Vaders en Zonen

Part 9

Chapter 93,920 wordsPublic domain

--Och wat! Zoo een klein arbeidsveld zou u toch nooit bevredigen. Bekent u niet zelf, dat u niet gelooft in de medische wetenschap? U met uw zelfgevoel, distrikts-geneesheer? U zegt dat maar, om mijn vraag te ontloopen. Ik boezem u geen vertrouwen in. Toch geloof ik, dat ik u zou kunnen begrijpen, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik was zelf arm en vol zelfgevoel zooals u. Ik heb waarschijnlijk hetzelfde meegemaakt.

--Dat is goed en wel, Anna Sergejevna, maar ik ben niet gewoon, anderen mijn hart te openen, u moet me niet kwalijk nemen. En buitendien bestaat er zulk een kloof tusschen ons...

--Och kom, zult u me nog eens voor de voeten gooien, dat ik aristocrate ben? Ik heb u toch zeker wel bewezen...

--Buitendien, ging Bazarof voort, begrijp ik niet, welk genoegen er in kan liggen over de toekomst te spreken, die in 't algemeen zoo weinig met ons te maken heeft. Doet zich een gelegenheid voor, iets te praesteeren, des te beter, en anders zal het wel het best zijn, zoo weinig mogelijk onnoodig gepraat te hebben.

--U noemt vriendschappelijke gedachtenwisseling onnoodige praat. U acht mij ten slotte als vrouw uw vertrouwen niet waard? U veracht zoo een beetje het vrouwelijk geslacht!

--Ik veracht u geenszins, Anna Sergejevna, en dat weet u heel goed.

--Neen, ik weet niets. Maar het zij zoo. Dat u niet over uw toekomst wilt spreken, kan ik begrijpen, maar wat er op het oogenblik in u omgaat...

--Omgaat? herhaalde Bazarof. Ben ik soms een staat of een maatschappij? In ieder geval is dat niet erg belangrijk. En buitendien, moeten wij dan altijd maar luide verkondigen, wat er in ons omgaat?

--Ik zie niet in, waarom men niet eerlijk uit zou komen voor wat men op het hart heeft!

--Zou u dat kunnen?

--Ja, antwoordde mevrouw Odintsof na een oogenblik.

Bazarof boog.

--Dan bent u gelukkiger dan ik, zei hij.

Anna Sergejevna zag hem aan, alsof ze een verklaring verwachtte.

--U hebt goed praten, antwoordde zij, maar ik ben toch geneigd, te gelooven, dat wij elkaar niet vergeefs hebben ontmoet en dat wij goede vrienden zullen blijven. Ik ben overtuigd, dat uw geslotenheid, uw... hoe zal ik zeggen... hardheid op den duur verdwijnen zal.

--U vindt mij dus gesloten... of... hard?

--Ja.

Bazarof stond op en ging naar het venster.

--En u wilt de oorzaken van die geslotenheid leeren kennen, u wilt weten, wat er in mij omgaat?

--Ja, antwoordde mevrouw Odintsof, met een ontroering, waarvan ze zich nog geen rekenschap kon geven.

--En u zult niet boos worden?

--Neen!

--Niet? Bazarof stond met den rug naar haar toe.

--Weet dan, dat ik u dwaas, krankzinnig lief heb... u hebt mij gedwongen, het te zeggen.

Mevrouw Odintsof strekte haar armen. Bazarof drukte zijn voorhoofd tegen de ruit. Hij had het gevoel van stikken, beefde over al zijn leden; maar dat was niet de opgewondenheid van prille jeugd, niet de zalige verrukking eener eerste liefdesbekentenis, dat was het lijfsverlangen, dat in hem streed, die wilde, heftige kracht, die op het Booze lijkt en wellicht daarmee verwant is.

Mevrouw Odintsof gevoelde angst en medelijden tegelijk.

--Jevgenij Wassiljewitsj, zei ze zacht, en wellicht ongewild lag er diepe teederheid in haar stem.

Hij keerde zich om, keek haar aan met verterenden blik en trok haar bij de handen hartstochtelijk naar zich toe.

Zij kon zich niet dadelijk losrukken... maar na eenige oogenblikken was ze gevlucht in den versten hoek der kamer. Hij op haar toe...

--U hebt me niet begrepen! riep ze met heesche stem.

Nog een stap en ze zou geschreeuwd hebben. Dat was aan haar houding duidelijk kenbaar. Bazarof beet zich de lippen en liet haar alleen.

Een half uur later bracht een kamermeisje haar een briefje van Bazarof. Daar stond in: "Moet ik vandaag nog vertrekken, of kan ik tot morgen blijven?" Zij antwoordde: "Waarom vertrekken? Ik heb u niet begrepen en u hebt mij niet begrepen." Terwijl ze die woorden opschreef, dacht ze: ik heb me zelf niet begrepen.

Bij het middagmaal verscheen ze pas. Den geheelen morgen was ze heen en weer blijven loopen in haar kamer, was nu eens voor den spiegel, dan weer voor het venster blijven staan, terwijl ze voortdurend haar hals met een zakdoek afveegde. Ze verbeeldde zich, dat daar een gloeiend-roode vlek moest zijn. Ze had zich afgevraagd, waarom ze Bazarof tot die bekentenis gedwongen had en of ze het al niet reeds lang vermoedde.

Ik ben schuldig, zei ze hardop, maar wie kan alles vooruitzien?

Ze werd kalmer-droomend en schrok blozend bij de herinnering aan Bazarofs wilde blikken, toen hij op haar af was gekomen.

Of... misschien... zei ze dan weer opeens, bleef staan en schudde haar lokken. Toen ze in den spiegel haar licht opzij gebogen hoofd zag, met den geheimzinnigen glimlach in de halfgeloken oogen en op den half-open mond, ontroerde haar dit beeld, alsof het iets vreemds en dieps verborg.

--Neen, neen, zei ze ten slotte, God weet, waartoe dit leiden kan. Met zoo iets valt niet te spelen. De rust is toch het best op aarde...

Haar gemoedsrust werd dan ook niet verstoord. Maar ze was droevig en vergoot zelfs enkele tranen, zonder te weten waarom. Het was geen gevoel van schaamte of vernederd-zijn, ze voelde zich niet eens deemoedig geworden. Ze voelde alleen wat schuld. Geleid door allerlei onduidelijke gevoelens, het bewustzijn van een doelloos vervlietend leven en het verlangen naar nieuwe ontroeringen, was ze tot een grens gegaan en toen ze over die grens een blik wierp, had ze geen afgrond, maar toch leegheid en leelijkheid gezien...

XIX.

Ofschoon ze haar gevoelens volkomen beheerschte en veel vooroordeelen overwonnen had, kon ze toch iets pijnlijks niet onderdrukken, toen ze wederom in de eetkamer kwam. Er had niets bizonders plaats gedurende den maaltijd. Porphyriej Platonitsj verscheen en vertelde allerlei aardigheden. Hij was in de stad geweest. Hij had onder ander nieuws gehoord, dat de goeverneur de ambtenaren uit zijn onmiddellijke omgeving bevolen had, sporen te dragen, opdat dringende zaken dadelijk te paard uitgevoerd konden worden.

Arkadiej praatte zachtjes met Katja en bewees de vorstin-tante, als volmaakt diplomaat, kleine oplettendheden. Bazarof was stil en somber. Mevrouw Odintsof keek hem eenige malen tersluiks aan, wanneer hij zoo met neergeslagen oogen en een alles verachtende strengheid om zijn lippen scheen te zeggen: Neen, neen, neen!

Na tafel gingen allen in den tuin. Anna Sergejevna zag, dat Bazarof haar wilde spreken, liep enkele schreden vooruit en bleef toen staan. Hij trad op haar toe en zei, nog altijd met neergeslagen oogen en droeve stem:

--Ik moet u vergiffenis vragen. U zult zeker heel boos zijn.

--Neen, ik ben in 't geheel niet boos op u, antwoordde ze, maar ik ben bedroefd.

--Des te erger. In ieder geval ben ik voldoende gestraft. Mijn positie is onmogelijk geworden, dat zult u toegeven. U schreef: Waarom vertrekken? En ik kan en wil niet blijven. Morgen ga ik weg.

--Jevgenij Wassiljewitsj, waarom...

--Waarom ik weg ga?

--Neen, dat wilde ik niet zeggen.

--Wat voorbij is, komt niet terug. En vroeg of laat moest dit gebeuren. U ziet, er blijft mij niets anders over. Onder eén enkele voorwaarde zou ik nog kunnen blijven. Die voorwaarde zal nooit vervuld worden. Vergeeft u mijn vermetelheid, maar u hebt mij immers niet lief en zult mij nooit liefhebben.

Bazarofs oogen fonkelden even onder de zware wenkbrauwen.

Anna Sergejevna antwoordde niet, maar ze dacht: die man maakt me bang.

--Goeden dag! zei Bazarof, alsof hij in haar ziel gelezen had en liep in de richting van het huis.

Anna Sergejevna volgde hem langzaam. Ze riep Katja, nam haar arm, dien ze vasthield. Ze speelde niet mee en glimlachte gedwongen bij elke gelegenheid. En dit stond slecht bij haar bleek, moe gezicht. Arkadiej begreep niets van dit alles en vroeg zich, alleen opmerkend, af: wat beduidt dit toch? Bazarof had zich op zijn kamer opgesloten, maar kwam bij de thee. Mevrouw Odintsof had hem gaarne vriendelijk toegesproken, maar ze wist niet, wat te zeggen. Een onverwachte omstandigheid kwam haar te hulp. Sitnikof werd aangediend. Het is moeilijk de merkwaardige houding van den jongen "liberaal" bij zijn entrée de chambre te beschrijven. Met de hem eigen onbeschaamdheid had hij besloten, een vrouw te bezoeken, die hij nauwelijks kende en die hem nooit had uitgenoodigd, maar bij wie, zooals hij wist, twee ontwikkelde vrienden te gast waren. Toch was hij buitengewoon verlegen en in plaats van zich te ontlasten van zijn uit het hoofd geleerde complimenten en verontschuldigingen, stotterde hij allerlei dwaasheid: Eudoxia, dat wilde zeggen: Koeksjin had hem gezonden om te informeeren naar den gezondheidstoestand van Anna Sergejevna en Arkadiej Nikolajewitsj had altijd zeer vleiend over Anna Sergejevna gesproken... Midden in dien onzin bleef hij steken en werd zoo verward dat hij op zijn hoed ging zitten. Men joeg hem echter niet weg en Anna Sergejevna stelde hem zelfs voor aan haar tante en zuster en daardoor kreeg hij langzamerhand zijn tegenwoordigheid van geest terug en ging door met kletsen. Wanneer de menschelijke domheid verschijnt, kan dat zijn nut hebben. Zij brengt ontspanning in al te strak gespannen verhoudingen en te trotsche en ijdele gevoelens herinnert zij eraan, dat domheid en geest een zelfden oorsprong en veelal gelijkenis hebben. De verschijning van Sitnikof gaf een rustiger, eenvoudiger toon aan het leven in huis. Men soupeerde met meer smaak en ging een half uur vroeger dan gewoonlijk ter ruste.

--Nu kun je herhalen, zei Arkadiej van uit zijn bed tot Bazarof, die zich ook gereed maakte voor den nacht, wat je mij eens hebt gezegd: waarom zoo droevig? Zeker een of anderen heiligen plicht nagekomen?

De vrienden hadden sedert eenigen tijd de gewoonte, elkander op dezen zoet-bitteren toon te plagen, hetgeen altijd een bewijs is van innerlijk verdriet en wantrouwen, dat nog verborgen wil blijven.

--Ik ga morgen weg naar huis, zei Bazarof. Arkadiej keerde zich om en leunde op zijn elleboog. Dit bericht verraste hem aangenaam.

--O, antwoordde hij, ben je daarom zoo down?

--Veel weten veroorzaakt hoofdpijn, antwoordde Bazarof en gaapte.

--En Anna Sergejevna? vroeg Arkadiej.

--Wat zou die?

--Ik bedoel, laat zij je gaan?

--Ik ben toch niet in haar dienst!

Arkadiej zweeg, peinzend en Bazarof keerde zich met het gezicht naar den muur. Het bleef eenigen tijd stil.

--Jevgenij, riep Arkadiej opeens.

--Wat is er?

--Ik ga morgen met je mee.

Bazarof antwoordde niet.

--Ik ga ook naar huis, ging Arkadiej voort, we kunnen samen reizen tot Chochlof, waar je dan met Fedot verder je reis bepalen kunt. Ik had graag je ouders leeren kennen, maar ik vrees jou en hun ongelegen te komen. En dan kom je hoop ik later nog eens bij ons?

--Mijn bagage staat nog bij jullie, antwoordde Bazarof, zonder om te keeren. Waarom zou hij de redenen niet vragen van mijn plotseling besluit? dacht Arkadiej.--Waarom moeten we eigenlijk zoo opeens weg? Hij zoowel als ik?

Maar hij vond geen antwoord op die vragen en zijn hart was vol stille bitterheid. Hij voelde, dat het hem moeilijk zou vallen, dit leven, waaraan hij nu gewoon was geworden, te veranderen, maar nog moeilijker scheen het, alleen achter te blijven zonder Bazarof. Er moet iets gebeurd zijn tusschen hen, dacht hij, maar wat heb ik hier nu nog te doen, als hij weg is? Zij wil niets van mij weten en dan zou ik het zeker heelemaal verbruiden... Hij zag Anna Sergejevna's beeld voor zich, maar dat maakte langzaam plaats voor een ander...

--Jammer voor Katja, fluisterde hij in zijn kussen en vreemd, er viel een traan. Plotseling streek hij zich met de hand door het haar en riep:

--Wat moest die idioot van een Sitnikof hier doen?

Bazarof kwam in beweging.

--Ik zie, dat je nog heel dom bent, zei hij eindelijk. Lui als Sitnikof kunnen we niet missen. We hebben zulke idioten volstrekt noodig. Begrijp je me? De goden hebben ander werk als pottenbakken! [10]

--Hm! dacht Arkadiej. En voor het eerst zag hij Bazarofs eigenliefde in haar geheelen omvang.

--Wij zijn dus goden, jij en ik? Of liever jij! Want ik ben waarschijnlijk ook wel een idioot, is het niet?

--Ja, antwoordde Bazarof, jij bent nog dom...

Mevrouw Odintsof toonde zich niet bijster verrast, toen Arkadiej haar den volgenden morgen meedeelde, dat hij met Bazarof zou vertrekken. Ze zag er vermoeid en verstrooid uit. Katja keek hem ernstig aan en zei niets. De tante maakte een kruis onder haar sjaal zoodanig, dat hij het moest zien. Sitnikof raakte geheel buiten zichzelve. Hij had een nieuwen rok aan, die niets van den slavophiel vertoonde. Den vorigen dag had de knecht, die hem bedienen moest, verwonderd gestaan over de massa linnengoed, die de nieuwe gast had meegebracht. En nu gingen zijn vrienden weg! Hij liep angstig en besluiteloos heen en weer als een gejaagde haas aan den rand van een woud. En geheel onverwachts verklaarde hij bijna schreeuwend, dat ook hij besloten had, weg te gaan. Mevrouw Odintsof drong er niet op aan, dat hij zou blijven.

--Ik heb een gemakkelijk rijtuig, zei de ongelukkige jongeling tot Arkadiej, ik kan u naar huis brengen. Jevgenij Wassiljewitsj kan dan uw tarantas nemen. Zoo gaat het gemakkelijk.

--Hoe komt u erbij? Ons huis ligt niet langs uw weg. Dan moest u een grooten omweg maken.

--Dat beteekent niets. Ik heb tijd. En buitendien moet ik voor zaken in uw buurt zijn.

--Wodki-zaken? vroeg Arkadiej, op bijna verachtenden toon.

Maar Sitnikof was zoo onthutst, dat hij niet eens begon te lachen.

--Ik verzeker u, dat mijn rijtuig bizonder gemakkelijk is, ging hij voort, en dat er plaats is voor ons allen.

--Krenkt u den heer Sitnikof niet door te weigeren, zei Anna Sergejevna.

Arkadiej keek haar aan en boog het hoofd.

Na het ontbijt had het vertrek plaats. Bij het afscheid gaf mevrouw Odintsof Bazarof een hand en zei:

--Tot ziens, niet waar?

--Zooals u wilt.

--Dan zien we elkaar weer.

Arkadiej ging het eerst en nam plaats in Sitnikofs rijtuig. De hofmeester hielp hem eerbiedig instappen, maar hij gevoelde lust, hem te slaan of te weenen. Bazarof ging in den tarantas. Toen ze in Chochlofsk aangekomen waren, wachtte Arkadiej, tot Fedote, de herbergier, zijn paarden voor de tarantas had gespannen. Daarop ging hij naar het voertuig en zei met de vroegere hartelijkheid tot Bazarof:

--Jevgenij, laat mij meegaan. Ik wil met je mee.

--Stap maar in, mompelde Bazarof.

Toen Sitnikof, die fluitend rondliep, die woorden hoorde, sperde hij den mond van verbazing open. Arkadiej nam rustig zijn koffers, ging naast Bazarof zitten, groette Sitnikof beleefd en riep: Vooruit!

De paarden trokken aan en de tarantas was weldra uit het gezicht verdwenen. Sitnikof, die niet bekomen kon van zijn verbazing, keek den koetsier grimmig aan, sprong in het rijtuig, riep twee voorbijgaande boeren toe: zet je mutsen op, ezels! en reed stadwaarts, waar hij laat aankwam. Den volgenden dag had hij het met madame Koeksjin in haar salon, over die twee hoogmoedige grove kinkels, die hem zoo maar in den steek hadden gelaten.

Arkadiej drukte Bazarof de hand, toen hij naast hem zat en zei langen tijd geen woord. Bazarof scheen dit zwijgen, dien handdruk te begrijpen. Den vorigen nacht had hij geslapen, noch gerookt. Reeds eenige dagen had hij ook weinig gegeten. Zijn somber ingevallen gezicht teekende zich scherp af onder de reismuts.

--Geef me een sigaar, zei hij eindelijk,... heb ik een beslagen tong? kijk eens.

--Ja, antwoordde Arkadiej.

--Dacht ik wel... daarom smaakt me die sigaar niet. De machine loopt niet.

--Ja, je bent wel veranderd, zei Arkadiej.

--Heeft niets te beteekenen, zal wel weer goed komen. Alleen voor de zorgzaamheid van mijn moeder ben ik bang. Als men niet zijn buik volstopt en tienmaal per dag eet, heeft ze geen rust. Mijn vader is gelukkig niet zoo. Die kent de wereld en is door de wol geverfd.

--Niet te rooken! zei hij ergerlijk en gooide de sigaar naar buiten.

--Ligt jullie goed niet vijf en twintig werst van hier? vroeg Arkadiej.

--Ja. Maar hier is een wijsgeer, die het ons precies kan zeggen. En daarbij wees hij naar den boer, die op den bok zat en wien Fedote de leidsels gegeven had. De wijsgeer antwoordde:

--Wie weet? De wersten worden hier niet gemeten.

En daarna sprak hij weer zacht met zijn paard, dat voortdurend den kop schudde.

--Ja, ja, zei Bazarof, dat moet ons een leering zijn. Ik geloof, dat de duivel de hand in het spel heeft. De mensch hangt aan een draad, ieder oogenblik kan hij in een afgrond storten, die zich voor hem opent. En daaraan heeft hij nog niet genoeg. Hij bedenkt nog allerlei domheden, die hem nog ongelukkiger maken.

--Wat bedoel je? vroeg Arkadiej.

--Niets. En zoo zeg ik ook zonder bedoeling, dat we ons als ezels hebben gedragen. Buitendien heb ik opgemerkt, dat zieken, die hun toestand overzien, altijd beter worden.

--Ik begrijp je niet goed, antwoordde Arkadiej, ik geloof, dat je geen reden hebt, je te beklagen.

--Omdat je mij niet goed begrijpt, zal ik je dit zeggen. Men doet beter, steenen te kloppen op straat, dan een vrouw ook maar den top van den kleinen vinger te geven. Dat is allemaal... Bazarof wilde zijn lievelingswoord romantiek lanceeren, maar hij hield zich in.

--Je zult me nu niet gelooven, ging hij voort, en toch is het waar, wat ik zeg. We zijn allebei in vrouwengezelschap verzeild geraakt en dat leventje beviel ons wel. Maar het is even aangenaam, dit gezelschap weer te verlaten, als op een heeten dag een koude douche te nemen. Een man heeft beter te doen, dan zich met zulke dwaasheden afgeven. Een man moet wild zijn, zei een heel verstandig spaansch spreekwoord. Jij bijvoorbeeld, vriend, zeg eens, richtte hij zich tot den koetsier, heb jij een vrouw?

De boer keek om en toonden den beiden vrienden zijn breed, plat gezicht.

--Een vrouw? Zou ik geen vrouw hebben?

--Sla je haar?

-- Mijn vrouw? Dat hangt er van af.--Zonder reden niet.

--Natuurlijk niet. En slaat zij jou ook?

De boer rukte aan den teugel.

--Wat zegt u, heer? vroeg hij, ik geloof, dat u grappen maakt, heer.

Die vraag had hem blijkbaar gekrenkt.

--Hoor je dat? Arkadiej. En toch zijn wij allebei geslagen. Dat hebben wij ervan, dat we ontwikkelde menschen zijn.

Arkadiej glimlachte gedwongen, Bazarof keerde zich af en deed de geheele verdere reis den mond niet meer open.

De vijf en twintig werst leek Arkadiej vijftig. Het dorp, waar Bazarofs ouders woonden, werd eindelijk zichtbaar tegen de helling van een lagen heuvel. Niet ver daar vandaan stond tusschen een groep jonge berken het heerenhuis met strooien dak. Bij den ingang van het dorp stonden twee boeren, de mutsen op het hoofd en keven.

--Je bent een dik zwijn, zei de een tot den ander.

--En jij bent een varken, en je wijf is een heks, antwoordde de andere.

--Zulk een lieve vertrouwelijkheid, zei Bazarof, de opgewekte toon van deze woordenwisseling kan je bewijzen, dat de boeren van mijn vader niet al te strak gehouden worden. Maar daar heb je hem zelf al. Hij heeft zeker de schellen gehoord. Hij is het. Ik herken hem aan zijn figuur. Wat is hij grijs geworden, de arme duivel!

XX.

Bazarof leunde uit den tarantas. Arkadiej zag over de schouders van zijn vriend op den stoep van het huis een groot, mager man met opstaande haren, een kleine wipneus en een oude soldatenjas. Hij stond wijdbeens, een lange pijp in de hand en knipoogde, alsof hij zijn oogen tegen de zon wilde beschermen. De paarden hielden stil.

--Daar ben je dan! riep Bazarofs vader en rookte verder, ofschoon de pijp tusschen zijn tanden beefde. Kom, stap uit, stap uit, dat ik je behoorlijk omhelzen kan.

Hij omarmde den zoon.

--Jenoesja, Jenoesja! riep een trillende stem uit het huis. De voordeur ging open en een kleine matrone verscheen in wit kapje en kort jak. Ze schreeuwde, wankelde en zou gevallen zijn, als Bazarof haar niet opgevangen had.

De kleine mollige handen lagen weldra om Bazarofs nek en ze drukte haar gezicht tegen zijn borst. Alleen onderdrukt snikken was te hooren. Bazarofs vader knipoogde erger dan in het begin.

--Nou is het genoeg, Ariesja, hou op, schei nu uit, zei hij eindelijk en keek Arkadiej aan, die onbewegelijk bij het rijtuig stond. Zelfs de boer op den bok keerde zich geroerd af.--Dat is niet noodig, hou op, houd op!

--Och Wassili Ivanitsj! antwoordde het oudje snikkend, als ik bedenk, dat hij daar is, onze jongen, onze Jenoesja!

En zonder hem los te laten, hief zij haar betraande gezicht op, keek Bazarof met grappig-gelukkige uitdrukking aan en drukte hem nog eens aan het hart.

--Nou ja, dat begrijp ik allemaal wel, zei Wassili Ivanitsj, maar laten we nu naar binnen gaan. Jevgenij heeft een vriend meegebracht. Neemt u ons niet kwalijk, maar u begrijpt, vrouwelijke zwakheid... een moederhart...

De laatste woorden golden Arkadiej, maar ook zijn eigen lippen trilden. Hij deed zijn best, kalm te blijven, zelfs onverschillig, maar het ging niet.

Arkadiej boog het hoofd.

--Kom moedertje, zei Bazarof, laat ons naar binnen gaan. En hij voerde de oude vrouw, die in tranen versmolt, naar de ontvangkamer. Hij zette haar in een gemakkelijken stoel, omhelsde nog eens zijn vader en stelde hem zijn vriend voor.

--'t Doet me genoegen, kennis te maken, zei Wassili Ivanitsj, maar u moet het bij ons voor lief nemen, alles is eenvoudig hier, militair.--Arina Vlassievna, doe me het pleizier en kom tot jezelf! Dat is zwakheid! Onze gast zal een mooien indruk van je krijgen.

--Vadertje, zei de oude, met tranen nog in de stem, ik ken uw voornaam en uw vadersnaam nog niet.

--Arkadiej Nikolajevitsj, antwoordde Wassili Ivanovitsj op eenigszins plechtigen toon.

--Vergeef mij, domme vrouw, klonk het zwakjes, ze snoot haar neus, en veegde het eene oog, en daarna het andere af, waarbij ze het hoofd rechts en links gebogen hield.--Neemt u me niet kwalijk. Ik had gedacht, te zullen sterven, zonder mijn armen zoon... weergezien te hebben.

--En nu hebt u hem weergezien, mevrouw, zei Wassili Ivanovitsj levendig.--Tanioesjka, heette het nu tegen een twaalfjarig meisje, dat blootsvoets in een hel-rood katoenen rokje, angstig in de deur stond te kijken.--Breng de vrouw een glas water op een blaadje, versta je, en de heeren? ging hij voort op jovialen toon, die wat van de oude school had, mag ik zoo vrij zijn, u uit te noodigen, het kabinet van den veteraan binnen te treden?

--Laat ik je nog eens omhelzen, Jenoesjetsjka, zuchtte Arina Vlassievna. Bazarof boog over haar heen.--Wat ben je een prachtige jongen geworden!

--Dat kan ik niet vinden, antwoordde Wassili Ivanovitsj, maar zooals de Franschman zegt, een homme fait is hij geworden. En nu van wat anders, Arina Vlassievna, als je moederhart verzadigd is, moest je je eens met de spijziging van onze dierbare gasten bezig houden, want je weet, de nachtegaal leeft niet alleen van zingen!

De moeder stond op.

--De tafel is dadelijk gedekt, Wassili Ivanovitsj. Ik zal zelf naar de keuken gaan en voor het opdoen zorgen. In een oogenblik is alles in orde. In geen drie jaar heb ik hem gezien, heb ik hem te eten of te drinken gegeven! Dat is geen kleinigheid.

--Maak voort, moeder, schaf voor vier, dat je eer van je werk hebt. En als ik de heeren nu verzoeken mag? Daar is Timofeitsj, Jevgenij, en wil je verwelkomen. Die zal ook gelukkig zijn, die oude poedel! Is 't niet Poedel? Wilt u maar volgen, heeren?

Wassili Ivanovitsj opende de optocht met een gewichtige houding en slofte met zijn oude pantoffels over den vloer.