Vadertje Langbeen

Part 5

Chapter 54,164 wordsPublic domain

Mijn vacantie is gewoonweg heerlijk hier bij Sallie's familie. Ze wonen in een groot, ouderwetsch baksteenen huis met wit gekalkte gevel. Het ziet er net zoo uit als het huis, waarnaar ik altijd tuurde toen ik nog in het John Grier Home was, en ik verlangde er toen altijd zoo naar om te weten hoe het er wel van binnen zou uitzien. Ik had nooit gedacht, dat ik het ooit te weten zou komen—en nu leef ik al een paar weken in zoo'n huis!

Alles is hier gezellig en huiselijk en smaakvol. Ik loop soms alle kamers achter elkaar door en geniet.

Het is het mooiste huis, dat je je voor je kinderen denken kunt. Er zijn heerlijke donkere hoekjes en gaatjes, waar je prachtig verstoppertje kunt spelen en er is een groote zolder om op regenachtige dagen pret te maken en heerlijke gladde trapleuningen met een knop aan het ondereind. En dan is er een groote, zonnige keuken met een aardige dikke keukenmeid, die hier al dertien jaar dient en altijd een stukje deeg voor de kinderen bewaart wanneer ze bakt. Hè, Vadertje, ik verlang er soms vreeselijk naar, om heel klein te zijn en dan hier op te groeien.

En dan de familie! Ik had nooit gedroomd dat die zóó lief kon zijn. Sallie heeft een vader en een moeder en een grootmoeder en een schat van een zusje van drie jaar met allemaal kleine, blonde krulletjes en een broer van een jaar of 14, die altijd vergeet zijn voeten te vegen, en een groote, knappe broer, die Jimmie heet, en al Junior op het Princeton College is.

Wij hebben altijd pret aan tafel. Iedereen lacht en praat en maakt gekheid en we hoeven gelukkig niet vóór het eten te bidden. Dat vind ik toch zoo'n verlichting, dat je hier niet voor iederen hap eten hoeft te danken. (Je vindt misschien, dat ik een godslasteraarster ben, maar jij zou dat ook worden, wanneer je, net zooals ik, zooveel gedwongen gebeden had moeten opzeggen).

We hebben al zoo'n macht dingen gedaan! Ik weet heusch niet, waar ik mee zal beginnen. Mijnheer McBride heeft een fabriek, en op Kerstmis hebben we een grooten boom voor de arbeiderskinderen versierd. Hij stond in een groote zaal van het pakhuis, dat voor dien dag heelemaal met hulst en mistletoe was versierd. Jimmie McBride was als St. Nicolaas verkleed en Sallie en ik hielpen hem om de pakjes uit te deelen.

O lieve deugd, wat was dat eenig! Ik voelde me dien avond welwillend als een regent van het John Grier Home. Een allerliefst klein jongetje heb ik gekust, maar ik geloof, dat ik ze geen van allen op hun hoofd heb getikt.

En twee dagen na Kerstmis hebben we hier in huis een bal gehad, _ter eere van mij!!_

Het was het eerste, echte bal, dat ik ooit heb bijgewoond—die op College tellen niet mee, want daar dansen we alleen onder elkaar. Ik droeg een nieuwe witte avondjapon (jouw Kerstcadeau, dank je nog hartelijk) en lange, witte handschoenen en wit satijnen schoentjes. Het eenige wat me speet, was, dat Juffrouw Lippett me niet zien kon, toen ik den cotillon met Jimmie danste. Spreek er haar alsjeblieft over, den eersten den besten keer dat je weer naar het John Grier Home gaat.

Als altijd, Je Judy Abbott.

P.S. Zou je het heel, heel erg vinden, mijn liefste lieveling, wanneer ik geen Groote Schrijfster werd, maar alleen een heel gewoon meisje bleef?

6.30 Zaterdag.

Liefste Vadertje.

We waren eigenlijk vandaag van plan naar de stad te gaan, maar we hadden geen rekening met het weer gehouden: het stortregent nu. Ik houd van den winter wanneer hij ook werkelijk winter is met sneeuw en ijs, maar niet wanneer het regent. Julia's model-oom kwam haar vanmiddag opzoeken. Hij bracht vijf pond bonbons mee!! Je ziet, er is ook wel eens een voordeeltje aan verbonden, om met Julia samen te wonen. Ons gebabbel scheen hem te amuseeren en hij besloot een lateren trein te nemen en eerst met ons samen thee te drinken. Het was vreeselijk lastig voor ons om daartoe verlof te krijgen. Het is al heel moeilijk om een vader of grootvader bij ons te mogen hebben en een oom—nu, dat is weer een graadje erger. Broers en neven zijn heelemaal contrabande! Julia moest voor een notaris den eed afleggen, dat hij werkelijk haar oom was en toen heeft een klerk daarvan dadelijk een certificaat opgemaakt. (Weet ik niet een heeleboel van rechtsgeleerdheid af?) En dan betwijfel ik nog hard, of we Oom Jervie wel bij ons hadden mogen houden, als die lieve menschen gezien hadden, hoe jong en knap hij er uitziet.

[Illustratie]

Lieve deugd, wat regent het! Als we vanavond naar de kapel willen, zullen we er heen moeten zwemmen!

Dag lieveling, Je Judy.

20 Januari.

Mijn lieve oude Vadertje Langbeen.

Heb je nooit over een allerdoddigste kleine baby hooren spreken, die door slechte menschen uit zijn wiegje werd geroofd?

Ik zou zoo graag het arme kind geweest zijn. Wanneer we in boeken leefden, zou dat het dénouement geweest zijn.

Het is heusch heel vreemd wanneer je zelf niet eens weet, wat je eigenlijk bent—echt opwindend en romantisch! Daar zijn zoo veel mogelijkheden. Misschien ben ik wel geen Amerikaansche—een heeleboel zijn het niet. Ik kan wel van de oude Romeinen afstammen of van de Vikingers of het kind zijn van een Russischen banneling en dus eigenlijk in Siberië thuis hooren. Of misschien ben ik wel een Zigeunermeisje—ja, dat is, geloof ik, eigenlijk nog het meest waarschijnlijk. Ik heb een zwerversnatuur, hoewel ik nog niet veel kans heb gehad om die te ontwikkelen.

Ken je de schandvlek in mijn leven? Weet je, dat ik eens stilletjes ben weggeloopen omdat ik gestraft was voor het snoepen van koekjes? Het staat in het groote boek beschreven en elke regent kan het lezen. Maar nu in ernst.—Wat kun je anders verwachten van zoo'n kind? Wanneer jij een hongerig kind van 9 jaar in de provisiekamer messen laat slijpen met een schaal koekjes vlak naast haar en je gaat weg en laat haar alleen. En je komt dan plotseling weer binnenstormen, zou jij dan ook niet verwachten, dat ze een paar kruimeltjes aan haar mond heeft? En wanneer je haar dan door elkaar rammelt en om haar ooren slaat en haar commandeert van tafel op te staan, wanneer de pudding binnengebracht wordt en je vertelt dan aan alle kinderen, dat dat gebeurt omdat zij een dievegge is—zou jij het dan ook niet heel begrijpelijk vinden, dat ze stilletjes weg loopt? Ik heb alleen maar vier mijlen geloopen. Toen hebben ze me achterhaald en weer teruggebracht. En een week lang werd ik toen elken dag aan een paal in den tuin vastgebonden, terwijl de anderen mochten spelen.

O, lieve deugd, daar heb je de bel van de kapel al! En na den dienst moet ik naar een bestuursvergadering. Het spijt me heusch, want ik was net van plan je vanavond een echt gezelligen brief te schrijven.

Auf Wiedersehen, Cher oude vriend, Pax tibi!

P.S. Iets weet ik toch heel beslist: _ik kom niet uit China!_

4 Februari.

Lieve Vadertje Langbeen.

Jimmie McBride heeft me een Princeton banier gestuurd, zoo groot als de heele lengte van de kamer. Ik vind het verbazend aardig van hem dat hij aan me dacht, maar wat moet ik er in 's hemelsnaam mee doen? Sallie en Julia willen niet dat ik hem ophang. Onze kamer is dit jaar geheel in het rood gehouden en je begrijpt, hoe het oranje met zwart van die vlag er mee zou vloeken. Maar het is zulk heerlijk, dik warm goed, dat ik het zonde vind, het zoo maar te laten liggen. Wat dunkt je, zou ik het niet als badmantel kunnen gebruiken. Mijn oude kromp in de wasch.

[Illustratie: We moeten er vroeg bij zijn om een badkuip te krijgen.]

Ik heb in den laatsten tijd heelemaal vergeten je over ons werk te schrijven. Je zou het werkelijk niet uit mijn brieven opmaken, maar toch is haast mijn heele tijd daarmee in beslag genomen.

„Een werkelijk ernstige studente moet met de grootste nauwkeurigheid haar studies beoefenen”, zegt de Prof. in de scheikunde.

„Zorgt ervoor, dat ge niet in kleine onderdeelen opgaat”, zegt de Prof. in de geschiedenis. „Houdt u op een afstand, zoodat ge het geheel kunt overzien”.

Nu zie je eens hoe aardig we moeten scharrelen, willen we ze allebei tevreden stellen. Ik houd meer van de methode van den laatsten geleerde. Wanneer ik zeg, dat Willem de Veroveraar in 1492 naar Engeland overstak en Columbus in 1100 of 1066, of weet ik wanneer, Amerika ontdekte, dan is dat natuurlijk een kleinigheid, die de Prof. negeert. Het geeft je zoo'n gevoel van zekerheid en rust dat ik bij de scheikunde geheel mis.

Daar gaat de zes-uur-bel! Ik moet naar het laboratorium om nog een scheikundig mengsel van zuren en zouten na te zien. Ik heb laatst met Waterstof een groot gat in mijn schort gebrand. Als de theorie opging, had ik het met een sterke oplossing van Ammoniak kunnen neutraliseeren, niet waar?

De volgende week hebben we weer examens, maar je gelooft toch niet, dat ik daar bang voor ben?

Veel liefs van Je Judy.

5 Maart.

Lieve Vadertje Langbeen.

De Maartstorm loeit en de heele hemel is met zware wolken bedekt. De kraaien in de denneboomen maken een helsch lawaai. Het is een opwindend lokkend geluid. Ik zou mijn boeken wel willen dichtslaan en over de heuvels rennen, voortgejaagd door den wind.

Wij hebben verleden Zaterdag een snippenjacht gehouden over vijf mijlen land. De foks (voorgesteld door drie meisjes en een schepel confetti) kwam een half uur voor de 27 jagers aan. Ik was een van de 27; 8 konden er onderweg niet verder en met ons negentienen kwamen we op het eindpunt aan. Onze weg leidde over een heuvel, door een korenveld en over een drassig land, waar we heel voorzichtig van het eene droge plekje op het andere moesten springen. Natuurlijk is meer dan de helft er tot de enkels ingezakt. Wij verloren het confetti-spoor en hadden wel 25 minuten noodig om weer uit dat moeras te komen. Dan leidde het spoor weer over een heuvel, door struikgewas, en zelfs lag het bij het raam van een schuur. De deur van de schuur was gesloten, het raam was vrij hoog van den grond en nogal smal. Het was eigenlijk al te moeilijk, vind je ook niet?

Maar we zijn ook niet naar binnen geklommen! We hebben heel voorzichtig langs de schuur rondgespeurd en toen het spoor weer gevonden. Ze hadden haast alle confetti daar uitgestrooid. De foks dacht, dat hij ons leelijk voor den gek kon houden, maar we zijn verder door blijven zoeken en hebben twee mijlen over glooiend weiland moeten rennen. Het spoor was vreeselijk moeilijk te volgen, want de confettivoorraad bleek wel haast uitgeput. Volgens de regels van het spel moet je met een tusschenruimte van hoogstens 2 meter strooien, maar dit waren de langste twee meters, die ik ooit heb gezien. Eindelijk, na twee uur aanhoudend zoeken, vonden wij onzen foks in de keuken van Crystal Spring. (Dat is een boerderij, waar de meisjes in bobsleden en hooiwagens heengaan, om kuikens en wafels te eten). We vonden de drie hondjes vreedzaam bezig met melk en beschuit met honing te verorberen. Ze hadden nooit gedacht dat we ze nog zouden vinden. Ze hadden bepaald gehoopt, dat we daar in het raam van de schuur waren blijven steken.

Alle twee partijen beweerden, dat zij het hadden gewonnen. Ik vind, dat wij het gewonnen hebben, want we hadden ze toch maar gevonden voordat ze weer op den terugweg naar College waren. In elk geval waren wij alle 19 uitgehongerd en we vielen als wolven op den voorraad aan en moesten al maar meer honing hebben. Er was niet genoeg voor ons allemaal, maar Juffrouw Crystal Spring (zoo noemen wij haar, eigenlijk heet ze Johnson) bracht een groote pot aardbeienjam en een kan appelstroop en drie bruine brooden.

Wij stapten pas om half zeven op (we kwamen een half uur te laat voor het avondeten), en we liepen zoo maar naar binnen, zonder ons eerst te verkleeden, we hadden zoo'n honger! We zijn dien avond geen van allen meer naar de kapel gegaan, maar als je onze schoenen gezien had, had je begrepen dat dat ook niet meer kòn.

Ik heb je nog niets van de examens verteld. Ik ben door alles gemakkelijk heengerold. Ik weet nu hoe je dat moet aanleggen. Ik geloof ook niet, dat ik ooit weer zal zakken. Ik kan niet meer _cum laude_ promoveeren door dat gemeene herexamen voor Latijn en Fransch, maar het komt er niets op aan. Er zonder zullen we ook nog wel gelukkig worden!

Heb je Hamlet al eens gelezen? Als je het nog niet gedaan hebt, moet je het beslist doen. Het is _schitterend_ in één woord. Ik heb al mijn heele leven over Shakespeare hooren spreken, maar ik had toch geen flauw benul dat het zoo mooi zou zijn. Ik dacht altijd, dat de menschen het elkaar maar naspraken.

Ik heb een heerlijk tijdverdrijf, dat ik al bedacht heb, toen ik mijn eerste boek las. Elke nacht droom ik, dat ik de persoon ben (natuurlijk de hoofdpersoon) van het boek dat ik juist lees.

Nu ben ik Ophelia en een heel gevoelige Ophelia ook. Ik leid Hamlet af en vertroetel hem en knor op hem en zorg dat hij zijn mantel omslaat wanneer hij het koud heeft. Ik heb hem al heelemaal van zijn melancholie genezen. De Koning en de Koningin zijn alle twee dood—door een ongeluk op zee. Er is dus geen begrafenis bij noodig. Nu kunnen Hamlet en ik zonder eenige dwarsboomerij in Denemarken regeeren. O, ons koninkrijk bloeit! Hij zorgt voor de regeeringszaken en ik voor de liefdadigheidsinstellingen. Ik heb zoo juist een Model-Vondelingeninrichting gesticht (het heeft niets van het John Grier Home!) Als jij of een van de andere regenten het misschien willen bezichtigen, zal ik je met alle plezier persoonlijk rondleiden. Het zal leerrijk zijn!

Ik verblijf, Mijnheer, Uwe U welwillend gezinde Ophelia, Koningin van Denemarken.

24 Maart (misschien is het wel de 25ste).

Lieve Vadertje Langbeen.

Ik geloof niet, dat ik ooit in den hemel zal komen. Ik geniet hier op aarde zóó, dat ik het niet fair zou vinden, als ik hiernamaals nog eens aan de beurt kwam. Luister eens, wat er gebeurd is!

Jerusha Abbott heeft den eersten prijs ($ 25!) gewonnen voor de schets die „De Maandelijksche” elk jaar uitlooft. En ze is een tweede jaars! De mededingsters zijn haast allen derde jaars. Toen ik mijn naam las, kon ik het haast niet gelooven. Misschien wordt ik dus toch nog een schrijfster! Ik wou dat Juffrouw Lippett me niet zoo'n vervelende naam had gegeven; is me dat nu een naam voor een Schrijfs_ter_?

Ik ben ook al gekozen om in het tooneelstuk in de open lucht „Elck wat Wils”, dat we dit jaar zullen opvoeren, mee te spelen. Ik zal Celia zijn, het nichtje van Rosalinde.

En, last not least: Julia, Sallie en ik gaan komenden Vrijdag naar New-York om onze inkoopen voor het voorjaar te doen en we blijven er den heelen nacht over en gaan den volgenden dag met „Jongeheer Jervie” naar den schouwburg. Hij heeft ons uitgenoodigd. Julia gaat bij haar ouders logeeren, maar Sallie en ik gaan dien nacht naar het Maria Washington Hotel. Heb je ooit van zoo iets heerlijks gehoord! Ik ben nog nooit in een hotel geweest en ook nog niet in een theater. Alleen eens, toen de Katholieke kerk een feest gaf en alle vondelingen vrijkaarten kregen, maar dat was geen echt tooneelstuk en telt dus eigenlijk niet mee.

En wat denk je wel, dat er gegeven wordt? Hamlet! Stel je voor hoe zalig! We hebben het juist vier weken geleden behandeld en ik ken heele stukken uit mijn hoofd.

Ik ben nu zoo opgewonden door al die heerlijke vooruitzichten, dat ik haast niet kan slapen.

Nacht Lieveling!

Het leven is toch heerlijk!

Veel groeten van

Je Judy.

P.S. Ik keek net op de kalender. Het is de 28ste.

Nog eens P.S. Ik zag vandaag een tramconducteur met één blauw en één bruin oog. Zou dat geen prachtig kenteeken zijn voor een schurk in een detective roman?

7 April.

Liefste Vadertje Langbeen.

Lieve deugd, wat is New-York groot! Worcester is er niets bij. Woon jij heusch in al dat geroezemoes? Ik geloof, dat ik in geen maanden van al die verwarring door die twee enkele dagen zal bekomen. Ik kan je ook nu nog niet geregeld over al die wonderlijke dingen schrijven, die ik daar gezien heb. Het is ook niet noodig, want je woont er immers zelf en je kent zeker alles.

Vind je het ook op straat en in de winkels zoo leuk? En wat zijn de menschen er aardig! Ik heb nog nooit zulke mooie dingen gezien als daar in de winkelkasten zijn uitgestald. Ik ga nu heusch begrijpen, dat sommige menschen zulke schatten voor hun kleeding over hebben.

Sallie, Julia en ik gingen Zaterdagmorgen winkelen. Julia liep het prachtigste gebouw binnen, dat ik ooit zag. De muren waren wit met goud, blauwe kleeden lagen op den grond en er waren blauw zijden gordijnen en vergulde stoeltjes. Een mooie, blonde dame in een prachtige zijden sleepjapon verwelkomde ons met een vriendelijk lachje. Ik dacht dat we hier een bezoek gingen brengen en wilde al juist mijn hand gaan uitsteken, toen het bleek, dat we alleen maar hoeden gingen uitzoeken. Tenminste, dat deed Julia. Ze nam tegenover een spiegel plaats en paste toen wel een stuk of twaalf hoedjes, het eene al mooier en eleganter dan het andere, en toen kocht ze de twee allermooiste.

Ik geloof, dat ik niets zaligers zou vinden dan me ook zoo tegenover een spiegel bewonderen en alle hoeden te koopen, die ik mooi vond, zonder eerst naar den prijs te vragen. Daar is geen twijfel aan of het eenvoudige vondelingetje uit het John Grier Home zou in New-York wel gauw veranderen!

En toen we alle boodschappen gedaan hadden, ontmoetten we Jongeheer Jervie bij Sherry. Je bent daar zeker wel eens geweest. Denk dan eens aan de eetzaal in het John Grier Home met zijn met zeil bedekte wit houten tafels en grof aardewerk, dat je _onmogelijk_ zou kunnen breken en tinnen vorken en messen met zwart houten handgrepen. Dan zul je begrijpen hoe ik me daar in Sherry te moede voelde.

Ik at mijn visch met de verkeerde vork, maar de kellner gaf me heel vriendelijk een andere, dus heeft niemand het gemerkt.

En na de lunch zijn wij naar het theater gegaan. Het was duizelingwekkend, tooverachtig, onbeschrijfelijk—ik droom er nog elken nacht van.

Is Shakespeare niet heerlijk?

Hamlet komt zooveel beter op het tooneel uit, dan wanneer wij het in de klas behandelen. Te voren vond ik het al heel mooi, maar nu—laat ik daar niet over beginnen!

Als je het goed vindt, word ik, geloof ik, liever tooneelspeelster dan schrijfster. Heb je er bezwaar tegen dat ik nu maar van College af ga en me op een tooneelschool laat inschrijven? Later zal ik dan je ook telkens, wanneer ik optreed, een vrijkaart voor een loge geven en je van voor het voetlicht toelachen. Maar draag dan alsjeblieft een roode roos in je knoopsgat, want anders zou ik zeker een verkeerden man toelachen en dat zou toch erg vervelend voor me kunnen worden.

Zaterdagnacht keerden we terug. We aten in den trein aan kleine tafeltjes met schemerlampjes met roode kapjes en werden door negers bediend. Ik had er nog nooit van gehoord, dat je in den trein kon eten en ik was zoo dom, het er uit te flappen ook.

„Waar ben jij in 's hemelsnaam toch opgegroeid?” vroeg Julia.

„In een dorp”, antwoordde ik schuchter.

„Maar heb je dan nooit gereisd?” zette ze het onderzoek voort.

„Neen, niet totdat ik naar College moest en dat was maar een 150 mijlen en we hebben toen niet gegeten”.

Ze gaat nu bepaald veel belang in me stellen, omdat ik zulke gekke dingen zeg. Ik probeer ze telkens te onderdrukken, maar wanneer ik verbaasd over iets ben, denk ik daar niet aan. En ik ben haast altijd verbaasd. Ja, mijn oude, beste vriend, je kunt heel vreemde gewaarwordingen hebben, wanneer je 18 jaar lang in het John Grier Home bent opgesloten geweest en dan opeens midden in de _wereld_ wordt geplaatst.

Maar nu voel ik me daar al meer op mijn gemak en ik maak ook niet meer zulke vreeselijke blunders als in het begin. En ik voel me ook niet meer vreemd tegenover de andere meisjes. Vroeger bloosde ik geregeld, wanneer de menschen naar me keken. Ik dacht dat ze dan, door mijn nieuwe kleeren heen, het geruite John Grier Home jurkje zouden ontdekken. Maar nu laat ik me zelfs door geen honderd geruite jurkjes van streek maken.

Ik vergat je nog over onze bloemen te spreken. Jongeheer Jervie gaf ons alle drie een groote bos viooltjes met lelietjes van dalen. Lief van hem, hè? Vroeger voelde ik niets voor mannen, omdat ik alleen maar de regenten kende—maar nu ga ik er anders over denken.

Elf bladzijden! Is me dat een brief! Kom, mijn oud, best Vadertje Langbeen, ik schei er mee uit!

Veel liefs van

Judy.

10 April.

Waarde Mijnheer Rijkaard.

Ik stuur je inliggend je chèque voor $ 30. terug.

Ik ben je dankbaar, maar voel dat ik dat geld niet kan aannemen. Mijn zakgeld is groot genoeg om er alle hoeden voor te koopen, die ik noodig heb, en het spijt me wel, dat ik je al dien onzin over die modiste schreef. Het komt alleen maar, omdat ik nooit te voren zoo iets had gezien.

In elk geval deed ik het niet, om geld van je te ontvangen. Ik maak liever niet meer gebruik van je weldadigheid dan ik toch al doen moet.

Vriendelijke groeten van Judy.

11 April.

Liefste lieveling.

Zeg, wil je me vergeven, dat ik je gisteren zoo'n naren brief schreef? Toen ik hem op de bus had gedaan, had ik er al weer spijt van en ik vroeg hem terug, maar die vervelende brievenbesteller wilde hem er niet meer uithalen.

Het is nu middernacht. Ik lig uren lang wakker door die ellendige gedachte, dat ik zoo'n wurm, zoo'n duizendpootig wurm ben. (Dat is het ergste scheldwoord, dat ik voor me zelf bedenken kan). Ik heb heel voorzichtig de deur van onze werkkamer dicht gemaakt om Sallie en Julia niet te wekken en zit nu op een vel papier, dat ik uit mijn geschiedenis-dictaatcahier heb gescheurd, aan jou te schrijven.

Ik wou je zeggen dat ik het zoo naar vind, dat ik je dien chèque zoo plompweg heb teruggestuurd. Ik weet dat je het heel lief hebt bedoeld en je bent een schat, dat je je zoo'n moeite geeft voor zoo'n dom kind als ik ben. Ik had hem je natuurlijk wel terug moeten sturen, maar heel anders dan ik het deed.

Maar in elk geval _moest_ ik hem terugsturen. Het is bij mij zoo iets heel anders dan bij de andere meisjes. Die hebben vaders en moeders en tantes en ooms, maar ik heb heelemaal geen familie, ik heb niemand, niets. Ik stel me wel graag voor, dat jij zoo'n beetje familie van me bent, omdat ik dat zoo'n prettig gevoel vind, maar ik weet natuurlijk heel goed, dat dat maar onzin is. Ik sta heelemaal alleen op de wereld, en ik moet me schrap zetten, om den strijd met het leven te aanvaarden. O, ik word koud als ik daaraan denk. Ik durf er dikwijls niet aan denken en daarom fantaseer ik zooveel, maar je begrijpt ook wel, dat ik niet meer mag aannemen dan ik al doe, omdat ik je later alles wil terugbetalen en zelfs als ik werkelijk nog eens een groote schrijfster word, zal het toch moeilijk zijn om zoo'n _vreeselijk_ groote schuld af te lossen.

Ik hou heel veel van mooie kleeren en hoeden, maar ik mag mijn toekomst niet verpanden door ze nu te koopen.

Wees er niet boos over, dat ik daar zoo ruw over spreek. Ik heb de afschuwelijke gewoonte om alles impulsief neer te schrijven, wanneer ik het denk, om er dan later berouw over te hebben als de brief al weg is en ik hem niet meer kan verscheuren. Maar al lijk ik soms ook ruw en ondankbaar, ik meen het toch nooit. In mijn hart dank ik je altijd voor het vrije leven, waarin je me geplaatst hebt en de onafhankelijkheid, die ik door jou zal verkrijgen. Mijn jeugd was één lange sleur, die ik met al mijn oproerige gedachten niet kon verbreken en nu voel ik me elken dag zoo gelukkig, dat ik nu, na dat heele jaar op College, soms nog niet kan gelooven dat ik niet droom. Ik voel me als een heldin in een verhaaltje!