Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.
Part 2
Het weder--naast den bataljons-commandant de hoogste force-majeure--maakte ten slotte verder buiten-zijn onmogelijk, zoodat onze weerbaarheid verdere ontwikkeling verkrijgen zou op de, in dien tijd oppervlakkiglijk van nacht- en consumptie-vuil gereinigde, chambrée. Daar werden, volgens voorschrift, tafels en banken op de ijzeren kribben geworpen, om voldoende ruimte te winnen.... en pas bij deze haastige bezigheid was het, dat wij onzen zieken vriend terug vonden.
Een in allerhaast opgeruimde bank scheerde hem rakelings langs het hoofdkussen en plofte neer op zijn krib....
»Hoe gaat het ermee?« vraagde ik belangstellend.
Hij kroop dieper onder de dekens, en rilde: »koorts!«
Werkelijk, Z.... is geen simulant, en hij vertelde, hoe de korporaal-ziekenvader met zijn horloge in de hand de diagnose had uitgesproken. Er was geen plaats in de ziekenzaal, dus werd hij naar zijn eigen bed verwezen. Ook lange Jan en smalle Barend, twee mijner vrienden, waren inmiddels nader getreden en spanden zich in, leunend tegen het bed, om uit hunne herinnering alle koorts-gevallen met doodelijken afloop op te roepen, waarvan zij persoonlijk getuige geweest waren.
De zieke zweeg, en sloot vermoeid de oogen; toen de anderen zwegen, opende hij ze, en glimlachte: »die ziekenvader hè? zoo goeiïg.... net een wijf, zoo zorgzaam!«
Jan en Barend gingen daarop niet in, doch gingen voort, het ziektegeval te bespreken:
»Hij rilt effectief!«
»Kijk, z'n voorhoofd es bezweet weze!«
»Hij heb de koors!«
De machtstem des sergeants beval ons, in twee gelederen aan te treden.
Even later stapten ruim vijftig landstormplichtigen de chambrée rond, maakten rechts- en links om's, en zwaaiden de armen. Het gloeikousje in de lamp brak in wit stof uiteen, het vloervuil dwarrelde op onder den krachtigen tred, bevelen klonken....
In de krib lag, diep onder zijn wolletje, de zieke.
Hij rilde; hij had »de koors«.
RIJM-KRONYCK.
~Krijgsmansgezangen II.~
_Ode aan mijn Wapenrok._
Ik heb mijn wapenrok gekregen, en, 's morgens vroeg op de chambrée, dien aangedaan, en toen terdege (_pardon_) de broek-gesp vastgeregen... ...en 'k ging als vecht-soldaat in zee...
Ik heb mijn rok op straat gedragen, en duizend maal gesalueerd... ...zoo gaat het voortaan alle dagen... ...Ik speur naar sterren, streepen, kragen... ach, vélen zijn gegradueerd!
Ik streel verheugd mijn gulden knoopen, die talrijk zijn, en bijster mooi... En hang mijn overjas graag open, om goed in 't oog te laten loopen: mijn simpel, koninklijk emplooi!
Doch 's nachts als d'anderen »ingemaft« zijn, dan denk ik, starend naar mijn jas: »mijn ijdelheid zou wèl gestraft zijn... »als drie-kwart van ons neergepaft zijn, »en ik... in jou gesneuveld was!...«
Wie weet, wat wij nog eens beleven, o jas!... ik denk er dikwijls an... ..._jij_ bent dan nèt zoo grijs gebleven... ...alleen ontwaart men, misschien, èven ...een gaatje met wat rood d'r an...
II.
_Maand-overzicht._
Het is nu een maand geleden, dat ik met u te samen ging wonen, Jan, Gerrit, Gijs en Jacob, en in dien maand zijn wij soldaten geworden.
Velerlei hebben wij te samen genoten en verfoeid... en ik zoude... Ha! ik zoude veel, veel meer vastgehouden hebben, van hetgeen ons overkwam, indien niet zoo schaarsch geweest waren de vrije uren, waarin ik dit, mijn besmoezeld zakboek, te voorschijn brengen mocht, en er in neerschrijven ons gemeenschappelijk leed.
In dien tijd zijn een viertal onzer vader geworden, en even zoovelen hebben hunne verkeering gewisseld; gisteren was er een broodje te weinig aan het ontbijt, en verleden week is een onzer overleden.
Overigens waren de dagen aan elkaar gelijk. En voor ons is het perspectief der wachtende weken wijd, emotieloos en grauw, als de in zonnebrand vertrillende einder van eene zandwoestenij.
Waarin ik slechts substantieel voel mijne aanteekeningen, hard en onbedekbaar als kantige steenen, waartegen wij vruchteloos schoppen op onzen langen marsch naar het onbekende...
* * * * *
_9 April, Zondagmorgen._
Zooeven ben ik mijn bad ontstegen; juist is het geklok van het wegstroomend, modderig water, vergorgeld, en als ik mijn eigen slaapkamer betreed, omvangt mij daar de stilte als de mystieke plechtigheid eener sinds lang verlaten abdij. Om zeven uur, twee uren geleden, verliet ik de chambrée, waar de Zondagmorgen aanbrak in feestelijk getier, vol pijnlijke geeuwen echter van mijne vele kamergenoten, wier Zaterdagavond zich in bier en brandewijn ontwikkeld had.
En nog slechts flauwelijk herinner ik mij, hoe zij, bij het avondappèl ietwat waggelend voor hunne stroozakken stonden, vriendelijk lachend tegen den strengen sergeant, met het kennelijk doel daardoor een sympathieken en onschuldigen indruk teweeg te brengen.
Nu ik weer rustig bij mijn eigen haardje zit, overdenk ik deze week, waarin één oogenblik was, waarin de realiteit van onze militaire bestemming doorgeschemerd heeft.
Dat waren vreemde dagen; het was, alsof, naarmate de krijgsgeruchten duidelijker verneembaar werden, al ons doen beteekenis verkreeg.
Het »verspreiden«, dat wij oorspronkelijk als eene moeilijke orde-oefening beschouwd hadden, bleek ons plotseling eene manoeuvre te zijn, om onverwacht invallend vuur te ontkomen; het doodstil liggen op den viezen grond van het exercitie-terrein, met het geweer in de armen, en het hoofd diep weggedoken, eene oefening, die ons tegengestaan had om de noodzakelijk daaraan verbonden bevuiling van handen en tuniek, kreeg opeens de sombere beteekenis van schuilen voor levensbehoud.
En zoo meer.
Het is nu ook een week geleden, dat wij onze stroozakken op den vloer legden, en de kribben naar de nood-logies sjouwden. Men sprak van Duitsche hulptroepen, n.b. Den nacht daarop sliepen wij weinig.
De vloer was hard, en de toekomst ongewis.
Ik herinner mij, hoe een pijnlijke spanning ontstond gedurende den nacht door eene gebeurtenis, die--zonder de alarmeerende berichten der laatste dagen--onopgemerkt gebleven zou zijn.
Op het rangeerterrein voor de kazerne n.l., waar reeds sinds onheugelijke tijden een roode-kruis-trein staat te roesten, was bewegelijkheid. De wagens rammel-bonkten tegen elkander, er klonken hoornsignalen, en stoom siste. Wij lagen allen stil in de donkere chambrée op ons stroo, en luisterden; niemand sprak, doch er was aandacht in de stilte, spanning zelfs, die gebroken werd door gebrom in een hoek: »daar komme wij nog es in terug!«
Niemand antwoordde: ieder hield zich slapende.
En het gerammel en gestoot ging verder...
's Morgens lag een groot stuk spoorbaan bloot, als een akelig gat tusschen de nog restende wagons.
* * * * *
_Afgekeurden._
Langzamerhand heeft zich een nieuw element onder ons ontwikkeld: n.l. dat der afgekeurden. Gemeenlijk zijn zij herkenbaar aan burgerkleeding, een hooghartigen glimlach van bourgeois satisfait, ietwat zwierige en on-militaire gedragingen, en veel verlof. De mil. geneesk. dienst toch, die, voornamelijk op administratief gebied, zoozeer ijvert in het landsbelang, laat perioden van 14 dagen tot circa een jaar verloopen, alvorens zij aan afgekeurden de noodige papieren verstrekt, die hun algeheele terugtrekking uit het legerverband mogelijk maken. Het is geen geheim, dat in het begin van de mobilisatie b.v. iemand na drie dagen dienst werd afgekeurd; daarop keerde hij met verlof en voor rijks-rekening naar zijn betrekking in het buitenland terug. Na een jaar werd hij ontboden om zijne papieren te halen, en kreeg daarbij tot zijne verrassing... een jaar soldij (pl.m. f 150.--). Dergelijke zoete perspectieven openen zich voor eenigen onder mijne kameraden, die afgekeurd zijn, en geen dienst doen.
Zij zijn een soort blinde-darm in het legerverband, bezoeken de appèls in burgerkleeding, als Cook's reizigers een abattoir in Chicago, en wandelen kwatta-etend over het exercitie-terrein, dan wel spelen billard in de cantine, als schatrijke particulieren.
Op ieder bevel antwoorden zij, rekenend op eene civiele behandeling, met het machtwoord ~afgekeurd~.
Een hunner vereerde mij, ter viering van het blijde feit, een sigaar met een bandje; een andere--ietwat angstig aangelegde--accentueert, uit vrees voor her-goedkeuring het inconvenient zijner platvoeten, door zéér wijdbeens en hinkend, met een als van smart verwrongen gelaat rond te loopen, kreunend bij het passeeren van iederen korporaal of sergeant.
* * * * *
_W.C.-wee._
Stel u voor: een huisje, gelegen aan een ruim, ietwat afhellend, exercitie-terrein. Het huisje is niet nader te omschrijven: het terrein is grootendeels grauw; ik zeg grootendeels, want rondom het huisje is een terrein-strook van verscheidene tientallen meters uitgebreidheid donker getint en drassig. Ik onthoud mij van eene verdere verklaring van dit verschijnsel, doch prevel slechts iets van verstopten afvoer.
Ten slotte zij medegedeeld, dat op het exercitie-terrein dikwijls, en dan langdurig, plat op het aangezicht gelegen wordt... zonder gasmaskers.
* * * * *
_Reclame-marsch._
Dezer dagen hebben wij met z'n tweeduizenden een Kalverstraatje gewandeld. Het was eene z.g. reclame-marsch. Mijne aandoening was veel-ledig.
Het is n.l. niet mijne gewoonte door de Kalverstraat te loopen om drie uur des namiddags, en ik ontmoette dan ook weinig kennissen. Dan begrijp ik, hoe onpleizierig vreemdelingen zich in onze stad moeten gevoelen, daar zij en hun gezelschap met dezelfde starre blik aan- en nagestaard worden als het met ons geschiedde.
Maar een trotsch gevoel is het, te zien, hoe het geheele verkeer stop staat... voor Ons...; zoo iets als de bekende plaat van »His Majesty, the Baby«.
Enkele burgers, die mij herkenden, wisten, dat zij niet groeten mochten, daar het ons verboden is een groet te beantwoorden. Alleen E., een automobiel-luitenant, groette mij vriendelijk. Mijn sergeant fronste de wenkbrauwen.
Sinds dien dag ken ik een nieuwe luxe: vrij en zonder geleide op straat te loopen.
Ik bestraf mijn hond niet meer, als hij een dag er van door gaat...
III.
_Verloven._
_Mei 1916._
Wij, soldaten, wenschen de lengte en het aantal der ons van hooger hand toegestane verloven gehandhaafd te zien, zooals een huisdier het volume van zijn portie voedsel.
En het moge u drie, viermaal gelukken, de etensbak van uwen hond weg te nemen, terwijl hij slechts dreigend gromt... er komt een keer, dat hij grimmig bijten zal. Intusschen zult ge in het daarop volgend conflict de sterkste en machtigste blijken, doch onloochenbaar zal het incident eene verkoeling teweeg brengen in de verhouding tusschen u en hem. De vergelijking gaat echter op één punt mank: het zal u n.l. niet mogelijk zijn, den hond aan het verstand te brengen, _waarom_ hij zijn gewone portie derven moet, terwijl het ons, soldaten, zeer zeker aan het redelijk verstand te brengen zoude zijn, welke de reden is van deze onaangename onthouding.
En het meerendeel onzer zou deze explicatie, zoo niet getroost, dan toch berustend aanvaarden. En in dit opzicht is dus onze wensch dezelfde als die van de burger-maatschappij: eenig commentaar van de zijde der regeering.
Nu is het grommen luider dan aangenaam is, en het gerucht van incidenten en onlusten bereikte ons van het veldleger.
»Maar wat wil je?« zegt mijn »slaapie«--»als d'r één man staakt, pakken er twee hem op, en douwen hem de pot in... als er een sectie staakt, staat er een compie klaar... en tegenover een compie een bataljon, en daartegenover weer een regiment, en dan een brigade en dan een divisie, en dan vier divisies... en dan?«
Ja, meer is er niet heeft de sergeant ons op de »tieërie« geleerd... en opeens flakkeren de oogen van Simon, den stiekemen anti-militarist, en hij brult de gemeenplaatsen, die ik vandaag op de parapluie's eener demonstreerende menigte geschilderd zag:
»Algemeene demobilisatie... geen man en geen cent voor het militarisme;«
Verder gaan mijne vrienden niet; voor deze stoute geestes-schepping staan zij vol ontzag en ontzetting... zooals een groot kunstenaar voor zijn meesterwerk!
* * * * *
_Oudjes._
Bij Kon. besluit van 11 dezer is aan Jan Jacob Pisters, milicien der lichting 1855 voor de gemeente Nuth, vrijstelling voorgoed van den dienst bij de militie verleend. (_St. Ct._)
Bovenstaand bericht, geput uit de »N. R. Ct.« van Zondagmorgen, deed mij in gepeinzen verzinken. Een tachtigjarige is dus voorgoed vrijgesteld van den dienst bij de militie! Welk een veteraan! Neen zóó oud zijn er bij ons niet. Wèl dommelt gemeenlijk bij een der kachels in de cantine een soldaat, dien ik een dikke vijftig geef, doch deze is nog zeer weerbaar.
[Illustratie]
* * * * *
_Een moment van ontzetting!_
Voor het eerst in mijn militairen loopbaan ben ik heviglijk geschrokken; niet door het feit, dat dezer dagen mijne schoenen gestolen zijn... Wij zijn er reeds lang aan gewend, dat telkens zaken spoorloos uit de chambrées verdwijnen, en wij vatten dit op als roof- en plunder oefeningen van een mede-krijgsman. De schrik beving mij achteraf, toen men mij voorstelde als schadeloosstelling te aanvaarden: ...een paar gedragen schoenen! Nu vraag ik u... men zoude mij evengoed in overweging kunnen geven, mijns buurmans tandenborstel of oorlepel te benutten. Vol afschuw haastte ik mij, deze vraag met de wedervraag te beantwoorden: of er _nieuwe_ schoenen verkrijgbaar waren. Helaas zag ik mij genoodzaakt den fourier te épateeren met het aanvaarden der laatste mogelijkheid: vijf weken soldij in ruil voor een nieuw paar schoenen!
Dief! Indien deze regelen u onder de oogen mochten komen, bedenk dan, dat ik vijf weken exerceeren zal, zonder daarvoor honorarium te genieten... Het ergste is, dat men mij van diefstal schijnt te verdenken; telkenmaal toch, dat ik met mijn citybag de kazerne verlaat, gelast de deurbewaker mij met verwachtingsvolle en bevelende gebaren de tasch te open!
[Illustratie]
* * * * *
_Regendag._
Een regendag in de kazerne is, wat een vleeschlooze dag in een wildenbeestenspel zijn moet: het eenige noodige ontbreekt, en flauwe surrogaten vermogen niet, het te vervangen.
Reeds stemt de simpele kleeding van mijn anders zoo sierlijk geuniformden luitenant mij treurig, en met minder genoegen dan gewoonlijk, schiet ik zelve de tuchthuisboevenkleedij aan, die hier onder den naam van »werkgoed« verstrekt wordt. In dit goed nu wordt de dag gedood. Het begint met urenlange aanslag-oefeningen op de chambrée, waarbij gemikt wordt op de meubelen, en lang-uit gelegen op de vloer, waarvan de geringe oppervlakte den schutter noodzaakt zijn beenen onder de krib te schuiven, en den loop van zijn geweer onder het tegenoverstaande bed. Deze omstandigheden suggereeren allerminst slagveld-emoties, en de oefening verloopt met de animo, waarmede een krasse oude heer op zijn slaapkamer met halters werkt.
's Middags klaart het weer wat op, en trekken wij, tot de tanden gewapend, de modderzee van het exercitieterrein in, om een paar uur later aanmerkelijke hoeveelheden daarvan aan onze doorweekte kleeding het slaapvertrek weer binnen te dragen.
Een regendag is te hatelijker, door het gevoelen van een force-majeure, die niet die des superieurs is. Er is weifeling in de lucht: wijfeling omtrent de indeeling van den dienst,... want op regen is de kazerne niet berekend.
....Zooals er ook geen rekening gehouden kan worden met schoenendieven en andere krachten, die in on-militaire geheimzinnigheid en onberekenbaarheid optreden.
[Illustratie]
* * * * *
_»Voor den dokter«._
Neen, neen, en nogmaals neen! Voor den dokter wensch ik mij niet aan te melden. Niet, omdat de localiteit, waarin de medicus heerscht, mij al te zeer aan een ongemeubelde stationswachtkamer derde klasse herinnert, doch om het bloote feit, dat ik niet onder verdenking wil geraken van simuleeren. Want evenzeer als het meerendeel der drankjes, die een huisarts ons verstrekt, naar peperment riekt, is er aan de geneeswijzen des militairen dokters een onmiskenbaar geurtje van _straf_. Het moge zeer nuttig zijn, iemand, die gedurende den looppas uitvalt, twee dagen achtereen na den dienst het bed te doen opzoeken, of een ander, die zijn pols bezeerd heeft, hetzelfde recept te geven, ik persoonlijk prefereer een meer »civiele« geneeswijze. Het is zonderling, maar ik, onmuzikaal aangelegde, verwar altijd de hoornsignalen, die de zieken naar den dokter en de gestraften naar de wacht roepen.
* * * * *
_Klein viezigheidje._
Op gevaar af, van mijne superieuren te mishagen, wil ik ook ditmaal eindigen met een klein viezigheidje. D.w.z., voor u is het er een... voor mij mindere, is het er sinds lang geen meer.
[Illustratie]
Exercitie met het geweer op de chambrée. Men staat in een lange rij, met het geweer in den aanslag.
De sergeant: _vuurrrrr!_
Boven het rikketikketik der geweren klinkt, duidelijk waarneembaar het viezigheidje, waarmede Japanners hunnen gastheer het teeken van over-verzadigd te zijn geven. In dit geval echter, is het minder hoffelijk bedoeld, en de sergeant heeft gelijk, met op strengen toon te vragen naar den dader. »Wie heeft dat gedaan?« roept hij, vergetende dat er feitelijk--integendeel--iets gelaten is.
Doodsche, pijnlijke stilte.
»Wie?«
Iedereen kijkt zijn buurman aan met den ernst, die ons alleen op belachelijke momenten beheerscht...
Het geval geeft aanleiding tot een ultimatum.
»Indien de dader zich niet direct aanmeldt...!«
Dan treedt Kees naar voren.
»Ik ben onschuldig«, zegt hij ridderlijk, »maar ik moet vanavond tòch thuisblijven...«
»Neen, neen«, roepen wij, die niet minder edel willen zijn--»de dáder!«
Het debat duurt voort... tant de bruit, pour un tout petit bruit...
De »dader« is nog steeds niet gevonden.
Eindelijk wordt ook de luitenant van het geval in kennis gesteld; hij is een practisch man.
»Als niemand het gedaan heeft«, zegt hij--»dan moet het de sergeant geweest...«
Dan pas lachen wij.
Ook de sergeant... die intusschen even onschuldig is, als uw u dw.
MELIS STOKE.
RIJM-KRONYCK.
~Krijgsmanszangen III.~
_Aan mijne nieuwe vrienden._
De kazerne is een woning, waar de jeugd geen vreugde is, en waar 't schuren, lange uren, van portalen, gangen, muren, de hoogste aller deugden is.
De kazerne is een zeestrand, waar 'k gebracht ben door den vloed, waar de eb mij heeft gelaten, tusschen allerlei soldaten, wier bestaan 'k nooit had vermoed.
Barend, Joopie, Kees en Gerrit, strekken hun vermoeide lijf naast het mijne in de kribben, en des morgens port mijn ribben, een sergeant, dien 'k niet beschrijf.
Gerrit, Joopie, Kees en Barend, 'k had nog nooit van u gehoord, doch reeds kennen we elkaars vreugden, zorgen, droefenis en deugden, sokken, ondergoed en boord.
Kees heeft vaste-loop-verkeering, Joop en Barend, zijn getrouwd, Gerrit wacht zijn tweede »kleine«... en 'k heb op mijn beurt ook mijne hoop' en plannen hun ontvouwd.
. . . . . . . . . . . . . . . De kazerne is een woning, die men zuchtend binnen-gaat, en die ieder vòl verlangen naar zijn dierb'ren, na een langen dag van rechts-om-keert's, verlaat...
IV.
_»Lolletjes«, en de waardeering ervan._
»En,« zoo vraagde mij mijn goede oom J., »hoe hebt ge u geamuseerd vandaag?«
Mij docht, dat de vermoeienis en bevuiling, die duidelijk door mijn uiterlijk gedemonstreerd werden, het antwoord »minimaal« overbodig maakten en zoo zweeg ik, vragend...
»Voor veertienhonderd gulden«--zoo ging oom verder,--zoudt ge toch met uwe kameraden een prettigen dag gehad kunnen...
Ik herhaalde verbaasd het bedrag, en toen vertelde hij mij, hoe dien middag op de beurs dat geld bijeen gebracht was, om ons, Amsterdamsche soldaten, een prettigen dag te bezorgen.
Een officier had gesproken van kregelige stemming, »door het inhouden van verloven«, en onze beursvaderen hadden het hunne trachten te doen, om onheilen te voorkomen.
»Dank u wel oom,« zeide ik hartelijk, »bij voorbaat!«
* * * * *
De »prettige dag« is er geweest, en was in zijn soort een zéér groot onheil.
Des avonds, na den feestdag, zeiden wij hoofdschuddend tot elkander dat het een zwàre dag geweest was, en wij toonden malkander de bonnetjes, waarvoor wij ververschingen hadden kúnnen krijgen indien...
...Indien de dag niet tot een vreemde herinnering vergaan was, aan duwen, Grieg, de gangen van het Concertgebouw, bier en slaap.
Ik heb het gezegd: wij bevolkten het Concertgebouw... nooit hebt ge het eerbiedwaardig monument zóó bekleed gezien, het was eene symphonie in grijs: het grijs der uniformen lag golvend uit over de parterre, als morgennevels op zee, en het bedekte met egale grauwheid de ruimte, die anders in zoovele nuances en schakeeringen prijkt: de plaatsen waar dweepende jongemeisjes hunnen Willem toejuichen, de zetels der heeren van Rees en Oyens en de zijstoelen der telaatkomers en quasi-dandineerenden. Het grijs golfde òp tegen het podium, dekte de gaanderijen, en er stegen geuren uit op, en eene murmeling, die den grooten dirigent tot woede gebracht zouden hebben en in de bekende afwachtende houding, totdat het laatste kuchje (gemeenlijk van mr. J. A. L.) verstorven was.
Ik wil u niet spreken van het concert, of van de concerteerenden, dit alles was slechts secundair; het belangrijke van dezen dag was de vreemde stemming binnen deze muren van traditie, kalk en roode pluche. Daar was het vreemde van menschen, die in de korte pauze tusschen Allegro en Andante applaudisseerden, of opstonden en met los geknoopte kleeding en scheeve hoofddeksels de zaal verlieten, om elders consumptie te gaan genieten. Daar was het zotte van approuveerende geluidjes bij het verschijnen der gracieuse zangeres, en het geroep van bekenden onderling, tusschen balcon en parterre.
[Illustratie]
Daar was eindelijk de stroeve aanblik van lànge, lànge rijen slapende jongemannen, en vervolgens de pauze, waarin de gangen het tooneel waren van verwarring en bousculades, ingewikkelder dan de Alpen-symphonie, waarin het bier klokte door duizenden kelen, als een bergbeek, het verscherven van een ruit als een lawine...
Het vreemdste was echter het gedwongene van al deze vreugde; ik vraag u in gemoede: waart ge ooit bij een concert, waar een schildwacht u het heengaan belette, zaagt ge ooit op een feest dozijnen genoodigden »ontsnappen« door den tuin, en, over de muur klimmend, een »goed heenkomen« zoeken? Zijn concertgebouw-programma's ooit misbruikt door ze te scheuren in het formaat van »bier-en-thee-bons«, en als zoodanig aan de buffetten ingewisseld?
Neen immers?
Gedurende een korte flauwte, die mij tijdens de pauze beving, had ik een vreemd vizioen: ik waande mij op een Zondagnamiddag, en alle kameraden om mij heen kregen de gestalten van concertgebouwers.
Ik zag mr. Theodore Stuart en den heer Van Rees worstelen om een glas Pils, ik zag mr. dr. A. Röell bestraft worden wegens het uittrekken van zijn tuniek, door een luitenant, die de trekken vertoonde van den heer Labouchère, en, puffend en pratend zaten amechtig op een gangbankje de heeren S. P. van Eeghen en van Aalst naast elkander.
[Illustratie]
De obsessie was afschuwelijk, en ik ontwaakte niet, vóórdat een luitenant mij de zaal weer binnenduwde.
Na de pauze vertoonden het verlaten podium, en de gapingen in de parterre, hoevele »gasten« over het tuinhek ontvlucht waren.
De cellist speelde de »Träumerei«... mijne kameraden dommelden, met zweet-beparelde voorhoofden, losgegespte kragen en verwarde hoofdharen.
Als gold het hier een orgiastisch feest, in stede van een bezoek aan het concertgebouw...
* * * * *
»Nee jô! dan was het fijnder in de Flora onderlaatst!« voegde Kees mij toe, »daar zàg je tenminste wat, en daar kò je méézingen!«