheid onder woorden te brengen.
Ook zult ge ervoor moeten waken »met je poote op je bed te legge«, en in het oog te houden dat »de tafel is om van te éte, en niet om op te poesse, want dat doe je thuis ook niet!«
Wanneer men u een dweil geeft, om een vloer te reinigen, dan zult ge niet moeten aarzelen met het verwekken van breede plassen, daar ge anders onvoorwaardelijk onder verdenking zult komen van »te doen zoo'as je je selon thuis zwabbert.«
Zoo zoude ik u duizenderlei wenken kunnen geven betreffende poetsen en vegen... doch ik zie mij het gras voor de voeten weggemaaid door reeds bestaande litteratuur op dit gebied, als daar zijn: »_Het handboek voor de aankomende jonge dienstbode_« door Estella en »_de wenken betreffende het onderhoud van geweer-loopen_« uitgegeven op last van het ministerie van oorlog (natuurlijk het laatste alleen).
Gij zult goed doen, uwe familie de wandeling in de omgeving van oefenterreinen te verbieden, wilt ge tenminste niet voor het geval komen te staan, dat uw jongste u op een vrijen dag toevoegt: »Pa, wat dée u gèk laatst!«, of: »pa, was de meester bòòs op u?«
_Boosdoeners._
Lang zijn de tijden voorbij, dat ik afschuw of huivering gevoelde bij het zien van gevangenissen of dievenwagens. Men behoeft slechts in nader contact met het strafsysteem te komen, om te begrijpen, dat al deze uiterlijkheden het wezen der zaak niet bereiken.
Wanneer 's morgens, op het Kazerneplein, de gevangenen »gelucht« worden, en ronddrentelen onder bewaking van soldaten, dan aarzel ik niet hen een kameraadsschappelijken groet te brengen.
Gevangenen... mijn hemel; Ge denkt aan van bloed-druipende moordenaarshanden, wilde oogen, en worgende vingers... hoe naïef zijt ge.
Voor mij zijn gevangenen slechts ongelukkige collega's, in wie het initiatief niet gewaardeerd is. Ik ben vertrouwd geraakt met cellen en kettingen, zooals ge u in Engeland went aan custard, in Indië (_te_ Indië zegt Hannes) aan rijsttafel met roode vischjes. Ik aarzel niet, de hand te drukken van iemand, die een dag dienst verzuimd heeft, doch zorg zelve geen dag te mankeeren om... geen straf te krijgen. En zoo betrapte ik mij onder dienst op het feit, dat ik voor het eerst van mijn leven mijn plicht deed... uit angst voor straf. Vergeleken met miliciens, mogen wij, landstormers »bewuste menschen« genoemd worden. En wij geven er ons rekenschap van, dat er dikwijls juist zóóveel gedaan wordt als noodig is, om niet wegens gebrek aan dienstijver gestraft te worden.
Moge dat bij miliciens, jonge menschen, wier karakter en levensbeschouwing nog gevòrmd moeten worden, niet àl te ongunstig werken!
* * * * *
_Toilet._
»Kijk es«--zeide Simon dezen morgen, terwijl wij naast elkander stonden in het wasch-lokaal--»kijk es wat ik femorge me hàre fijn geplakt hét.«
Inderdaad lag zijn vettig hoofdhaar in twee, door een rechten lijn gescheiden, plakken op zijn schedel.
Simon plakt iederen morgen zijn »hare«, en gaat éénmaal per week onder 's rijks douche. Dit voorrecht geniet hij met ons allen, die in twintig minuten moeten aan-, uitkleeden en douchen. Jammer dat het meestal vóór in de week is, vindt hij, want Zondags ben je al niet meer knap. Met oogen vol nijd en afgunst plegen wij te loeren naar de blikken wasch-kommen, die de miliciens krijgen, terwijl wij ouderen, zoowat plensen onder een kraantje. Dit neemt echter niet weg, dat wij als om strijd weelde-toilet-artikelen medebrengen, en elkander de oogen uitsteken met geriefelijkheden, als daar zijn: handiglijk tot reisnécessaire ingerichte sigaren-kistjes of chocolade-reependoozen, in krantenpapier gewikkelde stukjes sunlight-zeep, of heusche tandenborstels.
Één was er--en hier gevoel ik met schaamte, hoe de afgunst mijn stem doet dalen tot schor-kwaadsprekers-timbre--één was er, die een ècht beenen dingetje had, met aan de ééne kant een nagelpeuter, en aan de andere een tandenstoker d'r aan! Ja, ja, zoo weten sommige gegoeden het zich--zij het dan ook zonder kòsten te ontzien--geriefelijk te maken in eene kazerne.
* * * * *
_Mijn eigen bed._
Onlangs heb ik dan waarlijk mijn eigen burger-bed weer gezien. En de désillusie was volkomen. Ik begrijp u allen niet: hoe ge slapen kunt in al die kille lakens! en dan dat ènge vachtje op den grond er voor, en dat weeë veeren van de matras... neen, dat is niets voor mij! Ik houd er van, de stevige, prikkelende stroosprieten in mijne heupen te gevoelen, ik geniet bij het ontwaken met een mond vol deken-wol, en ik kàn niet inslapen, zonder mijne ellebogen blauw gestooten te hebben tegen ijzeren krib-stangen.
En wanneer ik ooit bij u ingekwartierd mocht worden, en ge dacht mij genoegen te doen met het spreiden van een dier verfoeilijke, gecompliceerde slaapgelegenheden, waarin ge u zelve pleegt rond te wentelen... nu, dan kunt ge ervan overtuigd zijn (hoe ondankbaar zulks schijnen moge) mij den volgenden morgen te zullen vinden: òf opgerold in de mand van uwen hond, òf uitgestrekt op de ruwste uwer gangmatten.
_Eten._
Dezen middag heb ik een groot bord vol aardappelen gegeten. Nimmer heb ik geweten, dat aardappelen zóó groot konden zijn, en dat er zóóvele op één bord bijeen konden liggen.
Ik had grooten honger, en staarde met gulzige en blinkende oogen naar de aardappelen op mijn bord.
Ook de aardappelen staarden! Zij staarden mij aan uit tallooze groenige oogen, wat fletser dan de mijne wel is waar, doch véél, véél grooter in aantal.
En zij schenen geheel verzoend met hun lot.
Trouwens, links en rechts, en tegenover mij staarden tallooze aardappelen op àndere borden even goedig en suffig naar àndere hongerigen.
Toen ik één aardappel gegeten had, kreeg ik plotseling een gevoel, alsof hij, in mijn maag, met zijne oogen begon te rollen. Maar toen ik zag, dat de anderen rustig bleven liggen, greep ik een groote, oranje peen, met het oogmerk, die den aardappel na te zenden...
Hiermede, lezer, eindigde mijn feestmaal even plotseling als het begonnen was. Nu moogt ge mij uitschelden voor eenen verkwister, of verwenden kwast, die tallooze peenen en aardappelen ongestoord laat ronddrijven in prima vet, doch dit is reeds niet meer noodig...
Ik heb mijn straf gevonden in den droevigen blik, waarmede, uit duizenden verwijtende, groenige oogen, de overblijvende aardappelen mij, hunnen versmader, aan bleven staren...
RIJM-KRONYCK.
_'t Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd..!_
't Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd! 'k Heb uren lang mijn pen bekauwd en 'k weet u niets te zeggen... Mijn hooge militaire kraag was nooit zóó nauw als juist vandaag nu 'k frissche lucht en ruimte vraag... Hetgeen ik in mijn ziele draag, kan 'k niet in woorden leggen...
Ach, kwame er toch een offensief! dat ware mij nog wel zoo lief dan al die telegrammen... of ware ik vechtend aan het front! voorwaar dat 'k u dit schrijven zond: »_granaten bàrsten in het rond, een strijdkreet welt mij naar den mond, vaarwel, we gaan ze rammen!_«
Of dan het slot-gevecht op zee, en ik was op zoo'n schiet-schuit-mee... neen... zeeziek zou 'k niet wezen, ik zond u vast een draadbericht: »_de vijand krijgt op z'n gezicht, de hemel is slechts vuur en licht, en donderslag en bliksemschicht, doch ik weet niet van vreezen_«.
Helaas, 'k ben geen d'Annunzio, Romain Rolland of Doyle en zoo, ik mag ze alleen benijden,.. ik ben een Nederlandsch soldaat »die wachtend aan den drempel staat, die nimmer heerschers binnenlaat en die zijn wachtpost nooit verlaat en die zijn tijd moet beiden«.
...'t Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd! 'k heb nog eens op mijn pen gekauwd. Hoe langzaam gaan de uren. Ik weet niet wat 'k u zeggen zal... ...er is geen nieuws, geen moord-geval... _...er is geen bloemkool_, dat is al: . . . . . . . . . . . . . . . vandaar, dat 'k in de zucht verval: »hoe lang zal dat nog duren?«
(Melis moest zich eens bij den dokter melden wegens eerste verschijnselen van _mobilisitis_, die in sommige gevallen in sabelkolder kan overslaan. Remedie: hard loopen en Valeriaan. Corrector).
IX.
_Een oude lotgenoot._
Ik wil u vertellen van een ouden lotgenoot, van een zéér ouden! Hij was van de lichting 303 N. Chr. .... neen, lezer, lach nu even niet, want het staat in een boek!
Het boek heet »Historia Lausiaca« en de schrijver, Palladius, wijdt een hoofdstuk aan mijnen lotgenoot. Hij werd omstreeks 292 geboren, en werd in 313 onder de wapenen geroepen, in het leger van Koning Constantijn.
Met andere jongelui van zijne lichting werd hij den Nijl langs gevoerd, en naar Thebe gebracht, waar blijkbaar het infanterie-depôt was, en--zoo zegt de schrijver--»daar opgesloten.«
De Grieksche, Koptische, Arabische en Syrische teksten en levensbeschrijvingen, betreffende _Pachomius_, mijnen mede-landstormplichtige van die oude lichting, vermelden niet de namen der korporaals en sergeanten, superieuren althans, van _Pach_, zooals hij onder zijne escouade-genooten wel genoemd zal zijn, doch wèl vertellen zij, dat de behandeling der recruten in het depôt te Thebe zéér hard was.
Arme Pach, was je maar bij ons, bij het 7e geweest! Wij krijgen peen en vet in overvloed, terwijl gij, met uwe kornuiten, grootendeels afhingt van een aantal liefdadige burgers.
Zestienhonderd en drie jaren, nadat gij den Nijl langs gedreven wierd, verlieten mijne vrienden Simon, Kees en zoovele anderen Amsterdam, en stapten langs de Vecht naar een vriendelijk groen fortje, waar hen de meest overheerlijke boonen wachteden...
Arme Pach... eind 313 was hij afgericht, en toen dorst hij aarzelig te vragen, wie de goede burgers waren die hem getroost hadden en gespijzigd.
Men antwoordde hem, dat het Christenen waren, en dat zij barmhartigheid betoonden aan vreemdelingen en aan alle anderen....
Dit onthield Pach, en, toen zijn lichting naar huis mocht, trok hij naar een dorp in de Thebaïs, en liet zich doopen.
Professor Pijper, die in zijn studie over de kloosters een hoofdstuk aan Pachomius wijdt, zal mij vergeven, wanneer ik hier verklaar, mij verbaasd te hebben over het vervolg van Pachomius' levenswandel.
En ik stel op den voorgrond, dat ik mij niet als _mensch_ verbaas, doch uitsluitend en alleen als _recruut_, als collega dus.
Want wat, lezer, deed Pachomius toen hij de kazerne van Thebe eindelijk uit mocht?... Wat hij deed?....
Wel, ge ziet al iets schemeren! Ge denkt al aan onze soldaten, die naar huis mogen, en die, bepakt en wel, zooals ze afgepresenteerd zijn (- of »hebben«, wat is het?) schreeuwend door de stad zwieren....
Wellicht is dien nacht Thebe het tooneel geweest van feestelijke afzwaai-partijen, van soldaten met burger-mantels om.... maar wie daar niet bij was, dat was Pachomius.
Hij verwisselde de kazerne voor het klooster....!
Neen, lezer, nu in gemoede, en dat zult ge toch met mij eens zijn: daar kan een Amsterdamsche jongen van _hatjememaar_ niet bij.
Die bedrinkt zich, en zingt van:
»_asse me de rotzooi gaan verláaate!_«
of
»_gaif me me burregerpet terug!_«
--die loopt met z'n ransel op den rug, en zijn geweer op den schouder, en aan iederen arm een meisje, waarvan hij alléén de vóórnaam kent tot in het holst van den nacht de kroegen af....
--die, ja, die doet àlles, juist behalve dat, wat Pachomius deed.
Pachomius had een zwaren dienst, en heelemaal geen »lijn« en hij kwam gelouterd uit den dienst. Hoe zullen wij Simon, Kees, Klaas en Hein, ..., hoe zullen wij, mijne vrienden, uit den dienst komen? Simon als een reuze-voetballer, en Kees als een man die op alle uren van den dag slapen kan, en Klaas vol stiekeme stoutigheidjes....
Vrienden, laten wij zijn als onze collega van de lichting 313! Laten wij profiteeren van de _goede elementen_, waarmede de dienst ons toevalliglijk in contact brengt.
Dat wil nu juist niet zeggen, dat wij in kloosters behoeven te gaan.... neen, daarvoor zal het leven ons nog te zeer behoeven.
Maar laten wij als goede menschen weer onder de burgerpet terugkeeren!
* * * * *
_Herinneringen aan een »rot-sersant«._
Nu ik hem wel nooit meer terug zal zien, durf ik herinneringen opschrijven, die ik aan hem bewaar. Hij was een »rot-sersant«, althans mijne kameraden hadden dit eenstemmig uitgemaakt, en, der conversatie ter wille, noemde ik hem ook maar zoo.
Hij heeft nooit één onzer gestraft, en nimmer iemand vriendelijk toegesproken. Op zijne inspecties sidderde de heele sectie, en als hij ontevreden was, wisten ze, dat er geen straf volgen zou.
Hij kéék alleen maar. Nooit heb ik iemand of iets zoo zien kijken, als hij het doen kon: hij keek je spuuglok onder je pet, de vlekken uit je jas, en het roest van je bajonet. Hij keek zoo doordringend, dat je zonder den blik neer te slaan wist, welke schoen ongepoetst was, of welke knoop op je rug mankeerde.
Als je hem, ietwat stamelend, »goeie morgen« zeide, keek hij de adem uit je longen weg, en als je ergens op de hei te slapen lag, kon hij je op een uur gaans afstands wakker doen schrikken, door zijn kijker op je te richten.
Hij kéék zijn kogels in de schijf, en z'n mannetjes in de houding.
Niemand wist wie of wat hij was, of hij thuis een kind op zijn schoot had, of lachen kon hij op den verjaardag van zijn zuster.
»Ik weet het niet« zei Simon, »ik weet niet wat et is! Sagerijn is et niet, en kapsones benne et niet.....«
En zoo werd, uit de algemeene onbegrepenheid de benadering »rot-sersant« geboren.
's Avonds zeiden we tegen elkaar dat het onzin was, dat we kerels van vier-en-twintig waren, en geen jongens op school. En 's ochtends, bij de »tieerie«, als zijn vrééselijke blik over de klas van gesnorde kerels waarde, dan was het zoo stil als in een bewaarschooltje. Niemand heeft hem, toen hij wegging, vaarwel gezegd, en hijzelf heeft,--naar men zegt--ergens uit een venster van de kazerne toegekeken hoe zijn sectie voor goed afmarcheerde....
Later ben ik hem nog eens tegen gekomen, en, worstelend tegen de magische krachten van zijn blik, ben ik naar hem toegegaan, om hem te begroeten.
»Zoo hebt u er al heel wat laten weggaan«, converseerde ik quasi-luchtig.
Hij keek dwars door mij heen, terwijl hij antwoordde: »Och, toen ik zeventien jaar was, heb ik eens gehuild, toen m'n eerste sectie uit elkaar ging,... maar daar wen je aan! In dienst moet je aan alles wennen!«
Vanmorgen kreeg ik een briefkaart van Simon; na vele inlichtingen en vragen schreef hij: »wanneer je de sersant mog ontmoete, doe hem dan de groete van ons. Wat was die altijd aleenig met zen eige!...«
* * * * *
_Feesten._
»En als jelui nou zoo onder mekaar ben, en je heb een daalder in je zak, ráke jelie em dan niet?« informeerde Jan, na een lang gesprek over de geneugten en gevaren, verbonden aan het hebben »van-een-daalder-in-je-zak.«
Ik haastte mij te verklaren, dat zelfs de fatale samenwerking der factoren _»onder-mekaar-zijn_« en _»een-daalder-in-je-zak_«, niet onherroepelijk behoeft te leiden tot smoordronkenschap.
Dit wilde er echter maar niet zoo-zonder-meer bij hem in.
»Kom-schei-nou-uit!« elleboogde hij knipoogend--»dan leg je immers zóó voor merakel in de goot!«
Nogmaals spande ik mij in, hem te doen inzien, dat ik dikwijls met het genoemde bedrag in mijn zak, en in gezelschap van eenige vrienden geweest was, zonder beschonken of in goten te zijn geraakt.
Toen werd hij minachtend.
»Nou«, snoefde hij,--»dan bin jelie met je alle niet zóóveel!«
Dikwerf luister ik met onomwonden belangstelling naar de feestrelazen mijner vrienden; ik hang aan Teunis' lippen, wanneer hij mij in een reeks krachttermen, met enkele feiten gelardeerd, verhaalt van den nacht in het politie-bureau, vanwaar men hem zooeven naar de kazerne heeft doen vertrekken; met sympathie in mijne oogen bezie ik de tallooze snij- en slaagwonden op zijne handen en aangezicht.
Neen, bij zulke feesten zinkt iedere kroegjool in het niet!
Slechts éénen man heb ik gekend, die hoogere délices wist te savoureeren; dat was mijn vriend Hannes, de schipper.
Hannes was een philosoof, en placht eene jonge dochter te beminnen die »Merie« heette, en waarop, volgens zijn zeggen, »een merakels lief koppi stond.«