Part 11
Ja zeker, ik zal komen. Volgende Woensdag om half vier! Natuurlijk vind ik den weg. Ik ben al drie maal in New-York geweest en ik ben toch geen klein kind meer. Ik kan het haast niet gelooven, dat ik je nu werkelijk zal zien. Ik heb je altijd alleen maar in _gedachten_ gezien, het schijnt me haast onwaarschijnlijk, dat je een werkelijk mensch van vleesch en bloed bent.
Je bent toch verbazend lief, Vadertje, dat je me nog helpen wilt, terwijl je zelf ziek bent. Wees vooral voorzichtig om geen kou te vatten, de mist dringt nu overal binnen.
Je je liefhebbende Judy.
P.S. Ik krijg opeens een angstige gedachte. Heb je een huisknecht? Ik heb een doodsangst voor huisknechten en als er een de deur voor me openmaakt, zal ik nog op den drempel flauw vallen. En wat moet ik tegen hem zeggen? Je hebt me nog nooit verteld, hoe je eigenlijk heet. Moet ik naar Mijnheer Smith vragen?
Donderdagmorgen.
Mijn eigen liefste Jongeheer-Jervie-Vadertje-Langbeen-Pendleton-Smith.
Heb jij gisteren nacht kunnen slapen? Ik niet, geen oogenblik. Ik was zoo opgewonden en verbaasd en overstuur en dol-gelukkig. Ik kan haast niet gelooven, dat ik ooit weer als een gewoon sterveling ga eten en slapen. Maar ik hoop toch, dat je hebt kunnen slapen, want je moet heusch je best doen om weer gauw sterk te worden, dan kun je bij me komen.
Mijn liefste, ik durf er haast niet aan te denken, dat je zoo ziek bent geweest. En ik heb er al dien tijd niets van geweten! Toen de dokter gisteren beneden kwam om te zeggen dat ik weg moest, vertelde hij me, dat hij drie dagen geleden geen hoop meer had. Mijn beste lieveling, als dat ooit was gebeurd, dat vreeselijke, dan zou er voor mij geen vreugde meer op aarde hebben bestaan. Eens, in de verre toekomst, zal ook een van ons den ander moeten verlaten, maar dan hebben we een gelukkig leven achter ons en we zullen, met de herinnering daaraan, voortleven.
Ik wilde je opvroolijken en inplaats daarvan vroolijk ik nu mezelf op, want, hoewel ik nu veel gelukkiger ben dan ooit te voren, voel ik me ook ernstiger. De zorg, dat jou iets zou kunnen overkomen, liefste, maakt me onrustig en angstig. Vroeger kon ik luchthartig en onbezorgd zijn, ik had niets dierbaars te verliezen, maar nu zal ik die eene, groote zorg mijn heele leven houden. Wanneer je van me weg bent, dan zal ik over al die auto's denken, die je zouden kunnen overrijden of aan de uithangborden, die naar beneden kunnen vallen, aan die verraderlijke ziektekiemen, die je kunt inademen. Mijn kalmte en rust is nu voor altijd weg. O, maar ik ben er blij om, ik heb nu iemand voor wien ik mag zorgen, aan wien ik altijd kan denken!
O lieveling, zorg toch, dat je gauw, heel gauw beter bent. Ik wou dat ik je dicht bij me had, zoodat ik je altijd zou kunnen zien en voelen. Dan kon ik me telkens overtuigen dat het geen droom maar werkelijkheid is.
Wat hebben we samen een heerlijk halfuurtje gehad! Als ik nu alleen maar een klein beetje familie van je was (bijv. een achter-achter-achternichtje), dan zou ik elken dag bij je mogen komen en ik zou je kunnen voorlezen en je kussens opschudden en die twee kleine rimpels van je voorhoofd gladstrijken en ik zou maken, dat je mondhoeken even opkrulden bij jouw eigen lieve glimlach. Je bent nu ook vroolijk, niet lieveling? Je was het gisteren wel, toen ik weg moest. De dokter zei, dat ik zeker een heel goede verpleegster was, want je zag er wel tien jaar jonger uit. Ik hoop, dat niet iedereen er tien jaar jonger gaat uitzien, wanneer hij iemand liefheeft. Zeg mantie, zou jij toch nog van me houden, ook als ik er nu als een kind van elf ging uitzien?
Gisteren was de mooiste dag van mijn leven. Ik kan niet gelooven, dat er ooit nog zóó een zal terugkomen. Juffrouw Semple wekte me om half vier. Ik staarde half dronken in de duisternis voor me uit en het eerste, dat me toen te binnen schoot, was: Ik ga vandaag naar Vadertje Langbeen! Ik ontbeet in de keuken bij kaarslicht en reed toen vijf mijlen ver naar het station in het prachtigste Octoberweer, dat je je denken kunt. De zon ging juist op en de vochtige eschdoorns en het struikgewas stonden in oranje-rooden gloed en op den steenen muur en de korenvelden schitterde de nachtvorst. De lucht was zoo helder en alles scheen zoo vol vreugdevolle verwachting! Ik _wist_ dat er een geluk zou gebeuren. Den heelen weg snorden de wielen van den trein: „Je gaat naar Vadertje Langbeen, je gaat naar Vadertje Langbeen!” Het gaf me zoo'n rustig, veilig gevoel. Ik had zoo'n vertrouwen in de hulp van mijn Vadertje, ik wist, dat hij de zaak in orde zou kunnen brengen. En ik wist ook, dat ergens een andere man, die mij nog liever was dan Vadertje, er vurig naar verlangde om me te zien en ik voelde bij instinct, dat ik dien man denzelfden dag nog zou ontmoeten en je ziet, dat ik gelijk had!
Toen ik bij het huis op de Madison Avenue kwam, zag dat er zoo groot en deftig en streng uit, dat ik niet naar binnen dorst te gaan. Dus liep ik er eerst maar een paar keer om heen, om al mijn moed te verzamelen. Maar ik had heelemaal niet bang hoeven te zijn want je huisknecht is een echt lieve man en ik voelde mij dadelijk op mijn gemak. „Bent u juffrouw Abbott?” vroeg hij en ik zei „ja”. Dus hoefde ik heelemaal niet naar mijnheer Smith te vragen. Hij liet me in den salon wachten. Het was een heel sobere, smaakvolle kamer, een echte kamer voor een man. Ik zat daar op een puntje van een leeren stoel en zei telkens bij mezelf: „Ik zal nu dadelijk Vadertje Langbeen zien, ik zal dadelijk Vadertje Langbeen zien!”
Toen kwam de man terug en hij vroeg me, met hem mee te gaan naar de bibliotheek. Ik was zoo overstuur, dat ik haast niet kon loopen. Voor de deur draaide hij zich nog even om en fluisterde: „Mijnheer is zwaar ziek geweest, juffrouw. Vandaag mag mijnheer voor het eerst weer even opzitten. U wilt zeker wel niet te lang blijven om Mijnheer niet te vermoeien?” Uit de manier, waarop hij dat zei merkte ik duidelijk, dat hij van je hield. O, het is een goeie man!
Toen klopte hij aan en meldde „Juffrouw Abbott” en hij verdween en sloot de deur achter zich.
Omdat ik pas uit de lichte hall kwam, leek het zoo duister, dat ik op het eerste oogenblik niets kon onderscheiden. Toen zag ik een groote makkelijke stoel voor het vuur en een mooie theetafel en een klein stoeltje daarnaast. En eindelijk zag ik daar in dien grooten stoel, tusschen een heeleboel kussens in, een man met een shawl over de knieën. Voordat ik hem kon tegenhouden, rees hij op (nog wat onzeker), steunde tegen den rug van de stoel aan en keek naar mij, zonder een woord te spreken. En toen ... toen zag ik, dat jij dat was! Maar zelfs toen begreep ik het nog niet. Ik dacht, lieveling, dat jij daar gekomen was om mij te verrassen.
Toen lachte je en je stak je hand naar me uit en zei: „Mijn lieve kleine Judy, kon je dan maar niet begrijpen dat ik Vadertje Langbeen was?”
En toen, opeens, begreep ik alles. O, wat was ik toch dom! Honderd kleine bizonderheden hadden het me kunnen verraden, als ik maar een beetje scherpzinnig was geweest. Ik heb niet veel aanleg voor een detective, hè Vadertje? Jervie? Hoe moet ik je eigenlijk noemen? Zoo alleen maar „Jervie” klinkt zoo oneerbiedig en dat mag ik toch niet tegenover je zijn.
Het was een goddelijk half uur, totdat de dokter kwam en me wegstuurde. Ik was zoo in de war, dat ik haast in een trein naar St. Louis stapte. En jij was ook overstuur, hoor! Je hebt heelemaal vergeten me thee aan te bieden. Maar we waren heel, heel gelukkig samen. In het donker reed ik naar Lock Willow terug. Maar o, wat schitterden die sterren!
En van morgen ben ik naar Collin gegaan en heb alle plekjes opgezocht, waar we samen geweest zijn en ik dacht eraan, wat je daar gezegd hebt en hoe je er uitzag. Over het bosch ligt vandaag een bronzen tint en er is vorst in de lucht. Het is net weer, om een grooten bergtocht te maken. Ik wou dat je bij me was en dat we samen bergen gingen klimmen. Ik mis je zoo vreeselijk, mijn Jervie. Maar het is toch een gelukkig gemis, want ik weet, dat we gauw bij elkaar zullen zijn. Wij hooren nu voor altijd en eeuwig bij elkaar. Lijkt het je niet vreemd, dat ik nu werkelijk ook bij iemand hoor? Het is zoo heerlijk, ik ben zoo in-gelukkig.
En ik zal er voor zorgen, dat jij je nooit, nooit verdrietig zult voelen.
Voor altijd,
Je eigen Judy.
P.S. Dit is de eerste liefdesbrief, die ik ooit geschreven heb. Grappig hè, dat ik het tòch kan.
Als vervolg op dit boek leze men „HET JOHN GRIER HOME” dat even geestig is en ofschoon 256 bladzijden beslaande in linnen band ook slechts f 1.50 kost.
+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: verezen. | | C: verrezen. | | B: meest te zeggen heeft Hij heeft | | C: meest te zeggen heeft. Hij heeft | | B: jaar gehouden maar hebben we | | C: jaar gehouden, maar hebben we | | B: voor haar staande | | C: voor haar zittende | | B: bellen Vroolijk, hè? Ik | | C: bellen. Vroolijk, hè? Ik | | B: en Julia Rudlege Pendleton. Sallie heeft | | C: en Julia Rutledge Pendleton. Sallie heeft | | B: alleen te zijn, Ik geloof, dat | | C: alleen te zijn, Ik geloof, dat | | B: den bal op rapen O, het is | | C: den bal op rapen. O, het is | | B: zelf bedacht. Freddy Perkins noemde me | | C: zelf bedacht. Freddie Perkins noemde me | | B: buitengewonen teekenaanlag gaf ik al | | C: buitengewonen teekenaanleg gaf ik al | | B: J. G. H.. is, heeft ze voor | | C: J. G. H. is, heeft ze voor | | B: mooien Liberty rand (net een | | C: mooie Liberty rand (net een | | B: _Antwoord s. v. p,_ | | C: _Antwoord s. v. p._ | | B: Hier hebt je je portret. | | C: Hier heb je je portret. | | B: me gestuurd hebt.! Wil je weten, | | C: me gestuurd hebt! Wil je weten, | | B: van synoniemen, (Om de woordenschat | | C: van synoniemen. (Om de woordenschat | | B: Jerusha, vindt je niet?) Ik | | C: Jerusha, vind je niet?) Ik | | B: voetvrije rokken, sweeters en | | C: voetvrije rokken, sweaters en | | B: omtrek droorkruist. Eens zijn | | C: omtrek doorkruist. Eens zijn | | B: bessensap toe (30 cent) Goedkoop | | C: bessensap toe (30 cent). Goedkoop | | B: ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! | | C: ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! | | B: Ik weet alsoluut niets omtrent | | C: Ik weet absoluut niets omtrent | | B: dat ik Freddy Perkins wel eens | | C: dat ik Freddie Perkins wel eens | | B: krullen alleen heeleven naar | | C: krullen alleen heel even naar | | B: zooveel thee dronken Daar zouden | | C: zooveel thee dronken. Daar zouden | | B: weer vreeeselijk jammer zijn | | C: weer vreeselijk jammer zijn | | B: in mijn leele leven nog nooit | | C: in mijn heele leven nog nooit | | B: die nieuwe ideeën Het is misschien | | C: die nieuwe ideeën. Het is misschien | | B: je mischien van plan bent | | C: je misschien van plan bent | | B: Buff Orghingtons nemen. Dat | | C: Buff Orpingtons nemen. Dat | | B: Amasai de eene knecht, is juist | | C: Amasai, de eene knecht, is juist | | B: Je Judy | | C: Je Judy. | | B: personages in No. „258” Een groot deel | | C: personages in No. „258”. Een groot deel | | B: er in werkelikheid beter uit, | | C: er in werkelijkheid beter uit, | | B: hier bij Sallies familie. Ze wonen | | C: hier bij Sallie's familie. Ze wonen | | B: was, en ik verlangte er toen altijd | | C: was, en ik verlangde er toen altijd | | B: dient en altjd een stukje deeg | | C: dient en altijd een stukje deeg | | B: me een Princeto banier gestuurd, zoo | | C: me een Princeton banier gestuurd, zoo | | B: hoe het orange met zwart van die | | C: hoe het oranje met zwart van die | | B: ik wanneer, Amerika, ontdekte, dan | | C: ik wanneer, Amerika ontdekte, dan | | B: sterke oplossing van Amoniak kunnen | | C: sterke oplossing van Ammoniak kunnen | | B: een helsch lavaai. Het is een | | C: een helsch lawaai. Het is een | | B: bepaald gehoopt, det we daar in het | | C: bepaald gehoopt, dat we daar in het | | B: andere regenten het mischien willen | | C: andere regenten het misschien willen | | B: dat is je eigen schuld, Je | | C: dat is je eigen schuld. Je | | B: bronnen van Skakespeare's | | C: bronnen van Shakespeare's | | B: het werk moeten. | | C: het werk moeten.” | | B: schrijfster te worden, Ik heb hier | | C: schrijfster te worden. Ik heb hier | | B: ook worden moge, Ik heb een vreeselijke | | C: ook worden moge. Ik heb een vreeselijke | | B: Islands Reds geen goed ras | | C: Island Reds geen goed ras | | B: fokken. De Buf Orphingtons zijn veel en | | C: fokken. De Buff Orpingtons zijn veel en | | B: vooraad nieuwtjes ook uitgeput. | | C: voorraad nieuwtjes ook uitgeput. | | B: van al die voortbereidselen wel denken, dat | | C: van al die voorbereidselen wel denken, dat | | B: Oude Grove is geen vurig Paard | | C: Oude Grover is geen vurig Paard | | B: Freddie Perkin's broeken ook. (Die scheurde | | C: Freddie Perkins' broeken ook. (Die scheurde | | B: werkelijk van ons hoort. En ik ben altijd | | C: werkelijk van ons is. En ik ben altijd | | B: gezegd hadt, dat je zoo blej | | C: gezegd hadt, dat je zoo blij | | B: de Pendletons en massa te ontmoeten, | | C: de Pendletons en masse te ontmoeten, | | B: McBride uit, en Sallie, zijn vriend, | | C: McBride uit, en Sallie zijn vriend, | | B: bij, dat ik niet zoo'n | | C: blij, dat ik niet zoo'n | | B: Mevrouw McBridge, maar als ik trouw | | C: Mevrouw McBride, maar als ik trouw | | B: Je je liefhebende Judy. | | C: Je je liefhebbende Judy. | | B: boven moet ten zien krabbelen! | | C: boven moeten zien krabbelen! | | B: geef ik les in Engelsch en Latijn | | C: geef ik les in Engelsch en Latijn, | | B: mijn stoïcijnsche onverschillighed te | | C: mijn stoïcijnsche onverschilligheid te | | B: 4 dagen later | | C: 4 dagen later. | | B: alleen. En zei hem, dat je me | | C: alleen. En ik zei hem, dat je me | | B: naam van Mevrouw Patersons's | | C: naam van Mevrouw Paterson's | | B: Daar roept Jimmy me al om te gaan | | C: Daar roept Jimmie me al om te gaan | | B: en ook dezen zomer, wanneer ik | | C: en ook dezen zomer, wanneer ik niet | | B: heelen dag kalm zitten.— | | | | „God's wil | | C: heelen dag kalm zitten,—„God's wil | | B: Hoe mooi wet het doen, | | C: Hoe mooi we het doen, | | B: herzie met elkaar kregen. | | C: herrie met elkaar kregen. | | B: Je J A. | | C: Je J. A. | | B: helder, vriezend weer, Dadelijk na | | C: helder, vriezend weer. Dadelijk na | | B: daarna rijdt boer Christal Spring ons | | C: daarna rijdt boer Crystal Spring ons | | B: weet wel de berg, waar Jongeheer | | C: weet wel, de berg, waar Jongeheer | | B: nog de plek ontdeken, waar de rots | | C: nog de plek ontdekken, waar de rots | | B: jaar langop gewacht een brief | | C: jaar lang op gewacht een brief | | B: zwak, dat hij niet mee kon eten | | C: zwak, dat hij niet meer kon eten | | B: door een wezel een bunzing of een | | C: door een wezel of een bunzing of een | | B: | | C: 24 Juli. | | B: vooraad gedachten op voor den | | C: voorraad gedachten op voor den | | B: dat Amasai en Carry dit jaar Mei getrouwd | | C: dat Amasai en Carrie dit jaar Mei getrouwd | | B: samen met mij van te genieten, Maar | | C: samen met mij van te genieten. Maar | | B: onpartijdig oordeel gehoort. Jij behoort | | C: onpartijdig oordeel gehoord. Jij behoort | | B: vermoeien? Uit de manier, waarop | | C: vermoeien?” Uit de manier, waarop | | B: O, het is een goeie man!” | | C: O, het is een goeie man! | | B: de stoel aan een keek naar mij, | | C: de stoel aan en keek naar mij, | | B: ben ik naar Colin gegaan en heb alle | | C: ben ik naar Collin gegaan en heb alle | | | +--------------------------------------------------------+