Part 6
--Ja, antwoordde Sitnikof, met gedwongen glimlach. Ga jullie mee?
--Ik weet niet, wat ik zeggen zal...
--Je wilde immers menschen bestudeeren... zei Arkadiej fluisterend.
--En gaat u ook mee, meneer Kirsanof? vroeg Sitnikof. We gaan niet zonder u.
--We kunnen toch niet zoo met z'n drieën daar in huis komen vallen...
--Dat hindert niet. Ze is een zeldzame vrouw!
--We krijgen dan champagne? herhaalde Bazarof.
--Drie flesschen, riep Sitnikof, ik sta er voor in.
--Waarmee?
--Met mijn hoofd.
--De portemonnaie van papa zou een beter pand zijn. Maar vooruit dan maar!
XIII.
Het kleine huis in Russischen stijl, waar Avdotja Nikitisjna of Eudoxia Koeksjin woonde, stond in een voor kort afgebrande straat. Het is bekend, dat onze provinciestadjes om de vijf jaar afbranden. Aan de voordeur was naast een scheef hangend visitekaartje een schel aangebracht; een juffrouw met een mutsje op, half dienstmeid, half dame van gezelschap, ontving de heeren in de voorkamer. Een en ander ten bewijze van den liberalen geest der bewoonster. Sitnikof vroeg of Avdotja Nikitisjna thuis was.
--O, bent u het Victor? riep een hooge stem uit de achterkamer.--Kom binnen! Meteen verdween de juffrouw met het mutsje.
--Ik ben niet alleen, zei Sitnikof en keek zijn vrienden met een blik van verstandhouding aan, terwijl hij zijn overjas uitdeed.
--Dat hindert niet, antwoordde Eudoxia Nikitisjna, kom maar binnen!
De jonge lieden gehoorzaamden. Het vertrek, dat ze binnentraden, leek meer een werkkamer dan een salon. Papier, brieven, Russische tijdschriften, meest onopengesneden, slingerden op stoffige tafels. Overal half opgerookte sigaren daartusschen. De vrouw des huizes lag op een leeren sofa. Ze was jong, blond, een kanten doekje over het hoofd, zware armbanden had ze aan de polsen en haar handen waren klein met korte vingers. Ze stond op, trok een fluweelen sortie, met vergeeld hermelijn gevoerd, losjes over de schouders, zei met iets smachtends in haar stem:
--Dag Victor, en drukte hem de hand.
--Bazarof, Kirsanof, zei deze kort, Bazarofs manier van voorstellen nabootsend.
--Aangenaam, heeren, antwoordde mevrouw Koeksjin. Ze richtte haar ronde oogen, waartusschen een heel klein, armzalig, rood wipneusje stond, op Bazarof, voegde er bij: Ik ken u, en gaf hem ook een hand. Bazarof vertrok even zijn gezicht. Het onbeduidende gezichtje was niet bepaald leelijk, maar de uitdrukking was onaangenaam. Men zou willen vragen: Wat scheelt eraan? Heb je honger? Verveel je je? Ben je bang voor iets? Ze had evenals Sitnikof het gevoel, alsof er voortdurend iets knaagde aan haar ziel. Haar bewegingen en manier van spreken hadden iets haastigs en logs tegelijk. Ze vond zich zelf zeker goed en eenvoudig, en toch, wat ze ook deed, het had altijd den schijn, alsof haar plan was, iets anders te doen.
-- Ja, ja, ik ken u Bazarof, herhaalde ze. (Naar de gewoonte der vrouwen van het land, noemde ze mannen, die ze voor het eerst zag, bij hun familienaam.) Rookt u?
--Een sigaar graag, zei Sitnikof, die het zich intusschen gemakkelijk had gemaakt in een leunstoel, een been over het andere.--Maar u moet ons ook wat te eten geven. We vergaan van den honger. En laat dan maar meteen een flesch champagne aanrukken.
--Sibariet! antwoordde ze lachend. Als ze lachte, zag men het tandvleesch. Is hij nu geen Sibariet, Bazarof?
--Ik houd van mijn gemak, zei Sitnikof met waardigheid. Maar daarom ben ik niet minder liberaal!
--Jawel, riep Eudoxia, en ze beval het kamermeisje, voor een dejeuner te zorgen en champagne te brengen.
--Hoe denkt u daarover? vroeg ze Bazarof, ik weet zeker, dat u het met mij eens bent!
--Dan vergist u je, antwoordde deze, een stuk vleesch is beter dan een stuk brood, zelfs van het standpunt der chemische analyse.
--Aha. U doet aan chemie. Dat is mijn zwak. Ik heb zelf een soort lijm uitgevonden.
--Lijm? U?
--Ja, weet u, waarvoor? Voor poppen, poppenhoofden. Bizonder duurzaam. Ik ben practisch. Maar ik ben het nog niet met mezelf eens. Ik moet Liebig raadplegen. Hebt u in de Moscousche courant het artikel van Kisljakof over den vrouwenarbeid gelezen? Dat moet u lezen. U interesseert u immers voor de vrouwenkwestie? En voor de schoolkwestie ook? En wat doet uw vriend? Hoe heet hij?
Mevrouw Koeksjin ratelde deze vragen na elkander af met een naïeve onverschilligheid, zonder eenig antwoord af te wachten. Zoo praten ook verwende kinderen met hun gouvernante.
--Ik heet Arkadiej Nikolajwitsj Kirsanof, zei Arkadiej, en doe niets.
Eudoxia lachte.
--Dat is alleraardigst. Rookt u niet? Victor, je weet, dat ik boos op je ben.
--Waarom?
--Je begint weer met George Sand te dwepen. Dat is een antiek meubel en verder niets. Hoe kan iemand haar met Emerson vergelijken? Ze heeft geen begrip van opvoeding of physiologie of wat ook. Ik ben overtuigd, dat ze nooit van embryologie gehoord heeft en hoe kunnen we het tegenwoordig zonder die wetenschap stellen? (Eudoxia spreidde de armen uit bij deze woorden). Wat heeft Jelisejewitsj een prachtig artikel over dit onderwerp geschreven! Dat is een genie, die heer. (Eudoxia zei meestal heer in plaats van man). Bazarof, kom eens bij me zitten op de sofa. U weet zeker niet, dat ik vreeselijk bang voor u ben.
--Waarom? U maakt me nieuwsgierig.
--U bent een gevaarlijk heer. U critiseert alles ter wereld. Maar mijn hemel, ik spreek als een echte gans. Maar ik ben ook eigenlijk een gans. Ik beheer mijn goed zelf, maar verbeeld u, mijn opzichter Jerofej is een type. Hij doet me denken aan Coopers Padvinder. Hij heeft zoo iets oerwoudachtigs. En nu zit ik voor goed hier in deze verschrikkelijke stad. Is het niet verschrikkelijk? Maar wat te doen?
--Het is een stad, als elke andere, antwoordde Bazarof droogjes.
--De kleinzieligste dingen houden de menschen hier bezig. 't Is afschuwelijk. Anders was ik den heelen winter in Moscou. Maar de eerbiedwaardige heer Koeksjin heeft zich daar gevestigd. Buitendien is Moscou tegenwoordig... ik weet niet... het is allemaal anders tegenwoordig. Ik zou willen reizen. Verleden jaar was ik ook al van plan, op reis te gaan.
--Zeker naar Parijs? vroeg Bazarof.
--Naar Parijs en Heidelberg.
--Waarom Heidelberg?
--Omdat Bunsen daar woont.
Bazarof wist geen antwoord.
--Pierre Sapozjnikof... dien kent u toch?
--Ik heb niet de eer.
--Hoe is 't mogelijk? Pierre Sapozjnikof. Hij is altijd met Lydia Chostatova.
--Die ken ik ook niet.
--Nu, Sapozjnikof had me zijn reisgezelschap beloofd. Ik heb gelukkig geen kinderen. Wat zei ik daar? Gelukkig?... Dat doet er ook niet toe. Eudoxia rolde een sigaret tusschen haar geel geworden vingers, trok die over haar tong, en begon te rooken.
Het kamermeisje kwam met het theeblad.
--Aha, daar is het eten! Wilt u wat gebruiken? Victor, trek de flesch eens open. Dat behoor jij te kunnen.
--Kunnen, kunnen, mompelde Sitnikof.
--Zijn hier ook mooie vrouwen? vroeg Bazarof bij zijn derde glas.
--Zeker, antwoordde Eudoxia, maar heel onbelangrijk. Mon amie Odintsova is niet kwaad. Alleen heeft ze een beetje 'n slechte naam... dat is nu wel niet zoo erg, maar van verheven ideeën, van geest geen spoor. Ons opvoedingsysteem deugt ook niet. Onze vrouwen hier zijn slecht opgevoed.
--U zult ze niet beter maken, zei Sitnikof, de eenige houding is, ze verachten, en ik veracht ze diep! (Sitnikof hield er van, te verachten, en hieraan uiting te geven. Hij had het vooral tegen "het geslacht", zonder te vermoeden, dat hij voorbestemd was, weldra voor zijn vrouw te kruipen, alleen omdat ze een vorstin Doerdoleosova was.) Er is niet één, die zich in het gesprek tot onze hoogte kan opheffen, niet één, die het verdient, dat ernstige mannen als wij zich met haar bezighouden.
--Ik zie niet in, waarom zij onze gesprekken behooren te begrijpen, zei Bazarof.
--Wie bedoelt u? vroeg Eudoxia.
--De mooie vrouwen.
--U bent het dus eens met Proudhon?
Bazarof richtte zich met verachtende geste op.
--Ik ben het met niemand eens, ik heb mijn eigen meeningen.
--Weg met alle autoriteiten! riep Sitnikof, gelukkig, in tegenwoordigheid van een man, wiens onderdanige dienaar hij was, eens flink te kunnen optreden.
--Maar Macauley zelf, zei mevrouw Koeksjin...
--Weg met Macauley! riep Sitnikof met donderende stem. U neemt het op voor die zotte vrouwmenschen!
--Ik strijd volstrekt niet voor de vrouwmenschen, maar voor de rechten der vrouw, die ik gezworen heb te verdedigen.
--Weg met... Sitnikof maakte zijn zin niet af. Hij viel zich zelf in de rede: ik heb niets tegen ze!
--Ik zie, dat u slavofiel bent!
--Heelemaal niet. Ik ben geen slavofiel, maar...
--Jawel u bent slavofiel. U bent het eens met de Domostroi, (een 17e-eeuwsch werk over huishoudelijke toestanden) nogal patriarchaal! Het mankeert er nog maar aan, dat u de vrouwen met de zweep te lijf gaat!
--Een mooi ding, de zweep, zei Bazarof,--maar we zijn aan den laatsten droppel.
--Waarvan? vroeg Eudoxia.
--Van de champagne, niet van uw bloed.
--Ik kan het niet verdragen, als men de vrouwen aanvalt, dat is afschuwelijk. Men moest liever eens het boek van Michelet lezen: De l'Amour. Een heerlijk werk! Laten we over de liefde spreken, ging Eudoxia voort en haar hand liet ze smachtend rusten op een kussen. Het werd plotseling stil in de kamer.
--Waarom, vroeg Bazarof, over de liefde? Mevrouw Odintsof zal wel interessanter zijn! Zoo heet ze immers? Wie is ze?
--Bekoorlijk, bekoorlijk! riep Sitnikof uit, ik zal haar jullie voorstellen. Ze is geestig, rijk en weduwe. Ongelukkig is ze geestelijk nog niet volkomen ontwikkeld, ze moest wat meer met onze Eudoxia omgaan! Ik drink op je gezondheid, Eudoxia! Aanstooten! Et toc, et toc, et tin, tin tin. Et toc, et toc et tin-tin-tin!
--Victor, je bent een grappenmaker!
De maaltijd duurde nog lang. De eene flesch champagne volgde op de andere. Eudoxia praatte maar door. Sitnikof niet minder. Ze kibbelden over het huwelijk, of het een vooroordeel was of een misdaad. Ze behandelden de kwestie, of de menschen met denzelfden aanleg geboren werden, of niet, en wat eigenlijk individualiteit was. Het kwam zoover, dat Eudoxia, roode vlekken in het gezicht, met haar nagels op de ontstemde piano begon te hameren en met heesch geluid eerst zigeunerliederen zong en toen de romance van Seymour Shiff: Granada droomt in haren sluimer.
Sitnikof speelde den minnaar. Hij had een lint om zijn voorhoofd gebonden. Toen zij de woorden galmde:
In mijner kussen heeten gloed Vereenen zich, lief, onze lippen,
kon Arkadiej zich niet langer goed houden:
--Dat krijgt hier iets van een gekkenhuis, riep hij uit.
Bazarof had zich ertoe bepaald, nu en dan een spottend woord te lanceeren en stelde het meest belang in de champagne. Hij gaapte hardop, stond op en ging weg met Arkadiej, zonder afscheid te nemen. Maar Sitnikof holde hen achterna.
--En, vroeg hij, van den één naar den ander ziende, heb ik u niet gezegd, dat zij een merkwaardige persoonlijkheid is? Dat is een vrouw, zooals wij er veel moesten hebben. Ze is in haar soort een fenomeen van hoogere zedelijke orde!
--Hoort deze inrichting van je vader ook tot die hoogere orde? vroeg Bazarof en wees op een kroeg, waar ze juist langs kwamen.
Sitnikof antwoordde met zijn gewonen valschen glimlach. Hij schaamde zich over zijn afkomst en wist niet, of hij zich gevleid of beleedigd moest voelen over Bazarofs gemeenzaamheid.
XIV.
Het bal bij den goeverneur had eenige dagen later plaats. Mathias Ilitsj bleek inderdaad de koning van het feest. De predwodietjel [9] verklaarde ieder, die het wilde hooren, dat hij uitsluitend te zijner eer was gekomen. De goeverneur zelf ging gedurende het bal, met de grootste nauwgezetheid voort, regeeringszaken af te handelen. Mathias Ilitsj' opgewekte stemming deed niets af aan den adel zijner houding. Voor ieder had hij een vriendelijk woord, voor den een met een nuance van hoogachting, voor den ander min of meer uit de hoogte. "En vrai chevalier français" overstelpte hij de dames met beleefdheden en lachte voortdurend in dien fijnen, geluidloozen toonaard, zooals dat voor een man van aanzien past. Hij klopte Arkadiej op den schouder en noemde hem duidelijk hoorbaar zijn besten neef. Bazarof, die een eenigszins kalen rok aan had, mocht zich gelukkig achten met een verstrooiden, maar welwillenden blik nu en dan en een minzaam gemompel, waarin alleen den superlatief-uitgang en het voornaamwoord "ik" verstaanbaar waren. Sitnikof kreeg een vinger toegestoken, waarbij hij glimlachte zonder hem aan te zien. En zelfs mevrouw Koeksjin, die zonder crinoline en met vuile handschoenen, maar met een grooten paradijsvogel in het haar verschenen was, wist hem een enchanté te ontlokken. Er waren veel menschen en vooral veel heeren. De gerokte stonden meest tegen de muren, maar de militairen dansten hartstochtelijk. Onder deze blonk één uit, die zes weken in Parijs was geweest en derhalve uitdrukkingen als ah! fichtre! pst! mon bibi! had meegebracht, welke hij dan ook volmaakt, met echt Parijsch flair uitsprak, hetgeen echter niet verhinderde, dat hij si j'aurais, in plaats van si j'avais zei en abolument voor "zeer zeker". Hij sprak dus Russisch-Fransch, waar mee de Franschen, den spot drijven, zoolang zij ons niet verzekeren, dat wij hun taal spreken comme des anges!
Arkadiej danste weinig en Bazarof in 't geheel niet. Met Sitnikof trokken zij zich in een hoekje terug. Deze maakte opmerkingen, die zoogenaamd scherp waren en glimlachte daarbij verachtend, terwijl hij uitdagend rondkeek en bizonder met zich zelf ingenomen was. Maar op een gegeven oogenblik veranderde zijn houding en fluisterde hij Arkadiej opgewonden toe:
--Daar is mevrouw Odintsof.
Arkadiej keek en zag een slanke, in het zwart gekleede vrouw binnenkomen. Het voorname in haar wezen verraste hem. Haar bloote armen rondden teêr langs de ranke lichaamslijn, lichte fochsiabloesem vielen van haar glanzend kapsel over de mooie schouders. Haar klare oogen waren meer verstandig en rustig dan peinzend. Een blank voorhoofd welfde zich zacht daarboven. Heel even glimlachte haar mond. Beminlijke en teedere kracht ademde heel haar wezen.
--Kent u haar? vroeg Arkadiej.
--Heel goed. Zal ik u voorstellen?
--Gaarne... na dezen dans.
Bazarof merkte mevrouw Odintsof ook op.
--Wie is die daar? vroeg hij. Dat is heel iets anders als de rest.
Na den dans bracht Sitnikof Arkadiej bij mevrouw Odintsof. Maar hij scheen lang niet zoo bevriend met haar als hij gezegd had. Hij kon niet goed uit zijn woorden komen en zij keek hem met eenige verbazing aan. Er kwam echter iets vriendelijks in haar gezicht, toen zij Arkadiej's familienaam hoorde. Ze vroeg, of hij de zoon van Nikolaas Petrowitsj was.
--Ja, antwoordde hij.
--Ik heb uw vader tweemaal gezien en dikwijls over hem hooren spreken. Ik ben verheugd, u te hebben leeren kennen.
Op dit oogenblik kwam een adjudant haar vragen voor een quadrille en ze nam aan.
--U danst dus? vroeg Arkadiej eerbiedig.
--Ja, maar waarom denkt u, dat ik niet zou dansen? Vindt u mij te oud om te dansen?
--Hoe kunt u dat veronderstellen? Mag ik misschien de volgende mazurka?
Zij glimlachte.
--Heel graag, antwoordde ze en keek hem aan zooals gehuwde zusters hun jongere broeders aankijken. Ze was wat ouder dan Arkadiej. Negen en twintig. Maar Arkadiej voelde zich in haar tegenwoordigheid als een jong student, een schooljongen, alsof het verschil in leeftijd nog veel grooter was. Mathias Ilitsj kwam met majestueus gebaar op haar toe en begon zijn complimenten. Arkadiej trad terug. Maar volgde haar met de oogen gedurende den dans. Ze praatte even natuurlijk met haar danser als met Mathias Ilitsj, en daarbij bewoog ze hoofd en oogen langzaam van de eene zijde naar de andere. Arkadiej hoorde haar twee of driemaal zachtjes lachen. Ze had, zooals bijna alle Russische vrouwen, een misschien wat grooten neus en haar teint was niet volkomen blank. Toch moest Arkadiej zich zelf bekennen, dat hij nooit een meer volmaakte schoonheid had gezien. Voortdurend hoorde hij den toon van haar stem. Hij vond zelfs, dat de plooien van haar kleed anders vielen als bij andere vrouwen, rijker, meer harmonisch, doordat al haar bewegingen van zulk een edele, natuurlijke gratie waren.
Bij de eerste tonen der mazurka beefde Arkadiej. Hij ging naast haar zitten en omdat hij niet wist, wat te zeggen, streek hij verlegen met de hand door het haar. Maar dat duurde niet lang. Haar kalmte bracht hem tot zich zelf. En weldra keuvelde hij onbevangen over zijn oom en vader, van hun levenswijs in Petersburg en op het land. Mevrouw Odintsof luisterde met welwillende oplettendheid, terwijl ze haar waaier op en neer bewoog. Alleen door de komst van cavaliers, die hun dans verzochten, werden zij nu en dan gestoord. Sitnikof kwam tweemaal. Daarna keerde zij weer terug en speelde weer met den waaier, zonder dat eenige opwinding haar borst sneller deed kloppen. En Arkadiej vertelde verder, gelukkig, haar naast zich te weten, haar oogen en voorhoofd, haar ernstig, lief gezicht te kunnen zien. Zij sprak weinig, maar als een vrouw met zekere levenswijsheid. Arkadiej begreep, dat haar jaren niet zonder ontroeringen waren geweest, dat ze had leeren nadenken.
--Wien had u straks bij u, toen Sitnikof u voorstelde? vroeg ze.
--Hebt u hem opgemerkt? Een typische kop, vindt u niet? Dat is mijn vriend Bazarof.
En Arkadiej begon nu over hem te spreken. Hij verviel daarbij in allerlei bizonderheden en raakte zoo in vuur, dat mevrouw Odintsof met veel belangstelling naar hem omkeek. Toen was de mazurka afgeloopen. Het speet Arkadiej, dat hij zich nu verwijderen moest. De tijd was zoo aangenaam vergaan. Wel had hij voortdurend gevoeld, dat ze hem met zekere kleinachting behandelde maar hij was daar dankbaar voor. Want jonge harten voelen zich niet vernederd door de beschermende welwillendheid eener schoone vrouw.
De muziek zweeg.
--Dank u, zei mevrouw Odintsof, en stond op, u hebt beloofd, mij te bezoeken. Ik hoop, dat u dan uw vriend meebrengt. Ik ben zeer benieuwd, een man te leeren kennen, die den moed heeft aan niets te gelooven.
De goeverneur trad op mevrouw Odintsof toe, deelde haar mede, dat het souper wachtte en bood haar zakelijk den arm. Zij keek bij het weggaan nog eens naar Arkadiej om en knikte hem glimlachend toe. Hij boog diep, volgde haar met de oogen, hoe elastisch-elegant die gestalte in de zwarte zijde--en dacht: ze heeft me allang vergeten! En meteen kwam een gevoel van vrede door zijn ziel, streelend...
--En, vroeg Bazarof hem, zoodra hij terug was in hun hoekje, heb je geluk gehad? Ik heb me laten vertellen, dat die vrouw... nu ja... Trouwens, de man, die het me verzekerde, kan wel een idioot zijn. Wat denk jij? Zou ze werkelijk... hm... hm...
--Ik weet niet, wat je bedoelt met hm, hm, antwoordde Arkadiej.
--De lieve onschuld!
--Als 't zoo bedoeld is, begrijp ik je zegsman niet. Mevrouw Odintsof is charmant, maar zoo koel en stil, dat...
-- Stille wateren hebben diepe gronden, zei Bazarof. Is ze koud? Dat maakt haar belangrijk. Hou je niet van ijs, en zoo?
--Dat is best mogelijk, zei Arkadiej, ik wil daar niet over oordeelen. Maar ze wil kennis met je maken en heeft me gevraagd, je mee te brengen.
--Je hebt haar zeker fijne dingen van me verteld. Maar dat neem ik je niet kwalijk. Maar wie ze ook is, een gewone kokette of een geëmancipeerde als mevrouw Koeksjin, mooie schouders heeft ze!
Het cynische in deze woorden deed Arkadiej pijn, maar zooals meestal gooide hij het over een anderen boeg en verweet zijn vriend iets geheel anders:
--Waarom gun je den vrouwen hun recht op denken niet? vroeg hij fluisterend.
--Omdat ik gemerkt heb, dat alle vrouwen, die van dat recht gebruik maken, ware vogelverschrikkers zijn.
Hiermede eindigde het gesprek. De vrienden gingen weg onmiddellijk na het souper. Madame Koeksjin wierp hem een boos lachje toe. Zij hadden haar niet de minste oplettendheid bewezen en haar ijdelheid was beleedigd. Zij bleef tot het einde en danste nog om vier uur 's morgens met Sitnikof een polka op parijsche manier.
En met dit hartverheffende tooneel eindigde het bal bij den goeverneur.
XV.
--Ik ben nieuwsgierig te zien tot welke klasse van zoogdieren je nieuwe vriendin hoort, zei Bazarof den volgenden dag tot Arkadiej, terwijl ze de stoep van het hotel opgingen, waar mevrouw Odintsof woonde.--Ik weet het niet, maar de zaak schijnt mij niet geheel en al in den haak.
--Hoe heb ik het nu met je! riep Arkadiej uit, jij werpt je op tot het verdedigen van een burgerlijke moraal, die...
--Wat ben je toch een gekke kerel, antwoordde Bazarof onverschillig, begrijp je niet, dat "niet in den haak" juist het tegendeel beteekent? Namelijk dat er wel wat te eten zal zijn! Je hebt toch gezegd, dat ze een verstandig huwelijk gedaan heeft met een ouden rijkaard. Ik geef niets om praatjes, al neem ik aan, dat ze wel niet geheel en al zonder grond zullen zijn.
Arkadiej antwoordde niet en klopte aan de kamerdeur van mevrouw Odintsof. Een jong bediende in livrei bracht hen in een groot, slecht gemeubeld vertrek, zooals dat in Russische hôtels garnis gewoonte is. Alleen stonden hier en daar bloemen. Mevrouw Odintsof kwam spoedig binnen in morgenkleed. Ze scheen nog jonger in het morgenlicht. Arkadiej stelde haar aan Bazarof voor en tot zijn verwondering zag hij, dat zijn vriend in verwarring geraakte, terwijl zij zoo rustig was als op den avond van het bal. Bazarof gevoelde zelf, dat zijn onzekerheid zichtbaar werd en dit ergerde hem.
--Een mooie boel, dacht hij, die vrouw maakt me onrustig, en nadat hij met een air van onverschilligheid in een leunstoel plaats had genomen, zooals Sitnikof het hem niet verbeterd zou hebben, begon hij met overdreven vastheid te praten, terwijl mevrouw Odintsof hem rustig bleef aanzien.
Anna Sergejevna Odintsova was de dochter van Sergeej Nikolajevitsj Loktef, een edelman, bekend door zijn schoonheid, zijn hartstocht voor het spel en zijn handigheid in geldzaken, die na een schitterend leven, vijftien jaren lang, in Petersburg en Moscou, door allerlei bedrog en zwendel hooggehouden, volkomen geruïneerd werd en zich op het land terugtrok. Hij stierf kort daarop en liet zijn beide dochters Anna en Katharina, twintig en twaalf jaar oud, een matig inkomen na. Hun moeder, uit een vervallen vorstelijke familie gesproten, was al eerder, in den rijken, Petersburgschen tijd van haar echtgenoot gestorven. Bij den dood van haar vader bevond Anna Loktef zich in zeer moeilijke omstandigheden. De deftige opvoeding, die ze in Petersburg genoten had, was geenszins bedoeld voor de huiselijke zorgen, die haar wachtten in het armzalige provincieplaatsje. Ze kende geen buren en kon dus bij niemand om raad komen. Haar vader had alle omgang met naburige eigenaars zorgvuldig gemeden. Hij verachtte hen en zij daarom hem, ieder op zijn eigen manier. Toch verloor zij den moed niet, schreef onmiddellijk de zuster harer moeder, vorstin Avdotia Stepanovna Ch., een kwaadaardige, trotsche, oude, ongehuwde vrouw, wie zij vroeg, bij haar te komen wonen. De dame kwam en installeerde zich in het beste gedeelte van het huis. Zij maakte den geheelen dag ruzie en ging nooit uit zonder het gezelschap van haar eigen bediende, een stille, tot kamerdienaar afgerichte lijfeigene in een gele livrei met blauwe omslagen en een driekanten hoed. Anna verdroeg de grillen van haar tante geduldig, zorgde zoo goed mogelijk voor de opvoeding van haar zusje en scheen volkomen te berusten in dit eenzame, leege leven. Maar het lot wilde anders. Een zeer rijk man, zekere Odintsof, een veertiger, hypochondrisch en zonderling, dik en grof, maar niet zonder geest en overigens een eenzaam mensch, leerde haar kennen, werd verliefd en vroeg haar ten huwelijk. Zij stemde toe. Na een huwelijk van zes jaar stierf hij en vermaakte haar zijn vermogen. Anna Sergejevna bleef nog een jaar in de provincie; toen maakte ze met haar zuster een Europeesche reis, die zich echter niet verder dan Duitschland uitstrekte en keerde weldra naar het geliefde dorp Nikolskoi, in de buurt van de stad terug.