Part 10
Word niet zenuwachtig, Vadertje, ik ben nog bij mijn verstand, ik citeer alleen maar uit Sam'l Pepys. Wij lezen hem in verband met de Engelsche geschiedenis en wel in het oorspronkelijke. Sallie en Julia en ik spreken nu alleen nog maar in de taal van 1660. Luister nu eens even naar dit:
„Ik ging naar Charing Cross om daar Majoor Harrison opgehangen, geradbraakt en gevierendeeld te zien. Hij keek zoo vriendelijk als een man dat in dien toestand kan doen”.
En dan:
„Ik dineerde met mijn vrouw, die fraaie rouw draagt over haar broer, welke gisteren aan de gele koorts stierf”.
Een vriend van Pepys maakte een zeer loos testament op, waarbij hij bepaalde, dat de Koning zijn schulden zou mogen betalen met het geld, dat hij voor den verkoop van zijn oude, bedorven levensmiddelen aan arme menschen zou ontvangen. Wat denk jij, vooruitstrevende, wel van zoo iets? Ik geloof niet, dat wij tegenwoordig zoo slecht zijn als de kranten wel beweren.
Samuel was even blij met zijn kleeren als een jong meisje. Hij gaf er vijf maal zooveel voor uit als zijn vrouw. Toen schijnt het wel de Gouden Eeuw voor de mannen geweest te zijn. Kijk, vind je dat niet aardig? Hier zie je weer uit, dat hij het werkelijk eerlijk meende:
„Vandaag kwam mijn prachtige Camlett mantel met gouden knoopen thuis. Het kostte me zeer veel geld en ik smeek God dat Hij het me mogelijk zal maken deze som te betalen”.
Neem me niet kwalijk, dat ik zoo vol van dien Pepys ben. Ik schrijf, geloof ik, een heelen brief alleen over hem.
Wat zeg je daar wel van, Vadertje: het bestuur heeft de 10 uur-regel ingetrokken. We mogen nu net zoo lang licht branden als we zelf willen. De eenige voorwaarde is, dat we de rust van de anderen niet storen, dus niet hard praten of allemaal op één kamer bij elkaar komen, of zoo. Het resultaat werpt weer een prachtig licht op de menschelijke natuur. Nu we zoo lang op mogen blijven als we maar willen, kan dat ons niets meer schelen. Om 9 uur beginnen we te knikkebollen en om half tien ontvalt de pen aan onze moede handen. Het is nu net half tien. Goeden nacht!
Zondag.
Ik kom net uit de kerk. We hadden een predikant uit Georgia. Hij sprak er over, dat wij ervoor moeten zorgen, dat de ontwikkeling van ons verstandsleven niet ten koste van ons gevoelsleven gaat. Ik vond het een vervelend, droog preekje. Uit welken hoek van de Vereenigde Staten ze ook komen, we krijgen altijd weer hetzelfde te hooren. Waarom gaan ze niet in 's hemelsnaam naar de mannenuniversiteit en dringen ze er daar bij de studenten op aan, dat hun mannelijk karakter niet te veel door geestelijke studie wordt onderdrukt.
Het is vandaag een heerlijke dag: helder, vriezend weer. Dadelijk na het koffiedrinken trekken Sallie, Julia, Maty Keene en Eleanor Pratt (vriendinnen van mij, maar jij kent ze toch niet) en ik voetvrije rokken aan en dan gaan we door het bosch naar Crystal Spring Farm en eten er gebraden kuikentjes en wafels en daarna rijdt boer Crystal Spring ons naar huis. We moeten eigenlijk om 7 uur weer binnen zijn, maar ik denk, dat we er vanavond wel 8 uur van zullen maken.
Dag Vadertje.
Ik heb de eer te teekenen als
Uwe zeer oprechte, eerbiedige, gehoorzame en trouwe dienaresse
J. Abbott.
5. Maart.
Lieve Mijnheer de Regent.
Morgen is het weer Lamme Woensdag in het John Grier Home. Wat zullen ze zich opgelucht voelen als het eindelijk 5 uur heeft geslagen en jij ze een tikje op hun hoofd hebt gegeven! Heb jij me ook wel eens op mijn hoofd getikt, Vadertje? Ik geloof het niet. Ik kan me alleen maar dikke regenten voor den geest roepen.
Groet ze allen op het gesticht, als je wilt, en vriendelijk ook. Als ik nu na vier jaar aan dat huis terugdenk, krijg ik heusch een gevoel van teederheid. Toen ik hier de eerste dagen was, voelde ik me ongelukkig omdat ik dacht, dat ik beroofd was van de normale jeugd die andere meisjes genieten. Maar nu is dat gevoel al lang verdwenen, ik denk aan mijn verleden als aan een vreemd avontuur terug. Ik voel me ter zijde van de anderen staan en van daaruit een blik in het leven werpen. Nu ik volwassen ben, krijg ik een kijk op de wereld, die andere menschen, welke er middenin zijn opgegroeid, totaal missen.
Ik ken een heeleboel meisjes,—Julia b.v.—die nooit weten dat ze gelukkig zijn. Ze zijn zoo aan het geluk gewend, dat dat gevoel heelemaal verstompt is. Maar als ik me gelukkig voel, is dat iets heel anders. En ik zal me gelukkig blijven voelen, al moet ik misschien nog door heel wat ellende heenworstelen. Ik beschouw nu alles, zelfs kiespijn, als een belangwekkende gewaarwording en ik ben blij te weten wat het is. „Whatever sky's above me, I've a heart for any fate”.
Maar Vadertje, neem die ontluikende liefde voor het John Grier Home nu niet al te letterlijk op. Wanneer ik, zooals Rousseau, vijf kinderen had, zou ik ze niet op den drempel van een vondelingengesticht leggen, in de hoop dat ze eenvoudig zouden worden opgevoed.
Doe mijn groeten aan Juffrouw Lippett (dat kun je heusch doen) en vertel haar eens, hoe mooi ik vooruitgekomen ben.
Je kleine Judy.
Lock Willow.
4 April.
Liefste Vadertje,
Heb je het poststempel wel gezien? Ja, het is zoo, we zijn op Lock Willow! Sallie en ik vereeren deze plaats met onze tegenwoordigheid gedurende de Paaschvacantie. Wij meenden, dat dat het beste was, wat we in onze vacantie doen konden. We waren beiden op en top zenuwachtig geworden en konden het niet langer in Fergussen Hall uithouden. En als je in zoo'n toestand verkeert, is het een straf, om met 400 meisjes in één zaal te eten. Er is dan zooveel lawaai, dat je niet met het meisje tegenover je kunt spreken als je beide handen niet voor je mond houdt en hard schreeuwt. Heusch waar!
We hollen de heuvels op en af en lezen en schrijven en hebben hier een heerlijken rustigen tijd. Dezen morgen beklommen we den Sky Hill. Je weet wel, de berg, waar Jongeheer Jervie en ik eens ons avondeten hebben klaargemaakt. Ik kon nog de plek ontdekken, waar de rots door den rook van ons vuur heelemaal zwart was geworden. Het is toch vreemd dat sommige plekken je dadelijk aan bepaalde menschen herinneren. Je kunt er niet langs, zonder aan ze te denken. Ik voelde me erg verlaten zoo zonder hem, net twee minuten lang.
Wat denk je wel, dat mijn laatste werk is, Vadertje? Je zult wel gaan denken dat ik onverbeterlijk ben. Ik schrijf een boek! Drie weken geleden begon ik ermee en ik schiet er heerlijk mee op. Ik ben nu eindelijk achter het geheim gekomen. Jongeheer Jervie en die uitgever hadden gelijk. Je schrijft het best, wanneer je het over dingen hebt die je door en door kent. En dezen keer heb ik het over iets, waarvan ik zeker weet te kunnen spreken. Raad eens wat! Het John Grier Home! En het wordt goed, Vadertje. Ik geloof het beslist. Tot op de kleine onbelangrijke alledaagsche dingetjes toe. Ik ben nu een realiste. Ik heb de romantiek er aan gegeven. Daartoe zal ik later nog wel terugkeeren, wanneer mijn eigen avontuurlijke toekomst begint.
Dit boek zal ik nu afmaken ook, en dan wordt het uitgegeven. Je zult het zien! Als je vurig naar iets verlangt en maar volhoudend blijft volharden, dan zet je je zin toch door op den duur. Ik heb er nu al vier jaar lang op gewacht een brief van jou te ontvangen en ik geef den moed nog altijd niet op.
Nacht Vadertje!
(Ik vind het prettig je „Vadertje” te noemen. Het klinkt zoo aardig, vertrouwelijk!)
Je je liefhebbende Judy.
P.S. Ik vergat nog, je nieuws van hier te vertellen. En het is toch werkelijk erg wanhopig nieuws. Lees maar niet verder als je niet tot tranen toe geroerd wilt worden.
Arme, oude Grover is dood! Hij was zoo zwak, dat hij niet meer kon eten en ze moesten hem daarom wel dood schieten.
Negen kuikens zijn laatst door een wezel of een bunzing of een rat om het leven gebracht.
Een van de koeien is ziek en we hebben den veearts uit Bonnyrigg Four Corners laten komen. Amasai moest den heelen nacht opblijven om de koe lijnzaadolie en whisky te geven maar we hebben er een zwaar hart over of die arme zieke koe wel iets anders dan lijnzaadolie te proeven heeft gekregen.
Sentimenteele Tommy (de schildpad) is spoorloos verdwenen. We zijn bang dat hij in een val terecht is gekomen.
Er is toch een macht verdriet op de wereld.
17 Mei.
Lieve Vadertje Langbeen,
Dit wordt maar een erg kort briefje, want mijn schouders doen al pijn bij het gezicht van een pen. Ik heb den heelen dag gedurende de colleges aanteekeningen moeten maken en den heelen avond aan mijn novelle geschreven en dat is toch werkelijk wat al te veel.
Woensdag over drie weken is er promotiedag. Ik hoop, dat je dan zult komen en kennis met me zult maken. Heusch Vadertje, ik zal je gaan haten als je zelfs dan niet komt opdagen. Julia noodigt Jongeheer Jervie uit omdat hij familie van haar is, en Sallie Jimmie McBride, ook omdat hij familie van haar is, maar wien kan ik in 's hemelsnaam uitnoodigen? Alleen jou en Juffrouw Lippett en haar wil ik niet zien. Kom dus alsjeblieft!
Dag lieveling, ik heb zoo'n schrijfkramp, dat ik het maar niet langer maak.
Judy.
Lock Willow.
19 Juni.
Lieve Vadertje Langbeen,
Het werk is volbracht. Mijn opleiding is teneinde. Mijn diploma ligt in de bovenste la van mijn kast bij mijn twee mooiste japonnen. De promotiedag verliep als gewoonlijk met een paar regenbuien op onheilspellende oogenblikken. Dank je voor je rozeknopjes. Ze waren schattig. Van Jongeheer Jervie en van Jimmie kreeg ik rozen, maar ik heb de hunne in het water laten staan en droeg jouw bloemen bij den rondgang van de Seniors.
Hier zit ik nu weer op Lock Willow voor de zomermaanden, misschien wel voor altijd. Het leven is hier goedkoop, de omgeving rustig en zeer geschikt voor een letterkundig leven. Wat kon een worstelende schrijfster nog meer verlangen. Mijn boek maakt me gek. Ik denk er elk wakend oogenblik aan en droom er nog 's nachts van bovendien. Alles wat ik verlang is rust en vrede en een macht tijd om te werken, onderbroken door krachtige maaltijden.
Jongeheer Jervie komt ook voor een week of zoo in Augustus en Jimmie McBride wil dezen zomer ook even komen aanwippen.
Hij is geïnteresseerd bij de een of andere onderneming en reist nu om aan de verschillende banken obligaties te verkoopen. Hij wil nu „The Farmers National” te Corners en mij op dezelfde reis vereenigen.
Je ziet dus, dat we hier op Lock Willow geen gebrek aan bezoekers hebben. Ik had verwacht, dat je ook eens langs zoudt komen met je auto, maar ik weet nu al, dat mijn wenschen in verband met jou toch hopeloos zijn. Toen ik zag dat je zelfs niet op mijn promotiedag was overgekomen, verbande ik je voor altijd en eeuwig uit mijn hart.
Judy Abbott A. B.
(A. B. afkorting van Artium Baccalaureus, dat is de eerste academische graad na drie jaar studie en examens).
24 Juli.
Liefste Vadertje Langbeen,
Is het niet heerlijk te kunnen werken? Of heb je het nog nooit gedaan? Het is vooral eenig, wanneer je werk het liefste is, dat je zou willen doen. Ik heb dezen zomer elken dag zooveel geschreven als ik maar met mogelijkheid kon doen en mijn eenige grief tegen het leven is, dat de dagen niet lang genoeg zijn om alle mooie en waardevolle en onderhoudende gedachten, die ik heb, zwart op wit te zetten.
Ik heb nu al twee deelen van mijn boek klaar en ga morgen om half zeven met het derde deel beginnen. Het is het mooiste boek, dat je ooit hebt gezien. Werkelijk waar! Ik denk aan niets anders meer. 's Morgens heb ik haast geen geduld om me behoorlijk aan te kleeden en te gaan ontbijten. Dan ga ik schrijven en nogeens schrijven totdat ik ten langen leste zoo doodop ben, dat ik haast van mijn stokje val. Dan ga ik uit met Collin (de nieuwe herdershond) en ren met hem door de velden en doe een nieuwen voorraad gedachten op voor den volgenden dag. Het is het mooiste boek, dat je ooit gelezen hebt. O, neem me niet kwalijk, dat heb ik je zooeven al verteld.
Zeg lieveling, je denkt toch niet, dat ik verwaand ben?
Dat ben ik anders heusch niet. Alleen maar een beetje opgewonden. Misschien bekoel ik later wel en word ik kritisch en vervelend. Och nee, dat weet ik toch wel, dat ik dat niet word. Maar dezen keer heb ik dan een werkelijk boek geschreven. Wacht maar totdat je het hebt gelezen, dan kun je er zelf over oordeelen.
Ik zal voor een oogenblik probeeren over iets anders te spreken. Ik heb je nog niet verteld, dat Amasai en Carrie dit jaar Mei getrouwd zijn, is het wel? Ze blijven hier beiden werken, maar voor zoover ik erover kan oordeelen, geloof ik, dat het huwelijk hen beiden heeft bedorven. Vroeger lachte ze, wanneer hij modderschoenen mee naar binnen bracht of asch op den grond morste maar nu.... Zeg, je moest haar eens hooren schelden. En ze krult haar haar ook niet meer. En Amasai, die vroeger altijd zoo graag bereid was om kleedjes te kloppen en hout aan te dragen, bromt nu als ze hem zoo iets vraagt. Zijn dassen zijn nu ook van een erg sombere kleur, zwart en bruin, terwijl hij vroeger nooit anders dan roode en paarse droeg. Ik heb besloten nooit te trouwen. Het schijnt dat dat heusch een ontaardend proces is.
Ik kan je van hier niet veel nieuws berichten. De dieren genieten alle een goede gezondheid. De varkens zijn buitengewoon vet, de koeien schijnen tevreden en de kippen leggen goed. Stel je belang in pluimvee? Laat ik je dan even dat kleine boekje aanbevelen: „200 eieren per kip elk jaar”. Ik denk er hard over, de volgende lente een kunstmatige broedmoeder te laten komen. Je ziet, dat ik al aardig aan het denkbeeld gewend raak, om hier op Lock Willow blijvend mijn tenten op te slaan. Ik moet hier nog 114 novellen schrijven, evenals Anthony Trollope's moeder. Dan heb ik mijn levenstaak volbracht en kan ik me terugtrekken en gaan reizen.
Mijnheer James McBride was hier den vorigen Zondag bij ons. We hebben gebraden kip en roomijs bij het avondeten gehad en het scheen hem heel goed te smaken. Ik was erg blij, hem weer eens te zien. Het was voor mij een bewijs, dat de wereld bij Lock Willow toch niet ophoudt. Die arme Jimmie moet hard werken om zijn obligaties kwijt te raken. The Farmers' National in Corners wil er niet van hooren, al betaalt het ook 6% en soms zelfs 7% per jaar. Ik denk, dat hij nu wel weer naar huis zal gaan en in de fabriek van zijn vader werk zal zoeken. Hij is veel te rond en vertrouwelijk en goedhartig om ooit een goed effectenman te worden. Maar aan het hoofd van een goed gaande fabriek te staan, is toch ook een prachtige positie, vindt je niet? Nu spreekt hij daar nog niet over, maar hij zal het later toch doen.
Ik hoop dat je het op prijs stelt, dat je vandaag een langen brief krijgt van iemand die erge schrijfkramp heeft. Ik hou toch nog altijd erg veel van je, lieveling, en ik voel me erg gelukkig. Overal zijn hier prachtige landschappen en er is altijd genoeg om te eten en ik heb een heerlijk, zacht bed en een riem papier en een liter inkt. Mijn hartje, wat wensch je nog meer?
Altijd, Je je liefhebbende Judy.
P.S. De postbode brengt ons zoo juist goed nieuws. Jongeheer Jervie kondigt ons zijn bezoek voor den volgenden Vrijdag aan en hij wil een week blijven. Heerlijk: ik ben alleen bang, dat er niet veel tijd voor mijn boek zal overblijven. Hij is nog al erg veeleischend.
27 Augustus.
Lieve Vadertje Langbeen.
Zeg, waar zit je nu?
Ik weet nooit in welken hoek van de wereld je eigenlijk bent, maar ik hoop, dat je in elk geval niet met die afschuwelijke warmte in New-York zit. Ik hoop dat je ergens op een hoogen bergtop zit (maar niet in Zwitserland, een beetje dichterbij). Denk alsjeblieft eens aan mij. Ik ben heelemaal alleen en ik verlang er toch zoo naar, dat iemand een oogenblik aan mij denkt. O lieveling, ik zou het toch zoo heerlijk vinden, als ik je werkelijk kende. Wanneer we ons dan alle twee ongelukkig voelden, zouden we elkaar kunnen opvroolijken.
Ik denk niet, dat ik nog lang op Lock Willow zal blijven. Ik zal maar weggaan. Sallie gaat den volgenden winter naar Boston om daar voor haar proefschrift te werken. Zou het niet aardig zijn als we samen gingen, dan zouden we samen een werkkamer hebben en ik zou schrijven terwijl zij aan haar proefschrift werkte, en 's avonds zouden we heel veel aan elkaar hebben. De avonden zijn hier zoo lang. Ik heb alleen maar de Semples en Carrie en Amasai om mee te praten. Ik weet al van te voren, dat je niet op mijn plannen zult ingaan. Ik zie al het briefje van je secretaris:
„Mejuffrouw Jerusha Abbott.
Lock Willow.
„Geachte Mejuffrouw,
„Mijnheer Smith ziet liever, dat u op Lock Willow blijft.
Hoogachtend, Elmer H. Griggs”.
Ik heb het land aan je secretaris. Ik ben er van overtuigd, dat een man, die Elmer H. Griggs heet, vervelend moet zijn. Maar werkelijk, lieveling, ik geloof in ernst dat ik naar Boston moet gaan. Ik kan hier niet langer blijven. Als er niet gauw iets gebeurt, zal ik me uit pure wanhoop nog gaan verdrinken.
Lieve deugd, wat is het warm! Het gras is heelemaal verschroeid en de beekjes zijn uitgedroogd, de wegen stoffig! Het heeft weken en weken lang niet geregend.
Deze brief klinkt heusch, alsof ik de hydrophobia had, maar dat is toch niet zoo. Ik verlang alleen maar naar familie, naar iemand die van me houdt.
Nacht, mijn lieve Vadertje. Ik wou, dat ik je kende.
Judy.
Lock Willow. 3 October.
Lieve Vadertje Langbeen.
Je eigenhandig geschreven briefje (en nog wel met zoo'n onzeker schrift) kreeg ik juist vanmorgen. Wat naar, dat je ziek bent geweest! Ik had je niet met mijn zaken lastig gevallen als ik dat geweten had. Ja, ik zal je mijn verdriet vertellen. Maar, het is nogal ingewikkeld om het alles te schrijven en het is een héél intieme kwestie. Bewaar dezen brief alsjeblieft niet, maar verbrand hem als je hem gelezen hebt.
Voordat ik begin, stuur ik je eerst een chèque van $ 1000.— Het lijkt wel grappig, hé, dat ik aan jou een chèque stuur. Waarmee denk je wel, dat ik dat zoo ineens heb verdiend?
Ik heb mijn boek verkocht, Vadertje. Het wordt nu in zeven deelen uitgegeven en dan in een boekdeel. Je denkt nu misschien, dat ik opgewonden van geluk ben, maar dat is toch niet zoo. Het kan me haast niets schelen. Natuurlijk ben ik blij, dat ik met het afbetalen een begin kan maken. Ik ben je meer dan $ 2000.— schuldig. Het zal bij gedeelten binnenkomen. Wees nu niet vervelend en zeg niet, dat je het niet wilt aannemen, want ik voor mij vind het een heerlijk gevoel, dat ik het terugbetalen kan. Ik ben jou veel meer dan je geld schuldig. Voor die rest zal ik je mijn heele leven dankbaar blijven en je liefhebben.
En nu Vadertje, moet ik je over iets anders spreken. Geef me nu een heel goeden raad.
Je weet, dat ik altijd heel veel van je heb gehouden. Jij was immers mijn heele familie in één. Maar natuurlijk neem je me niet kwalijk, als ik je zeg dat ik nog een anderen man op een heel, heel andere manier liefheb. Het zal je wel niet moeilijk vallen te begrijpen, wie dat is. Ik vermoed dat je het allang hebt gemerkt, dat mijn brieven vol waren van Jongeheer Jervie.
Ik wou dat ik je duidelijk kon maken, hoe hij is en hoe vriendschappelijk onze omgang was. We denken zoowat hetzelfde over alles. Ik ben bang dat ik dikwijls geneigd ben eerst te denken, hoe _hij_ het wel zou vinden. Maar hij heeft ook altijd gelijk. Dat moet ook, zie je, want hij is veertien jaar ouder dan ik. In andere dingen is hij weer een echte groote jongen en dan moet je wel degelijk voor hem zorgen. Hij heeft er b.v. geen flauw benul van, dat je overschoenen moet dragen, als het nat, regenachtig weer is. Hij en ik vinden dezelfde dingen leuk, en dat is ook een heeleboel waard. Het is erg vervelend wanneer de humoristische kijk op de dingen van twee menschen niet hetzelfde is. Ik geloof niet dat die twee dan werkelijk samen gelukkig kunnen zijn.
En dan is hij ... Ach, ik kan het je niet zeggen, hij is, die hij is en ik mis hem, ik mis hem vreeselijk. De heele wereld schijnt me zoo leeg en ellendig zonder hem. Ik haat den maneschijn, omdat die zoo prachtig is en hij niet bij me is om er samen met mij van te genieten. Maar misschien heb jij ook wel eens van iemand gehouden en weet je dus wat ik nu lijd. Als dat zoo is, hoef ik er ook niet verder over te spreken en als je het nooit gedaan hebt, wel, dan kan ik het je toch niet duidelijk maken.
In elk geval, ik verlang ontzettend naar hem. En ik heb geweigerd met hem te trouwen.
Ik gaf er hem geen reden voor op. Ik voelde me zoo ellendig en moe en ik kon niet denken bij wat ik zei. En nu is hij boos weggegaan en denkt, dat ik van Jimmie McBride hou. En dat is nog zoo'n jongen, heelemaal geen man. Maar Jongeheer Jervie en ik raakten van het eene misverstand in het andere en we griefden elkaar. Ik vroeg hem om weg te gaan, niet omdat ik hem niet genoeg liefhad, maar juist omdat ik hem boven alles liefheb. Ik was bang dat hij er later berouw van zou hebben en dat zou ik niet kunnen verdragen. Het schijnt me niet goed voor iemand als ik, die nog niet eens de naam van mijn ouders ken, in zoo'n familie te trouwen. Ik heb hem nog nooit over het vondelingengesticht gesproken en ik vond het altijd vreeselijk, dat ik daar niet voor uit dorst komen, en dat ik niet eens zelf wist, wie of ik eigenlijk ben. Misschien ben ik wel van heel lage afkomst, en zijn familie is trotsch. En ik ben ook trotsch.
Dan voelde ik ook een band tusschen jou en mij. Nu je mij de opleiding voor schrijfster hebt gegeven, heb ik de verplichting tenminste te trachten er een te worden. Het zou niet eerlijk zijn, eerst die opleiding aan te nemen en dan er mee uit te scheiden en er geen gebruik van te maken. Maar nu ik al een deel van de som heb terugbetaald, voel ik de schulden al lichter op me wegen en ook zie ik nu in, dat ik kan schrijven al ben ik getrouwd.
Ik heb er heel veel over nagedacht. Natuurlijk, hij is socialist, en heeft dus geen bekrompen gedachten over standsverschil. Misschien kan het hem niets schelen om iemand uit het volk te trouwen, zooals wel meer mannen er over denken. En als twee menschen goed harmonieeren en met elkaar gelukkig zijn en zich ellendig en verlaten voelen wanneer ze gescheiden zijn, moeten ze misschien wel niets ter wereld tusschen zich dulden. Natuurlijk wil ik dat vreeselijk graag gelooven, maar ik had ook graag uw onpartijdig oordeel gehoord. Jij behoort waarschijnlijk ook tot een aanzienlijke familie en je zult er van een wereldsch standpunt over oordeelen en niet alleen van een medevoelend-menschelijk standpunt. Dus zie je hoe dapper ik ben, om mijn lot door jou te laten beslissen.
Denk eens aan, als ik nu naar hem toeging en hem vertelde dat de oorzaak van onze ellende niet Jimmie McBride maar het John Grier Home was, zou dat niet vreeselijk voor me zijn? Ik zou er in elk geval veel moed voor noodig hebben. Neen, dan blijf ik me nog liever mijn heele verdere leven ellendig-alleen voelen.
Dit alles is zoowat twee maanden geleden gebeurd. Ik heb nog geen woord van hem gehoord sedert hij hier was, en ik ging juist aan het gevoel van een gebroken hart wennen, toen ik zoo net een brief van Julia kreeg, die me heelemaal van stuur maakt. Ze schrijft zoo terloops, dat „Oom Jervie” een heelen stormnacht uit is gebleven, terwijl hij in Canada op de jacht was en hij heeft sedert dien naren nacht longontsteking. En dat heb ik nooit geweten! Ik voelde me gekrenkt, omdat hij weg was gebleven en niets meer van zich had laten hooren! Ik denk, dat hij zich nu ook erg ongelukkig voelt, net als ik.
Wat raad je me nu aan te doen?
Judy.
6 October.
Liefste Vadertje Langbeen.