Vaders en Zonen

Part 5

Chapter 53,952 wordsPublic domain

--Dat zal ik u zeggen. Eerst hebben wij gesproken over die booswichten van ambtenaren, dat er geen wegen zijn, geen handel, geen goede rechtspraak.

--Ja, jullie zijn verklikkers. Ik ben het grootendeels wel eens met jullie kritiek, maar...

--Verder hebben we begrepen, dat het niets geeft, te praten over onze schrijnende wonden, want dat loopt toch maar uit op ordinair doctrinarisme; wij zijn overtuigd, dat onze leiders, onze "verklikkers", niets behoorlijks presteerden, behalve dwaasheden, als l'art pour l'art, het idee van de scheppende kracht, die hun zelf onbewust was, parlementarisme, de noodzakelijkheid van advocaten enzoovoort, terwijl we aan ons dagelijksch brood moesten denken, terwijl het zotste bijgeloof ons gezond verstand verstikt, terwijl al onze naamlooze vennootschappen over den kop gaan, omdat er geen eerlijke lui te vinden zijn, terwijl de opheffing der lijfeigenschap, waar de regeering zich zoo druk mee maakt, ten slotte geen goeds doet, omdat de boer nu zich zelf bestelen kan, naar de kroeg loopt en vergif zuipt.

--Juist, antwoordde Paul, juist zoo! Dat heb jullie dus allemaal ontdekt en bent toch niet van plan, iets ernstigs te ondernemen.

--Zeker zijn we dat van plan, begon Bazarof, maar hield plotseling op, zich zelf verwijtend, dat hij zooveel woorden verspild had aan dezen aristocraat.

--En jullie schelden dus voorloopig alleen maar!

--Wij schelden ook.

--En dat heet dan nihilisme?

--Ja, dat heet nihilisme, herhaalde Bazarof, maar op zeer uitdagenden toon.

Paul knipte eenigszins met de oogleden.

--Juist zoo, zei hij met vreemdrustige stem.--Het nihilisme wil dus alles genezen en jullie zijn onze redders, onze helden. Prachtig! Maar waarom schimp jullie dan zoo op de anderen die volgens jullie praters zijn? praat jullie soms niet?

--Als wij ons iets te verwijten hebben, dan is het zeker niet dit! antwoordde Bazarof tusschen zijn tanden.

--Verbeeldt jullie je dan werkelijk te handelen of ook maar eenige daad voor te bereiden?

Bazarof zweeg. Paul beefde.

--Hm. Handelen! Omverwerpen! ging hij voort.--Maar hoe kan men omverwerpen, zonder te weten waartoe?

--Wij werpen omver, omdat wij een kracht zijn, zei Arkadiej pathetisch.

Paul zag hem aan en glimlachte.

--Zeker, een kracht hoeft ook geen rekenschap af te leggen, ging Arkadiej voort en rekte zich hoog-op.

--Dwaas! riep Paul, niet in staat, zich langer te beheerschen. Als je tenminste maar rekenschap wilde geven van wat je wilt beweren met die belachelijke fraze! Dat is toch te gek! Daar is engelengeduld voor noodig, om dat allemaal te dulden! Kracht! Die hebben de Kalmukken en de Mongolen ook. Maar wat hebben wij eraan? De beschaving moet ons een dierbaar bezit zijn. Ja, heertjes, de vruchten der beschaving. En zeg me niet, dat die vruchten geen waarde hebben. De slechtste schilder, een barbouilleur, de armzaligste vedelaar, die een paar kopeken krijgt voor een heelen avond, zijn nuttiger dan jullie, omdat zij vertegenwoordigers zijn van de beschaving en niet van de brute kracht der Mongolen. Jullie verbeeldt je, vooruitstrevend te zijn, maar je hoort thuis in een Kalmukkentent. Kracht! Bedenk toch eens, heeren van de kracht, dat jullie misschien met zijn vieren bent, terwijl de anderen bij millioenen te tellen zijn en dat die jullie niet zullen toestaan, hun heiligst geloof met voeten te treden. Ze zullen jullie verpletteren!

--Als ze ons verpletteren, dan zal dat wel goed zijn, antwoordde Bazarof. Maar dat heeft mijn grootmoeder al verteld. Wij zijn veel talrijker, dan u denkt!

--Hoopt u dan werkelijk, het heele volk te bekeeren?

--U moest weten, dat een kopekekaars voldoende is, om heel Moskou in brand te steken [8], antwoordde Bazarof.

--Juist. Eerst een bijna satanische overmoed, dan domheid. Kijk nu, daarmee tracht men de jeugd te verleiden. Daarmee worden de onervaren gemoederen van zulke jongeren op hol gejaagd. Daar zit er zoo één voor ons. (Arkadiej keerde zich somber af). En het gif vreet verder en verder. Ik liet me vertellen, dat onze schilders in Rome geen voet meer in het Vatikaan zetten. Ze noemen Rafael een stumper, alleen omdat hij als autoriteit geldt, en toch zijn zij, die hem zoo noemen, de machteloosheid in persoon! Hun fantazie reikt niet verder dan het bekende "Jonge meisje aan de bron". En ook dat lijkt nog naar niets. En zulke menschen worden door jullie gewaardeerd?

--Ik voor mij geef geen kopeke om Rafaël, antwoordde Bazarof. En de anderen zijn niet veel beter.

--Bravo! Bravo! Hoor je dat, Arkadiej? Zoo drukt men zich tegenwoordig uit! O, ik begrijp wel, waarom zij zich aan jullie vastklampen. Anders moesten ze immers zien wat te leeren. Want voor domkoppen willen ze niet doorgaan. En nu kunnen ze eenvoudig zeggen: 't is immers toch allemaal onzin. U hebt reden, trotsch te zijn en gelukkig! Eerst waren jullie stumperds, maar nu zijn jullie nihilisten!

--U schijnt het begrip der persoonlijke waardigheid, waarvan u zooveel ophef maakte, wel eenigszins te verwaarloozen, antwoordde Bazarof kalm, terwijl Arkadiej bloosde van verontwaardiging en zijn voorhoofd fronste.

--We hebben ons te ver laten voeren en ik geloof, dat we beter doen, hier maar op te houden Ik zou me gewonnen geven, als u me maar éen enkele instelling in onze maatschappij zoudt kunnen aanwijzen, die niet met bekwamen spoed en zonder erbarmen afgemaakt moest worden.

--Tallooze zou ik u kunnen noemen, tallooze, riep Paul. Neem bijvoorbeeld de dorpseenheid.

Een kille glimlach vloog over Bazarofs gezicht.

--Over ons dorpswezen moest u liever eens met uw broeder spreken, antwoordde hij. Hij weet beter dan ik, wat te zeggen van het gemeenschapsgevoel der boeren, hun "matigheidsvereenigingen" en dergelijke grappen meer.

--En de familie, de familie zooals die nog bij het landvolk bestaat!

--Dat is weer een onderwerp, waarop u maar liever niet moest doorgaan. Volgt u mijn raad, Paul Petrowitsj, en denk daar eens een paar dagen over na. Zoo dadelijk zult u wel niets weten. Ga eens al onze standen één voor één na. Intusschen zullen Arkadiej en ik...

--Alles belachelijk maken, viel Paul hem in de rede.

--Neen, wij zullen ons tevreden stellen met het onderzoeken van kikvorschen. Ga je mee, Arkadiej! Tot ziens, heeren!

De vrienden gingen heen. Paul bleef met zijn broeder alleen, zij keken elkaar zwijgend aan. Toen begon Paul eindelijk:

--Zoover is het dus al met onze jeugd! Dat zijn onze opvolgers!

--Onze opvolgers! herhaalde Kirsanof en zuchtte diep. Hij had al dien tijd als op heete kolen gezeten en slechts nu en dan zijn zoon meewarig aangekeken.

--Weet je, waar me dat alles aan doet denken, broeder? Eens op een avond had ik woorden met moeder. Nog al heftig. Ze schreeuwde en wilde niet naar mij luisteren. Eindelijk zei ik: u kunt me niet begrijpen, wij zijn van twee verschillende generaties! Die woorden deden haar pijn. Maar ze zei: Wat is daaraan te doen? Het is hard, maar we moeten het dragen. En zoo komen nu ook onze kinderen zeggen: jullie bent van een ander geslacht. Slik de pil!

--Je bent te bescheiden, te goed, antwoordde Paul, ik ben overtuigd, dat wij gelijk hebben en niet de kinderen, al klinkt onze taal een beetje ouderwetsch en al bezitten wij niet de zelfoverschatting der jongeren... Buitendien zijn ze zoo onecht. Vraag aan tafel: wilt u rooden of witten wijn? En ze antwoorden: Ik drink principieel rooden! en dat met een gewichtigheid, alsof het heil der menschheid daarvan afhing!

--Wilt u geen thee meer? vroeg Fenitsjka door de half-open deur. Ze had gedurende de woordenwisseling niet binnen willen komen.

--Nee, neem den samowaar maar weg, antwoordde Nikolaas, stond op en verliet den salon. Paul zei kort bonsoir en zocht zijn kamer op.

XI.

Een half uur later ging Nikolaas den tuin in naar zijn geliefd boschje, zware gedachten kwelden hem. Voor het eerst had hij de kloof overzien, die hem van zijn zoon scheidde. Hij vreesde, dat die met den dag wijder zou worden. Zijn verblijf in Petersburg, zijn lezen van de nieuwe werken had dus niet gebaat. Vergeefs dus had hij geluisterd naar de gesprekken der jongeren. Vergeefs getracht, in hun gedachteleven door te dringen. Mijn broeder beweert, dat wij gelijk hebben, dacht hij, en inderdaad, afgezien van alle eigenliefde, schijnen zij verder van de waarheid dan wij. En toch, zij hebben iets, dat wij missen, een zeker overwicht, een kracht... Zou dat de jeugd zijn? Neen, niet alleen. Hun overwicht ligt hierin, dat ze minder belast zijn met de tradities der heeren.

Ze verachten de poëzie! zei hij tot zich zelf en schudde het hoofd.--Niets voelen voor kunst, voor de natuur?... Hij keek om zich heen, alsof hij wilde begrijpen, hoe het mogelijk was, dat men de natuur niet liefhebben kon. De schemering viel. De zon was achter een populieren boschje verborgen, dit stond een halve werst van den tuin verwijderd en wierp lange schaduwen over het land. Een boer draafde op een schimmel het pad langs den woudrand af. Hij was scherp te zien, zelfs een anderskleurige lap op den schouder van zijn kaftan. De beenen van het paard bewogen in aangenamen regelmaat en sierlijk. De stralen der zon drongen door het loof en tintten de boomen met warmen toon, zoodat het hooge, stille sparren geleken en de hemel stond bleek-rozig, strak over het land. De zwaluwen vlogen heel hoog, wind was er bijna niet. Wat late bijen zoemden zwakjes, slaperig langs de vlierbloesems en een zwerm muggen danste boven een eenzaam-uitstekenden tak.

--Hoe heerlijk, mijn God, dacht hij, en geliefde verzen, wilden hem over de lippen komen, maar hij dacht aan zijn zoon, aan "Kracht en Stof" en hield zich stil. Toch bleef hij zitten en gaf zich over aan het teedere, droeve genot van eenzaam droomen. Het landleven had hem dat geleerd... Hoelang was het nu geleden, dat hij in die herberg aan den straatweg wachtte op zijn zoon, en hoeveel was er veranderd sedert dien? Toen kende hij nog niet zijn verhouding tot den zoon... en nu... ja... Het beeld van zijn vrouw verscheen voor hem, niet zooals zij in haar laatste jaren was geweest, goede, opgeruimde, welwillende huisvrouw, maar als jong meisje, slank, met vragenden blik, onschuldig, het haar in dikke vlechten, zooals hij haar voor de eerste maal had gezien, toen hij college liep. Toen hij haar ontmoette op de trap van het huis, waar hij woonde, stootte hij haar en zei verlegen: pardon, monsieur... Zij glimlachte, en liep opeens, als verschrikt, hard weg. Maar op het portaal keek ze hem even aan, ernstig en kreeg een kleur. En het aarzelende samenzijn begon, de halve woorden, lachjes, de uren van twijfel en wanhoop, de uren van zaligheid en eindelijk het overstelpende, dronken makende geluk... wat was van dit alles geworden? Zij werd zijn vrouw, hij was gelukkig, als weinigen op aarde... maar toch... niets is te vergelijken met die eerste heilige oogenblikken... waarom kunnen die niet duren... tot aan den dood?...

Hij trachtte niet verder te weven aan deze gedachte. Vasthouden wilde hij dien tijd met sterker banden dan die der herinnering. Hij wilde haar weer naast zich weten, haar adem voelen, haar wangen streelen, en bijna was het, of boven zijn hoofd haar...

--Nikolaas Petrowitsj, vleide Fenitsjka's stem naast hem, waar ben je toch?

Hij trilde plotseling. Geen berouw of schaamte was dat gevoel, hij had er nooit aan gedacht, vergelijkingen te maken tusschen zijn vrouw en Fenitsjka. Maar het was pijnlijk, dat zij nu juist komen moest. Haar stem herinnerde hem zijn grijze haren, zijn vroeg-oud zijn, zijn tegenwoordigen toestand, en de droomwereld, waarin hij zich had laten gaan op de bleeke nevels van het verleden, vervaagde en verdween.

--Ik zit hier, antwoordde hij, ik kom dadelijk, ga maar vast...

Dat zijn nu de tradities der heeren, van zooeven, dacht hij.

Fenitsjka keek eerst nog in het boschje en verwijderde zich toen. Nu bemerkte hij pas, dat de nacht hem overrompeld had. Rondom was het donker en stil en Fenitsjka's gezichtje was zoo bleek en teer geweest, die enkele oogenblikken. Hij stond op, om naar huis te gaan. Maar zijn bewogen hart was nog niet tot rust gekomen en langzaam liep hij heen en weer in den tuin, keek nu eens omlaag, dan weer omhoog naar den hemel, die vol sterren stond. Langen tijd ging hij zoo, tot hij moe werd, en kon niet tot rust geraken. Wat zou Bazarof hem uitgelachen hebben, als hij hem zoo had gezien! Ook zijn zoon zou hem hebben bespot. Zijn oogen stonden vol tranen en hij bleef weenen, weenen, waarom?... dat was toch schandelijk voor een man van veertig jaar, een landeigenaar en landbouwkundige, veel, veel erger dan cellospelen... Nikolaas Petrowitsj doolde, doolde en kon niet besluiten, naar huis te gaan, het huis, dat hem vriendelijk wenkte met zijn verlichte vensters. Hij kon den moed niet vinden, den donkeren tuin te verlaten, de koele lucht, die zijn voorhoofd streelde, deze teer-droeve stemming...

Daar trad Paul Petrowitsj op hem toe.

--Wat doe je toch? vroeg hij, je bent bleek als een spook. Voel je je ziek? Je moest naar bed gaan.

Nikolaas sprak hem van zijn gedachten en gevoelens en ging in huis. Paul bleef in den tuin. Ook hij begon te peinzen en sloeg de oogen ten hemel. Maar hij was geen romanticus. Zijn oogen weerspiegelden koel en klaar de sterren, geen tranen, geen droomen, die niet bij zijn hartstochtelijk wezen pasten. Hij was een man van de daad, van het proza, hoe gevoelig ook voor teere dingen, vijandig gezind aan de menschen, op de manier der Fransche misanthropische ziel...

--Weet je wat? ik heb een idee, zei Bazarof dienzelfden avond tegen zijn vriend. Je vader vertelde, dat hij een uitnoodiging ontvangen had van jullie neef. Hij wil niet gaan. Hoe zou je erover denken als wij eens gingen?... Voor jou is de invitatie ook. Je ziet, hoe het hier gesteld is. De reis zal ons goed doen. Wij zien de stad. Het kost ons hoogstens een dag of zes.

--En kom je dan weer mee terug?

--Nee, ik moet naar mijn vader. Hij woont een dertig werst van de stad. Ik heb de ouwelui in lang niet gezien. Ik moet hun dat genoegen eens doen. Het zijn beste menschen en mijn vader is een grappenmaker. En bovendien ben ik eenig kind.

--Blijf je lang?

--Ik denk het niet. Ik zal me daar wel vervelen.

--Kom je op de terugreis dan nog langs?

--Dat hangt van er af. Ik weet nog niet. En? Hoe denk je er over? Goed?

--Goed, antwoordde Arkadiej, onverschillig.

Eigenlijk was hij zeer tevreden met den voorslag van zijn vriend. Maar hij wilde het niet laten merken. Dat hoorde zoo voor een echten nihilist.

Den dag daarop reisden zij naar de stad.

Op Marjino vonden de jonge menschen hun afwezigheid onaangenaam. Doeniasja weende zelfs. Maar "de ouden" zooals Bazarof hen noemde, herademden.

XII.

Goeverneur van de stad *., waar beide vrienden heen gingen, was een jonge man, die, zooals zulks in Rusland dikwijls het geval is, tegelijk vooruitstrevend en despoot genoemd kon worden. In het eerste jaar van zijn ambtsaanvaarding reeds was hij zoo handig geweest, niet alleen met den oudste van den adel, een gepensioneerden ritmeester-stafofficier, tevens paardenfokker en zeer gastvrij mensch in conflict te komen, maar evenzeer met zijn eigen ambtenaren. De geschillen, uit dezen toestand gerezen, hadden zulk een omvang aangenomen, dat de minister zich genoopt zag, een man van vertrouwen te zenden, ten einde de zaken weer vlot te krijgen. De keuze was gevallen op Matthias Ilitsj Koliazin, de zoon van dien Koliazin, die weleer voogd over de gebroeders Kirsanof was geweest. Hij was een ambtenaar der jongere school, ofschoon reeds over de veertig. Hij was echter vast voornemens, een staatsman te worden en prijkte dan ook reeds met twee sterren op de borst, waarvan de eene trouwens niet veel te beteekenen had, een buitenlandsch, weinig geacht ordeteeken. Evenals de goeverneur, gold hij als een man van den vooruitgang, had reeds grooten invloed, maar was toch geheel anders als andere ambtenaren van zijn rang. Wel had hij een zeer grooten dunk van zich zelf en was hij grenzenloos ijdel, maar zijn manieren waren eenvoudig en er lag iets aangenaams in zijn blik. Hij luisterde altijd zeer welwillend toe en lachte zoo goedig, dat men hem bij eerste kennismaking voor "een wonderlijk mensch" hield. In belangrijke zaken wist hij echter gewetenloos streng op te treden.

--Energie is noodzakelijk, placht hij te zeggen, "l'énergie est la première qualité d'un homme d'état". Toch kon elk min of meer geslepen ambtenaar hem gemakkelijk om den tuin leiden en werd hij telkens bedrogen. Matthias Ilitsj maakte veel werk van Guizot en deed zijn best, ieder, die hem wilde aanhooren, te overtuigen, dat hij niet tot die bekrompen-achterlijke mannen behoorde, die routine- en gewoontemenschen, zooals er zoovelen zijn, en dat geen enkele der groote maatschappelijke bewegingen aan zijn aandacht en belangstelling ontsnapte. Hij hield van die groote woorden en volgde eveneens de literaire beweging, maar met een soort superieure minachting, ongeveer zooals een man op leeftijd het spel van straatjongens gadeslaat. In facto was Matthias Ilitsj niet zooveel verder dan de staatslieden uit den tijd van Alexander I, die, wanneer ze 's avonds een soireé bij mevrouw Swetsjiena moesten bijwonen, 's morgens een hoofdstuk uit Condillac lazen. Alleen zijn manieren waren wat moderner. Hij was een handig hoveling, een sluwerd, zonder meer. Van staatszaken begreep hij weinig, en geest bezat hij niet. Zijn eigen belangen echter waren hem wel bewust. Hierin kon niemand hem bedriegen en dit is een talent, waardoor hij toch eenige verdienste had.

Matthias Ilitsj ontving Arkadiej met welwillendheid, volkomen passend bij een verlicht ambtenaar van zijn slag; bijna vroolijk ontving hij hem. De mededeeling echter, dat de beide andere heeren niet zouden verschijnen, ontstemde hem min of meer.

--Je papa is altijd een type geweest, zei hij, en liet de kwasten van zijn fluweelen morgenjas door de vingers glijden. Daarop wendde hij zich tot een jong ambtenaar in streng toegeknoopt interimsuniform en snauwde hem af:

--Wat moet u daar?

De jonge man, die lang gezwegen had, richtte zich op en keek zijn meerdere met een uitdrukking van verbazing aan. Matthias Ilitsj echter deed reeds weer, of hij niet bestond. Onze hoofdambtenaren houden er wel van, hun ondergeschikten te overbluffen, maar ze doen dat op verschillende manieren. Een zeer geliefd middel bijvoorbeeld, a quite favourite, zooals de Engelschman zegt, is dit: de ambtenaar verstaat plotseling geen enkel woord meer, alsof hij met doofheid geslagen is. Hij vraagt, welke dag het is. Men antwoordt onderdanig:

--Vrijdag, Uw Excellentie!

--Hè, wat? Wat is?--Zei je iets? antwoordt hij dan.

--Het is vandaag Vrijdag, Uw Excellentie.

--Hè, wat, wat is er met Vrijdag? Wat voor een Vrijdag?

--Vrijdag, Uw Excellentie, het is Vrijdag, een weekdag.

--Wat, ondersta jij je, mij een lesje te willen geven?

Zulk een hoofdambtenaar was Mathias Ilitsj, ten spijt van zijn liberale denkbeelden.

--Ik raad je aan, mijn beste, zei hij tot Arkadiej, den goeverneur een bezoek te brengen. Je moet me goed begrijpen. Als ik je dien raad geef, moet je niet denken, dat ik wil, dat je autoriteiten het hof zoudt maken. Maar de goeverneur is een man van de wereld. En buitendien zul je toch wel van plan zijn, je in onze kringen te laten introduceeren. Ik hoop, dat je geen beer bent. De goeverneur geeft overmorgen een groot bal.

--Denkt u daar ook heen te gaan? vroeg Arkadiej.

--Hij geeft het ter mijner eer, zei Mathias Ilitsj op bijna medelijdenden toon, je danst toch?

--Ja, maar niet goed.

--Des te erger voor jou. Er komen een paar mooie vrouwen. En buitendien is het een schande voor een jongen man, als hij niet kan dansen. Ik herhaal, ik zeg dat niet uit voorliefde voor het oude, ik vind volstrekt niet, dat de geest in de beenen zit, maar het byronisme vind ik belachelijk, dat is overwonnen!

--Denkt u dan, oom, dat het byronisme...

--Ik zal je in kennis brengen met onze dames. Ik zal je onder mijn bescherming nemen, antwoordde Mathias Ilitsj met welwillenden glimlach.

Een dienaar diende den president der kamer van financiën aan, een oude man met honig-zoeten blik en ingevallen lippen, die met de natuur dweepte, vooral in den zomer, wanneer, zooals hij zei, "het vlijtige bijtje haar dropje zuigt uit elk bloempje."

Arkadiej trok zich terug. Hij vond Bazarof in het hotel, waar ze hun intrek genomen hadden en deze liet zich overhalen, mee naar den goeverneur te gaan.

--Voor mijn part dan, zei hij, als men den pink gegeven heeft, moet men ook de heele hand reiken. Wij zijn gekomen om de heeren grondeigenaren te leeren kennen.--Vooruit dan.

De goeverneur ontving de jonge lieden vriendelijk, maar hij noodigde ze niet uit te gaan zitten, en bleef zelf ook staan. Hij had het altijd gewichtig en druk. Zoodra hij opgestaan was, stak hij zich in ambtsuniform met nauwsluitende das en gunde zich nauwelijks tijd te ontbijten, om toch maar niets van zijn zaken te verzuimen. Hij werd in het goevernement Boerdaloe genoemd; dit was geen toespeling op den beroemden Franschen prediker, maar werd afgeleid van het woord bourde, dat praatje beduidt. Hij noodigde Arkadiej en Bazarof op zijn bal, herhaalde de uitnoodiging eenige minuten later, hield de vrienden voor broeders en gaf hun den naam Kaisarof.

Toen ze het huis des goeverneurs verlieten, kwam er een rijtuig aan, dat plotseling stil hield. Een jonge man van gemiddelde gestalte sprong eruit en riep "Jevgeni Wassilitsj!" terwijl hij op Bazarof afkwam. Hij droeg een Poolsche lange jas op de wijze der Slavofielen.

--Hé, bent u het, mijnheer Sitnikof, zei Bazarof, zonder te blijven staan. Wat voert u hier?

--Een toeval, antwoordde hij, keerde zich naar het rijtuig, wenkte vijf, zes maal met de hand en riep: Volgen! Volgen!--Mijn vader, ging hij voort, heeft hier zaken en verzocht mij... ik hoorde vandaag, dat u ook hier bent, en kom juist van uw hotel. (Inderdaad vonden de vrienden een omgebogen visitekaartje, bij thuiskomst in hun hotel, met den naam van Sitnikof in latijnsche en slavische letters.) Ik hoop, dat u nog niet bij den goeverneur bent geweest?

--Hoopt u van niet? Wij komen er juist vandaan.

--Dan ga ik er ook heen. Eugène Wassiljewitsj, stel me toch voor aan dezen heer.

--Sitnikof--Kirsanof, mompelde Bazarof zonder te blijven staan.

--Aangenaam, begon Sitnikof, met vriendelijken glimlach tot Arkadiej, terwijl hij zijn zeer elegante handschoenen uittrok,--ik heb al veel over u hooren spreken. Ik ben een oud vriend van Eugène Wassiljewitsj en mag me zelfs zijn leerling noemen. Hem heb ik mijn moderne inzichten te danken.

Arkadiej keek den modernen leerling van Bazarof eens aan. Zijn klein, glad geschoren gezicht en regelmatige trekken drukten iets onrustigs, ingespannens, maar tegelijk iets geborneerds uit. Zijn oogen keken star en onvast tegelijk, zelfs zijn korte-droge lach had iets onzekers, verwards.

--U zoudt het niet gelooven, ging hij voort, toen Eugène Wassiljewitsj mij voor de eerste maal verklaarde, dat er geen autoriteit erkend behoefde te worden, gevoelde ik een blijdschap, een bevrijding, alsof ik herboren was. Eindelijk een man, dacht ik.--Zeg eens, Eugène Wassiljewitsj, je moet vooral een dame bezoeken hier, die heelemaal op jouw hoogte staat en die gelukkig zal zijn kennis met je te maken. Je moet zeker al van haar gehoord hebben.

--Wie is het dan? vroeg Bazarof verveeld.

--Koeksjina, Eudoxia Koeksjina. Een merkwaardige vrouw, geëmancipeerd in den volsten zin van het woord, een vrouw van den vooruitgang in ieder opzicht. Laten we dadelijk alle drie naar haar toe gaan, ze woont hier vlak bij. We drinken bij haar koffie... of heb jullie al koffie gedronken?

--Neen.

--Uitmuntend. Ze leeft natuurlijk gescheiden van haar man en is onafhankelijk.

--Is ze mooi? vroeg Bazarof.

--Nee, dat kan ik niet zeggen.

--Wat moeten we dan in Gods naam bij haar uitvoeren?

--Geen grapjes. Ze zal champagne schenken.

--Hm. De praktische man komt om den hoek kijken. Apropos, doet je vader nog altijd in brandewijn?