Part 7
Maar vind je dat niet ook net iets voor een man? Hij schrijft absoluut niet of hij er over denkt, vandaag of morgen of misschien wel eerst over twee weken te zullen komen opdagen. Wij zullen nu in een voortdurende opgewondenheid leven, totdat hij eindelijk voor ons staat. En als hij niet voortmaakt, zullen wij nog eens van voren af aan moeten gaan schoonmaken.
Beneden wacht Amasai al met het mandenwagentje met Grover. Ik men zelf, maar als je Grover zag, zou je je heusch niet over me bezorgd maken.
Met mijn hand op mijn hart roep ik je een hartelijk vaarwel toe.
Je Judy.
P.S. Is dat geen aardig slot? Ik nam het over uit een van Stevenson's brieven.
Zaterdag.
Nogeens goeden morgen, Vadertje Langbeen! Ik had gisteravond je brief nog niet dichtgemaakt, toen de postbode al kwam, dus zal ik er nu nog maar wat bijschrijven. We hebben elken dag één keer buslichting—om 12 uur. Die dagelijksche brievenuitdeeling heeft heel wat voor de boeren te beteekenen, want onze brievenbesteller deelt niet alleen de post uit, maar hij doet ook boodschappen naar de stad voor 12½ cent per boodschap. Gisteren bracht hij schoenveters voor me mee, en een groote pot coldcream (mijn heele gezicht vervelt, ik heb mijn nieuwe hoed iets te laat gekocht) en een blauwe stropdas en een potje schoensmeer. Alles voor 25 cent, maar dat was een buitengewone reductie, omdat ik hem zooveel tegelijk opgaf.
Hij vertelt ons ook wat er buiten in de groote wereld voorvalt. Sommige menschen hier zijn op een krant geabonneerd en hij leest ze terwijl hij ze rondbrengt en vertelt de nieuwtjes weer aan de anderen, die er geen krant op nahouden. Dus als er nu een oorlog tusschen de Vereenigde Staten en Japan uitbreekt of de President wordt vermoord of Rockefeller vermaakt een millioen aan het John Grier Home, behoef je het me heusch niet te schrijven. Ik hoor het toch in elk geval.
Nog altijd geen levensteeken van Jongeheer Jervie. Maar je moest eens zien hoe kraakhelder het huis er uitziet en hoe angstvallig we onze voeten vegen vóór we naar binnen gaan.
Ik hoop, dat hij maar gauw komt. Ik verlang er zoo naar, weer eens met iemand te spreken. Om je de waarheid te zeggen, Juffrouw Semple wordt op den duur wel wat vervelend. Wanneer ze eenmaal aan het babbelen is, kan niets haar woordenvloed stuiten en het blijft babbelen, niet spreken. Het is grappig met de menschen hier. Hun wereld bestaat alleen maar uit den heuvel, waarop ze zich toevallig bevinden. Ze zijn heelemaal niet voor algemeene gesprekken. Je begrijpt wel, wat ik meen. Het is precies als in het John Grier Home. Die ideeën daar bleven ook heelemaal binnen het ijzeren hek bepaald, maar toen merkte ik het zoo niet, omdat ik nog jong was en den heelen dag zoo vreeselijk hard moest werken. Tusschen twee haakjes; weet je wel, dat ik alle bedden op Kamer F. moest opmaken, en mijn pleegkinderen wasschen en dan naar school gaan en dan, als ik thuiskwam, weer hun gezichten moest wasschen en hun kousen stoppen en Freddie Perkins' broeken ook. (Die scheurde hij elken dag weer opnieuw stuk). En daar tusschendoor moest ik mijn schoolwerk maken. Wanneer ik dan naar bed ging, was ik niet tot het besef gekomen, dat er een geestelijke leegte in onze gesprekken was. Maar nu, nadat ik twee jaar het gezellige universiteitsleven heb meegemaakt, mis ik dat vreeselijk en ik zal dolblij zijn, als er iemand hier komt, met wien ik eindelijk weer eens _spreken_ kan.
Nu geloof ik heusch, dat ik klaar ben. Er is geen ander nieuws om je te vertellen. Een volgenden keer zal ik probeeren je een langeren brief te schrijven.
Je Judy.
P.S. De sla staat dit jaar heelemaal niet mooi. We hebben in Juli en Augustus te weinig regen gehad.
25 Augustus.
Zeg oude vriend, Jongeheer Jervie is hier en we hebben toch zoo'n pret samen! Tenminste _ik_ heb verbazend veel pret en ik geloof, hij ook wel. Hij is al tien dagen hier en spreekt gelukkig nog niet over weggaan. Als je ziet, hoe hij door Juffrouw Semple vertroeteld wordt, rijzen je haren te berge. Als ze het net zoo heeft gedaan, toen hij nog een baby was, begrijp je niet, dat er zoo'n flinke man uit gegroeid is.
Hij en ik eten aan een klein tafeltje in de waranda of soms onder de boomen voor het huis of, wanneer het regent of koud is, in de allermooiste kamer van het huis. Hij zoekt altijd de plekjes uit, waar hij wil eten, en Carrie loopt met het tafeltje achter hem aan. Wanneer het dan erg lastig is en zij de schotels heel ver heeft moeten dragen, vindt ze den volgenden morgen altijd een dollar in het suikervaasje.
Hij is een verbazend gezellige baas. Toch zou je het nooit zeggen wanneer je hem zag. Op het eerste gezicht is hij een echte Pendleton, maar dat is hij juist héélemaal niet. Hij is zoo eenvoudig en natuurlijk en lief, als een man maar zijn kan. Het is misschien wel gek om het karakter van een man zóó te beschrijven, maar het is nu eenmaal zoo en niet anders. Hij gaat verbazend leuk met de boeren hier om. In het begin waren ze nogal stug en achterdochtig en beweerden ze, dat ze niks niemandal om zijn fijne kleeren gaven. En die zijn juist nogal typisch. Hij draagt kuitbroeken en een fluweelen jacket en daaronder een wit flanellen overhemd of een rijcostuum met een pofbroek. Wanneer hij in een nieuw pak beneden komt, draait Juffrouw Semple als een pauw om hem heen en bekijkt hem van alle kanten en vermaant hem, toch vooral voorzichtig te zijn en niet overal te gaan zitten. Ze is doodsbang, dat hij zijn goed stoffig zal maken. Het hangt hem natuurlijk vreeselijk de keel uit en hij zegt altijd maar: „Kom Lizzy, ga nu weg. Je hebt nog zooveel te doen. Je kunt toch niet langer den baas over me spelen. Ik ben nu volwassen!”
[Illustratie]
Het is eenig leuk als je denkt, dat die groote, breedgeschouderde man met zijn lange armen en beenen (haast net zoo lang als die van jou, zeg, Vadertje Langbeen) ooit op Juffrouw Semple's schoot heeft gezeten en door haar is afgewasschen. Maar hij beweert, dat ze eens slank en gespierd en vlug is geweest en harder kon loopen dan hij nu.
O, we hebben zooveel avonturen beleefd! We hebben den omtrek mijlen ver verkend en hij heeft me leeren visschen en ook schieten, met een geweer en met een revolver. Ik kan nu ook rijden. Er is nu verbazend veel vuur in den ouden Grover ontwaakt. We hebben hem drie dagen lang met haver gevoed en hij vloog plots tegen een kalf aan en rende er haast met mij van door.
Woensdag.
Maandagmiddag hebben we den Sky Hill beklommen. Dat is een berg hier dicht bij. Geen vreeselijk hooge berg met sneeuw op den top, maar toch hoog genoeg om buiten adem te zijn wanneer je boven bent. De hellingen zijn met bosschen begroeid, maar de top is een opeenstapeling van rotsblokken en verder kale hei. We bleven tot zonsondergang en staken een vuur aan en kookten ons avondeten. Jongeheer Jervie deed als kok dienst. Hij zei, dat hij het wel beter zou kunnen dan ik, en dat was ook zoo, want hij is aan het kampeeren gewend. Toen zijn we bij maneschijn afgedaald en toen we bij het bosch kwamen, waar het erg donker was, heeft hij met zijn electrische zaklantaarn voorgelicht. O, het was eenig! Hij heeft den heelen weg gepraat en gelachen en over allemaal prettige onderwerpen gesproken. Hij kent alle boeken, die ik gelezen heb en nog een macht andere daarbij. Het is verbazend, zooveel dingen als die man weet.
Vanmorgen wilden we een stevige voetreis maken, maar een stortregen heeft ons overvallen en onze kleeren waren doorweekt, toen we eindelijk thuiskwamen. Maar toch voelden we ons heerlijk frisch en opgewekt. O, je had Juffrouw Semple's gezicht moeten zien, toen we daar zoo aankwamen!
„O, Jongeheer Jervie, o, Juffrouw Judy! U bent alle twee druipnat! Wat moeten we nu toch doen. Die mooie nieuwe jas is heelemaal bedorven!”
Het was eeuwig leuk. Je zou denken, dat we kinderen van een jaar of tien waren en zij een wanhopige moeder! Ik was heusch een oogenblik bang, dat we geen thee en toast met jam zouden krijgen.
Zaterdag.
Ik ben een eeuw geleden midden in dezen brief blijven steken, maar ik had heusch geen tijd om hem af te maken.
Is dit geen mooie gedachte van Stevenson:
„The world is so full of a number of things, I am sure we should all be as happy as kings”.
En het is beslist waar ook. Er is zooveel geluk op aarde en je kunt ook gelukkig worden als je je alleen maar met het geluk tevreden stelt, dat je op je weg tegenkomt. Het heele geheim bestaat hierin, dat je er een beetje oog voor moet hebben. Vooral buiten zijn zoo verbazend veel prettige dingen. Ik kan over een ieders land loopen en van elk mooi vergezicht genieten en ik mag in alle beekjes plassen en ik kan van dat alles net zoo genieten alsof het van me zelf hoorde, zonder dat ik er iets voor hoef te betalen.
Het is nu Zondagavond, zoowat 11 uur en iedereen veronderstelt dus, dat ik rustig in Morpheus' armen lig. Maar ik heb vanavond sterke koffie gedronken, dus voor mij is er geen rustige slaap weggelegd.
Vanmorgen zei Juffrouw Semple tot Mijnheer Pendleton op een heel beslist toontje: „We moeten om kwart over 10 hier weg om tegen 11 uur in de kerk te zijn”.
„Heel goed, Lizzy”, zei Jongeheer Jervie, „de sjees zal wel voor je klaar slaan en als ik niet op tijd ben aangekleed, moet je maar niet op me wachten”.
„We zullen wel wachten”, antwoordde ze.
„Ga je gang”, zei hij, „maar laat alleen de paarden niet te lang staan”.
Toen zij zich nu ging kleeden, liet hij Carrie de lunch inpakken en tegen mij zei hij, dat ik mijn sportkleeren aan moest doen, en door de achterdeur slopen we stilletjes weg en gingen visschen.
Het heele huishouden liep daardoor natuurlijk in de war, want op Zondag dineeren we op Lock Willow om twee uur, maar hij bestelde het diner tegen 7 uur. Hij geeft hier alles aan zooals hij dat verkiest. Je zou heusch gaan denken dat 't hier een restaurant is. En zoo konden dan Carrie en Amasai vandaag ook niet samen uit rijden gaan, maar hij zei, dat hij dat heel goed vond, want het was niet netjes om zoo zonder chaperonne uit te gaan. En in elk geval had hij toch de paarden noodig, want hij wou met mij gaan rijden. Heb je ooit zoo'n onzin gehoord!
En die arme Juffrouw Semple gelooft vast en heilig, dat menschen, die 's Zondags gaan visschen, in de hel komen. Zij heeft nu nog altijd berouw, dat zij hem niet beter heeft opgevoed, toen hij nog klein en handelbaar was en ze veel meer over hem te zeggen had. En dan—ze zou toch zoo dolgraag in de kerk een beetje met hem willen pronken.
In elk geval, we zijn uit visschen gegaan. Hij heeft vier kleine vischjes gevangen en we hebben ze gekookt ook. Ze smaakten wel wat verbrand, want we hebben ze in het vuur laten vallen toen we ze met stokjes uit het water wilden halen, maar we hebben ze toch opgegeten. Om 4 uur kwamen we thuis en om 5 uur gingen we uit rijden en om 7 uur eten en om 10 uur werd ik naar bed gestuurd en nu zit ik hier aan jou te schrijven.
[Illustratie]
Maar nu word ik toch een beetje slaperig.
Nacht lieveling!
Hier heb je het portret van den eenigen visch, dien ik ving!
Hola, Kap'tein Langbeen.
Ho, stop r's even! Jawel, geef me maar een vat rum!
Raad eens, wat ik lees? Onze gesprekken hebben in de laatste dagen een zeemansachtigen vorm aangenomen. Is „Treasure Island” geen leuk boek? Heb je het ook gelezen, of was het nog niet geschreven in den tijd toen je nog een jongen was? Stevenson kreeg maar £ 30.— voor het auteursrecht. Ik geloof niet, dat je met schrijven rijk wordt. Misschien word ik wel onderwijzeres.
Hindert het je, dat mijn brieven in den laatsten tijd telkens zoo vol zijn van Stevenson? In gedachten ben ik altijd met hem bezig. Die boeken beslaan de heele bibliotheek op Lock Willow.
Ik ben nu al twee weken met dezen brief bezig. Dat is, me dunkt, lang genoeg. Zeg maar nooit, dat ik je niet alles en alles tot in de kleinste kleinigheden vertel. Ik wou, dat jij hier ook was. We zouden het zoo gezellig samen hebben en het zou voor mij zoo prettig zijn als mijn verschillende vrienden elkaar kenden. Ik wou mijnheer Pendleton vragen, of hij je ook kende; ik zou het toch wel denken. Je zult wel in dezelfde kringen komen en je behoort alle twee tot dezelfde politieke partij en zoo. Maar ik kon het hem natuurlijk niet vragen want ik ken je waren naam niet eens.
[Illustratie]
Ik vind het toch zoo vervelend, en ik heb ook nog nooit zoo iets geks gehoord. Juffrouw Lippett waarschuwde me van te voren, dat je exentriek bent. En ik vind dat ze groot gelijk heeft.
Veel groeten van je Judy.
P.S. Terwijl ik mijn brief overlees, zie ik, dat hij heelemaal niet alleen over Stevenson handelt. Een of twee keer wordt er ook vluchtig over Jongeheer Jervie gesproken.
10 September.
Liefste oude Lieveling.
Hij is weg en we missen hem vreeselijk. Wanneer je aan iemand of iets gewend raakt en dat wordt je dan plotseling weggenomen, laat het een akelig leeg knagend gevoel achter. Ik vind Juffrouw Semple's gesprekken nu tamelijk onverteerbaar.
Over twee weken opent College weer en ik zal blij zijn, wanneer ik weer aan het werk kan gaan. Toch heb ik dezen zomer nog betrekkelijk veel gedaan: zes verhaaltjes geschreven en zeven gedichten! Die, welke ik aan verschillende tijdschriften heb gestuurd, kwamen alle, vergezeld van beleefd-onbarmhartige briefjes, terug. Maar dat kan me niets schelen. Het is een goede oefening. Jongeheer Jervie las ze allemaal door. Hij bracht de post binnen, dus het kon niet anders of hij moest het zien wanneer ze terugkwamen. En hij zei ook dat hij ze afschuwelijk vond. Er bleek duidelijk uit, dat ik niet in het minst verstand had van de dingen waarover ik schreef. (Jongeheer Jervie stelt eerlijkheid boven beleefdheid). Maar het laatste, wat ik schreef, een kleine schets over ons leven van meisjes-studenten, beviel hem niet slecht. Hij liet het typen en stuurde het aan een weekblad. Ze hebben het daar nu al twee weken, misschien denken ze er nog eens over of ze het zullen aannemen, ja of neen.
Je moest eens naar de lucht kijken. Er is een vreemd oranjekleurig licht. We krijgen vast en zeker storm.
Juist op dat oogenblik begon het te gieten en alle luiken rammelden. Ik vloog weg om overal de ramen te sluiten en Carrie liep met haar armen vol melkpannen naar zolder om die overal neer te zetten, waar het lekt.
En toen ik juist weer verder wilde schrijven, bedacht ik me daar opeens dat ik een kussen en een kleedje en een hoed en Matthew Arnolds gedichten onder een linde in den boomgaard had laten liggen. Dus stormde ik weer weg om dat alles te gaan halen, maar het was natuurlijk al drijfnat. Het rood van den band van de gedichten is doorgeloopen en heeft overal op de bladzijden roode strepen achtergelaten. „Dover Beach”, het strand van Dover, zal voortaan door roze golfjes bespoeld worden.
Een regenbui brengt buiten verbazend veel opschudding te weeg. Je moet aldoor aan dingen denken die buitenshuis zijn en door het water bedorven kunnen worden.
Donderdag.
Zeg Vadertje, lieveling, wat denk je wel dat er vandaag gebeurd is!! Stel je voor de post brengt me zoo juist twee brieven:
I. Mijn verhaal is aangenomen! $ 50.! Ik ben dus een _Schrijfster_!
II. Een brief van College! Ik krijg het scholarship voor twee jaar, dus twee jaar hoef ik nu niets meer voor de colleges en het pension te betalen. Het fonds is gesticht voor „Buitengewone bekwaamheid in Engelsch, gepaard met goede vorderingen in de andere vakken”. En ik heb het gewonnen! Ik heb er wel naar gedongen vóór ik met vacantie naar Lock Willow ging, maar ik had geen idee, dat ik het zou krijgen, want ik had het eerste jaar immers herexamen voor Meetkunde en Latijn. Maar het schijnt, dat ik dat alweer heb opgehaald. O, ik ben toch zoo blij, zoo dolblij, want nu behoef ik niet meer zoo vreeselijk veel geld van je te krijgen. Alleen maar het zakgeld. En het is best mogelijk, dat ik dat later met schrijven of lesgeven ook zelf kan bij verdienen.
Ik verlang nu toch zoo, om weer naar Fergussen Hall te gaan en dadelijk aan het werk te kunnen.
Altijd,
Je Jerusha Abbott,
schrijfster van „Hoe de Sophomores den wedstrijd wonnen”.
Aan alle kiosken verkrijgbaar. Prijs 25 cent.
26 September.
Lieve Vadertje Langbeen.
Eindelijk zit ik weer op College en wel als Junior! (derde jaars studente). Onze werkkamer is nog mooier dan het vorig jaar. Hij ligt op het Zuiden en heeft twee openslaande ramen. En o, hij is zoo prachtig gemeubeld. Julia kwam hier twee dagen vóór ons aan. Haar vader gaf haar onbeperkt crediet en je hebt geen idee, wat ze in die twee dagen al niet voor de kamer heeft gekocht.
We hebben nieuw behang en Oostersche kleedjes en mahoniehouten stoelen,—echte, geen geschilderde, wat we verleden jaar toch al zoo mooi vonden. Het is heel mooi, maar toch heb ik altijd het gevoel alsof het niet werkelijk van ons is. En ik ben altijd bang, dat ik ergens op een in het oog loopende plaats een inktmop zal maken.
O ja, ik vond ook je brief,—o pardon, den brief van je secretaris—bij mijn komst hier voor me gereed liggen.
Zeg, wees zoo goed en geef me een grondige reden op, waarom je nu wil, dat ik voor het scholarship zal bedanken. Ik begrijp heelemaal niet, waarom je dat van me vraagt, maar in elk geval helpt het je nu toch niets meer dat je er bezwaren tegen maakt, want ik heb het al aangenomen en ik ben ook niet van plan nu nog van gedachten te veranderen. Dat klinkt wel wat brutaal, hè Vadertje, maar ik meen het niet zoo erg.
Het schijnt dat je mijn heele opleiding zelf wilt bekostigen nu je er eenmaal ook mee begonnen bent. Maar bekijk het zaakje nu eens van mijn standpunt. Ik heb toch alles door jou gekregen, ook al betaal je niet tot het laatste toe alles voor me, want ik had nooit het scholarship gekregen als jij me niet hierheen had gestuurd. Het eenige verschil is, dat ik nu niet zoo heel veel schuld aan je heb. Ik weet wel, dat je het geld niet terug wilt hebben, maar ik wil het toch voor mijn eigen gevoel terugbetalen en ik zal het doen ook, zoodra ik maar eventjes kan. En door dat scholarship wordt nu alles zooveel makkelijker. Ik dacht dat ik de heele rest van mijn leven noodig had om mijn schulden af te doen, maar nu zal ik er alleen maar de halve rest voor hoeven te gebruiken.
Ik hoop dat je me goed begrijpt en niet boos bent. Ik zal altijd erg blij met je maandgeld zijn. Je hebt heusch heel wat noodig om, bij Julia's installatie-ideeën, samen te wonen. Ik wou dat ze een eenvoudiger smaak had of dat ze anders niet met me samen huisde.
Dit is een erg verwarde brief. Ik dacht nogal dat ik je zooveel had geschreven. Maar ik heb intusschen vier gordijnen en drie portières gezoomd (goed, dat je mijn naaikunst niet kunt beoordeelen) en dan heb ik een koperen schrijfgarnituur met tandpoeder gepoetst (een zwaar werk, hoor!) en ik heb koperdraad met mijn nagelschaar doorgezaagd om een schilderij op te hangen en ik heb vier kisten met boeken uitgepakt en twee koffers met kleeren (het schijnt haast ongeloofelijk, dat J. A. twee koffers met haar kleeren kan vullen, maar toch is het zoo) en daar tusschendoor heb ik een stuk of vijftig vriendinnen gesproken.
Den eersten dag na onze vacantie gaat het hier altijd erg vroolijk toe.
Nacht Vadertje, laat het je nu niet hinderen, dat het kuiken zijn eigen voedsel wil zoeken. Het groeit nu op tot een energieke, kleine kip met een macht mooie veeren (die ze allemaal aan jou te danken heeft).
Je je liefhebbende Judy.
30 September.
Lieve lieveling.
Denk je nog altijd aan dat scholarship? Ik heb nog nooit een man gekend, die zoo koppig en taaivolhardend en hardnekkig en onredelijk en dwingerig en niet-in-staat-iets-ook-van-een-andermans-standpunt-te-bekijken is, als jij bent.
Je ziet liever dat ik geen gunsten van vreemden aanneem.
Vreemden—maar zeg, wat ben _jij_ dan voor me?
Is er iemand in de wereld, dien ik minder ken dan jou? Ik zou je niet eens herkennen als ik je op straat tegenkwam. Zie je, als jij nou een redelijk, verstandig mensch was geweest en lieve vaderlijke brieven aan je Judy hadt geschreven en zoo af en toe was overgekomen en haar een stevige hand hadt gegeven en haar gezegd hadt, dat je zoo blij was, dat ze zoo haar best deed en dat je van haar hield—ja zie je, dan was ik misschien op je ouden dag niet zoo weerspannig geweest, maar ik had je je wenschen van je oogen afgelezen als een gehoorzaam dochtertje—waarvoor ik toch eigenlijk ook in de wieg gelegd ben.
Vreemden ... Die is werkelijk goed! Je woont in een glazen huis, Mijnheer Smith!
En daarbij is het heelemaal geen gunst. Het is zoo iets als een prijs en ik heb hem door hard werken gewonnen. Als niemand goed genoeg in Engelsch was geweest, zou het Comité het scholarship niet hebben uitgereikt. Een paar jaar geleden hebben ze het ook niet gedaan. Dus—maar och, wat geeft het je, met een man te redeneeren. Je behoort nu eenmaal tot een sekse, die geen begrip van logica heeft, Mijnheer Smith! Er zijn twee methodes, om een man iets aan het verstand te brengen: je moet hem vleien, of je moet hem flink de waarheid zeggen. Ik houd er niet van met vleien mijn zin te krijgen, daarom moet ik het je dus maar even flink zeggen:
Mijnheer, ik denk er niet aan, om het scholarship te weigeren en als je er nu nog meer over spreekt, wil ik je zakgeld ook niet meer aannemen, maar zal ik mezelf zwak en zenuwachtig moeten maken door lessen te geven aan domme groentjes.
Dit is mijn laatste woord.
En luister eens. Ik heb er nog verder over nagedacht. Jij bent bang, dat ik iemand anders benadeel, wanneer ik het scholarship aanneem, zoodat een arm meisje nu misschien niet kan studeeren. Maar dan kan je toch het geld, dat je voor mij hadt willen uitgeven, gebruiken voor de opleiding van een ander meisje van het John Grier Home? is dat geen prachtidee? Alleen, lieveling, geef dat andere meisje de beste opleiding, die je haar bij mogelijkheid geven kunt, maar ga alsjeblieft niet meer van haar houden dan van mij.
Ik hoop dat je secretaris zich niet gekrenkt voelt, nu ik zoo weinig op de voorstellen let, die hij me doet. Maar ik kan het werkelijk niet helpen als hij beleedigd is. Hij is heusch een verwend kind, oudje. Ik heb vroeger altijd aan zijn grillen toegegeven, maar nu ben ik besloten _standvastig_ te blijven.
Je onherroepelijk voor eeuwig vastbesloten
Jerusha Abbott.
9 November.
Lieve Vadertje Langbeen.
Ik ging vandaag naar de stad om een potje schoencrème, een paar boorden en stof voor een nieuwe blouse, een tubetje violetglycerine en een doos geparfumeerde zeep te koopen—alles even noodzakelijk, ik kon er werkelijk geen dag mee wachten. En toen ik mijn tramkaartje wilde betalen, ontdekte ik daar, dat ik mijn beursje in den zak van mijn anderen mantel had gelaten. Dus moest ik weer uitstappen en weer terug en een andere tram nemen en kwam zoodoende te laat in het gymnastieklokaal.
Het is afschuwelijk als je vergeetachtig bent en er daarbij twee mantels op nahoudt.
Julia Pendleton heeft me uitgenoodigd, met Kerstmis bij haar ouders te komen logeeren. Hoe vindt je dat wel, Mijnheer Smith? Denk eens aan, Jerusha Abbott uit het John Grier Home zal aan de tafel van de rijken mee aanzitten. Ik snap zelf niet waarom Julia me heeft uitgenoodigd, maar het schijnt, dat ze zich in den laatsten tijd nogal aan me heeft gehecht. Om je de waarheid te zeggen, ik zou veel en veel liever naar Sallie's familie gaan, maar Julia heeft me het eerst gevraagd, dus zal ik wel naar New-York inplaats van naar Worcester reizen. Ik krijg kippevel als ik er aan denk de Pendletons en masse te ontmoeten, en ik zal ook aardig wat voor mijn toilet moeten uitgeven. Dus, oude heer, als je me nu schrijft dat je liever ziet dat ik deze vacantie rustig hier blijf, zal ik met mijn welbekende gehoorzaamheid aan je wensch gedwee gevolg geven.