Vadertje Langbeen

Part 6

Chapter 64,076 wordsPublic domain

Het is nu kwart over twee. Ik ga op mijn teenen naar de bus om dezen brief nog even te posten. Je zult hem dus precies een post na dien anderen krijgen en je kan dus gelukkig niet lang boos op me zijn.

Nacht lieveling!

Ik hou heel veel van je.

Judy.

4 Mei.

Verleden Zaterdag hadden we velddienst. Het was vreeselijk leuk. Eerst hadden we groote parade gehouden. We waren allen in het wit gekleed. De Seniores droegen kleine Japansche parasolletjes, blauw met goud en de Juniores wit met gele vlaggen. Wij hadden roode luchtballons. Dat was vreeselijk aardig, want elk oogenblik verloor een van ons er eentje en die vloog dan de lucht in. De eerste jaars hadden groote groen papieren mutsen met lange, afhangende linten. We hadden ook een muziekcorps in blauwe uniform voor dien dag uit de stad laten overkomen en ook een stuk of twaalf hansworsten, die de menschen tusschen de wedstrijden door bezig moesten houden.

Julia had zich als een dikken buitenman in een wit linnen pak verkleed, met bakkebaarden en een geweldig groote parasol. Patsy Moriarty (eigenlijk heet ze Patricia maar heb je ooit zoo'n onmogelijken naam gehoord, Juffrouw Lippett zou er werkelijk geen ergere kunnen bedenken), een lang, mager kind, was Julia's vrouw en droeg een hardgroene muts op één oor. De menschen hebben den heelen weg langs geproest wanneer die twee voorbijkwamen. Ik had nooit gedacht, dat een Pendleton nog zooveel spirit zou bezitten. (Hierbij denk ik natuurlijk niet aan Jongeheer Jervie, want die beschouw ik evenmin als een echten Pendleton als jou als een echten regent).

Sallie en ik deden niet aan den optocht mee, omdat we ons beiden voor de wedstrijden hadden laten inschrijven. En stel je voor, we hebben alle twee gewonnen! Tenminste bij één spel. Bij het ver-springen verloren we alle twee, maar Sallie won bij polsstok springen en ik bij het hardloopen (30 M. in 8 seconden).

Ik kreeg op het laatst wel erg hartkloppingen, maar het was toch eenig, toen de heele klas daar met zijn ballons stond te wuiven en te schreeuwen en zong:

Wat is er aan de hand met Judy Abbott? Ze heeft gewonnen! Wie heeft er gewonnen? Judy Abbott!

Dat is eerst eens roem! Toen ben ik naar het tentje gegaan en heb me daar heelemaal met spiritus afgewreven en een citroenkwast gedronken. Je ziet, dat we altijd aan onze gezondheid denken. Het is heel verdienstelijk, als je een spel voor je klas wint, want de klas, die de meeste spelen wint, krijgt dat jaar den wisselbeker. Dit jaar kregen de Juniores hem met zeven spelen in hun voordeel. Het comité bood alle winners in het gymnastieklokaal een diner aan. We kregen kreeft, en chocolade-ijs in den vorm van korfballen.

[Illustratie: Judy wint bij het hardloopen]

Ik heb gisteren den halven nacht opgezeten om in Jane Eyre te lezen. Ben jij oud genoeg om je te herinneren hoe het voor 60 jaar was en als dat zoo is, kun je me dan ook zeggen of de menschen toen zóó spraken?

De hooghartige Lady Blanche zegt tot haar knecht: „Staak uw gepraat, man, en verricht, wat ik u gebied”. Mijnheer Rochester spreekt over „het metalen hemelgewelf” wanneer hij het over de lucht heeft, en als je dan aan de krankzinnige vrouw denkt, die als een hyena lacht en de bedgordijnen in brand steekt, tranen stort over een bruidssluier en _bijt_... nu ja, dan is het een melodrama van het reinste water, maar toch lees je en lees je, uren achter elkaar. Ik kan me niet begrijpen, dat een meisje zoo'n boek geschreven heeft, vooral niet een meisje, dat op een kerkhof werd grootgebracht. Daar is iets in de Bronte's, dat me sterk tot ze aantrekt. Hun boeken leven, er is geest in. Maar hoe kwamen ze aan die gave! Toen ik over het ellendige leven las, dat de kleine Jane in die weldadigheidsinrichting had, ergerde ik me zoo, dat ik de kamer uitging en een flinke wandeling maakte. Ik kan me heelemaal in haar toestand verplaatsen. Als je Juffrouw Lippett kent, begrijp je ook, hoe Mijnheer Brocklehurst geweest moet zijn.

Frons je wenkbrauwen nu maar niet. Ik weet heel goed, dat het John Grier Home heel anders is ingericht dan het Lowood instituut. We kregen genoeg te eten en hadden voldoende kleeren en genoeg water om ons te wasschen en zelfs de kelder was verwarmd, maar toch is er een groote overeenkomst. Ons leven was onbeschrijflijk eentonig. Er gebeurde nooit eens iets bijzonders. De eenige afleiding was het roomijs, waarop we Zondags werden getracteerd en dat werd zelfs tot een geregeld terugkomende verrassing, dus eigenlijk geen verrassing meer. In al die 18 jaar, dat ik er was gebeurde er alleen maar één keer iets bijzonders, n.l. toen de houten schuur afbrandde. We moesten midden in den nacht opstaan en ons aankleeden, voor het geval dat het huis ook in brand zou raken. Maar het vatte geen vlam en we moesten allen weer naar bed.

Iedereen houdt wel eens van een verandering, dat is zoo'n gewoon menschelijke behoefte. Maar ik had nog geen verrassing beleefd tot op het oogenblik, dat Juffrouw Lippett me in haar kamer riep om daar te vertellen, dat Mijnheer John Smith me naar College wilde sturen. En toen ging ze daar zoo vervelend over uitweiden, dat ze weer een heeleboel van mijn plezier bedierf.

Je weet, dat ik het van het grootste belang voor iemand vind, dat hij verbeeldingskracht heeft. Daardoor voel je je in staat, je ook in de plaats van een ander in te denken. Het stemt je vriendelijk en vergevensgezind. Bij kinderen moest de fantasie al vroeg ontwikkeld worden. Maar in het John Grier Home wordt de flauwste flikkering van je verbeeldingskracht dadelijk uitgedoofd. Plicht is het eenige, wat je telkens voor oogen wordt gehouden. Ik vind dat kinderen eigenlijk de beteekenis van dat woord niet moesten kennen. Het is iets kouds, verfoeilijks. Een kind moest alles uit liefde doen, niet uit plichtsgevoel, bah!

Wacht maar, totdat je het vondelingengesticht hebt gezien, waarvan ik de directrice word. Dat is nu mijn lievelingsdroom vóór ik ga slapen. Ik werk het tot in de kleinste bijzonderheden uit, het eten en de kleeren en het werk en de spelen en de straffen... Want zelfs mijn uitstekend opgevoede pleegkinderen zijn wel eens een enkele keer ondeugend.

Maar in elk geval zijn ze gelukkig. Volgens mijn meening moet iedereen, al komen er naderhand ook nog zooveel zorgen, een echt gelukkige, zonnige jeugd hebben, waaraan hij altijd de heerlijkste herinnering houdt. En als ik ooit zelf eens kinderen krijg, dan zal ik er voor strijden, dat ze een onbezorgd gelukkig leven hebben, zoolang ze nog jong zijn, onverschillig onder hoeveel verdriet ik zelf misschien gebukt ga.

Daar luidt de klok van de kapel al. Een andere keer zal ik je hierover nog wel eens schrijven.

Donderdag.

Toen ik vanmiddag na mijn practisch werk in het laboratorium weer in onze werkkamer kwam, zat daar een eekhoorntje juist genoegelijk op mijn theetafel amandelen te knabbelen.

[Illustratie: „Mijn lieve Juffrouw Duizendpoot, gebruikt U één of twee klontjes”]

Dat zijn de soort bezoekers die bij dit warme weer geregeld bij ons komen wanneer de vensters open staan.

Zaterdagmorgen.

Misschien denk je wel, dat ik, omdat het vandaag Zaterdag is en we dan geen lessen hebben, gisteravond eens heerlijk rustig in de boeken van Stevenson heb kunnen lezen, die ik van het geld van mijn prijs kocht. Maar als je dat heusch denkt, weet je niets van het leven op een meisjes-universiteit af, mijn oude, beste Vadertje! Zes vriendinnen stormden naar binnen, om een bowl te maken en één heeft een groote plas op ons mooiste vloerkleedje gemorst. We zullen er die vlek wel nooit uitkrijgen.

Ik heb je in den laatsten tijd heelemaal niet over ons werk gesproken. We hebben een heeleboel te doen, en ik vind het daarom juist prettig om iemand te hebben met wien ik over iets anders dan over het eeuwige werk kan spreken. We moeten dus maar lange discussies over de wereld en het leven in het algemeen houden. Ik vind het wel wat erg dat ik daarbij altijd maar alleen aan het woord ben, maar dat is je eigen schuld. Je mag me altijd antwoorden wanneer je maar wilt.

Ik heb nu al drie dagen lang telkens een paar regels aan dezen brief geschreven en ik ben nu heusch bang dat ik je een beetje verveel.

Dag, mijn lieve oude vriend. Je Judy.

Den WelEd. Heer Vadertje Langbeen Smith.

WelEd. Heer.

Daar ik mijn studies over argumentatie en de verdeeling van een stelling in onderdeelen heb voltooid, heb ik besloten den volgenden briefvorm aan te nemen. Mijn brieven zullen op deze wijze alle noodzakelijke feiten bevatten zonder eenig overbodig woordenverbruik.

I. We hadden deze week schriftelijk examen in:

A. Scheikunde.

B. Geschiedenis.

II. We krijgen een nieuw gebouw met slaapkamers.

A. Het materiaal bestaat uit:

_a._ rooden baksteen.

_b._ grijze steenen.

B. Er in verblijf houden zullen:

_a._ een directrice, vijf leeraressen,

_b._ 200 meisjes-studenten,

_c._ een huishoudster, drie koks, 20 werkmeisjes, 20 kamermeisjes.

III. We hadden vanavond zure room als dessert.

IV. Ik schrijf een studie over de bronnen van Shakespeare's tooneelstukken.

V. Lou McMahon gleed vanmiddag bij 't korfballen uit. Ze viel en

A. ontwrichtte haar schouder en

B. kneusde haar knie.

VI. Ik kocht een nieuwen hoed, gegarneerd met:

A. een blauw fluweelen band,

B. twee blauwe vlerken,

C. drie roode pompoenen.

VII. Het is half tien.

VIII. Goeden nacht.

Judy.

2 Juni.

Lieve Vadertje Langbeen.

Je kunt je heelemaal niet voorstellen, wat voor heerlijks er vandaag weer gebeurd is. De McBrides hebben me uitgenoodigd den heelen zomer in hun kamp te Adirondacks te komen logeeren. Ze zijn leden van een club, die 's zomers buiten gaat wonen aan een klein meer, midden in het bosch. De verschillende leden hebben daar houten huisjes en ze gaan roeien op het meer en maken lange wandelingen naar de kampen van andere clubs en één keer in de week wordt er in het clublokaal gedanst.

Jimmie McBride komt er ook met een van zijn vrienden, ook een student, dus hebben we genoeg heeren om mee te dansen.

Vind je het niet verbazend lief van Mevrouw McBride, om me ook uit te noodigen? Het schijnt, dat ze van me is gaan houden toen ik er met Kerstmis was.

Neem het me niet kwalijk, dat ik vandaag zoo kort ben. Het is ook eigenlijk geen echte brief. Ik schrijf je alleen maar om je te zeggen, dat mijn zomerplannen al gemaakt zijn.

Je in gelukzaligheid zwemmende Judy.

5 Juni.

Lieve Vadertje Langbeen.

Van je secretaris ontving ik zoo juist een briefje waarin hij me vertelt, dat Mijnheer Smith liever heeft dat ik de uitnoodiging van Mevrouw McBride niet aanneem, maar net als den vorigen zomer naar Lock Willow ga.

Maar waarom... _Waarom_ dan toch, Vadertje Langbeen?

Het schijnt, dat je heelemaal niet begrijpt hoe de zaak in elkaar zit. Mevrouw McBride vindt het heusch heel prettig dat ik kom, ik sta haar absoluut niet in den weg. Integendeel, ik help haar. Er gaan niet veel dienstboden mee naar buiten en Sallie en ik zullen een heeleboel in huis werken. Het is juist een prachtige gelegenheid ook het huishouden te leeren. Elke vrouw moet toch een goede huishoudster zijn en ik weet eigenlijk alleen maar hoe een huishouden in een gesticht er uitziet.

Er zijn geen andere meisjes van onzen leeftijd in het kamp en Mevrouw McBride vindt het daarom veel prettiger voor Sallie, dat ze een vriendin bij zich heeft. We zullen een heeleboel samen doorlezen, alle boeken, die we het volgende jaar voor Engelsch en Staathuishoudkunde moeten kennen. De prof. zei, dat het voor ons zooveel gemakkelijker was, als we dat alles van te voren deden en je kunt het veel beter onthouden als je alles samen leert.

En dan zou het ook voor mij zoo goed zijn om een tijdlang met Sallie's moeder samen te wonen. Ze is de interessantste, verstandigste en liefste vrouw van de wereld. Ze weet alles. Denk eens aan, hoeveel zomers en winters, hoeveel lange jaren ik met juffrouw Lippett heb geleefd en hoe scherp dat contrast me nu opvalt. Je hoeft niet bang te zijn, dat ze geen plaats voor me hebben: hun huis is van elastiek. Wanneer ze een heeleboel gasten hebben, slaan ze tentjes in het bosch op en gaan de jongens daarin slapen. Het zal een heerlijke zomer zijn en zoo gezond, altijd in de buitenlucht. Jimmie McBride wil me leeren paardrijden en roeien en schieten en o, nog een heeleboel andere dingen, die ik niet ken. Het wordt een zalig, vrij leventje en ik heb dat nooit gekend en alle meisjes moesten toch wel eens zoo'n tijd in haar leven hebben. Natuurlijk zal ik precies doen, wat jij wilt, maar, ... och toe, lieveling, laat me gaan.

Vandaag is het niet Jerusha Abbott, de toekomstige groote schrijfster, die je dezen brief stuurt, het is alleen maar Judy—een jong meisje.

9 Juni.

Den WelEd. Heer John Smith.

WelEd. Heer.

Ik kwam in het bezit van Uwe letteren van 7 dezer en deel U naar aanleiding van de instructies, door tusschenkomst van Uwen secretaris ontvangen, mede, dat ik Vrijdag a.s. van hier vertrek om den zomer op Lock Willow door te brengen.

Hoogachtend,

Jerusha Abbott.

Lock Willow Farm.

3 Augustus.

Lieve Vadertje Langbeen.

Ik heb je nu al bijna twee maanden lang niet geschreven en ik moet eerlijk bekennen, dat dat alles behalve aardig van me was. Maar zie je, ik heb dezen zomer een klein beetje het land aan je gehad. Je ziet, dat ik alles ronduit zeg.

Je weet heusch niet hoe teleurgesteld ik was, dat ik niet naar de McBride's mocht gaan. Natuurlijk weet ik dat je heel veel over me te zeggen hebt en dat ik met al je wenschen rekening moet houden, maar ik begrijp heelemaal de reden niet, waarom ik er niet zou mogen heengaan. Het was zoo duidelijk als iets, dat het juist heel goed voor me zou zijn, er een paar maanden te logeeren. En als ik nu Vadertje Langbeen was geweest en jij Judy, dan zou ik hebben gezegd: „Wel, lieve meid, ik ben heel blij voor je, dat je die uitnoodiging hebt gekregen. Natuurlijk moet je het aannemen. Maak maar van je zomer, wat je er van maken kunt. Je zult nieuwe menschen leeren kennen en een massa nieuwe dingen. Ga maar heel veel in de open lucht en zorg dat je gezond en sterk en uitgerust bent, want je zult na dezen zomer weer een jaar hard aan het werk moeten.”

Maar niets van dat al. Alleen een kort briefje van je secretaris, waarin hij me zegt, dat ik naar Lock Willow moet.

Het ergst van je bevelen vind ik nog, dat ze zoo onpersoonlijk zijn. Ik vind, dat je me toch zelf wel eens een regeltje kon schrijven, inplaats van me die vervelende, getikte briefjes te sturen, al geef je misschien ook nog zoo weinig om me. Als je dan ook maar de kleinste zinspeling maakte, dat je iets liever niet had, zou ik natuurlijk alles doen om je tevreden te stellen.

Ik weet, dat ik je aardige, lange, uitvoerige brieven moet schrijven zonder ooit een antwoord te mogen verwachten. Jij houdt je aan je belofte (ik krijg een uitstekende opleiding) maar ik voel, dat je me verwijt, dat ik van mijn kant me niet heelemaal aan onze overeenkomst houd.

Maar begrijp dan ook, dat het zoo'n moeilijk geval voor me is. Heusch, vreeselijk moeilijk. Ik voel me zoo verschrikkelijk alleen. Jij bent de eenige van wien ik kan houden en jij bent voor mij zoo'n wazig iemand. Je bent eigenlijk alleen maar een denkbeeldige man, die voor mij alleen door mijn fantasie leeft en het kan heel goed zijn, dat je in werkelijkheid heel anders bent dan ik je me voorstel. Maar eens, toen ik in het ziekenhuis lag, heb je me een kaartje gestuurd en nu ik me zoo afschuwelijk verlaten en alleen voel, haal ik dat weer te voorschijn en lees het nog eens.

Ik geloof dat ik je heelemaal niet zeg, wat ik je eigenlijk had willen zeggen en dat is:

Ofschoon ik me nog altijd een beetje gekrenkt voel—want het is beleedigend om zoo maar weggestuurd te worden door een heerschzuchtig, onredelijk, almachtig en onzichtbaar Iemand, ook als die Iemand even vriendelijk en edelmoedig en bezorgd was als jij dat tot nog toe voor me bent geweest, vermoed ik, dat diezelfde Iemand het recht heeft de rol van een heerschzuchtige, onredelijke, almachtige en onzichtbare Voorzienigheid te spelen wanneer hij dat wil en daarom ... daarom zal ik je vergeven en weer lief tegen je zijn. Maar toch voel ik me nog altijd verdrietig wanneer ik een brief van Sallie krijg en hoor, hoe prettig het bij hen in het kamp is.

Maar—we zullen nu een sluier over het verleden hangen en weer met frisschen moed opnieuw beginnen.

Ik heb dezen heelen zomer geschreven. Vier kleine schetsjes zijn nu naar verschillende weekbladen gestuurd. Dus zie je, dat ik mijn best doe om een schrijfster te worden. Ik heb hier mijn werkkamer in een hoek van den zolder, waar Jongeheer Jervie vroeger op regenachtige dagen zijn speelhoekje had. Het is een koele, frissche plaats met twee dakvensters en beschaduwd door een grooten eschdoorn, waarin een heele familie eekhoorntjes huist.

Over een paar dagen zal ik je weer een aardigen brief schrijven en je al ons nieuws van de boerderij vertellen.

Op het oogenblik hebben we regen hard noodig.

Altijd,

Je Judy.

10 Augustus.

Den Heer Vadertje Langbeen.

Mijnheer.

Ik schrijf aan je, gezeten op den tweeden tak van den wilgenboom bij de poel in de wei. Onder mijn voeten kwaken de kikkers, een sprinkhaan maakt muziek boven mijn hoofd en twee kleine roodvinkjes springen in mijn boom van tak tot tak. Ik zit hier al een heel uur. Het is een heerlijk plaatsje, vooral nu ik eerst twee kussens op mijn tak heb gelegd. Ik kwam hier met een vulpenhouder en een blocnote, in de hoop een onsterfelijk verhaal op papier te doen ontstaan, maar ik heb een zwaren strijd met mijn heldin gestreden. Ik kan haar maar niet laten spreken en handelen zooals ik het graag zou willen en daarom laat ik dat verhaal maar een oogenblik rusten en schrijf aan jou. (Voor mij eigenlijk geen verlichting, want ook jij handelt niet zooals ik het graag zou willen, en spreken doe je heelemaal niet). Wanneer je nu in dat drukke New-York bent, zou ik je wel wat van onze heerlijke, frissche lucht hier en het mooie uitzicht willen sturen. Het is hier hemelsch na een week regen!

O ja, van den Hemel gesproken! Herinner je je Ds. Kellog, den predikant van de kleine, witte kerk in Corner, waarover ik je verleden jaar al schreef? Nu, die arme ziel is gestorven. Verleden winter aan longontsteking. Ik ben nog wel een keer of zes naar zijn preeken gaan luisteren en ik raakte zoo tenslotte geheel vertrouwd met zijn ideeën. Tot aan zijn dood toe geloofde hij precies hetzelfde als wat hij als kind al had geloofd. Ik vind, dat een mensch, die 74 jaar lang precies dezelfde gedachten kan behouden zonder ook maar in een enkele kleinigheid te veranderen, als een merkwaardigheid tentoongesteld moest worden. Ik hoop, dat hij nu gelukkig is met zijn harp en zijn gouden kroon. Hij was er zoo vast van overtuigd dat hij ze zou krijgen. Er is nu een andere, jonge predikant. Een erg verwaand heerschap. De broederschap is vrij oproerig, vooral de aanhangers van den diaken Cunnings. Het lijkt wel of we hier gauw een groote verdeeldheid in de kerk zullen krijgen. Wij op Lock Willow bemoeien ons niet met die twisten.

Gedurende de regenweken heb ik aanhoudend op zolder gelezen. Hoofdzakelijk Stevenson. Hij zelf is boeiender dan een van de personen in zijn boeken. Ik zou haast zeggen, dat hij van zich zelf den held maakt, waarvan je graag zou willen lezen. Vindt je het niet eenig van hem, dat hij de erfenis van $ 10.000 van zijn vader heelemaal voor een jacht besteedde en daarmede naar de Zuidzee zeilde? Hij voldeed aan zijn avontuurlijke neigingen. Als mijn vader me $ 10.000 had achtergelaten, deed ik het ook. De gedachte aan Vailima maakt me wild. Ik wil ook de tropen zien, ik wil de heele wereld zien. En ik zal ook op een goeden dag een wereldreis gaan maken. Ja heusch, lieveling, wacht maar tot ik een groote schrijfster ben of een beroemde artiste of wat voor een beroemdheid ik ook worden moge. Ik heb een vreeselijke zwerversnatuur. Ik zou dolgraag willen reizen. Als ik een landkaart zie, heb ik grooten lust om mijn hoed op te zetten en mijn parasol mee te nemen en op stap te gaan. „Voordat ik sterf, zal ik de palmen en tempels van het Zuiden zien”.

Donderdagavond in den schemer. (Gezeten op den drempel).

Het is erg moeilijk, je in dezen brief een paar nieuwtjes te vertellen. Judy is in den laatsten tijd zoo philosophisch aangelegd, dat ze alleen maar over het leven in het algemeen wil spreken en niet tot de onbeduidende alledaagsche kleine gebeurtenissen wil afdalen. Maar als je met alle geweld nieuwtjes wil hooren welnu, luister dan:

[Illustratie]

Onze negen biggetjes zijn verleden Dinsdag door het moeras gewaad en weggeloopen. Acht kwamen er maar van de reis terug. Wij willen niemand ten onrechte beschuldigen maar wij vermoeden, dat vrouw Dowd nu een biggetje rijker is dan haar rechtens toekomt.

Boer Weaver heeft zijn schuur hardgeel laten verven. Het is een verschrikkelijke kleur, maar hij zegt, dat ze goed tegen weer en wind bestand is.

[Illustratie]

De Brewers hebben deze week bezoek over; juffrouw Brewer's zuster en twee nichtjes uit Ohio.

[Illustratie]

Een van onze Rhode Island Reds kippen heeft van vijftien eieren er maar drie uitgebroed. Ik begrijp niet, waarin het hem ligt. Ik vind de Rhode Island Reds geen goed ras om te fokken. De Buff Orpingtons zijn veel en veel beter.

De nieuwe klerk in het postkantoor te Bonnyrigg Four Corners heeft den rhum, dien ze daar hadden staan, tot den laatsten druppel toe opgedronken. Het was wel voor $ 7.— en ze merkten het pas toen alles op was.

De oude Ira Hatch heeft erge last van zijn rheumatiek en kan nu niet meer werken. Hij heeft nooit een cent gespaard toen hij nog goed verdiende. Nu is het armoe lijden.

Zaterdagavond is er bijeenkomst in het schoollokaal. We worden op roomijs getracteerd. Als je zin hebt, kom dan ook en breng je vrienden en familie mee.

Ik heb hier voor een kwartje een nieuwen hoed gekocht. Hiernevens heb je mijn laatste portret. Ik ben net bezig den weg langs de heg netjes op te harken.

Het wordt nu te donker om nog meer te schrijven. Bovendien is mijn voorraad nieuwtjes ook uitgeput.

Goeden nacht, mijn oud vadertje!

Judy.

Vrijdag.

Goeden morgen, nu heb ik gelukkig een echt nieuwtje en wat een heerlijk ook. Wat denk je wel, dat het is? Och, je zult het toch nooit en nooit kunnen raden. Vanmorgen kreeg Juffrouw Semple een brief van Mijnheer Pendleton, waarin hij haar schrijft, dat hij een autotocht door de Berkshires heeft gemaakt. Hij is nu moe en zou graag op een gezellige, vriendelijke boerderij een tijdje uitrusten. Of ze, als hij nu op een goeden dag voor haar deur staat, dan een kamer voor hem klaar heeft. Hij blijft misschien één, misschien twee, misschien ook wel drie weken. Als hij hier is, ziet hij vanzelf, hoe moe of hij is en hoe lang hij moet blijven.

Wij hebben nu de handen vol werk, dat snap je. Het heele huis moet geboend worden en alle gordijnen gewasschen. Vanmorgen reed ik nog even naar Corners om nieuw zeil voor den ingang te koopen en twee groote blikken bruine verf om de hal en de trappen nog wat op te knappen. Vrouw Dowd hebben we voor morgen aangenomen om de ramen een goede beurt te geven. (In de opgewondenheid van het oogenblik vergaten we onze achterdocht betreffende het biggetjes-geval geheel en al.) Je zult bij het hooren van al die voorbereidselen wel denken, dat het huis niet goed onderhouden wordt, maar ik verzeker je plechtig, dat alles er keurig uitziet. Wat ze ook van Juffrouw Semple zeggen mogen, ze is een _huishoudster_ van top tot teen.

[Illustratie: Oude Grover is geen vurig Paard]