Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.

Part 3

Chapter 33,482 wordsPublic domain

Hier had mijn vriend het oog op ons voorlaatste »lolletje«, eene uiterst profane matinée in het bekende varieteiten théater. Daar was men en pays de connaissance. Daar riep men »psssst« tegen heldinnen van bioscope-drama's. Daar stemde men in met de liederen van zekeren Raf. Kappers, aan het klavier begeleid door zijnen vriend Agsteribbe. Daar rookte men de zaal blauw en schier ondoorwaadbaar, en verdween men onder luid gejuich der overigen in een zéér zichtbare deur, waarop het woord (of begrip) »_Dames_« geschilderd was. En het is een feit, dat men nóg de liederen van den heer Kappers zingt, terwijl niemand zich van de sonate van Grieg ook maar de eerste noten herinnert.

Trouwens men kènde de »artisten«, en in Flora waren vergissingen uitgesloten, zooals die in het Concertgebouw plaats vonden, waar mijn buurman vóór hij insliep den cellist bekeek, en toen het programma, mompelend: »Mendelssohn.... Mendelssohn.... een mòf netuurlijk... dat zie-je zoo!«

* * * * *

_Zingen._

Het spijt mij, maar van de liederen, die wij gemeenlijk tesamen aanheffen, kan ik u den tekst bezwaarlijk herhalen. Doch toepasselijk zijn ze àlle.

Zoo, toen Gerrit thuiskwam en ons stràlend van vadervreugde mededeelde, dat vrouw Gerrit hem eenen zoon gebaard had.

Onmiddellijk werd mijn gelukwensch gesmoord, door het gemeenschappelijk en krachtig ingezette lied, dat aanvangt met de woorden:

_Onze káter het jòngkies gekrége..._

en waarvan het refrein luidt:

_poes, poes, sméeerige poes..._

enz.

Voorts is er een lied, dat zeer populair is, en waarin men voortdurend herhaalt, dat »bij ons alles zóó óóóóó gaat« afgewisseld met »hallo, hallo«. _Wàt_ en _wáár_ en _hoè_ er iets »_gáát_« is echter niemand recht duidelijk, evenmin als men met voldoende duidelijkheid motiveert waarom »_een mensch niet van stroo_« is of in hoeverre men »_naar Amsterdam terug_« gebracht wil worden... altemaal uitbundiglijk populaire liederen, waarvan de strekking geen andere is, dan spektakel maken.

[Illustratie]

* * * * *

_Meningitis-gevaar._

Het gevaar, dat ons soldaten bedreigt, aangestoken te worden door meningitis cerebro spinalis, heeft tot nu toe geen andere moreele uitwerking gehad, dan de nieuwe verwensching »krijg de nekkramp«.

Deze expressie is volstrekt niet gemeener dan die, welke iemand respectievelijk de »pest«, »cholera« of anderszins toeschuiven en in den laatsten tijd zelfs »de pokken«. De volksmond richt zich blijkbaar naar de momenteel vigeerende ziekte!...

»Vandaag«, zeide de sergeant, »staat er in mijne orders, dat ik theorie moet geven over de nekkramp... Ik zeg dus, weest zindelijk, in alles! Deze ziekte is besmettelijk en gevaarlijk!«

»Weet iemand anders nog iets?«

Toen zeide Karel, dat het een »baktil« was, en betoogde Gerrit, dat »hij« binnenkwam door de neus,... vervolgens ontstond twist onder de toehoorders, waardoor de docent genoodzaakt werd de debatten te sluiten, en den raad gaf, véél te rooken.

Kortom:

_De militaire geneeskundige dienst heeft ook hier gefaald, door niet aan militaire dokters op te dragen een soort college te houden over de nekkramp en de beveiligingsmiddelen tegen deze ziekte._

_Ook zij geconstateerd, dat ontsmettingsmiddelen voor de lokalen in onvoldoende mate verstrekt zijn._

_Dat geen voldoende medische contrôle op deze reiniging plaats heeft._

_Noot:_ Zooeven heeft een tweede »lolletje« plaats gehad in Carré. Men amuseerde zich uitbundiglijk. Den schenkers der benoodigde gelden dank, ook namens Maupie Staal, eenen zanger van indécente coupletten, en den exploitant der buffetten.

RIJM-KRONYCK.

~Krijgsmanszangen IV.~

_Mijn Schietgeweer._

Mijn dierbaar, loodzwaar schietgeweer, U geldt vandaag mijn zang; Ik hef u op, en zet u neer, wanneer ik 's morgens exerceer, of leg u aan den wang.

Ik poets u 's middags blank en schoon, van kruitdamp en van roet, opdat, wanneer ik u vertoon of presenteer, geen woord van hoon uw meester blozen doet.

Soms kijk ik naar uw kleinen mond, die nu nog vredig lacht, en denk: »aan welken vreemden hond hebt gij--stel dat er krijg ontstond-- uw gaven toegedacht?«

Kan 't zijn, dat ergens iemand leeft, wien 't onbetrouwbaar lot, dat niet om jeugd of blijheid geeft een vroegen dood beschoren heeft door uw, en door mijn schot...?

Of leeft er ergens een soldaat, (de Wereld is zoo klein), die zijn geweer nu gadeslaat, onwetend, dat het, vroeg of laat, op mij gericht zal zijn?

Mijn schietgeweer is als een Sphynx... de mond blijft star en stom -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- Wat bliksem!--'t is een stuk metaal... Zoo zijn geweren allemaal...: Zoo dóódelijk, suf en dom...

V.

_Over het synthetisch element in de africhting van den recruut._

Bij nader beschouwing ware het wèl zoo passend geweest, in een minder pretentieus bovenschrift mijne simple vertoogen aan te kondigen. Alsnog, als blijk van mijn berouw in dezen, de volgende nadere toelichting:

[Illustratie]

Wanneer iemand u of mij verzocht, of gelasten mocht den neus te snuiten, dan zouden wij ons--daar twijfel ik niet aan--intuïtief van deze taak kwijten op eene wijze, die zeer zekerlijk de tevredenheid van onzen lastgever zoude opwekken. Dit geval heeft echter alléén betrekking tot de burgerlijke samenleving.

Een militaire lastgever toch, zou als volgt te werk gaan: Zonder uitleg of inleiding zou hij de volgende reeks van bevelen tot ons richten:

Breng de rechterhand naar de rechter broekzak. Steek deze (de hand) er in.

Knel de vingers te samen, en grijp de zich in de broekzak bevindende neusdoek stevig vast.

Breng snel en krachtig de hand (waarin zakdoek) naar buiten, en vervolgens naar boven, tot op circa 2 c.M. afstand van den neus. Haal diep adem.

Breng de zakdoek om den neus, zoodat beide openingen geheel door het doek omgeven zijn. Pers nu krachtig de lucht uit de longen door de neusholte naar buiten, _en zorg daarbij den mond gesloten te houden...._

De rest zal ik u--kiesch-en-kuisch-heids-halve--besparen.

Nu is het ieder individu, na nauwkeurige bestudeering dezer oefeningen, overgelaten, ze in goede volgorde uit het hoofd te leeren.

Pas wanneer dit--op straffe van hechtenis--is geschied, gaat de instructeur er toe over de reeks bewegingen »zonder tusschenbevelen«, in snel tempo te doen afwerken.

Indien deze leerwijze wordt toegepast op een klasse van zeg dertig menschen, dan komt men voor het zonderlinge geval te staan dat--na een week studie--_slechts twee of drie hunner den neus kunnen snuiten_.... hoe schitterend ook hunne antecedenten in dezen mogen zijn. En het zwaartepunt der verklaring ligt in het feit, dat het kostelijk materiaal, dat ons door de natuur als _intuïtie_ wordt gegeven, brutaalweg genegeerd wordt, en plaats moet maken voor een reeks »model-bepalingen«, wier noodzakelijk onderling verband den eenvoudige van geest ontgaat.

Slechts weinigen zijn in staat de integraal van deze oneindige hoeveelheid nietigheden voor zich zelve te bepalen.

Men zal mij van militaire zijde tegenwerpen, dat een zelfde beweging door allen op dezelfde wijze uitgevoerd moet worden, en ik twijfel er niet aan, dat een groot aantal--inmiddels vergetene--ontleedkundigen zich ernstiglijk heeft bezig gehouden met de differentiatie van een schijnbaar simpele beweging als »rechts-om-keert«.

Hier zou ik het voorbeeld willen aanhalen van mijn strijdmakker Hannes, die, na bijna 3 maanden ernstiglijk oefenens, en behebd zijnde met bijkans middelmatige verstandelijke vermogens, nog niet in staat is mij op de voorgeschrevene wijze den rug toe te wenden.

Intusschen riep ik hem eens op straat, toen hij voor mij uit dandineerde, aan met den modelkreet: »Amodjo! kameraod, gao je mee 'n joajempie hikken?«

Tot mijn schrik en verrassing _voerde hij snel en behendig het rechts-om-keert op onverbeterlijke wijze uit_!

»Hannes!«--zoo kreet ik verheugd----»Hannes, ge hebt hem te pakken!«

»'k Hè d'r nog geen eene gepakt!« deed hij naïef, niet begrijpend.

»Rechts om keert!« deed ik triomfantelijk. De lach bestierf hem op de lippen.

»Mò jij me nou óók péste...?«

_Hij had het niet geweten!_

En ziet!

Nòg worstelt mijn kameraad met het euvel, en struikelt over zijne conscientieus gepoetste schoenen, wanneer het fataal bevel klinkt!

* * * * *

Ik zeide u te zullen spreken over het synthetisch element in de africhting van den recruut.

En ge zult mij begrepen hebben:

Ik bedoel het noodzakelijke opklimmen van de bijzondere stellingen tot eene algemeene.

En alweer licht ik dit toe met »rechts-om-keert«.

De eerste stelling van deze beweging is:

plaats de linkervoet schuin vóór de rechter, in een hoek van circa 90 graden met den oorspronkelijken stand, zoodat de holte op ongeveer 2 c.M. afstand is van de punt van... mijn hemel! het _is_ mij niet mogelijk het alles op te schrijven... het duizelt mij van standen, stellingen en tusschentellen... Het is zoo met duizenderlei oefeningen op de plaats, met het geweer..., erbarmen!

Het is alles gecompliceerd, en schijnbaar zonder noodzaak. En ik weet niet anders te doen, dan in starre ontzetting de bezoedelde handen ineen te slaan, krijtend de cosmische, zij het gemeenplaatselijke roep van _»Waarom?_«

* * * * *

_De »starre blik« en »lijnen«._

De soldaat is kenbaar aan... neen, denk niet dat ik u wil gaan épateeren met de resultaten van het door mij genoten militaire onderwijs. Ik wilde slechts zeggen, dat een soldaat kenbaar is aan zekeren geestesafwezigen, starren blik.

[Illustratie]

Hiermede is slechts de soldaat binnen-de-kazerne bedoeld; zijn blik is als die van chauffeurs, die van achter hun stuur vreemdstrak in vage verten kunnen staren.

Dat is de blik van den afwachtende, voor wien de perspectieven eindeloos, en tegelijk zoo benauwend eng òpdringend zijn. Dat is de blik, waarmede een nabij Sloterdijk opgestelde schildwacht over drassig grasland tuurt, waarover--hij weet het--geen vijand naken zal.

Dat is de blik van den willooze, voor wien het tijdsbesef in nevelen van belangstellingloosheid vergaan is.

De kostelijke uren van jeugd worden gretiglijk stuk voor stuk, of bij dozijnen van de dragensmoede schouders geworpen, en de nog restende tijd-last gaat benauwend zwaar wegen, daar de gedachten er zich op concentreeren, en geen belangstelling ze tot gebodene centra kan afleiden.

Wachten en tijd-dooden, dagen lang, en als opperst ideaal: »_De Lijn_«. Deze is de vervulling en het doodsbed van wenschen; wanneer de lijn, de rustige betrekking, verkregen wordt, dan is de situatie van den gebrekkige als die van een in de sneeuw ingeslapen reiziger... hij slaapt in, en zacht sterft de energie van zijn jeugd in het verraderlijk bed.

Vaders en voogden, laat uwe zonen en pupillen geen »lijnen« verkrijgen; laat hen zich interesseeren voor hun dienst, voor hun simpele taak. Want waarlijk, voor wie zoekt, is dikwerf een uitleg te vinden voor schijnbaar verwerpelijke zaken en harde maatregelen.

_Voor wie zoekt_, zeg ik, want àl te weinig wordt ons de beteekenis verklaard van onzen bescheiden rol in het militair verband.

VI.

_Liefdewerk._

Moeders van militie-plichtige zonen der lichting 1916! Het is niet om mij zelven lof toe te zwaaien, of om gewelddadiglijk uwe erkentelijkheid te winnen, dat ik u zeggen ga, dat uwe zonen zacht zullen rusten! Maar ik durf te verzekeren, dat de stroozakken, die uwe zonen wachtten, zacht gestopt waren, zonder kiezelsteenen of roestige spijkers. Ik zelve vulde er twee met zachtkittelende stroohalmen--en, misschien, is het een uwer nazaten beschoren, te rusten op een zak, waarin een zweetdroppel opgedroogd is van schrijver dezes, zoet en mild als een regendrop van September in een schoof van dor gewas des velds.

[Illustratie]

* * * * *

_Simon's pudding._

Het begrip »vergif« wordt voor u allen gesymboliseerd in een doodskop met gekruiste botten, of in met zwart en rood beschilderde wangen en oogen eener verloren vrouw... voor mij echter is vanaf gisteren vergif analoog met Simon's pudding.

Zoo verleidelijk en tegelijk kwaadaardig toch als dit knalrood gerecht was, kan bezwaarlijk absinth of nicotine of zelfs ether zijn... het was de duivel zelve in pudding-vorm.

Simon is nu nog ziek; zijn vergiftigingsproces deed zich aanvankelijk niet als zoodanig aanzien,--integendeel!

Wij waren op wacht, en het was Zondagnamiddag; nog twintig uren wachtens en wakens lagen vóór ons, en gaperig, gemelijk en zwijgzaam zaten wij op de banken aan het verlaten kazerneplein, beloerend elkanders bewegingen en de enkele passeerende musschen. Tot dat plots uitbundig vreugdegetier ons deed opschrikken; wij zagen Simon, toentertijd nog kerngezond. Hij danste en juichte, en er was een grijns van verrukking op zijn overigens gebaard gelaat; tusschen zijne handen was een pakje in courantenpapier.

Op ons vragend opzien was zijn antwoord een telkens in anderen toonaard herhaald lied, luidende: »'k hè podding gekréege, 'k hè pódding gekréege! Me vrouw hét me póooding gebracht!«

Na herhaaldelijk aandringen onzerzijds ontdeed hij met bevende vingeren het pakje van het daarom gewikkelde Zondagsblad, en toonde ons triomfaal een tusschen twee schoteltjes geborgen voorwerp, dat zachtjes deinde en--ik zeide het u reeds--knalrood van kleur was.

[Illustratie]

»Frambóooze!« deed Hein gulzig, en trachtte het wiebelend uiteinde van den spijs tusschen duim en wijsvinger te grijpen.

»Afblijve«, gromde Simon, om terstond weder zijn jubelzang te hervatten en vervolgens ijlings te verdwijnen in de richting van het--op dat uur gemeenlijk verlaten--waschlokaal.

[Illustratie]

Wij bleven zwijgend achter; misschien ware het mogelijk geweest, meester te worden van de pudding, door ons de uitgave van een kwartje te getroosten; Simon doet àlles voor kwartjes en bracht op mijn verzoek zelfs een zijner persoonlijke vrienden een kaakslag toe, om zulk een geldstuk te verdienen.

Daar de koop echter niet tijdig genoeg voorgesteld was, moesten wij het aanzien, dat de gelukkige eenige minuten later likkebaardend, en nog steeds grijnzend terugkeerde.

Vanaf dit oogenblik was het, alsof Simon door allen ietwat koel bejegend werd...

Een uur later trad een nieuweling de wacht binnen; Simon was met hevige buikpijnen naar de ziekenkamer gebracht, zoo vertelde deze achteloos.

Niemand gaf commentaar op dit bericht; alleen Jan zeide, zeer hoorbaar, tot Gerrit:

»Nou, wij ete maar kug, hè? En wij lache maar!«

* * * * *

_Honorarium._

Ik weet niet, lezer, of gij op het punt van honoraria opstrijken zoo gevoelig zijt als schrijver dezes. Voor hem is een bescheiden couvert de eenige mogelijkheid, waaronder hij min of meer verdiende verdiensten kan entameeren.

[Illustratie]

Zoo zult ge begrijpen, dat de Zaterdag, of betaaldag in de kazerne voor hem een der minst verfijnd bedoelde, maar desondanks eene uiterst verfijnde pijniging is.

Dit proces toch ontwikkelt zich in een aantal folterings-phasen, als daar zijn:

_a._ anderhalf uur wachtens in eene lange file;

_b._ eerbiediglijk groetend treden voor een tafel, vol kwartjes en dubbeltjes, waarachter een sergeant-majoor gezeten is; het geheel herinnert aan den croupier in een speelhuis waar geringe bedragen omgaan;

_c._ het (eerbiediglijk) uitstrekken van de linkerhand, en het ontvangen van soldij;

_d._ het groetend rechts-om-keert maken en verheugd lachend weggaan.

Teruggekeerd op de chambrée wordt de aldus tot kapitaalkrachtigheid geraakte soldaat aanstonds bestormd door collega's, die onder luid geroep van: »_Wie nog? wie nog?_« groote doozen en kisten ronddragen, boordevol likeur-reepen, amandel-koeken, Haloppi-sigaren, schoensmeer en andere weelde- of genotsartikelen.

Om niet al te zeer op te vallen, koop ik dan een doosje z.g. »piraatjes« of een schoenveter; de rest van het honorarium wordt verbrast aan melk en krentenbrood.

Het is mij nog niet gelukt, deze financieën, bedragende 24 tot 26 stuivers zoodanig te bestieren, dat ik, zooals velen, twee avonden achtereen in »kennelijken staat« thuis vermag te komen.

Ook zijn er Duitschers, die geen kennissen in Amsterdam hebben, en toch sparen.... ik schaam mij!

* * * * *

_Gepoetste schoenen._

Men heeft mij de vraag gesteld, of het mijne gewoonte was, thuis »te loopen met ongepoetste schoenen«; op mijn ontkennend antwoord gelastte men mij, »dat dan hier ook niet te doen!«

Eerlijk gezegd, gevoel ik mij niet geheel verantwoord door mijne mededeeling, en ik heb mij voorgenomen, eens ernstig met onzen burger-oppasser te spreken. Ik herinner mij niet, mij »thuis« te aller ure vergewist te hebben van het gepoetst zijn mijner schoenen, zooals dat hier geschieden moet, doch ik placht vertrouwen te stellen in hen, die mij niet »voor schande« zouden laten loopen.

Gepoetste schoenen! Het is mij een nachtmerrie geworden. Men eischt van ons, dat onze schoenen _dof-glanzend_ zullen zijn, en het is mij nog niet gelukt aan zoo streng een eisch te voldoen.

Ik heb getracht één schoen dof te maken, en één glanzend, om de neuzen glanzend, de hakken dof te doen zijn, doch kreeg telkenmale berispingen.

Nu vraag ik u: zijn uwe schoenen dof-glanzend? En hoe zien zij er uit?

Zegt het mij en ik hoop mij te vrijwaren tegen onteerende straffen...!

RIJM-KRONYCK.

~Krijgsmanszangen V.~

_Bekentenis_ ter overweging aan hoofden van gezinnen, die onder hunne kennissen landstormplichtigen hebben.

Wanneer, na langen marsch, de krijgsman uit wil blazen, dan kijkt hij achterom, en suffig, om zich heen: Hij kent de weiën niet, waar vreemde koeien grazen, en zet zich zuchtend op een nooit-gezienen steen.

Zoo kijk ook ik rondom, na ruim een maand van zwoegen, en vind mij-zelf terug, in streken, die 'k niet ken... mijn wangen zijn verweerd, mijn huid vol ruwe voegen... en 'k vraag mij peinzend af, of ik dat zèlve ben.

Ik vond het vroeger vies, om op den grond te slapen... haha! belachelijk! ik droeg een òverhemd! Ik dronk nooit uit mijn hand, en dorst er niet uit eten, en had nog nooit een »pruim« bezogen en omklemd.

Ik vond het vroeger vies, mij 's morgens slecht te wasschen, en poetste nooit een schoen... en dweilde nooit een vloer!!! Doch las--ik schaam mij dood-- sérieuze paperassen, ...en kende géén matroos of smid of groentenboer!!

Ik praatte vroeger nooit met mijn barbier z'n klanten, of achter op de tram met vreemden over 't weer... Nu groet ik dagelijks kapteins en luitenanten, die 'k zelfs bij naam niet ken, en die 'k niet frequenteer.

Mijn geest is afgestompt, en 'k heb geen conversatie dan over »rechts-om-keert« en »schouder-het-geweer«... dus, Moeders, vraagt mij niet op uw diners, want gratie manieren of fatsoen bezit ik reeds niet meer.

'k Bezit niet meer den tact uw dochters te behagen, doch neem van elk gerecht zoo dikwerf als 't slechts gaat... mijn glas word voor-en-na ad fundum omgeslagen... ...Ach! wend het weenend hoofd, en zeg: »_hij is soldaat!_«

ONBEWUSTE ZELF-CRITIEK.

Zij, die hebben durven beweren, dat de Duitsche soldaat een materialist is, zullen leelijk opkijken bij het lezen der volgende regelen, die ik in een Duitsch tijdschrift vond. Er moge uit blijken, welk een gevoelige, tot het idealistische geneigde ziel er schuilt onder de ruwe krijgsmanshuid; het is het eenvoudige, doch treffende gedicht van een soldaat, die, na een kort verlof in zijne geboortestad, weer teruggekeerd is in de loopgraven:

Urlaubs-Erinnerungen

Urlaub!... bist du schön gewesen!... Deutsche Frauen,... deutscher Wein... Taxen-Autos; Pferde-Chaisen, Pilsner, Münchner, Mosel, Rhein! Servietten, weiß und sauber; Straßenbahn und Omnibus... Deutsche Häuser, Heimatszauber, Reine Tassen, Liebchens Kuß!

Vater, Mutter, Schwester, Base! Meiner Ahnen alte Gruft... Saubre Tücher für die Nase... Heimatsprache... Heimatluft! Straßenanzug und Pyama... Nachts ein Bette, weiß wie Schnee! Wagneroper, Kino, Drama, Kabarett und Varieté!

Deutsche Wiesen, deutsche Kinder, Rein die Teller und Besteck, Deutsches Schulhaus, deutsche Kinder, Deutsches knuspriges Gebäck... Extrablatt mit deutschem Siege... Abschied... Und ich halte Wacht, Bis ich ~wieder~ Urlaub kriege Oder bis man ~Frieden~ macht.

Het zal geen verwondering wekken dat ik, die zelf soldaat ben, en mijnen verren collega dus begrijpen en waardeeren kan, mij door zijne woorden geïnspireerd gevoel tot navolging.

Op dezelfde eenvoudige, doch veelzijdige en ethische wijze wensch ik hieronder de gevoelens weer te geven van een evenzeer Germaanschen, eenvoudigen Nederlandschen soldaat, die, na een kort verlof te Amsterdam te hebben doorgebracht, naar het veldleger teruggegaan is:

VERLOFS-NAKLANKEN...

_Ach, verlof,... wat waart gij heerlijk... Kalverstraat en Haantjesbier... Rolmops, kaas en vette lappen... Mengelberg en 't stadsvertier... Riemsdijk-drama's, Schinkelhaven... Artis, leverworst en ham... Atax-rijden, schoone hemden... de verbouwing aan den Dam..._

_'t Huis, waar eens mijn ouders woonden... Uienbiefstuk in de Poort... 't Kalfje, Trianon, 't Museum,... Rembrandt, Ruysdael en zoo voort,... IJsco en 't Bagijnenhofje,... Schoone lakens, heldre boord,... Al die lieve, oude grachtjes,... Hoek en de Oude-man-huis-poort..._

_Pils met ramenas bij Schiller,... opstaan om een uur of tien... en de vreugde, om de Quelle en mijn meisje weer te zien... Bruine Amsterdamsche korstjes,... Wijnand Fockink, klare, port,... een nieuwe krant met Wolf-berichten... ...Ach, zoet verlof... gij waart te kort..._

VII.

_Verlofsherinneringen._

Wie zijn--zoo zult ge u ongetwijfeld wel eens afgevraagd hebben--wie zijn toch die uitdagend rond-ziende jongelieden, wier gezichten steen-rood verweerd zijn, die hun pasmunt, in stede van in de linkerbroekzak, ronddragen in dikke, ietwat vettige keukenmeiden-beurzen, die bij het naderen van elken gegradueerden militair eene reflex-beweging naar hun kwalijk-passend hoofddeksel maken, en die--blijkens de lieden die hen kameraadschappelijk groeten--connecties schijnen te bezitten onder minder- zoowel als onder de meer-waardigen dezer samenleving.

[Illustratie]

Deze jongelieden dan zijn verlofsgangers; zij slapen in bedden-met-lakens, zij kleeden zich in de zachtst-zijden lijfgoederen en sprenkelen lavendel op hun linnen, zij doen zich de meest exotische dranken mixen en huren stationeerende automobielen... kortom zij genieten van de dingen dezer aarde, en stappen driemaal daags in warme baden, waarin de geurigste der parfum-kristallen zijn opgelost.

Valt hen niet hard, wanneer zij in eethuizen luider spreken dan betamelijk is, wanneer zij uwe dochteren en nichten àl te vrijmoediglijk toelonken... zij hebben het mom der beschaving gekozen voor hunne soldateske uitingen. En hoe kan het anders?

Werd ik zelve niet door de zusters en nichten mijner krijgsmakkers op straat luide aangeroepen, en waren er niet onder deze jonge dochteren, die,--niet geheel vrij van behaagziekte--mij coquettelijk toeschreeuwden: »_Hádt je me maarrr!_«

* * * * *

Er wordt gezegd, dat negers, zoodra zij hun naakten,--eventueel schaamschortelijken staat--verruilen tegen die van het Europeesch toilet, dat deze negers dan zich te buiten gaan aan kleedingstukken van de meest exorbitante soort. Deze zelfde eigenschap nu stempelt den jongen verlofganger; van ònder af is hij ééne accumulatie van wijnrood schoeisel en kanarie-gele slobkousen, flanellen kleeren en kleurig linnengoed. Hij tracht zich gedurende één dag per maand voor dertig dagen te »kleeden«.

Nog eens, vergeef hem!

[Illustratie]