Vadertje Langbeen

Part 9

Chapter 94,249 wordsPublic domain

Dit is de moeilijkste brief, dien ik je ooit heb geschreven, maar ik heb bij mezelf ernstig overlegd, wat me te doen staat en nu kan ik niet meer van mijn plan afwijken. Het is allerliefst en heel edelmoedig van je, dat je me dezen zomer naar Europa wilt sturen. Toen ik je brief pas kreeg, was ik half dronken van geluk. Maar daarna.... daarna wist ik ook, dat ik het niet mocht aannemen. Het zou al te onlogisch van me zijn, om je geld voor de Universiteit te weigeren, maar het wel voor mijn plezier aan te nemen. Je moet me niet te veel een weeldeleventje willen geven. Als je iets nooit hebt gekend, mis je het ook niet, maar het is vreeselijk hard en moeilijk je later dingen te ontwennen, waarvan je al dacht, dat ze je gewoonweg toekwamen. Het is al moeilijk om in het samenleven met Sallie en Julia mijn stoïcijnsche onverschilligheid te bewaren. Zij hebben van kind af aan alles gekregen en aanvaarden het geluk als iets wat hun toekomt. Zij denken dat het Leven hun alles verschuldigd is, wat ze maar wenschen. Misschien is dat ook wel zoo. In elk geval schijnt het Leven zijn schuld te kennen en geeft het hun alles. Maar mij is het niets verschuldigd en het heeft mij dat ook al van jongs af aan duidelijk gemaakt. Ik heb hoegenaamd geen recht op crediet, want er zal een tijd komen, waarin het Leven mijn aanspraken zal verwerpen.

Ik praat er nu eigenlijk zoo'n beetje om heen, maar toch begrijp je zeker wel, wat ik ermee wil zeggen. In elk geval voel ik duidelijk, dat het voor mij het beste is om dezen zomer lessen te geven en te beginnen, voor mijn eigen onderhoud te zorgen.

Magnolia.

4 dagen later.

Ik had dat alles juist geschreven toen—ja, wat denk je wel, dat er toen gebeurde?—De meid kwam binnen met een kaartje van Jongeheer Jervie. Hij gaat dezen zomer naar Europa, niet met Julia en haar familie, maar heelemaal alleen. En ik zei hem, dat je me hadt uitgenoodigd om onder de hoede van een oudere dame met een heele troep jonge meisjes ook naar Europa te gaan. Ik heb hem al eens over jou gesproken, lieveling, d.w.z., hij weet, dat mijn Vader en Moeder gestorven zijn en dat een lieve, oude heer me naar College heeft gestuurd. Maar ik had niet den moed hem over het John Grier Home en de rest te spreken. Hij denkt, dat jij mijn voogd bent en een goede huisvriend. Ik heb hem nooit verteld, dat ik je niet eens ken. Dat zou al te gek zijn.

In elk geval raadde hij me erg aan om naar Europa te gaan. Hij zei, dat het bepaald noodzakelijk voor mijn opleiding was en dat ik het niet mocht weigeren en ook, dat hij zoowat gelijk met mij in Parijs zou zijn en dat ik dan wel eens onder de hoede van de chaperonne weg kon vluchten en met hem in een aardig buitenlandsch restaurant kon dineeren.

Om je de waarheid te bekennen, het was erg verleidelijk, Vadertje. Ik bezweek haast, en als hij niet zoo'n dictators-air had aangenomen, was ik heel en al bezweken. Ik geef dikwijls toe wanneer iemand vriendelijk, geduldig met me spreekt, maar ik kan het niet hebben, dat ze mij willen dwingen. Hij zei, dat ik een dom, dwaas-romantisch, onredelijk, idioot, onhandelbaar kind was (dit zijn een paar van zijn lieflijke benamingen, de rest ontging me) en dat ik niet wist, wat goed voor me was. Dat moest ik maar aan het oordeel van oudere menschen overlaten. We hebben haast gekibbeld. Misschien deden we dat ook wel.

In elk geval, ik heb toen in alle haast mijn koffers gepakt en ben hierheen gereisd. Ik dacht, dat het beter was, dat mijn schepen achter mij verbrand waren wanneer ik je weer zou schrijven. En ik kan nu mijn brief ook afmaken.

Ik zit hier nu in Cliff Top (de naam van Mevrouw Paterson's buitenhuisje). Mijn koffers zijn uitgepakt en ik heb ook samen met Florence—de jongste—den strijd tegen de verbuigingen opgenomen. En dat is me een zware strijd! Zij is een buitengewoon verwend kind. Ik zal haar eerst moeten leeren hoe ze werken moet. Ze heeft haar heele leventje nog nooit over iets gewichtigers gedacht dan over roomijs en spuitwater.

Wij gebruiken een rustig hoekje, op een van de rotsen, voor leerkamer (Mevrouw Paterson wenscht, dat ik haar buiten les geef) en ik wil je wel bekennen, dat het mij ook moeilijk valt om mijn gedachten bij het werk te houden met de blauwe zee en de schepen voor oogen. En als ik dan denk, dat ik ook op zoo'n schip had kunnen zijn en vreemde landen had kunnen zien..... Maar ik _wil_ aan niets anders dan aan Latijnsche grammatica denken.

De voorzetsels a of ab, absque, coram, cum, de, e of ex, prae, pro, sine, tenus, subter, sub en super regeeren den ablativus.

Zoo zie je, dat ik hard kan werken, zelfs met de meest verleidelijke beelden voor oogen. Toe, wees niet boos op me en denk nu niet, dat ik je goedheid niet op prijs stel. Want dat doe ik wel. Altijd, altijd. De eenige manier, waarop ik je ooit mijn dankbaarheid kan bewijzen is door een Zeer Nuttig Burger te worden. (Zijn vrouwen ook burgers, ik geloof het eigenlijk niet). En als je dan naar me kijkt, kun je bij jezelf zeggen: ik schonk de wereld deze Zeer Nuttige Vrouw.

Dat klinkt als een klok, hè Vadertje, maar laat ik je niet misleiden. Ik denk dikwijls, dat ik heelemaal niets bijzonders heb. Het is gek, nu al zoo ver vooruit te spreken, maar toch geloof ik heusch niet, dat ik ooit iets anders dan een heel gewone middelmatige vrouw zal worden. Misschien zal ik een ondernemend man trouwen, en hem bij zijn werk inspireeren.

Altijd, Je Judy.

19 Augustus.

Lieve Vadertje Langbeen,

Van uit mijn venster heb ik een prachtig vergezicht op de zee, niets dan water en rotsen.

De zomer spoedt ten einde. Ik breng mijn tijd door met Latijn en Engelsch en Algebra bij mijn uiterst domme leerlingen in te pompen. Ik begrijp niet, hoe Marion ooit tot College toegang zal krijgen of hoe ze er zal blijven, _als_ ze er eenmaal zit. En wat Florence betreft, nu, dat is een erg hopeloos geval. Maar het is een schoonheidje en ik geloof, dat het er in het minst niet op aankomt of een meisje dom is of niet, als ze er maar mooi uitziet. Ik kan het niet helpen, ik moet er aldoor aan denken, hoe ze later haar man wel met praten zal vervelen, tenminste als die niet zoo dom is als zij. En ach dat zal hij wel zijn.

De wereld schijnt wel stampvol met domme menschen. Ik heb er ten minste van den zomer weer een paar ontmoet! 's Middags maken we een wandeling over de rotsen of we zwemmen. Je ziet, hoe nuttig mijn opleiding blijkt te zijn.

Ik kreeg een brief van Mijnheer Jervie Pendleton uit Parijs, nogal een korte, stugge brief. Hij heeft me nog niet heelemaal vergeven, dat ik zijn raad niet wilde opvolgen. Maar toch komt hij nog een paar dagen naar Lock Willow, voordat College weer opent en we zullen elkaar daar zien. En als ik erg aardig en lief en gedwee ben, dan (dat lees ik tusschen de regels door) wordt Judy weer in genade aangenomen.

Er kwam vanmorgen ook een brief van Sallie. Ze vraagt of ik met September nog twee weken in het kamp kom. Moet ik je nog verlof vragen, of is de tijd nu gekomen, dat ik zulke uitnoodigingen op eigen houtje mag aannemen? Ja, ik weet zeker, dat ik je er nu niet meer om behoef te vragen. Ik ben nu een senior, weet je. En nu ik den heelen zomer zoo hard heb gewerkt, voel ik, dat ik ook behoefte aan ontspanning heb en ik verlang er zoo naar, om Adirondacks te zien! Ik verlang naar Sallie, naar haar moeder, naar haar broer. Hij zal me leeren roeien en (dat geeft eigenlijk den doorslag, weet je) ik vind het prettig, dat Jongeheer Jervie op Lock Willow komt en me er dan niet vindt. Ik moet hem eens toonen, dat ik me niet laat dwingen. Niemand kan me dwingen, Vadertje, alleen jij, en jij kunt het ook niet eens altijd.

Dag! Ik ga weg naar de bosschen, naar Adirondacks!

Judy.

Kamp McBride

6 September.

Lieve Vadertje.

Je brief ontving ik net een paar dagen te laat. (En dat is gelukkig ook). Als je wilt, dat je bevelen worden opgevolgd, moet je je secretaris zeggen, dat hij geen twee weken met het antwoord moet wachten. Zooals je ziet, zit ik nu hier en dat al vijf heele dagen.

Het bosch is heerlijk en het kamp en het weer ook en de McBrides zijn schatten en de heele wereld is lief en goed. O, ik ben zoo gelukkig!

Daar roept Jimmie me al om te gaan roeien. Dag! Het spijt me dat ik je niet heb gehoorzaamd, maar waarom verzet je je er toch met alle geweld tegen, dat ik ook eens een beetje pleizier heb? Nu ik zoo'n heelen, langen zomer heb gezwoegd, verdien ik toch deze twee heerlijke weken. Je kunt niet zien, dat de zon in het water schijnt. Mijnheer Smith!

Toch hou ik van je, Vadertje, ondanks al je fouten.

Judy.

3 October.

Lieve Vadertje Langbeen,

Nu ben ik weer hier op Fergussen Hall en wel in mijn waardigheid van Senior, daarbij nog redactrice van „De Maandelijksche”. Het is haast niet te gelooven hè, dat zoo'n gewichtig personage nog pas vier jaren geleden in het John Grier Home thuis hoorde. We kunnen hier in Amerika onzen weg vinden als we maar willen!

Zeg, hoe vind je dat? Ik kreeg vanmorgen een briefje van Jongeheer Jervie, dat hij naar Lock Willow adresseerde en dat me naar hier opgestuurd werd. Hij zegt, dat hij tot zijn spijt in den herfst niet op Lock Willow kan komen. Hij heeft een uitnoodiging van een vriend aangenomen om met hem op de jacht te gaan. Hij hoopt, dat ik dezen zomer veel plezier heb gehad en dat de buitenlucht me goed heeft gedaan.

En hij wist toch, dat ik bij de McBrides logeerde, want Julia heeft het hem zelf verteld. Jullie mannen moesten de intrigetjes maar aan ons vrouwen overlaten: jullie hebt daar toch geen slag van.

Julia heeft een koffer vol van de prachtigste costumes meegebracht, o.a. een avondjapon van Liberty crêpe in een onbeschrijfelijke tint, een geschikte kleeding voor de engelen in het Paradijs. En ik dacht nog wel, dat mijn kleeren dezen zomer onovertreffelijk mooi waren. Ik maakte de costumes van Mevrouw Paterson na met de hulp van een goedkoop naaistertje en ofschoon mijn gewaden niet bepaald volkomen gelijk aan de oorspronkelijke uitvielen, was ik er toch erg blij mee, totdat Julia haar schatten tentoonstelde.

Lieveling, ben je eigenlijk niet blij, dat je geen meisje bent? Je zult wel denken, dat we gansjes zijn om zooveel over kleeren te spreken en er zoo dol veel van te houden.

Heb je wel eens van dien geleerden professor gehoord die van oordeel was, dat vrouwen sober gekleed moesten gaan en geen versieringen mochten dragen? Het liefst natuurlijk in zoo'n soort hobbezak. Welnu, zijn vrouw was een lief gedwee schepseltje en ze droeg heel gewillig de door haar echtgenoot voorgeschreven kleeding. En wat denk je nu wel, dat _hij_ deed? Wel, hij ging er met een balletdanseres vandoor!!

Altijd

Je Judy.

P.S. Het kamermeisje in onze gang draagt blauw geruite schorten. (Precies hetzelfde goed, dat ik vroeger op het J. G. H. moest dragen). Ik zal er haar een paar bruine voor in de plaats geven en dan moet ze die blauwe maar onder in haar kast wegstoppen. Er gaat me telkens een koude rilling over het lijf als ik die dingen zie.

17 November.

Liefste Vadertje,

Ik heb toch zoo'n tegenslag op mijn letterkundigen loopbaan gekregen. Eigenlijk weet ik niet of ik het je vertellen zal, ja of neen, maar ik heb zoo'n behoefte aan sympathie, stilzwijgende sympathie alsjeblieft. Open de wonde niet door er in je volgenden brief over te schrijven.

Ik heb een boek geschreven. Alle winteravonden heb ik er het vorig jaar in mijn vrijen tijd aan gewerkt en ook dezen zomer, wanneer ik niet mijn twee dommertjes Latijn moest inpompen. Juist voordat College weer opende, was het klaar en ik stuurde het naar een uitgever. Hij hield het twee lange maanden en ik was er toch zoo zeker van, dat hij het zou aannemen. Maar gisterenmorgen kwam een pakje met de expres (ik moest er nog 30 cent voor betalen) en daar hadt ik het toch weer terug. Er lag nog een brief van den uitgever bij, heel vriendelijk en vaderlijk geschreven, maar erg openhartig. Hij zei, dat hij aan het adres zag, dat ik nog studeerde en als ik een goeden raad wilde aannemen, dan zou hij me voorstellen voorloopig al mijn wilskracht voor de studie te gebruiken en met schrijven te wachten totdat ik gepromoveerd was. Daarbij gaf hij mij de opinie van den man weer, die het boek had doorgelezen. Hier hoor je die meteen:

„Samenloop van omstandigheden zeer onwaarschijnlijk. Karakterbeschrijving overdreven. Gesprekken gedwongen en onnatuurlijk. Veel humor maar niet altijd op de goede plaats. Raad haar aan, door te zetten, mettertijd zal zij nog een goed boek kunnen schrijven”.

Niet erg vleiend, vind je wel? En ik dacht nog wel, dat ik den schat van de Amerikaansche letterkunde met mijn geesteskind zou verrijken. Ja heusch, zoo ijdel was ik. Ik wou je eens aardig verrassen door een goede novelle te schrijven nog voordat ik promoveerde. De stof verzamelde ik bij Julia's familie, toen ik daar met Kerstmis logeerde. Maar ik moet je ook eerlijk bekennen, dat ik zelf inzie dat de uitgever gelijk heeft. Twee weken is waarschijnlijk niet lang genoeg om de manieren en de gewoonten van een groote stad en een vreemde omgeving gade te slaan.

Ik nam dat rampzalige boek gistermiddag met me mee en toen ik bij de verwarmingsinrichting kwam, ging ik er in en vroeg den stoker, of ik even van zijn fornuis gebruik mocht maken. Hij deed heel beleefd het deurtje voor me open en met mijn eigen handen stopte ik de vellen papier er in. Ik had het gevoel of ik mijn eigen kind had omgebracht.

Geheel terneergeslagen ging ik naar bed. Ik wanhoopte, of ik het wel ooit tot iets zou brengen en dan hadt jij toch maar je geld voor niets uitgegeven. Maar stel je voor! Vanmorgen word ik wakker met een prachtig nieuw schema in mijn hoofd en nu loop ik den geheelen dag al over de verschillende karakters na te denken en voel me in den zevenden hemel. Niemand zal me ooit van pessimisme kunnen beschuldigen. Wanneer mijn man en twaalf kinderen bij een aardbeving zouden omkomen, zou ik den volgenden morgen weer in een rooskleurige bui opstaan en probeeren een ander stel bij elkaar te krijgen.

14 December.

Lieve Vadertje Langbeen,

Ik had gisteren nacht toch zoo'n grappige droom! Ik liep een boekwinkel binnen en daar bracht me de bediende een boek, getiteld „Het leven en de brieven van Judy Abbott”. Ik zag het duidelijk voor me. Het was in een rooden band met een teekening van het John Grier Home erop. En voorin stond mijn portret met „Aan mijn besten vriend. Judy Abbott,” eronder gedrukt. Maar juist toen ik het slot wilde lezen en het opschrift van mijn grafsteen, werd ik wakker. Jammer hè? Ik had anders nog kunnen zien, met wien ik zou trouwen en wanneer ik sterven moet.

Geloof je ook niet, dat het verbazend leuk zou zijn om werkelijk de geschiedenis van je leven te lezen, naar waarheid geschreven door een alwetend schrijver? En stel je voor, dat je alleen maar op die voorwaarde mocht lezen, dat je het nooit mocht vergeten en het leven ten einde moest brengen terwijl je alles al vooruit wist. Ook het uur, waarop je zou sterven. Hoeveel menschen zouden dan wel den moed hebben om het Boek te lezen en hoeveel zouden zooveel wilskracht hebben om het verlangen te weerstaan het te mogen lezen, zelfs tot den grooten prijs dat zij het leven zonder een sprankje hoop en zonder eenige verrassing zouden moeten doorloopen.

Op zijn best genomen is het leven toch in-vervelend. Je kunt elken dag weer opnieuw gaan eten en slapen, maar stel je voor, hoe vreeselijk saai het zou worden, als er nooit iets onverwachts, tusschen die maaltijden en dat slapen gaan in, gebeurde. Nee, dank je hartelijk!

Ja Vadertje, dat is een inktmop, maar ik ben nu al aan mijn derde zijdje en kan dat heusch niet allemaal nog eens overschrijven.

Ik ga dit jaar door met ontleedkunde. Het is verbazend interessant. Op het oogenblik bestudeeren wij het darmkanaal van de zoogdieren. Je moest eens weten hoe aardig de blinde darm van den kat er onder den microscoop uitziet!

Ook volg ik nu colleges over wijsbegeerte. Ook heel mooi maar vreeselijk vaag! Ik houd dan toch meer van ontleedkunde, waar je het voorwerp van je belangstelling aan een bordje kunt vastmaken. Nog een mop en nog één! Mijn pen stort tranen met tuiten. Neem het haar niet kwalijk, Vadertje!

Geloof je in iemands vrijen wil? Ik doe het. Beslist. Ik ben het heelemaal niet eens met de filosofen, die denken dat elke daad het onvermijdelijke resultaat van een samenloop van lang geleden oorzaken is. Dit is de meest minderwaardige leer, waarvan ik ooit heb gehoord. Dus niemand zou iets kunnen verwijten! Als een man fatalist is, blijft hij maar den heelen dag kalm zitten,—„God's wil geschiede”—en wacht net zoo lang tot hij eindelijk dood is. Ba!

Ik geloof heilig in mijn eigen vrijen wil en mijn eigen macht om mijn verder leven te vormen. En dat is een geloof, dat zelfs bergen kan verzetten. Je zult nog eens zien, wat ik voor een groot schrijfster word. Ik heb al vier hoofdstukken van mijn nieuwe boek kant en klaar en No. V staat al in korte trekken op een kladje.

Dit is weer eens een diepzinnige brief, hè lieveling? Heb je er hoofdpijn van gekregen? Laat ik dan nu met redeneeren uitscheiden en wat caramels gaan maken. Ik wou, dat ik er jou een doosje van kon sturen. Ze worden vast heel lekker, want we doen het met room en drie balletjes boter.

Je je liefhebbende Judy.

P.S. We hebben vandaag in het gymnastieklokaal allerlei soort fancydansen uitgevoerd.

[Illustratie]

Hoe mooi we het doen, zie je op dit prentje.

Die op het eind, die juist een zeer bevallige pirouette maakt, is Judy.

26 December.

Liefste lieveling,

Wat heb je nu gedaan? Weet je dan niet, dat je een jong meisje geen 17 cadeaux met Kerstmis moet geven? Denk er toch aan, dat ik een socialiste ben. Wat zou het niet vreeselijk lastig worden, als we later ooit eens herrie met elkaar kregen. Ik zou een verhuiswagen moeten huren om je al je cadeaux terug te sturen.

[Illustratie: Aan Vader's Langbeen — Goederen Vervoer]

Het spijt me vreeselijk, dat de das, die ik je stuurde, zoo ongelijk gehaakt was, maar ik heb het zelf gedaan (zooals je trouwens ook wel zien kunt). Je moet hem bij koud weer dragen en dan je jas heelemaal dichtknoopen.

Dank je, Vadertje, voor alles wat je me weer gaf. Ik geloof, dat je de liefste man op de heele wereld bent, maar toch moet je me niet zoo verwennen.

Je Judy.

P.S. Hier heb je een klaverblaadje van vier van Kamp McBride. Laat het je veel geluk brengen in het nieuwe jaar.

9 Januari.

Wil je iets doen, lieveling, waarmee je je eeuwig zielsheil kunt verzekeren? Er verkeert hier een familie in vreeselijken nood, een moeder en vader en vier zichtbare kinderen. De twee oudste jongens zijn de wijde wereld ingetrokken, om hun fortuin te zoeken en hebben niets meer van zich laten hooren. De vader heeft in een glasfabriek gewerkt en kreeg er de tering—het is vreeselijk ongezond werk—en nu ligt hij in het ziekenhuis. Door die ziekte zijn al hun spaarduitjes opgeraakt en nu moet de oudste dochter van 24 de heele familie onderhouden. Ze gaat uit naaien voor $ 1.50 per dag (als ze dat ten minste krijgt) en 's avonds borduurt ze ook nog. De moeder is niet erg sterk en verbazend slap van karakter en devoot. Ze zit den geheelen dag met gevouwen handen, een beeld van geduldige gelatenheid, terwijl de dochter zich met haar afbeulen, haar zorgen en haar groote verantwoordelijkheid half dood maakt. Ze weet niet hoe ze door den winter heen moeten komen en mij is dat ook een raadsel. Met een honderd dollars zou ze brandstof kunnen koopen en schoenen voor de kinderen, zoodat die weer naar school kunnen, en ze zou dan ook nog overhouden, zoodat ze niet zoo vreeselijk heeft te tobben wanneer ze eens geen werk krijgt en een paar dagen thuis moet blijven.

Jij bent de rijkste man, dien ik ken. Zou jij niet die honderd dollars kunnen missen? Dat meisje verdient veel meer geholpen te worden dan ik, toen ik nog in het John Grier Home was. Ik vraag het eigenlijk ook maar alleen voor dat arme kind. De moeder kan me niets schelen. Daar zit absoluut geen leven in en die vindt toch alles wat de Heere doet, welgedaan.

Het kan me woedend maken, wanneer die menschen hun oogen vroom ten hemel slaan en lijden: „Wie weet, misschien is het wel voor ons bestwil” terwijl ze er zelf toch zoo vast van overtuigd zijn, dat dat natuurlijk niet zoo is. Nederigheid, of hoe je het ook noemen wilt, is alleen maar machtelooze traagheid, laksheid! Ik ben voor een opgewekten, strijdlustigen godsdienst.

We hebben op het oogenblik vervelende colleges over wijsbegeerte—morgen weer over Schopenhauer. Onze prof. schijnt te denken, dat we voor niets anders te werken hebben. Hij is een grappige oude baas en altijd met zijn gedachten ver van deze aarde verwijderd en als hij dan plotseling vasten grond onder zijn voeten voelt, schrikt hij op. Hij probeert de colleges een beetje aangenamer te maken door er nu en dan een grap tusschen te gooien en dan spannen wij ons in om te glimlachen. Maar ik kan je verzekeren, dat dat soms toch nog moeilijk gaat. In zijn vrijen lijd tracht hij het probleem op te lossen, of de dingen werkelijk bestaan of dat hij alleen maar _denkt_, dat ze bestaan.

Ik weet zeker, dat mijn arm naaistertje het dan verder heeft gebracht, zij weet tenminste dat de dingen bestaan.

Waar denk je wel, dat mijn nieuwe novelle is? In de prullenmand! Ik zie zelf in, dat het niets wordt en als een auteur dat al van zijn eigen werk zegt, wat moet het venijnige publiek dan niet schreeuwen?

Later.

Ik schrijf je van mijn ziekbed, Vadertje. Al twee dagen lig ik hier met gezwollen amandelen. Ik kan net heete melk drinken, maar dat is ook alles. „Hoe is het nu in godsnaam mogelijk, dat uw ouders die amandelen niet hebben laten snijden toen u nog klein was?” vroeg de dokter me. Daarop kon ik hem niet antwoorden, maar ik geloof, dat ze toen niet hard over me hebben nagedacht.

Je J. A.

Volgende morgen.

Ik lees juist mijn brief over, voordat ik hem sluit. Ik begrijp niet, waarom ik zoo'n duister licht over het leven werp. Ik wil je nog gauw even schrijven, dat ik me jong, gelukkig en levenslustig voel. En ik denk, dat jij dat ook wel zult zijn. De jeugd heeft er niets mee te maken; hoeveel jaren je eigenlijk telt, dat doet er niet toe, het hangt alleen maar af van onze levendigheid van geest. Dus Vadertje, al heb jij misschien grijze haren, toch kun je nog een echte jongen zijn.

Je je liefhebbende Judy.

12 Januari.

Lieve Mijnheer de Philantroop.

Gisteren kreeg ik je chèque voor mijn arme familie. Dank je heel hartelijk. Ik spijbelde voor gymnastiek en ging er dadelijk na de koffie heen en je had het gezicht van het meisje moeten zien! Ze was zoo verrast en gelukkig en verlicht, dat ze er haast jong uitzag. En ze is toch pas 24. Is dat niet vreeselijk?

In elk geval heeft ze nu het gevoel, alsof alle goede dingen opeens op haar zijn neergedaald. Ze heeft nu al voor twee maanden vooruit vast werk. Er gaat iemand trouwen en zij heeft de bestellingen voor het uitzet gekregen.

„Laten we den goeden God danken”, zei de moeder toen ze eindelijk tot besef kwam, dat dit kleine papiertje $ 100.— waard was.

„De goede God stuurt het je heelemaal niet”, zei ik, „je hebt het van Vadertje Langbeen”, (ik zei natuurlijk: „van Mijnheer Smith”).

„Maar de goede God heeft hem op die gedachte gebracht”, zei ze weer.

„Absoluut niet, dat deed ik”, antwoordde ik haar.

Maar in elk geval vertrouw ik, dat God je naar waarde zal beloonen, Vadertje. Je verdient een vrijstelling van minstens 10.000 jaar uit het vagevuur.

Je je zeer dankbare

Judy Abbott.

15 Februari.

Zoo het Uwe Excellentie moge behagen.

Dezen morgen at ik bij het ontbijt een koud kalkoenepastijtje en een stuk gans en ik liet mij een kopje thee brengen (een Chineesche drank), welke ik nooit te voren had geproefd.